[Inhoud]

EERSTE HOOFDSTUK.

INLEIDING.

De titel van dit werk is niet gekozen zonder het ernstig en welberaden overleg, in zaken van gewicht aan den voorzichtige voorgeschreven. Zelfs de eerste titel of algemeene benaming, was de slotsom van meer dan gewone navorsching of overleg, ofschoon ik, op het voorbeeld van mijne voorgangers, mij slechts had meester te maken van den fraaisten en welluidendsten naam, door de Engelsche geschiedenis of plaatsbeschrijving aan de hand gegeven, om dien tevens tot den titel van mijn werk en den naam van mijn held te maken. Maar, helaas! wat zouden mijne lezers van de ridderlijke namen van Howard, Mordaunt, Mortimer, Stanley, of van de zachter en sentimenteeler klanken van Belmour, Belville, Belfield en Belgrave anders verwacht kunnen hebben dan bladzijden vol onzin, gelijk die, welke sedert eene halve eeuw aldus gedoopt zijn? Zediglijk moet ik bekennen dat ik al te weinig vertrouwen in mijne verdiensten stel, om ze aan dergelijke vooroordeelen te wagen. Om die reden heb ik, evenals een pas geslagen ridder met zijn wit schild, Waverley, een onbekenden naam, tot dien van mijn held genomen, daar die in zich zelven goed noch kwaad bevat, buiten hetgeen de lezer in het vervolg zal goedvinden er aan te hechten.

Maar mijn tweede titel was iets waarvan de keus wel zoo bezwaarlijk viel, daar die, hoe kort ook, al zeer licht beschouwd wordt als verplichtend voor den schrijver om op zekere bepaalde wijze zijn tooneel op te slaan, zijne karakters te schetsen en de lotgevallen zijner op te voeren personen te regelen. Had ik, bij voorbeeld, aan het hoofd van mijn boek Waverley, een verhaal uit den ouden tijd geplaatst, dan had ieder romanlezer al bij voorbaat gedacht aan een kasteel, niet onderdoende voor dat van Udolpho1, van hetwelk de oostelijke vleugel al lang onbewoond, en de sleutels òf verloren òf toevertrouwd waren geweest aan de zorg van een bejaarden hof- of rentmeester, veroordeeld om met wankelende schreden, – tegen het midden van het tweede deel, – den held of de heldin naar de instortende overblijfsels te geleiden. Ja, zou niet de uil gekrast en de krekel zijn zang reeds op mijn titelblad aangeheven hebben? en zou het mij, met eenige achting voor het welvoegelijke, wel mogelijk geweest zijn er een enkel, levendiger tooneel te schetsen, dan de grappen van een lompen maar getrouwen knecht, of het woordenrijke verhaal der kamenier van de heldin, wanneer deze de door haar in de keuken gehoorde bloedige en vreeselijke geschiedenissen weder oververtelt?

En, indien ik aan mijn boek het opschrift had gegeven van: Waverley, een roman naar het Hoogduitsch, zou dan niet het stompste hoofd zich terstond een wellustigen abt, een dwingeland van een hertog, een verborgen en geheimzinnig gezelschap van Rozekruizen en Illuminati, met hunne eigenaardige uitrustingen van zwarte kappen, holen, dolken, electriseermachines, valdeuren en dievenlantaarns hebben voorgesteld? Of zoo [9]ik verkozen had mijn werk: Een sentimenteel verhaal te noemen, zou dit dan niet voldoende geweest zijn, om daarmede eene heldin aan te kondigen met zware donkerbruine lokken en eene harp om haar te troosten in hare eenzame uren, en die ze gelukkig steeds van het kasteel naar de hut weet over te brengen, ofschoon ze zelve nu en dan genoodzaakt is uit een raam der tweede verdieping te springen, en menigmaal verdwaalt op haar tocht, alleen en te voet, of enkel begeleid door de lompe boerendeerne, wier brabbeltaal zij nauwelijks verstaan kan. – Of, eindelijk had ik mijn Waverley geheeten: Eene geschiedenis van onzen tijd, zoudt gij dan niet, vriendelijke lezer, een levendige schets van mij hebben gevorderd van de groote wereld, met een eenige anecdote van bijzondere schandalen, vooral dun omsluierd, en zoo veel te beter, indien ze wat sterk gekleurd waren; eene heldin uit Grosvenor-square2 en een held van den „Baroucheclub” of dien der „Four-in-hand3, benevens een stel ondergeschikte karakters uit de Elegantes van Queen-Ann-StreetEast, of de schitterende helden van het Bureau in Bowstreet4?

Ik zou nog kunnen voortgaan met de belangrijkheid van een titel te bewijzen, en daardoor te gelijk mijne diepe kennis aan den dag kunnen leggen van de bijzondere bouwstoffen tot de samenstelling van romans en verhalen van allerlei aard, vereischt; maar dit zij genoeg, daar ik geen misbruik wil maken van het geduld van den lezer die ongetwijfeld reeds verlangt, de keus te leeren kennen van een schrijver, zoo door en door ervaren in de verschillende takken zijner kunst.

