[Inhoud]

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

OVER HETZELFDE ONDERWERP.

Fergus Mac-Ivor bezat te veel tact en kiesch gevoel, om het gesprek, dat hij afgebroken had, weer op te vatten. Zijn hoofd was, of scheen zoo vervuld te zijn met geweeren, sabels, mutsen en dergelijke, dat Waverley, gedurende eenigen tijd, zijn oplettendheid tot niets anders bepalen kon.

„Zijt ge voornemens al zoo spoedig te veld te trekken, Fergus, dat ge al deze oorlogzuchtige toebereidselen maakt?”

„Als wij het eens geworden zijn, dat gij met mij gaat, zult gij alles weten; anders zou deze kennis u lichtelijk schaden.”

„Maar hebt gij ernstig voorgenomen, om met zulk een geringe macht, tegen een gevestigd bewind op te staan? Het is waarlijk razernij.”

Laissez faire à Don Antoine.” – Ik zal voor mijzelven zorgen. Wij zullen ten minste de beleefdheid van Conan in praktijk brengen, die nooit een slag kreeg, of hij gaf er een terug. Ik zou echter niet graag willen,” vervolgde het Opperhoofd, „dat gij mij voor dwaas genoeg aanzaagt, om mij in beweging te zetten, vóór dat de gelegenheid gunstig is; ik zal [144]mijn hond niet losmaken, voor dat het wild opgejaagd is. – Maar nog eens, als gij u bij ons voegen wilt, zult ge alles weten.”

„Hoe kan ik dat doen?” zeide Waverley, „ik, die nog zoo kort geleden den officiersrang bekleedde, waartoe de aanstelling thans op de terugreis is tot hen, die ze mij schonken. Door ze eenmaal aan te nemen, heb ik, onrechtstreeks mijne getrouwheid aan en mijne erkenning van de wettigheid des bewinds bezworen.”

„Een overhaaste belofte is geen stalen handboei;1 zij kan afgeschud worden, vooral wanneer ze bedriegelijk uitgelokt en met beleediging vergolden werd. Maar als gij niet terstond tot een schitterende wraak kunt besluiten, keer dan naar Engeland terug, en eer gij de Tweed over zijt, zult ge tijdingen hooren, waarvan de wereld gewagen zal; en zoo Sir Everhard de moedige, oude Cavalier is, voor wien hem eenige onzer „eerlijke2 heeren van het jaar zeventien honderd vijftien houden, zal hij wel een betere compagnie ruiterij en een betere zaak voor u opsporen, dan die gij verloren hebt.”

„Maar uwe zuster, Fergus?”

„Scheer u weg, booze geest!” hernam het Opperhoofd lachend, „waarom kwelt gij dezen jongeling! – Spreekt ge van niets dan van de vrouwen?”

„Laat ons ernstig spreken, waarde vriend; ik voel dat het geluk van mijn volgend leven zal afhangen van het antwoord van freule Mac-Ivor, op hetgeen ik mij heden morgen verstoutte haar te zeggen.”

„En is u dit inderdaad volkomen ernst,” zeide Fergus, „of dwalen wij rond in het rijk der verdichting?”

„Volstrekt niet! Hoe kunt ge veronderstellen dat ik over zoo iets zou schertsen?”

„Dan ben ik, in goeden ernst, zeer verheugd dit te hooren: en ik heb zulk een hoog denkbeeld van Flora, dat ge de eenige man in Engeland zijt, wien ik dit zeggen zou. – Maar, alvorens ge mijn hand met zoo veel vuur drukt, valt er meer te overwegen. – Uwe familie –, zal ze goedkeuren dat ge u verbindt met de zuster van een hooggeboren Hooglandschen bedelaar?”

„De omstandigheden van mijn oom, zijn algemeene denkwijze, en zijn toegevendheid, vergunnen mij te zeggen, dat geboorte en persoonlijke begaafdheden alles zouden zijn, waarop hij bij zulk een verbindtenis zien zou. En waar kan ik beide in zulke hooge mate vereenigd vinden als bij uwe zuster?”

„o Nergens! – cela va sans dire! Maar uw vader zal aanspraak maken op het vaderlijk recht, van geraadpleegd te worden.”

„Zeker! Maar de breuk die onlangs plaats gehad heeft tusschen hem en de heerschende partij, verbant alle vrees voor tegenstand van zijn kant, te meer daar ik overtuigd ben, dat mijn oom met vuur mijn zaak bepleiten zal.”

