[Inhoud]

ACHT-EN-TWINTIGSTE. HOOFDSTUK.

EEN BRIEF VAN TULLY-VEOLAN.

Des morgens, toen Waverley’s verwarde denkbeelden voor eenigen tijd in rust waren geweest, kwam er muziek bij zijn droomen, maar niet de stem van Selma1. Hij verbeeldde zich dat hij op Tully-Veolan was wedergekeerd, en dat hij Davie Gellatley op het voorplein die morgenliedjes hoorde zingen, die de eerste klanken plachten te zijn, waardoor hij in zijn rust gestoord werd, toen hij nog bij den baron van Bradwardine vertoefde, De tonen, welke hij nog in zijn droom had meenen te hooren, hielden aan en drongen nog duidelijk tot hem door, tot Eduard in goeden ernst wakker werd. De begoocheling scheen echter nog niet geheel geweken te zijn. Hij bevond zich wel degelijk in den toren van Ian nan Chaistel; maar het was toch de stem van Davie Gellatley, die de volgende regels onder zijn vensters zong: [150]

Mijn hart is in ’t Hoogland, mijn hart is niet hier;

Mijn hart is in ’t Hoogland, en jaagt met plezier;

Het zit er de herten en reebokken na;

Mijn hart is in ’t Hoogland, waar heen ik ook ga2.

Nieuwsgierig om te weten, wat Gellatley bewogen mocht hebben zulk een buitengewoon langen tocht te doen, begon Eduard zich in allerijl te kleeden, en terwijl hij hiermede bezig was, veranderde David onderscheidene malen van gezang.

Niets vindt ge in ’t Hoogland, dan knoflook en prei,

Langbeenige knapen, maar broekloos er bij:

Maar ligt dat men kousen en schoenen herkrijgt,

Als Koning Jacobus zijn troon weêr bestijgt3.

Terwijl Waverley zich gekleed had en naar buiten gegaan was, had David zich bij twee of drie der talrijke Hooglandsche ledigloopers gevoegd, die de poort van het kasteel altijd met hunne tegenwoordigheid opluisterden, en sprong en danste in ’t rond, terwijl hij er zelf de wijs bij floot. In deze dubbele betrekking van danser en muzikant, ging hij voort, totdat een doedelzakspeler, die zijn bedrijven bedaard stond gade te slaan, aan het algemeen geroep van „Seid suas” (blaas op!) gehoor gaf, en hem van het laatste gedeelte zijner taak bevrijdde. Jong en oud mengde zich toen in den dans. – Waverley’s verschijning maakte geenszins een eind aan Davids lichaamsoefening, ofschoon hij, door grijnzen, knikken en allerlei buigingen van het lichaam, onzen held blijkbaar wilde doen verstaan dat hij hem herkende. Vervolgens, terwijl hij druk bezig was met de vereischte bewegingen, en intusschen allerlei geluiden maakte en met de vingers boven zijn hoofd klapte, rekte hij, op eens, zijn zijsprong, zoo dat deze hem bracht waar Waverley stond, en zich gedurig op de maat bewegende, even als Harlekijn in een pantomime, duwde hij onzen held een brief in de hand, waarop hij den dans zonder oponthoud of stoornis op nieuw voortzette. Daar Eduard zag, dat het adres van Rose’s hand was, verwijderde hij zich om den brief te lezen, terwijl hij den getrouwen overbrenger zijn lichaamsoefeningen liet voortzetten, tot het den doedelzakspeler of hem zelven vervelen zou.

De inhoud van den brief verbaasde hem in hooge mate. Oorspronkelijk was hij begonnen met „waarde heer!” maar deze woorden waren zorgvuldig uitgekrabt, en het korte „mijnheer!” daarvoor in de plaats gesteld. De rest zal in Rose’s eigen taal en stijl gegeven worden.

