Omstreeks den middag kwam de heer Morton terug, en bracht eene uitnoodiging van den heer Melville, die den heer Waverley verzocht hem de eer van zijn gezelschap aan het middagmaal te willen schenken – [183]in weerwil van de onaangename zaak, die hem te Cairnvreckan ophield, en waarvan het hem innig genoegen doen zou den heer Waverley geheel ontslagen te zien. De waarheid was, dat door des heeren Mortons gunstig bericht en meening, de denkbeelden van den ouden krijgsman, aangaande Eduards veronderstelde deelneming aan de muiterij in het regiment, eenigszins aan het wankelen gebracht waren; en, bij den ongelukkigen toestand des lands, mocht het bloote vermoeden van niet ingenomen te zijn met het Bewind en de zucht om zich bij de opgestane Jacobieten te voegen, zoo al schuld, dan toch zeker geen schande op iemands hoofd laden. Bovendien had een persoon, die het vertrouwen van den Majoor bezat, hem een tijding gebracht: geheel strijdig met het verontrustende nieuws van den vorigen avond. Volgens dit tweede, hadden de Hooglanders zich van de Laaglandsche grenzen teruggetrokken, met oogmerk om het leger op zijn tocht naar Inverness te volgen. De Majoor was inderdaad verlegen, hoe deze tijding overeen te brengen met de welbekende bekwaamheden van sommige heeren in het Hooglandsche kamp, maar het was waarschijnlijk de handelwijze, die weêr aan anderen het aangenaamst wezen moest. Hij herinnerde zich, dat dezelfde staatkunde hen in het jaar 1715, in het noorden had opgehouden, en hij voorzag een gelijk einde aan den tegenwoordigen opstand, als bij die gelegenheid.
Dit nieuwe bracht hem in zulk een goeden luim, dat hij gereedelijk met des heeren Mortons voorstel instemde, om eenige beleefdheid te bewijzen aan zijn ongelukkigen huisgenoot, terwijl hij uit zichzelven de hoop uitdrukte dat deze geheele zaak het gevolg was van niets anders dan jeugdige opgewondenheid, die met een korte opsluiting gemakkelijk zou te boeten wezen.
Het gelukte den vriendelijken bemiddelaar niet zonder moeite zijn jongen vriend over te halen de uitnoodiging aan te nemen. Hij durfde hem de ware beweegreden zijner handelingen niet mededeelen, die in het goedhartig verlangen bestond, om zich een gunstig verslag van Waverley’s zaak, bij den gouverneur Blakeney, te verzekeren. Uit het hooggevoelige karakter van onzen held maakte hij op, dat zoo hij deze snaar aanroerde, het slechts op het mislukken van zijn voornemen zou uitloopen. Hij beweerde uit dien hoofde, dat de uitnoodiging van den Majoor bewees, dat er in Waverley’s gedrag niets was, hetwelk den krijgsman en man van eer aan verkeerde uitlegging kon blootstellen, en dat, indien Waverley de hoffelijkheid van den Majoor van de hand wees, dit ligt zou kunnen opgevat worden als eene bewustheid dat hij deze vriendelijkheid niet verdiende. In éen woord, hij overtuigde Eduard zoowel van het gepaste als van het vereerende dat er in gelegen was den Majoor op een vriendschappelijken voet te ontmoeten, zoodat Waverley zijn geweldigen tegenzin onderdrukte, om andermaal de koude en vormelijke beleefdheid van den ouden krijgsman te ondervinden en er in toestemde zich door zijn nieuwen vriend te laten leiden.
De ontmoeting was vrij stijf en deftig. Maar daar Eduard de uitnoodiging had aangenomen, en hij zich werkelijk kalmer en meer opgebeurd gevoelde door de vriendelijkheid van Morton, achtte hij het zijn plicht zich ongedwongen voor te doen, zonder evenwel eenige hartelijkheid te kunnen betoonen. De Majoor was min of meer een bonvivant, en zijn wijn was uitnemend. Hij verhaalde van zijn voormalige veldtochten, en legde vrij wat kennis van menschen en zaken aan den dag. De heer [184]Morton bezat een schat van bedaarde en prettige opgeruimdheid, welke zelden miste ieder klein gezelschap te bezielen, waar hij zich op zijn gemak bevond. Waverley, wiens leven op een droom geleek, gaf spoedig toe aan den indruk van het oogenblik, en werd de vroolijkste van het gezelschap. Hij had altijd veel natuurlijken aanleg voor de conversatie, ofschoon hij door ontmoediging ligt tot zwijgen werd gebracht. Maar bij deze gelegenheid maakte hij er zijn werk van, om bij zijn dischgenooten een gunstigen indruk achter te laten, als van iemand, die, onder zulke onaangename omstandigheden, het ongeluk met ongedwongen opgeruimdheid wist te dragen. Zijn geest, schoon eerst een weinig neêrgedrukt, hernam zijn gewone vlucht, en ondersteunde zijn pogingen spoedig naar behooren. Het drietal bevond zich in zeer druk gesprek, blijkbaar met elkander ingenomen, en de vriendelijke gastheer drong er op aan, om nog een derde flesch Bourgonje te nemen, toen het roeren van een trom in de verte gehoord werd. De Majoor, die, te midden der vroolijkheid van een oud soldaat, de plichten van een overheidspersoon had vergeten, verwenschte, met een gesmoorden krijgsmansvloek, wat hem tot zijne ambtsbezigheden terugriep. Hij stond op en begaf zich naar het raam, dat onmiddellijk uitzicht had op den straatweg, en werd daarin door zijn gasten gevolgd.
De tamboer kwam naderbij, terwijl hij geen geregelden krijgsmansmarsch, maar een soort van roffel sloeg, gelijk aan dien, waarmede de brandwacht de slapende ambachtslieden van een Schotsch stadje wekt. Het is het doel dezer geschiedenis iedereen recht te doen; ik moet dus, om den wille der rechtvaardigheid, van den tamboer zeggen, dat hij er zich voor uitgaf alle bekende oorlogsmarschen te kunnen slaan, die bij het Britsche leger in gebruik waren, behalve nog eenige andere vreemde, en dat hij dus met die van de tamboers van Dumbarton begonnen was, toen hem het zwijgen opgelegd werd door den bezielden Gilfillan, den aanvoerder der afdeeling, die zijn lieden niet wilde vergunnen zich naar dit profaan, en zelfs, zoo als hij zeide, vervolgziek getrommel te bewegen, en den tamboer beval den 119den psalm te slaan. Daar dit de bekwaamheid van den schaapsvelklopper te boven ging, was hij genoodzaakt zijn toevlucht te nemen tot een onschuldigen roffel, als een onnoozelen plaatsvervanger voor de gewijde muziek, die zijn instrument of zijn kunst buiten staat waren voort te brengen. Dit moge een nietige bijzonderheid schijnen, maar de tamboer in kwestie was niemand anders dan de stadstrommelslager van het stadje Anderton. En ik herinner mij zijn opvolger nog, die lid was van dat verlicht lichaam, de Britsche Conventie! Eere dus zijn aandenken!
EINDE VAN HET EERSTE DEEL.