„De godsdienst misschien – ofschoon wij niet fanatiek katholiek zijn.”

„Mijn moeder was van de Roomsche Kerk, en haar godsdienst gaf nooit eenigen aanstoot bij mijn familie. Denk niet om mijn familie, [145]waarde Fergus! Laat mij liever, uw invloed inroepen, waar die wellicht noodiger zijn zal om zwarigheden uit den weg te ruimen – ik bedoel, bij uwe beminnelijke zuster.”

„Mijn beminnelijke zuster,” hernam, Fergus, „is, even als haar beminnende broeder, best in staat, om een vrij stelligen eigen wil te hebben, waarnaar gij u, in dit geval, moet schikken; maar het zal aan mijne deelneming en mijn raad niet ontbreken. En, in de eerste plaats, wil ik u éen wenk geven. – Getrouwheid aan het huis der Stuarts is haar heerschende hartstocht. Van het oogenblik af dat zij een Engelsch boek lezen kon, is ze verliefd geweest op de nagedachtenis van den dapperen kapitein Wogan, die den dienst van den overheerscher Cromwell vaarwel zeide, om zich onder den standaard van Karel II te scharen; met een handvol ruiterij van Londen naar de Hooglanden trok, om zich bij Middleton te voegen, die destijds voor den Koning streed, en ten laatste roemrijk sneuvelde voor de koninklijke zaak. Verzoek haar u de verzen te laten zien, door haar op deze geschiedenis vervaardigd; ze hebben, ik verzeker het u, niet weinig bewondering ingeoogst. Het voornaamste daarna is – mij dunkt, ik heb Flora, een poos geleden, naar den waterval zien opwandelen – volg haar na! man, volg haar! – laat het garnizoen geen tijd, om in het opgevatte voornemen van tegenstand bevestigd te worden – Alerte à la muraille! Ga Flora opzoeken, en verneem haar besluit zoo spoedig mogelijk. Moge Cupido met u zijn; terwijl ik ga, om sabelriemen en patroontasschen na te zien.”

Waverley sloeg het dal in met een beangst en kloppend hart. De liefde, met al haar nasleep van vrees, hoop en wenschen, kampte in hem met andere aandoeningen, van een minder gemakkelijk te omschrijven aard. Hij kon niet nalaten te overdenken, hoezeer deze morgen zijn lot veranderd had, en in welk een stroom van moeielijke omstandigheden hij zich waarschijnlijk ging storten. De opgaande zon had hem nog begroet als bezitter van een aanzienlijken rang bij het leger, terwijl zijn vader, naar allen schijn, snel in de gunst van zijn Souverein klom; dit een en ander was voorbijgegaan als een droom – hij zelf was onteerd, zijn vader gevallen, en hij was onwillekeurig, zoo niet de medeplichtige dan toch ten minste vertrouwd geworden met duistere, ver strekkende en gevaarlijke ontwerpen, die òf de omverwerping moesten te weeg brengen van het Bewind, dat hij nog kort geleden gediend had, òf den ondergang van allen, die daarin gedeeld hadden. Al luidde Flora’s antwoord ook gunstig voor zijn aanzoek, welk vooruitzicht bestond er, dat het tot een gelukkige uitkomst zou leiden, te midden van het gewoel van een dreigenden opstand? Of mocht hij zoo eigenbatig zijn, om haar voor te stellen, Fergus te verlaten, aan wien ze zóó gehecht was, en zich met hem naar Engeland te begeven, om daar uit de verte de toeschouwster te zijn van het welslagen van haars broeders onderneming, of wel er de verwoesting van al zijn uitzichten en bezittingen, af te wachten? – En, aan den anderen kant, zou hij zich alléen, zonder anderen bijstand, met de gevaarlijke en overhaaste overleggingen van het Opperhoofd inlaten? – zou hij zich door hem laten meêslepen en als deelgenoot van al zijn wanhopige en geweldige ondernemingen, bijna geheel afstand doen van het recht om zelf te oordeelen of over de eerlijkheid en wijsheid zijner eigene handelingen! – Dit uitzicht was te vernederend voor Waverley’s fierheid om er lang bij te verwijlen. En [146]toch, er bleef geen andere keuze over, zoo niet het afwijzen van zijn aanzoek door Flora, een keus, waaraan in zijn tegenwoordigen opgewonden toestand, niet gedacht kon worden, zonder bijkans gevaar te loopen van krankzinnig te worden. Terwijl hij op deze wijze het onzekere en gevaarlijke zijner vooruitzichten, overwoog, bereikte hij eindelijk den waterval, waar hij, gelijk Fergus voorspeld had, Flora vond.