„Ik vrees, dat ik een ongepaste vrijheid gebruik, met u lastig te vallen; en toch kan ik het aan niemand anders overlaten, u het een en ander te doen weten, dat hier voorgevallen is, en waarmede gij noodzakelijk moet bekend wezen. Vergeef mij, zoo ik verkeerd handel; want, helaas! mijnheer Waverley, ik heb geen beteren of anderen raadsman [151]dan mijn eigen gevoel; – mijn lieve vader is van hier gegaan, en wanneer hij terugkeeren zal om mij bij te staan en te beschermen, weet God alleen! Gij hebt waarschijnlijk gehoord, dat, ten gevolge van eenige verontrustende tijdingen uit de Hooglanden, bevelschriften werden gezonden, om verscheidene heeren in deze streken in hechtenis te nemen en daaronder ook mijn lieven vader. In weerwil van mijne tranen en gebeden, dat hij zich aan het Bewind zou overgeven, vereenigde hij zich met Falconer en eenige andere heeren, en trokken zij gezamenlijk naar het noorden, met een corps van omstreeks veertig ruiters. Dus ben ik niet zoo zeer beangst omtrent zijn oogenblikkelijke veiligheid, als wel over de gevolgen; want dit is slechts het begin van zeer onrustige tijden. Maar dit alles gaat u niet aan, mijnheer Waverley; ik dacht slechts dat het u verheugen zou te hooren, dat mijn vader ontsnapt is, ingeval gij mocht vernomen hebben, dat hij in gevaar was.

„Maar den dag, nadat mijn vader ontkomen was, verscheen er een troep soldaten op Tully-Veolan; ze gedroegen zich zeer ruw jegens den rentmeester Mac-Wheeble, ofschoon de officier heel beleefd jegens mij was; alleen zeide hij, dat zijn plicht hem gebood onderzoek te doen naar de wapenen en papieren mijns vaders. Maar vader had hiervoor gezorgd, door al de wapenen weg te nemen, uitgenomen de oude, nuttelooze dingen, die in de voorzaal hingen, terwijl hij al zijn papieren geborgen had. Dan, helaas! mijnheer Waverley, hoe zal ik u zeggen, dat ze een allernauwkeurigst onderzoek naar u deden, en vroegen, wanneer gij op Tully-Veolan geweest waart, en waar gij u nu bevondt. De officier is met zijn volk weêr heengegaan, maar een onderofficier en vier man blijven, als een soort van bezetting, in huis. Zij hebben zich tot hiertoe zeer goed gedragen, maar wij zijn genoodzaakt hen in alles te ontzien. De soldaten hebben zich echter laten ontvallen, dat gij, zoo gij in hun handen vielt, in groot gevaar zoudt zijn; ik kan niet over mij verkrijgen te schrijven, welke ondeugende leugens zij vertelden, want ik ben zeker dat het onwaarheden zijn; maar gij zult zelf best kunnen oordeelen, wat u te doen staat. De troep die terugkeerde, voerde uw knecht gevangen weg, met uw beide paarden en al wat ge te Tully-Veolan achtergelaten hebt. Ik hoop dat God u beschermen zal, en dat gij behouden in Engeland te huis zult komen, waar ge mij placht te vertellen, dat geen krijgsgeweld of vechten tusschen de clans geoorloofd was, maar dat alles geschiedde volgens billijke wetten, die alle weerloozen en onschuldigen beschermden. Ik hoop dat ge mijn vrijpostigheid zult vergeven dat ik u schreef; bedrieg ik mij niet, dan staan uwe veiligheid en eer op het spel. Ik ben verzekerd – ten minste ik geloof, dat mijn vader mijn schrijven zou goedkeuren; want mijnheer Rubrick is naar zijn neef, te Duchran, gevlucht, om buiten gevaar van de soldaten en de Whigs te zijn; en de heer Mac-Wheeble houdt er niet van, (zoo als hij zegt) zich met eens ander mans zaken te bemoeien; ofschoon ik hoop, dat, hetgeen mijns vaders vrienden in zulk een tijd van dienst kan zijn, niet als ongepaste bemoeizucht zal worden aangemerkt. Vaarwel, kapitein Waverley! ik zal u waarschijnlijk nooit weder zien; want het zou zeer ongepast zijn te wenschen, dat ge juist nu te Tully-Veolan zoudt afstappen, al waren deze mannen ook heengegaan; maar ik zal altijd met dankbaarheid uwe vriendelijkheid herdenken, en de welwillendheid waarmede ge zulk een onwetende, als ik ben, bijstondt, als mede de oplettendheden: [152]die ge voor mijn lieven, besten vader hadt. Ik blijf uw verplichte dienares,

