[Inhoud]

TWEE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN GESPREK EN DE GEVOLGEN DAARVAN.

Majoor Melville had den heer Morton, bij zijn verhoor van Waverley, doen blijven, zoowel omdat hij begreep dat zijn geoefend verstand, gevoegd bij zijn erkende Koningsgezindheid, hem van dienst zou kunnen zijn, als omdat het aangenaam was, een getuige, wiens eerlijkheid en waarheidsliefde boven alle verdenking verheven waren, te hebben bij een zaak waarmede de eer en veiligheid van een jong Engelschman van hoogen rang en familie, den aanstaanden erfgenaam van een groot fortuin op het spel stonden. Hij wist dat men iederen stap streng zou nagaan, en het was zijn voornaamste streven de rechtvaardigheid en vlekkeloosheid van zijn eigen gedrag buiten alle mogelijke verdenking te houden.

Toen Waverley zich verwijderd had, zetten de Majoor en de Predikant van Cairnvreckan zich zwijgend aan hun avondmaaltijd neder. Zoolang de knechts hen bedienden, wilde geen van beide een woord zeggen over de zaak, waarmede zij geheel vervuld waren, hoewel zij het evenmin gemakkelijk vonden, over iets anders te praten.

Waverley’s jeugd en blijkbare openhartigheid staken zeer af bij de verdenking die op hem rustte; en hij bezat een soort van naïveteit en vrijmoedigheid, welke eigen scheen aan iemand die met de doolhoven der staatkundige kuiperijen nog geheel onbekend was, – wat niet weinig ten zijnen voordeele pleitte.

Beide dachten over de bijzonderheden van het verhoor na, en beschouwden ze in het licht van hun eigene meeningen. Beide waren mannen van een vlugge en scherpzinnige bevatting, en beide even goed in staat, om verschillende argumenten aan te halen en daaruit de noodzakelijke gevolgen af te leiden. Maar het groote verschil dat er bestond in den aard hunner bezigheden en in de wijze waarop zij opgevoed waren, bracht dikwijls een niet minder groote verscheidenheid te weeg, wanneer zij hunne gevolgtrekkingen op aangenomen veronderstellingen grondden.

Majoor Melville had een gedeelte van zijn leven bij het leger en in vestingen doorgebracht; was ambtshalve waakzaam en door de ondervinding voorzichtig geworden; had veel kwaads in de wereld gezien en was dus, schoon zelf een eerlijk magistraat en een braaf man, in zijn oordeel over anderen dikwijls maar al te streng. De heer Morton, daarentegen, had de letterkundige studiën op de hoogeschool, waar hij bij al zijn medeleerlingen en leermeesters geacht was, vaarwel gezegd voor zijn rustig en kalm beroep, waar hij slechts weinig gelegenheid had om kwaad op te merken, terwijl hij er nooit bij stil stond, dan om tot berouw en verbetering aan te sporen. Zijn gemeenteleden beantwoordden den liefderijken ijver dien hij te hunnen behoeve aan den dag legde met liefde en [175]eerbied, gelijk zij steeds voor hem trachtten te bedekken, wat ze wisten dat hem het grootste verdriet zou veroorzaken: het verzaken van de plichten, die het zijne roeping was aan te kweeken. Daarom was het een algemeen zeggen in de nabuurschap, dat de Majoor in zijn dorp alleen het kwade, en de Predikant, schoon men van beide mannen evenveel hield, alleen het goede kende.

Ook onderscheidde zich de predikant van Cairnvreckan door liefde tot de letteren, ofschoon hij deze beneden zijn kerkelijke studiën en plichten stelde, en dit had aan zijn geest, in vroeger dagen, een tintje van het romaneske gegeven, hetwelk ten gevolge van latere gebeurtenissen in het dagelijksch leven niet geheel was verloren gegaan. Het vroegtijdig verlies eener beminnelijke jonge vrouw, die hij uit liefde gehuwd had, en die spoedig in het graf gevolgd werd door een eenig kind, strekte, zelfs in den loop der jaren, om zijn aangeboren zachten en nadenkenden aard in het een en ander nog meer te bevestigen. Het is dus niet te verwonderen dat zijn gewaarwordingen, bij de tegenwoordige gelegenheid, aanmerkelijk verschilden van die van den strengen tuchtmeester, den nauwgezetten ambtenaar en den man die weinig vertrouwen in de menschen stelde.