Zij was geheel alleen, en zoodra ze hem zag naderen, stond ze op en ging hem te gemoet. Eduard poogde iets te zeggen, dat binnen de perken van de gewone beleefdheid en in den dagelijkschen gezelschapstoon lag, maar bemerkte dat dit zijn krachten te boven ging. Flora scheen in den beginne evenzeer verlegen, maar herstelde zich spoediger, en (een ongunstig teeken voor Waverley) was de eerste die het onderwerp van hunne laatste ontmoeting opvatte. „Het is, uit welk oogpunt ook beschouwd, te belangrijk, mijnheer Waverley, dan dat ik mij zou veroorloven u in het onzekere te laten omtrent mijn gevoelens.”

„Spreek ze niet te spoedig uit,” zeide Waverley met innige ontroering, „of ze moesten zoodanig zijn, als ik, uit uwe houding, niet durf hopen. Laat de tijd – laat mijn gedrag – laat uws broeders raad –”

„Vergeef mij, mijnheer Waverley,” zei Flora, met eenigszins verhoogde kleur, maar op vasten en bedaarden toon; „maar ik zou de zwaarste schuld op mij laden, indien ik draalde u mijn oprechte overtuiging te doen kennen, dat ik u nooit andere gevoelens kan toedragen dan die eener vriendin. Ik zou u het grootste onrecht doen, indien ik dit slechts éen oogenblik verzweeg. – Ik zie dat deze bekentenis u leed doet, en dit bedroeft mij, maar beter nu dan later; en, o! duizend malen beter, mijnheer Waverley, dat gij thans een voorbijgaande teleurstelling gevoelt, dan die lange, aan het hart knagende grieven, die de gevolgen zijn van een overhaast en ongelukkig huwelijk.”

„Gerechte hemel! Maar waarom zoudt gij zulke gevolgen veronderstellen van een vereeniging, waar de geboorte gelijk, waar de fortuin gunstig is, waar, zoo ik mij verstouten mag dit te zeggen, de smaak genoegzaam overeenstemt, waar gij geen voorkeur voor een ander aanvoert, en zelfs een gunstig gevoelen uit van hem, dien zij afwijst.”

„Mijnheer Waverley, ik: koester dat gunstig gevoelen, en zoo sterk, dat, schoon ik liever had willen zwijgen omtrent de gronden van mijn besluit, gij ze vernemen kunt, zoo gij dat blijk van mijn achting en vertrouwen verlangt.”

Zij zette zich op een rotsblok neder, en terwijl Waverley naast haar plaats nam, drong hij, schoon eenigszins schroomvallig, op de hem aangeboden verklaring aan.

„Ik durf u,” zeide zij, „mijne gevoelens en gewaarwordingen nauwelijks blootleggen, daar ze zoo geheel verschillen van die welke men doorgaans aan jonge meisjes van mijn jaren toeschrijft. Ik durf ternauwernood van de uwen spreken, uit vrees van aanstoot te geven, waar ik gaarne troost wensch te verleenen. Wat mijzelve betreft, van mijn kindsheid af tot op dezen dag, heb ik maar éen wensch gehad – namelijk: de herstelling mijner koninklijke weldoeners op hun rechtmatigen troon. Het is onmogelijk u mijn geestdrift op dit punt te doen kennen, en ik zeg openhartig, dat het mij zoo geheel heeft bezield, dat het alle gedachten aan mijn eigene positie in de wereld buitensluit. Laat mij slechts leven om den gelukkigen dag dier herstelling te zien; [147]en een Hooglandsche hut, een Fransch klooster of een Engelsch paleis zal mij even onverschillig zijn.”

„Maar, liefste Flora, waarom is uw geestdrift voor de verbannen familie onbestaanbaar met mijn geluk?”

„Omdat gij in het voorwerp uwer genegenheid een hart zoekt, of behoort te zoeken, welks voornaamste genot bestaat in de vermeerdering van uw huiselijk geluk en in de beantwoording uwer liefde, zelfs tot in het overdrevene toe. Aan een man van minder fijn gevoel, en minder warme weekheid van hart, zou Flora Mac-Ivor voldoening, zoo al geen geluk, kunnen schenken; want, waren de onherroepelijke woorden gesproken, nooit zou ze te kort schieten in de plichten, die ze op zich genomen had.”