Rose Comyne Bradwardine.”

„P. S. – Ik hoop, dat ge mij een regeltje met David Gellatley zult zender, om te zeggen, dat ge dezen ontvangen hebt, en voorzichtig zult zijn; en vergeef mij, zoo ik u, om uw eigen wil verzoek, u volstrekt niet in deze ongelukkige kabalen te mengen, maar, zoo spoedig mogelijk, naar uw eigen gelukkig land te vluchten. Mijn groeten aan mijn lieve Flora en aan Glennaquoich. Is ze niet even mooi en knap, als ik u haar beschreef?”

Aldus sloot de brief van Rose Bradwardine, welks inhoud Waverley tegelijk bevreemdde en bedroefde. Dat de Baron, ten gevolge der beweging onder de aanhangers van het huis van Stuart, verdacht was bij het Bewind, scheen niet meer dan het natuurlijke gevolg van zijn staatkundige denkwijze; maar hoe men hem eveneens had kunnen verdenken, daar hij zich bewust was dat tot op gisteren zelfs geen gedachte bij hem tegen de regeerende familie was opgekomen, scheen hem onverklaarbaar. Zoo wel op Tully-Veolan als op Glennaquoich hadden zijn gastheeren den eed geëerbiedigd, die hem aan het bestaande Bewind verbond, en ofschoon hij toevallig had kunnen merken, dat de Baron en het Opperhoofd onder de misnoegde edelen moesten gerangschikt worden, nog in grooten getale in Schotland aanwezig, had hij echter, tot op het oogenblik, dat zijn betrekking tot het leger, door het intrekken van zijn aanstelling had opgehouden, geen reden te veronderstellen, dat ze eenige rechtstreeks vijandelijke onderneming tegen de bestaande orde van zaken in den zin hadden. Intusschen gevoelde hij wel, dat, zoo hij niet haastig besloot den voorslag van Fergus Mac-Ivor te omhelzen, het van het uiterste belang voor hem was, deze verdachte en gevaarlijke buurt terstond te verlaten, en zich daarheen te begeven waar zijn gedrag een voldoend onderzoek kon ondergaan. Hiertoe besloot hij te gereeder, daar Flora’s raad deze handelwijze begunstigde, en omdat hij een onbeschrijfelijken afkeer gevoelde van het denkbeeld, om medeplichtig te zijn aan de rampen van een burgeroorlog. Welke ook de oorspronkelijke rechten der Stuarts waren, het bedaard nadenken zeide hem, dat, de vraag daargelaten in hoe verre Jacobus de Tweede de rechten zijner nakomelingen kon verbeuren, hij toch, volgens de eenparige stem der gansche natie, de zijne wettiglijk had verbeurd. Sedert dat tijdperk hadden vier: koningen in vrede en voorspoed over Brittanje geregeerd, terwijl ze den roem van het volk buiten, en zijn vrijheden binnen ’s lands gehandhaafd en vermeerderd hadden. De rede vroeg: was het den moeite waard, een sedert zoolang gevestigd bewind te verontrusten, en een koninkrijk in al de ellende van den burgeroorlog te storten, om de afstammelingen van een koning op den troon te herstellen, door wien die troon willens en wetens verbeurd was? Doch zoo al, van den anderen kant, zijn volkomene overtuiging van de rechtvaardigheid hunner zaak, of de bevelen van zijn vader en oom hem de ondersteuning der Stuarts oplegden, dan was het nogtans noodzakelijk, dat hij zijn eigene eer handhaafde, door te bewijzen, dat hij geen stap in die richting gedaan had, zoo als men inderdaad valschelijk scheen voorgewend te hebben zoolang hij in dienst was van den regeerenden vorst. [153]