Toen de bedienden zich verwijderd hadden, duurde het zwijgen van beide zijden voort; totdat majoor Melville, terwijl hij zijn glas vulde, en den heer Morton de flesch toeschoof, aldus het gesprek begon:

„Een jammerlijke zaak, mijnheer Morton; ik vrees dat dit jonge mensch zich een strop om den hals heeft geworpen.”

„God geve van neen!” antwoordde de geestelijke.

„Van harte, amen!” hernam de Majoor, „maar ik verbeeld me, dat zelfs uw barmhartige logica de conclusie bezwaarlijk ontkennen zal.”

„Zeker, majoor, na al wat wij heden avond gehoord hebben, zie ik niet in waarom we niet zouden hopen dat dit ongeluk voorkomen moge worden.”

„Waarlijk? – Maar, mijn goede dominé, gij zijt een van diegenen, die op iederen misdadiger het benefictum clericorum wel zoudt willen toepassen1.”

„Zonder eenigen twijfel zou ik dat: genade en lankmoedigheid zijn de gronden der leer, die ik geroepen ben te verkondigen.”

„Uit een godsdienstig oogpunt, behelst deze leer waarheid; maar het verleenen van genade aan een misdadiger kan een groote onrechtvaardigheid jegens de maatschappij zijn. Ik spreek niet van dezen jongen man in het bijzonder. Ik hoop van harte dat hij zich zal kunnen zuiveren, want zijn zedigheid bevalt me, zoowel als zijn gevoel van eigen waarde, Maar ik vrees, dat hij in den strik geloopen is.”

„En waarom? Honderden misleide edellieden zijn thans tegen het Bewind onder de wapens; velen, ongetwijfeld, ten gevolge van beginselen, door opvoeding en vroeg ingezogen vooroordeel met den naam van vaderlandsliefde en heldendeugd verguld; – de Justitie, als ze hare slachtoffers uit zulk een menigte kiest, (want gewis zullen niet allen worden uitgeroeid) moet op het zedelijk beginsel zien; – laat hij, wien eerzucht, of [176]hoop op persoonlijk voordeel ertoe gebracht heeft, om de rust van een welgeordend Bewind te verstoren, als een slachtoffer der wet vallen; maar voorzeker mag deze jonge man door de dolzinnige droomen van riddereer en ingebeelde trouw misleid, aanspraak op genade maken.”

„Wanneer die droomen van riddereer en ingebeelde trouw in de termen van hoogverraad vallen, ken ik geen rechtbank ter wereld, beste mijnheer Morton, voor welke ze zich zouden kunnen vrijpleiten.”

„Maar ik kan in het geheel niet zien, dat de schuld van dezen jongeling genoegzaam bewezen is.”

„Omdat uw goed hart uw gezond verstand benevelt. Let wel. Deze jonkman – afstammende van een geslacht van erfelijke Jacobieten; zijn oom, het hoofd der Torys in het graafschap **; zijn vader, een weggejaagde en ontevreden hoveling; zijn leermeester, een onbeëedigd geestelijke en de schrijver van twee verraderlijke werken – deze jonkman, zeg ik, treedt in dienst bij de dragonders van Gardiner, terwijl hij met zich een corps jonge lieden van zijns ooms landgoederen brengt, die geene zwarigheid gemaakt hebben, om in hunne twisten met hunne kameraden, op hunne wijze uit te komen voor de beginselen, door hen op Waverley-Honour ingezogen. Voor deze jonge lieden heeft Waverley de meeste oplettendheid; ze worden van geld voorzien, boven hetgeen een soldaat noodig heeft en met de krijgstucht bestaanbaar is, en zijn onder het bestuur van een begunstigden wachtmeester, door wien ze een ongewoon nauwe gemeenschap met hun kapitein onderhouden, en zich gedragen, als waren ze onafhankelijk van de overige officieren en verheven boven hunne kameraden.”

„Dit alles, waarde Majoor, is het natuurlijk gevolg van hunne gehechtheid aan hun jongen landheer, en omdat ze zich bij een regiment bevinden, hoofdzakelijk in het noorden van Ierland en in het westen van Schotland geworven, en bij gevolg onder kameraden, geneigd om met hen te kibbelen, niet slechts als Engelschen maar ook als leden van de Engelsche Kerk.”