Terwijl ik de dagteekening van mijn verhaal dan stel op zestig jaar voor dezen tegenwoordigen eersten dag van November 18055, wil ik mijn lezers daardoor te kennen geven, dat ze in de volgende bladzijden noch een ridderroman, noch een tafereel van hedendaagsche zeden zullen vinden; dat mijn held noch ijzer op zijne schouders zal hebben als in de dagen van ouds, noch aan de hielen zijner laarzen, zoo als het tegenwoordig gebruik is in Bondstreet6; en dat mijne dames even zoo min zullen gekleed gaan met een purperen mantel en opperkleed, gelijk Alice in de oude Ballade, als ze teruggebracht zullen worden tot de oorspronkelijke naaktheid eener hedendaagsche schoone uit de groote wereld. Uit mijne keuze van den tijd zal de verstandige recensent verder opmaken, dat mijn verhaal êer ten doel heeft, menschen dan zeden en gewoonten te beschrijven. Een tafereel van zeden moet, zal het belangrijk wezen, óf ontleend zijn aan eene oudheid, ver genoeg verwijderd om eerbiedwaardig te zijn, óf het moet een levendige afspiegeling aanbieden van die tooneelen, welke dagelijks vóor onze oogen voorbijgaan, en door het nieuwe, dat hun eigen is, belang inboezemen. De maliënkolder onzer voorvaders en de driedubbel met bont gevoerde pels onzer hedendaagsche heertjes, mogen, om verschillende redenen, even geschikt zijn voor de uitrusting van een verdicht personage: maar wie, die het kostuum van zijn held indrukwekkend [10]verlangt te maken, zou hem opzettelijk in het hofgewaad der regeering van George II. steken, – zonder kraag, met wijde mouwen en lage zakken? Met even veel recht mag hetzelfde worden aangemerkt van de Gothische zaal, die met de donkere en beschilderde glazen, de hooge en sombere zoldering en zware eiken tafel, versierd met beerenkoppen en rozemarijn, faizanten en pauwen, zwanen en kraanvogels, een voortreffelijke werking doet in een dichterlijke beschrijving. Evenzoo zou een levendige schildering van een hedendaagsch feest, zoo als wij die in Engeland gedurig in een dagblad, onder de rubriek van: Spiegel der mode, aantreffen, het verre winnen boven de beschrijving eens feestelijken maaltijds van vóor zestig jaren; en dus ziet men gereedelijk in, hoe veel de schilder van oude tijden, of van de groote wereld van heden vooruit heeft op hem, die de zeden en gewoonten van een kort geleden tijdperk beschrijft.

Wanneer men nu de nadeelen opsomt, onafscheidelijk van dit gedeelte van mijn onderwerp, zal men wel van zelf begrijpen, dat ik besloten heb ze zoo veel mogelijk te ontwijken, door juist de kracht van mijn verhaal te leggen in de karakters en hartstochten der personen – hartstochten, den mensch eigen in alle standen der maatschappij, en die zijn hart even zeer bewogen hebben, hetzij het klopte onder het stalen keurslijf der vijftiende eeuw, den geborduurden rok der achttiende, of den blauwen frak en het wit diemiten vest van den tegenwoordigen tijd7. Het is zeker waar, dat de toestand van zeden en wetten eene kleur aan deze hartstochten geeft; maar, in de taal der heraldiek blijven de wapens dezelfde, hoewel de kleuren niet slechts verschillend, maar in de sterkste tegenspraak met elkander zijn mogen. De toorn onzer voorvaderen, bij voorbeeld, was „geel” gekleurd; hij gaf zich tucht door daden van openbaar en bloedig geweld tegen de voorwerpen zijner woede: van onze vijandelijke gevoelens daarentegen, die bevrediging langs minder rechtstreeksche wegen moeten zoeken en de hinderpalen ondermijnen, die ze niet openlijk kunnen omverwerpen, kan men eer zeggen dat ze „sable” gekleurd zijn. Maar de onweerstaanbare aandrift is in beide gevallen dezelfde; en de trotsche pair die nu zijn naaste slechts te gronde kan richten volgens de wet, door eindeloos gerekte rechtsgedingen, is de echte afstammeling van den baron, die het kasteel van zijn mededinger in brand stak en hem den kop kloofde, als hij aan de vlammen poogde te ontsnappen. Het is uit het groote boek der natuur, hetzelfde door een duizendtal uitgaven heen, hetzij gedrukt met een gothische letter, of op velijn papier en gesatineerd, dat ik stoutmoedig beproefd heb het publiek een hoofdstuk voor te lezen. Een gunstige gelegenheid tot tegenstellingen deed zich aan mij voor, in den toestand der maatschappij in het noordelijk gedeelte des eilands, ten tijde mijner geschiedenis; en deze mogen tegelijk dienen ter afwisseling en opheldering van de zedelessen, die ik [11]gaarne zou wenschen, dat men als het voornaamste deel van mijn werk beschouwde; al gevoel ik ook hoe weinig ze haar doel zullen bereiken, als ik buiten staat ben, om ze tevens onderhoudend te maken, – eene taak op verre na niet zoo gemakkelijk, als „zestig jaar geleden”.


1 Zinspeling op den welbekenden roman „Het kasteel van Udolpho,” 

2 Een der meest fashionable gedeelten van Londen. 

3 Een club bestaande uit rijke jongelieden, die allen uitmunten moeten in het rijden met den „vierspan.” 

4 Een policiebureau te Londen. 

5 Waverley, in 1805 geschreven, verscheen eerst in 1811–14. 

6 Bondstreet, in de dagen toen deze inleiding geschreven werd, dagelijks tusschen drie en vijf ure de wandelplaats der Engelsche dandies en schoonen. 

7 Helaas! die kleeding, in 1805 of daaromstreeks, achtenswaardig en voor een gentleman passend, is evenzeer verouderd als de schrijver van Waverley zelf sedert dien tijd. De lezer uit de groote wereld zij zoo goed het kostuum aan te vullen met een geborduurd vest van purper fluweel of zijde en een gekleurden rok, zoo als hij zelf verkiest. Noot van den Schr.