[Inhoud]

DRIE-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN VERTROUWDE.

Waverley sleet een onrustigen nacht, terwijl hij door duizenderlei verwarde droomen gekweld werd. Nauwelijks was hij des morgens ontwaakt, of hij kwam tot volkomene bewustheid van het gevaar van zijn [179]toestand. Hoe alles eindigen zou, wist hij niet. Misschien zou hij aan een militaire rechtbank overgeleverd worden, waarvan, te midden van den burgeroorlog, niet verwacht kon worden, dat zij zeer nauwgezet zou zijn in de keuze harer slachtoffers, of in het onderzoek der feiten. Ook gevoelde hij zich weinig meer op zijn gemak bij de gedachte, dat hij terechtgesteld kon worden voor een Schotsch hof van justitie, waar hij wist dat de wetten en vormen in een aantal opzichten van die van Engeland verschilden, en waar hem geleerd was te gelooven, hoezeer ook ten onrechte, dat de vrijheden en rechten der onderdanen minder zorgvuldig werden beschermd. Een gevoel van bitterheid verhief zich in zijn hart tegen het Bewind, dat hij als de oorzaak beschouwde van het gevaar, waarin hij gewikkeld was; en inwendig vervloekte hij de nauwgezetheid, die hem belet had Mac-Ivors uitnoodiging te volgen om hem in het veld te vergezellen.

„Waarom,” dacht hij in zich zelven, „gebruikte ik niet, als andere mannen van eer, de eerste gelegenheid, om den afstammeling van Engelands oude koningen en den erfgenaam van hun troon welkom te heeten? Waarom,

Waarom roeide ik terstond niet de oproerplant

Met wortel uit, en riep verzaakte trouw

Terug, en zocht Prins Karel op, en wierp

Mij hem te voet?”

„Al wat de geschiedenis ons leert van den roem en de verdiensten van het huis van Waverley, is gegrond op hunne onwrikbare trouw aan het Huis van Stuart. Uit de wijze, waarop deze Schotsche magistraat de brieven van mijn oom en vader heeft uitgelegd, blijkt duidelijk, dat ik ze had moeten opnemen als eene uitnoodiging om den weg mijner voorvaderen te betreden; en het is mijn dwaze onnoozelheid geweest, gevoegd bij de dubbelzinnige uitdrukkingen, die ze veiligheidshalve bezigden, welke mijn oogen hiervoor gesloten heeft. Had ik de eerste goede ingeving mijner verontwaardiging gevolgd, toen ik vernam, dat men mijn eer wilde aantasten, hoe anders zou mijn toestand zijn! Ik zou dan vrijwillig in de gelederen zijn, strijdende, gelijk mijn voorouders, voor liefde, recht en roem. En nu ben ik hier, gevangen en verstrikt, ter beschikking van een achterdochtig, strak en koud mensch, om welligt overgebracht te worden naar een eenzame, sombere gevangenis, of aan de schande eener openbare terechtstelling te worden overgegeven. O Fergus, hoe waar blijkt thans uwe voorspelling, en hoe spoedig, hoe allerspoedigst is ze vervuld!”

Terwijl Eduard met deze smartelijke overdenkingen vervuld, zeer natuurlijk, ofschoon juist niet zeer rechtvaardig, den blaam op het regeerende huis wierp, die slechts aan het toeval, of, ten minste gedeeltelijk, aan zijn eigen onnadenkend gedrag was toe te schrijven, maakte de heer Morton gebruik van majoor Melville’s verlof, om hem een morgenbezoek te brengen.

Waverley’s eerste gevoel en gedachte was, te kennen te geven, dat hij verlangde met geene vragen of eenig gesprek lastig te worden gevallen; maar hij veranderde van gedachten, zoodra hij het goedhartig en eerwaardig voorkomen van den geestelijke opmerkte, die hem reeds voor het dreigende geweld der dorpelingen beschermd had.

„Ik geloof, mijnheer,” zei de ongelukkige jongeling, „dat ik, in iedere [180]andere omstandigheid, u zoo veel dankbaarheid verschuldigd zou zijn, als mijn leven waard is; maar mijn geest is zoo geheel verward, ik ben zoo vervuld met hetgeen ik waarschijnlijk te wachten heb, dat ik u voor uwe tusschenkomst ter nauwernood dank kan zeggen.”

De heer Morton antwoordde, „dat, wel verre van eenige aanspraak te komen maken op zijn erkentelijkheid, het zijn eenige wensch, en het eenige doel van zijn bezoek was, om middelen te beramen om hem van dienst te zijn. Mijn uitmuntende vriend, majoor Melville,” ging hij voort, „gevoelt en handelt als krijgsman en openbaar ambtenaar, door welke banden ik niet gebonden ben; ook kan ik niet altijd instemmen met de begrippen die hij, misschien met al te weinig toegevendheid omtrent de zwakheden der menschelijke natuur, schijnt op te vatten.” Hij zweeg een oogenblik, en ging daarna voort: „Ik dring mij niet op als uw vertrouwde, mijnheer Waverley, met het oogmerk om de eene of andere omstandigheid te vernemen, waarvan de kennis voor u of anderen nadeelig zou kunnen wezen; maar ik betuig u dat het mijn vurigst verlangen is, met eenige omstandigheden bekend te worden, die tot uwe verontschuidiging zouden kunnen strekken. Ik kan u plechtig verzekeren, dat ze bij mij zullen zijn bewaard als bij een getrouw, en, zoover zijn vermogens reiken, ijverig behartiger uwer belangen.”