De eenvoudigheid van Rose’s taal, waarin zoo veel genegenheid en bezorgdheid voor zijn veiligheid doorstraalde, zoo wel als het denkbeeld dat ze zich zonder beschermer bevond, en niet slechts aan angst, maar aan wezenlijk gevaar kon zijn blootgesteld, maakte een diepen indruk op hem, en hij schreef oogenblikkelijk, om haar in de vriendelijkste bewoordingen dank te zeggen voor haar bezorgdheid te zijnen aanzien, vergezeld van zijn hartelijke wenschen voor het welzijn van haar en haar familie, en van verzekeringen die haar omtrent zijn eigene veiligheid konden geruststellen. Spoedig weken echter de hier door opgewekte gevoelens weder voor de gedachte aan de noodzakelijkheid, die thans voor hem bestond, om Flora Mac-Ivor, misschien voor altijd, vaarwel te zeggen. De beklemdheid, welke deze gedachte bij hem opwekte, laat zich niet beschrijven; want Flora’s hooggestemd karakter, haar zelfopoffering voor de zaak die ze omhelsd had, gevoegd hij haar nauwgezette eerlijkheid, wat de middelen om ze te dienen betreft, dat alles rechtvaardigde in Eduards oogen de keuze van zijn hart. Maar de tijd drong; de laster had zijn naam aangevallen; en ieder uur uitstel versterkte het vergif. Hij moest onmiddellijk vertrekken.

Na dit besluit genomen te hebben, zocht hij Fergus op, deelde hem den inhoud van Rose’s brief mede, zijn voornemen om zich oogenblikkelijk naar Edinburgh te begeven, en den een of ander dier lieden van gewicht op te zoeken, voor wie hij brieven van zijn vader had, en in hunne handen de bewijzen te leggen, waardoor hij iedere tegen hem ingebrachte beschuldiging zou kunnen ontzenuwen.

„Gij loopt met uw hoofd in den muil van den leeuw,” antwoordde Mac-Ivor. „Gij hebt geen denkbeeld van de gestrengheid eener regeering, die door welgegronde vrees, en tevens door de bewustheid harer onwettigheid en onveiligheid verontrust wordt. Ik zal u nog moeten komen verlossen uit de een of andere ellendige gevangenis op het kasteel van Stirling of Edinburgh.”

„Mijn onschuld, mijn rang, mijns vaders vriendschapsbetrekking met lord M –, met den generaal G –, enz. zullen een toereikende bescherming zijn.”

„Gij zult het tegendeel ondervinden; deze heeren zullen genoeg met hunne eigene zaken te doen hebben. Nog eens, wilt ge den plaid aannemen, en mij eenigen tijd ter zijde staan, tusschen de mist en de kraaien4 in de loffelijkste zaak, waarvoor ooit een zwaard ontbloot werd?”

„Om verscheidene redenen, waarde Fergus, moet ge mij daarvan verschoonen.”

„Nu dan, ik zal u zeker aantreffen, bezig met uw dichterlijk talent te oefenen in klaagzangen op een gevangenis, of uwe oudheidkundige bekwaamheden in het verklaren der Oggamsche5 letters of eenig Punisch [154]beeldschrift, op de hardsteenen van een oud gewelf; of wat zegt ge van un petit pendement bien joli. En ik zou niet borg willen staan dat u dat niet overkomt, als ge een corps gewapende Westlandsche Whigs ontmoet.”