„En waarom, – waarom, freule Mac-Ivor, zoudt ge u een rijker schat achten voor iemand, die minder in staat is u te beminnen en te bewonderen, dan ik?”

„Eenvoudig, omdat de aard onzer genegenheid meer in overeenstemming zijn zou, en omdat zijn mindere hartstochtelijkheid die vurige wederliefde niet zou vorderen, die ik niet in staat ben te schenken. Maar gij, mijnheer Waverley, gij zoudt altijd van het huiselijk geluk alles vorderen wat uw verbeelding u voorspiegelt, en alles wat bij die ideale voorstelling te kort schoot, zou als koelheid en onverschilligheid worden aangemerkt; terwijl gij de geestdrift, waarmede ik het lot der koninklijke familie naga, zoudt beschouwen als een roof gepleegd aan de wederliefde die ik u verschuldigd zou zijn.”

„Met andere woorden, freule Mac-Ivor, gij kunt mij niet beminnen?” zei Eduard ter neêrgeslagen.

„Ik zou u even zeer en misschien meer dan eenig man, dien ik ooit gezien heb, kunnen hoogachten, mijnheer Waverley, maar ik kan u niet beminnen, zoo als gij moet bemind worden. O! verlang, om uw eigen wil, zulk een gevaarlijke proef niet. De vrouw, die gij huwt, moet hare neigingen en gevoelens, naar de uwen wijzigen. Haar gedachten moeten uwe gedachten zijn; – haar wenschen, haar gewaarwordingen, haar hoop en haar vrees, moeten alle met de uwen inéensmelten. Zij moet uwen genoegens verhoogen, uwe zorgen met u deelen en u opbeuren als ge droefgeestig zijt.”

„En waarom wilt ge, freule Mac-Ivor, die een gelukkige echtvereeniging zoo goed weet te beschrijven, niet zelve de persoon zijn, die gij beschrijft?”

„Is het mogelijk dat ge mij nog niet begrijpt? Heb ik u niet gezegd, dat al mijne gedachten zich enkel en alleen bepalen tot een gebeurtenis, waarop ik inderdaad geen anderen invloed bezit, dan dien welken mijne vurige beden mogen uitoefenen.”

„En zou niet het inwilligen van mijn verzoek” zeide Waverley, „zelfs de zaak kunnen bevorderen, waaraan ge u zoo geheel hebt gewijd? Mijn familie is rijk en machtig; in haar beginselen het huis van Stuart genegen, en mocht eenige gunstige gelegenheid –”

„Een gunstige gelegenheid!” hernam Flora, min of meer met trotsche verachting. – In haar beginselen! – Kan zulk eene lauwe welwillendheid eervol zijn voor u zelven, of aangenaam aan uw wettigen Souverein! – Bereken naar mijn tegenwoordig gevoel, wat ik te lijden zou hebben, als ik lid was eener familie, bij welke de rechten die ik voor de heiligste [148]houd, onderworpen worden aan koele berekening, en slechts dan ondersteuning waardig geacht worden, als het blijkt dat ze op het punt zijn, om ook zonder deze te zegepralen!”

„Uwe twijfelingen,” antwoordde Waverley met levendigheid, „zijn onrechtvaardig, voor zoo veel mij betreft. De zaak, welke ik omhelzen zal, zal ik, trots alle gevaren, blijven voorstaan, even onversaagd als de stoutmoedigste, die ooit het zwaard daarvoor trok.”

„Daaraan,” antwoordde Flora, „kan ik zelfs geen oogenblik twijfelen. Maar raadpleeg uw eigen gezond verstand liever, dan een in der haast opgevatte ingenomenheid, waarschijnlijk alleen, omdat gij een jong meisje, met de gewone begaafdheden eener beschaafde opvoeding bedeeld, in een afgelegen en romantische landstreek ontmoet hebt. Laat uw deelgenootschap aan dat groot en gevaarlijk drama op overtuiging berusten, en niet op een hartstochtelijk, en misschien wel voorbijgaand gevoel.”

Waverley poogde te antwoorden; maar de woorden ontbraken hem. De door Flora geuite gevoelens billijkten de sterkte der genegenheid die hij haar toedroeg; want zelfs haar gehechtheid aan de Stuarts, hoewel overdreven, was grootsch en edel; ze achtte het beneden zich gebruik te maken van eenig onrechtstreeksch middel, om de zaak waaraan ze zich toegewijd had te bevorderen.