„Gij zijt, mijnheer, naar ik vermoed, een Presbyteriaansch geestelijke?” – De heer Morton boog. – „Indien ik mij door de vooroordeelen der opvoeding leiden liet, zou ik uwe vriendelijke betuigingen, in mijn geval, kunnen wantrouwen; maar ik heb opgemerkt, dat gelijke vooroordeelen in dit land gevoed worden tegen uwe ambtgenooten van de Episcopale belijdenis, en ik ben gereed om ze van weerskanten voor ongegrond te houden.”

„Schande over hem die anders denkt,” zei de heer Morton, „of die kerkbestuur en plechtigheden voor het onderpand van Christelijk geloof of zedelijke deugd houdt!”

„Maar,” ging Waverley voort, „ik begrijp niet, waarom ik u zou lastig vallen met het verhalen van bijzonderheden, waaruit ik, na ze zoo zorgvuldig mogelijk voor mijn geest teruggeroepen en overdacht te hebben, maar weinig weet op te helderen, van hetgeen men mij ten laste legt. Ik weet zeker, dat ik onschuldig ben, maar ik zie bezwaarlijk in, hoe ik hopen kan dàt te bewijzen.”

„Juist daarom, mijnheer Waverley, waag ik het uw vertrouwen te vragen. Ik heb een groot aantal kennissen onder de bewoners dezer landstreek, en als het noodig is, kan dat nog worden uitgebreid. Uw toestand zal, vrees ik, u beletten die noodzakelijke stappen, tot het verkrijgen van licht of het ontdekken van bedrog te doen, die ik gaarne voor u zou willen ondernemen; en zoo u mijn pogingen al niet mochten baten, kunnen ze u althans geen nadeel doen.”

Waverley was, na eenige minuten nadenkens, overtuigd, dat het stellen van vertrouwen in den heer Morton, voor zoo ver het hem zelf aanging, noch Bradwardine noch Fergus zou kunnen schaden, daar beide openlijk de wapenen tegen het Bewind hadden opgevat, en dat het, zoo de betuigingen van zijn nieuwen vriend zoo goed gemeend waren, als hij verzekerde, welligt eenigzins nuttig voor hem kon zijn. Hij doorliep daarom kortelijk de meeste gebeurtenissen, waarmede de lezer reeds bekend is, terwijl hij van zijn liefde tot Flora, en inderdaad van haar, [181]noch van Rosa Bradwardine in der loop van zijn verhaal zelfs niet in de verte gewaagde.

De heer Morton scheen bijzonder getroffen door het verslag van Waverley’s bezoek bij Donald Bean Lean. „lk verheug mij,” zeide hij, „dat gij deze omstandigheid niet aan den Majoor hebt medegedeeld. Zij is juist geschikt om in een zeer verkeerd licht geplaatst te worden door dezulken, die geen acht slaan op den invloed welke de nieuwsgierigheid en een opgewonden verbeelding op het gedrag der jeugd uitoefenen. Toen ik iemand van uw leeftijd was, mijnheer Waverley, zou een dergelijke halsbrekende tocht (ik vraag u verschooning voor het woord) onuitsprekelijke bekoorlijkheden voor mij gehad hebben. Maar er zijn menschen in de wereld, die niet gelooven willen, dat men zich dikwijls aan gevaar en vermoeienis blootstelt, zonder eenige bepaalde reden, en die bijgevolg aan daden van anderen beweegredenen toeschrijven, welke geheel en al van de waarheid afwijken. Deze Bean Lean is door het geheele land als een soort van Robin Hood bekend; zijn behendigheid en stoutheid maken het onderwerp der vertellingen uit, die men elkander des winters in het hoekje van den haard doet. Men kan niet ontkennen dat hij talenten bezit, verre boven den onbeschaafden stand waarin hij zich beweegt; en daar hij niet zonder eerzucht en niet zeer nauwgezet in zijn handelingen is, zal hij zich, tijdens deze ongelukkige bewegingen, door alle mogelijke middelen trachten te onderscheiden.” – De heer Morton teekende thans zorgvuldig op de verschillende bijzonderheden van Waverley’s zamenkomst met Donald Bean, en de overige omstandigheden, die hij hem medegedeeld had.