„Voortreffelijk gesproken, dominé! – Ik wenschte wel dat sommige leden van uwe Synode u hoorden. – Maar laat mij voortgaan. De jonkman verkrijgt verlof, gaat naar Tully-Veolan – de beginselen van den baron van Bradwardine zijn tamelijk wel bekend; om er niet van te gewagen, dat de oom van dezen jongen hem in het jaar vijftien uit den nood redde; – daar geraakt hij in een twist, waarbij men verhaalt dat hij de uniform die hij droeg, geschandvlekt heeft. – Kolonel Gardiner schrijft hem, eerst zacht, daarna scherp; (ik geloof wel, dat gij niet twijfelen zult dat hij het gedaan heeft, daar hij het zelf zegt) – de officieren van zijn regiment verzoeken hem hun een opheldering te geven omtrent den twist, waarin hij betrokken is geweest – hij antwoordt noch zijn overste, noch zijn kameraden. Intusschen worden zijn manschappen oproerig en verzetten zich tegen de krijgswet, en eindelijk, toen het gerucht van dien ongelukkigen opstand algemeen wordt, ontdekt men dat zijn begunstigde wachtmeester Houghton en nog een andere knaap in briefwisseling zijn met een Franschen zendeling, zooals hij zegt, gevolmachtigd door kapitein Waverley, die, volgens de bekentenis van den man zelven, hen aanspoort met den troep te deserteeren en zich bij hun kapitein te voegen, die Prins Karel vergezelt. Intusschen houdt deze kapitein, dit voorbeeld van eerlijkheid, zich, zoo als hij zelf verklaard [177]heeft, te Glennaquoich, bij den werkzaamsten, geslepensten en meest volslagen Jacobiet in geheel Schotland op; hij vergezelt hem ten minste op hun berucht jacht-rendez-vous, en ik vrees nog een weinig verder. In den tusschentijd worden hem nog twee brieven gezonden; in den éen wordt hem kennis gegeven van den oproerigen geest van zijn troep, terwijl de ander het stellige bevel behelst naar zijn regiment terug te keeren, hetgeen toch het gezond verstand hem reeds moest hebben voorgeschreven, zoodra hij het oproer rondom zich het hoofd zag opsteken. Hij antwoordt met eene bepaalde weigering, en zendt zijn ontslag uit den dienst in.”

„Hij was reeds uit den dienst ontslagen,” merkte de heer Morton op.

„Maar hij komt er in dien brief voor uit, hoe het hem spijt, dat men hem reeds was voorgekomen,” hernam Melville. „Zijn bagage wordt, in zijn garnizoen en op Tully-Veolan, in beslag genomen, en men vindt er een verzameling van venijnige Jacobietische pamfletten in, genoegzaam om een geheel land te vergiftigen, behalve nog de ongedrukte pennevruchten van zijn waardigen vriend en leermeester, den heer Pembroke.”

„Hij zegt dat hij ze nooit gelezen heeft,” antwoordde de Predikant.

„In een gewoon geval, zou ik hem gelooven,” vervolgde de magistraatspersoon, „want ze zijn even dom en pedant wat den vorm betreft, als ze verderfelijk van inhoud zijn. Maar kunt ge u verbeelden, dat iets anders, dan ingenomenheid met de beginselen, die ze verkondigen, een Jonkman van zijn jaren zou kunnen bewegen zulke prullen met zich rond te slepen? Vervolgens, nu er tijding komt dat de oproerlingen in aantocht zijn, begeeft hij zich op reis, in een soort van vermomming, terwijl hij weigert zijn naam te zeggen; en, indien die oude dweeper de waarheid spreekt, vergezeld door een allezins verdachten knaap, en gezeten op een paard, dat bekend staat als het eigendom te zijn geweest van Glennaquoich, terwijl hij daarenboven brieven bij zich heeft van zijne familie, die verregaande verbittering tegen het Huis van Brunswijk aan den dag leggen, en een afschrift van verzen tot lof van zekeren Wogan, die den dienst van het Parlement verzaakte, om zich bij de Hooglandsche opstandelingen te voegen, toen zij de wapens voerden tot herstel van het Huis van Stuart, met een korps Engelsche ruiterij – de volkomen tegenhanger van zijn eigen complot – en opgeroepen met een: Ga en doe gij desgelijks! door dien getrouwen onderdaan en onschadelijken, vreedzamen man Fergus Mac-Ivor van Glennaquoich, Vich Ian Vohr, en zoo voorts. En eindelijk,” ging majoor Melville voort, die hoe langer zoo warmer werd, naarmate hij zijn bewijzen uiteenzette, „waar vinden wij nu dit tweede exemplaar van den kavalier Wogan? Wel, juist op den geschiktsten weg om zijn voornemen te volvoeren, en den eersten den besten van ’s Konings onderdanen neêrschietende, die het waagt hem naar zijn bedoelingen te vragen.”