Nadat ze het pad dat naar beneden in het dal voerde een kort eind zwijgend waren afgewandeld, vatte Flora het gesprek aldus weder op. – „Nog éen woord, mijnheer Waverley, eer wij dit onderwerp voor altijd laten varen; en vergeef mijn vermetelheid, zoo dat woord zweemt naar een waarschuwing. Mijn broeder Fergus wenscht vurig, dat ge deel zult nemen aan de onderneming door hem beraamd. Maar besluit hiertoe niet; – ge zoudt, door uw persoonlijken bijstand den goeden uitslag weinig kunnen bevorderen; maar daarentegen onvermijdelijk deelen in zijn val, zoo het Gods wil is dat hij valt. Uw goede naam zou dus een onherstelbare schade lijden. Laat mij u smeeken, naar uw eigen land terug te keeren, en als ge u openlijk hebt los gemaakt van elke verbintenis met het heerschend geslacht, zult ge, vertrouw ik, genoegzame reden en gelegenheid vinden, om uw mishandelden Souverein met kracht te dienen, en even als uwe edele voorouders, moedig optreden aan het hoofd uwer natuurlijke volgelingen en aanhangers – als een waardig afstammeling van het huis van Waverley.”

„En als ik zoo gelukkig was, mij aldus te onderscheiden, zou ik dan mogen hopen –”

„Vergeef me, dat ik u in de reden val. Slechts het tegenwoordige oogenblik is het onze, en ik kan niet anders, dan u openhartig de gevoelens doen kennen die ik thans koester; welke wending ze zouden kunnen nemen door een gunstigen loop van zaken, waarop niet te hopen valt, zou nutteloos zijn om zelfs te willen gissen. Wees echter verzekerd, mijnheer Waverley, dat, na de eer en het geluk mijns broeders, ik steeds oprecht voor de uwe zal bidden.”

Met deze woorden verliet ze hem, want ze waren nu een plaats genaderd, waar het pad zich in tweeën scheidde. Waverley bereikte het slot onder een mengeling van tegenstrijdige aandoeningen. Hij vermeed zorgvuldig elke afzonderlijke ontmoeting met Fergus, daar hij zich niet in staat gevoelde diens scherts te verdragen, of op zijne vragen te antwoorden. Het rumoer en de opgewondenheid van het feest, want Mac-Ivor [149]hield open tafel voor zijn clan, strekten min of meer om zijn gedachten af te leiden. Toen de maaltijd geëindigd was, begon hij te overleggen, hoe hij freule Mac-Ivor, na de pijnlijke en belangrijke verklaring van dien morgen, weer zou ontmoeten. Maar Flora verscheen niet. Fergus, wiens oog vuur schoot, toen hem door Cathleen gezegd werd, dat haar meesteres voornemens was dier avond op haar kamer te blijven, ging haar zelf opzoeken; maar waarschijnlijk waren zijn vertoogen vruchteloos, want hij kwam terug met een verhoogde kleur en blijkbare teekenen van misnoegen. Het overige van den avond ging voorbij zonder eenige toespeling, van Fergus of Waverley, op het onderwerp hetwelk de gedachten van den laatsten, en misschien van beide, geheel vervulde.

Op zijn kamer teruggekeerd, poogde Eduard al hetgeen dien dag voorgevallen was, na te gaan. Dat de afwijzing, die hij van Flora had geleden, voor het oogenblik onveranderlijk was, leed geen twijfel. Maar kon hij hopen om eindelijk te slagen, als de omstandigheden het hervatten van zijn aanzoek eens gedoogden? Zou haar getrouwheid aan het oude koningshuis, die men bijna dweepziek zou kunnen heeten, en welke in dit oogenblik van spanning aan geene zachtere aandoening toegang vergunde, den goeden of kwaden uitslag der tegenwoordige staatkundige woelingen overleven? En zoo ja, kon hij dan hopen, dat de belangstelling die ze te zijnen aanzien erkend had te gevoelen, wijken zou voor een vuriger genegenheid? Hij pijnigde zijn geheugen door elk woord te herhalen, dat ze gebezigd had, terwijl hij zich de blikken en bewegingen, waardoor ze versterkt waren, evenzeer voor den geest bracht, en eindigde met zich in denzelfden staat van onzekerheid, te bevinden. Het was zeer laat, toen de slaap eindelijk het oproer in zijn hart tot bedaren bracht, na den smartelijksten en onrustigsten dag, dien hij ooit beleefd had.


1 Een Schotsch spreekwoord. 

2 Dit woord duidde den naam aan waaronder de tories of Stuartsgezinden bekend waren.