De belangstelling, die deze brave man aan den dag scheen te leggen in zijn ongeluk, en vooral het volle vertrouwen, dat hij in zijn onschuld scheen te stellen, brachten er natuurlijk niet weinig toe bij om Eduards stemming te verzachten, daar de koelheid van den heer Melville hem op het denkbeeld gebracht had, dat de geheele wereld tegen hem samenspande, om hem te verpletteren. Hij drukte den heer Morton met warmte de hand, en, hem verzekerende, dat zijn vriendelijkheid en deelneming zijn hart van een zwaren last bevrijd hadden, zeide hij dat, wat ook zijn eigen lot wezen mocht, hij tot een familie behoorde, die zoowel dankbaarheid bezat als de macht om er de bewijzen van te leveren. De ernst zijner dankbaarheid lokte tranen in de oogen des waardigen geestelijken, die dubbel belang stelde in de zaak, waarvoor hij vrijwillig zijn diensten had aangeboden, nu hij het echte, ongeveinsde gevoel van zijn jongen vriend had opgemerkt.

Eduard vroeg thans, of de heer Morton wist waarheen men hem waarschijnlijk zou overbrengen.

„Naar het kasteel van Stirling,” antwoordde zijn vriend; „en dit doet mij om uwentwil genoegen, want de Gouverneur is zacht van aard en een man van eer. Maar, ik ben niet zoo gerust over uwe behandeling onder weg; majoor Melville is, zijns ondanks, verplicht de bewaking van uw persoon aan iemand anders toe te vertrouwen.”

„Dat verheugt mij. Ik haat dien koelbloedigen, berekenende Schotschen magistraat. Ik hoop dat we elkander nooit weêr zullen ontmoeten: hij gevoelt noch deelneming in mijn onschuld noch in mijn ongeluk; en de versteenende nauwkeurigheid, waarmede hij iederen vorm der beleefdheid in acht neemt, terwijl hij mij met zijn vragen, zijn vermoedens en zijn [182]gevolgtrekkingen martelt, was niet minder hatelijk dan de pijnbank der inkwisitie. Verdedig hem niet, waarde heer, want dat kan ik met geen geduld aanhooren; zeg mij liever, wie belast zal worden met zulk een belangrijken staatsgevangene, als ik ben?”

„Ik geloof, dat het zekere Gilfillan wezen zal, een van de secte, waaraan men den naam van Cameroniers geeft.”

„Ik heb er nooit van gehoord.”

„Zij geven voor die nauwgezetter en strenger Presbyterianen te vertegenwoordigen, welke, in de dagen van Karel II en Jacobus II, weigerden gebruik te maken van de Tolerantie of Indulgentie, gelijk die genoemd werd, welke aan anderen van dien godsdienst werd verleend. Zij hielden vergaderingen in het open veld, en daar ze door het Schotsche Bewind met veel hardheid en wreedheid behandeld werden, vatten ze meer dan eens onder de regeering dezer beide Koningen, de wapens op. Ze ontleenen hun naam van hun aanvoerder, Richard Cameron.”

„Ik herinner het mij. – Maar deed de zegepraal van het Presbyterianisme, bij de omwenteling, deze secte niet te niet gaan?”

„In geenen deele; die groote gebeurtenis bleef verre beneden hetgeen ze zich voorstelden; want ze wilden niets minder dan de Kerk volgens de gronden van het oude Plechtige Verbond en Covenant inrichten. Inderdaad, ik geloof dat ze niet recht wisten wat ze wilden; maar daar ze in die dagen vrij talrijk, en niet onbekend waren met de behandeling der wapens, zoo hielden ze zich bij elkander, als een afzonderlijke partij in den staat, en hadden, ten tijde der vereeniging van Engeland met Schotland bijna een zeer onnatuurlijk verbond aangegaan met hunne oude vijanden, de Jacobieten, om dien belangrijken nationalen maatregel tegen te werken. Sedert dien tijd is hun aantal trapsgewijze afgenomen; maar men treft nog een menigte van hen in de westelijke landschappen aan, en verscheidenen, thans beter gezind dan in 1707, hebben de wapens opgevat ten voordeele van het Bewind. Deze Gilfillan, dien ze „de Bezielde” noemen, is lang een hunner aanvoerders geweest, en staat thans aan het hoofd eener kleine afdeeling, welke heden of morgen hier doortrekt, op weg naar het kasteel van Stirling, en majoor Melville is voornemens u onder die bewaking te laten reizen. Ik zou u wel gaarne aan Gilfillan willen aanbevelen; maar daar hij al de vooroordeelen van zijn secte met de moedermelk heeft ingezogen, en hij zelf een geestdrijver is, zou hij weinig acht slaan op het verzoek van een Erastiaanschen Godgeleerde, gelijk hij mij beleefdelijk heeten zou. – En nu, vaarwel, jonge vriend; ik moet voor het oogenblik van de toegevendheid des Majoors niet te veel vergen, opdat hij mij het verlof niet weigere, om u in den loop van den dag nogmaals een bezoek te brengen.”