„En waarom?”

„Om honderd goede redenen. Vooreerst, zijt ge een Engelschman; ten tweede, een fatsoenlijk man; ten derde, een aanhanger van de Bisschoppelijke kerk; en ten vierde, hebben ze in langen tijd geen gelegenheid gehad, om hunne krachten op zoo iemand te beproeven. Maar, laat u niet ter neêrslaan, geliefde; alles zal geschieden in de vreeze des Heeren!”

„Welnu, ik zal het wagen.”

„Gij zijt dus besloten?”

„Zeer zeker.”

„Dat is koppigheid!” zeide Fergus. „Maar ge kunt niet te voet gaan, en ik zal geen paard noodig hebben, daar ik te voet optrekken moet aan het hoofd der kinderen van Ivor: ge moet dus mijn ros Dermid nemen.”

„Zoo ge hem verkoopen wilt, zal ik me zeker zeer verplicht achten.”

„Zoo uw trotsch Engelsch hart niet besluiten kan om een gift of leening aan te nemen, zal ik, bij het begin van een veldtocht, geen geld weigeren; de prijs is twintig guinjes. (Herinner u lezer, dat het zestig jaar geleden is). En wanneer zijt ge voornemens te vertrekken?”

„Hoe eer hoe liever.”

„Daar hebt ge gelijk in, nu ge toch gaan moet, of liever, gaan wilt, Ik zal Flora’s hit nemen, en u tot Bally-Brough begeleiden. – Callum Beg! maak onze paarden gereed, benevens een hit voor u, om mijnheer Waverley te vergezellen en op zijn bagaadje te passen, tot – (hier noemde hij een kleine stad), waar hij een paard en gids kan krijgen tot Edinburgh. Trek een Laaglandsche kleeding aan, en pas wel op dat ge den mond houdt, zoo ge niet wilt dat ik dien nog wat wijder open snijd; mijnheer Waverley zal Dermid rijden.” Vervolgens zich tot Eduard keerende, „Wilt ge afscheid van mijn zuster nemen.”

„Ongetwijfeld – dat wil zeggen, als freule Mac-Ivor me de eer wil gunnen.”

„Cathleen, laat mijn zuster weten, dat de heer Waverley afscheid van haar wenscht te nemen, alvorens hij ons verlaat. – Maar Rose Bradwardine – men moet aan haar toestand denken – ik wenschte dat ze hier ware, – En waarom zou ze niet? – Er zijn maar vier roodrokken op Tully-Veolan, en hunne geweren zouden ons zeer goed te pas komen.”

Op deze afgebroken woorden antwoordde Waverley niet; hij hoorde ze wel, maar zijn ziel was geheel vervuld met de verwachte binnenkomst van Flora. – De deur ging open. – Het was slechts Cathleen, die de verontschuldiging van hare meesteres overbracht, alsmede haar beste wenschen voor mijnheer Waverley’s welvaart en geluk. [155]


1 De stem van Selma, dat wil zeggen de muziek van het paleis van Fingal. Selma was de zaal waar de barden bijeenkwamen. 

2 Deze verzen maken het referein uit eener oude ballade, waaraan Burns nieuwe verzen heeft toegevoegd. W. S. 

3 Ook deze regels behooren tot een oud lied. W. S. 

4 In een Hooglandsch rijm met betrekking tot Glencairn’s expeditie vindt men:

Wij blijven in ’t midden der koolzwarte kraaien,

Wij spannen den boog en wij trekken het zwaard. W. S.

5 De Oggam is een type van het oude Iersche karakter. De overeenkomst tusschen het Keltisch en het Punische dialect, op een tooneel bij Plautus gegrond, werd niet opgemerkt voordat de generaal Valencey zijn meening hierover, lang na Fergus Mac-Ivor, had geopenbaard. W. S.