De heer Morton, zoo als een voorzichtig man betaamt, onthield zich ooit zelfs de minste tegenbewijzen aan te voeren, daar hij begreep dat ze den ambtenaar van het gerecht slechts zouden verharden in zijn gevoelen, en vroeg eenvoudig, „wat hij met zijn gevangene dacht te doen?”

„Dit is een tamelijk moeielijke vraag als ik den toestand van het land in aanmerking neem.”

„Zoudt gij hem, (daar hij zulk een fatsoenlijk jonkman is,) niet hier in uw huis buiten alle gevaar kunnen houden, tot deze storm overwaait?”

„Mijn beste vriend, uw huis, noch het mijne, zal lang buiten gevaar [178]zijn, al ware het ook wettig hem hier op te sluiten. Ik heb zoo even vernomen, dat de Opperbevelhebber, die de Hooglanden binnengerukt is om de opstandelingen op te zoeken en te verstrooien, hen bij Corryerick geen slag heeft durven leveren, en, met al de beschikbare macht van het Bewind, noordwaarts optrekt naar Inverness, John o’Groath’s House, of de drommel weet waarheen, waardoor de weg naar het Laagland open en onbeschermd tegen het Hooglandsche leger gebleven is.”

„Goede Hemel! Is de man een lafaard, een verrader of een stommerik?”

„Geen van drieën, geloof ik. Hij heeft den moed van een gewoon soldaat, is eerlijk genoeg, doet wat hem bevolen wordt, maar is evenmin in staat om op zijn eigen verantwoording te handelen, in omstandigheden van belang, als ik, mijn lieve dominé, om uw kansel te beklimmen.”

Deze belangrijke tijding leidde het gesprek natuurlijk, voor eenigen tijd, van Waverley af; eindelijk evenwel werd het onderwerp weder opgevat.

„Ik geloof,” zeide majoor Melville, „dat ik dezen jongen man moet medegeven aan een der afzonderlijke partijen vrijwilligers, die onlangs uitgezonden zijn om de kwalijk gezinde districten in bedwang te houden. Ze worden nu naar Stirling teruggeroepen, en een klein korps komt morgen of overmorgen hier langs, onder bevel van den Westlander – hoe heet hij? – gij hebt hem gezien, en van hem gezegd, dat hij de echte type was van een van Cromwell’s militaire heiligen.”

„Gilfillan, de Cameronier. Ik hoop dat de jongen veilig in diens handen zal zijn. In drift en in het vuur der hartstochten gebeuren er vreemde dingen, in zulk een tijd als deze; en ik vrees dat Gilfillan tot een aanhang behoort, die vervolging geleden heeft, zonder daaruit lessen van barmhartigheid te putten.”

„Hij zal slechts belast worden den heer Waverley naar het kasteel van Stirling over te brengen; ik zal strenge bevelen geven om hem goed te behandelen. Ik kan inderdaad geen beter middel bedenken, om hem in veiligheid te brengen, en ik verbeeld mij, dat gij mij toch den raad niet zoudt geven, om de verantwoordelijkheid op mij te nemen van hem op vrije voeten te stellen?”

„Maar gij hebt er niet tegen, dat ik hem morgen eens alleen bezoek?”

„Neen, stellig niet; uwe denkwijze en karakter staan mij borg. Maar met welk doel doet gij dat verzoek?”

„Eenvoudig, om de proef te nemen, of hij er niet toe te brengen is, om mij eenige omstandigheden mede te deelen, welke hierna kunnen dienen, om zijne schuld te verlichten, zoo al niet uit te wisschen.”

Thans scheidden de vrienden en begaven zich ter ruste, beide met ernstige onrust over den toestand des lands vervuld.


1 Het benificium clericorum dagteekent van de vroegste tijden. De leden der geestelijkheid, welke misdaad ze ook bedreven hadden, waren van de doodstraf bevrijd. In het vervolg werd dit privilegie uitgestrekt tot al wie lezen kon. Maar later bleek de noodzakelijkheid om dit te beperken en werd het voorrecht alleen in zekere door de Engelsche wetten aangeduide gevallen erkend.