[Inhoud]

DERDE HOOFDSTUK.

WAVERLEY VERKEERT STEEDS IN GEVAAR.

De snelheid, of liever het geweld, waarmede Waverley voortgesleurd werd, beroofde hem bijna van zijn bewustzijn; want, door zijn val was hij zoo gekneusd geworden, dat hij zich niet zoo goed redden kon, als hij anders zou gedaan hebben. Toen zijne geleiders dit bespeurden, riepen [194]zij nog twee of drie van het gezelschap te hulp, wikkelden onzen held in een hunner plaids, verdeelden dus zijn gewicht onder elkander, en voerden hem met dezelfde snelheid voort, zonder dat het hem zelven eenige inspanning behoefde te kosten. Ze spraken weinig en dit nog in het Gaelsch, en verminderden hun pas niet, voor dat ze bijna drie kwartier ver geloopen hadden, toen ze hun schreden vertraagden, maar nog altijd zeer stevig doorstapten, en elkander nu en dan aflosten.

Onze held beproefde thans met hen te spreken, maar verkreeg geen verder antwoord, dan „Cha n’eil Beurl’ agam,” dat wil zeggen: „wij verstaan geen Engelsch,” hetgeen, zoo als Waverley maar al te goed wist, het vaste bescheid van een Hooglander is, wanneer hij óf een Engelschman of Laaglander niet verstaat, óf niet verkiest te antwoorden. Hij noemde toen den naam van Vich Ian Vohr, daar hij overtuigd was, dat hij aan diens vriendschap zijn verlossing uit de klauwen van dezen Gilfillan verplicht was; maar ook dit bracht geen teeken van herkenning bij zijn geleide te weeg.

De schemering had plaats gemaakt voor den maneschijn, toen de troep halt maakte op den steilen rand van een diep dal, dat, daar het gedeeltelijk door de maan werd verlicht, vol boomen en dicht kreupelhout scheen. Twee der Hooglanders gingen, langs een klein voetpad, gebukt verder, alsof zij alle schuilhoeken wilden onderzoeken. Een hunner, die binnen weinige minuten terugkeerde, zeide iets aan zijn medgezellen, die terstond hun last opnamen, en hem met groote zachtheid en zorg het nauwe pad, dat naar het dal voerde, afdroegen. Evenwel kwam, in weerwil van hunne voorzorgen, Waverley’s lichaam meer dan eens vrij ruw in aanraking met de vooruitstekende stompen en takken, die over het pad hingen.

Toen ze onder aan de helling, en, naar het scheen, aan de oevers van eene beek kwamen, (want Waverley hoorde het ruischen van eene aanmerkelijke hoeveelheid water, ofschoon de stroom, in de duisternis, onzichtbaar was,) hielden zijn geleiders weder stil voor eene kleine, ruw betimmerde hut. De deur was open, en het inwendige scheen even slecht ingericht en van alle gemakken ontdaan als het uitwendige voorspelde. Er was hoegenaamd geen schijn van bevloering; het dak was op verscheidene plaatsen open; de muren bestonden uit losse steenen en zoden, en het dak uit boomtakken. Het vuur lag in het midden en vulde de geheele stulp met rook, die zich zoo wel door de deur, als door eene ronde opening in het dak een uitweg baande. Eene oude Hooglandsche sybille, de eenige bewoonster van dit verlaten gebouw, scheen met de toebereiding van eenig voedsel bezig te zijn. Bij het schijnsel van het vuur, kon Waverley zien, dat zijn gezelschap niet van den clan van Ivor was, want Fergus was zeer streng in zijn eisch, dat zijn aanhangers den tartan, met de strepen van hun eigen clan zouden dragen; een onderscheidingsteeken oudtijds onder de Hooglanders algemeen, en nog door die Opperhoofden behouden, welke trotsch waren op hun afkomst of naijverig op hun onafhankelijk en onverdeeld gezag.

Eduard had lang genoeg te Glennaquoich vertoefd om dat onderscheidingsteeken op te merken, waarvan hij herhaalde malen had hooren spreken. Overtuigd dat hij geen invloed kon uitoefenen op degenen, die hem met zich gevoerd hadden, wierp hij een hopeloozen blik door het binnenste [195]der hut. Het eenige huisraad, buiten een waschtobbe en een houten kast, in Schotland een „ambry’’ genoemd, en in vrij slechten toestand, bestond in een ruime houten bedstede, volgens het gebruik aan alle kanten met planken betimmerd en van een schuifdeur tot ingang voorzien. In deze schuilplaats legden de Hooglanders Waverley neder, nadat hij, door gebaren, iedere verversching had afgewezen. Hij sluimerde onrustig en zonder eenige verkwikking te ondervinden; vreemde gezichten gingen hem voor de oogen, en standvastige en herhaalde inspanning was noodig om ze te verdrijven. Huivering, geweldige hoofdpijn en pijn door alle leden volgden deze verschijnselen op; en des morgens bleek het ten volle aan zijn Hooglandsche oppassers of wachters (want hij wist niet goed, in welk licht hen te beschouwen) dat Waverley volstrekt buiten staat was om verder te reizen.

Na lang overleg met elkander, verlieten zes van het gezelschap de hut met hunne wapens, terwijl ze een grijsaard en een jong mensch achterlieten. De eerste sprak Waverley aan en papte de kneuzingen, welke door het zwellen en de bonte en blauwe kleuren nu zichtbaar werden. Zijn mantelzak, dien de Hooglanders niet verzuimd hadden mede te voeren, voorzag hem van linnen, en werd, tot zijn groote verwondering, met den geheelen inhoud, onbepaald tot zijn beschikking gesteld. Het beddegoed scheen zindelijk en gemakkelijk, en de bejaarde oppasser sloot de deur van de bedstede, want er waren geen gordijnen voor, na eenige weinige woorden in het Gaelsch geuit te hebben, waaruit Waverley opmaakte, dat hij hem vermaande rust te nemen. Ziedaar dus onzen held voor de tweede maal onder de handen van een Hooglandschen Eskulaap, maar in een vrij wat onaangenamer toestand, dan toen hij de gast was van den waardigen Tomanrait.

De koorts, die het gevolg was van de ondergane kneuzingen, verminderde eerst den derden dag, toen ze voor de zorg zijner oppassers en de sterkte van zijn gestel week, en nu kon hij, ofschoon niet zonder pijn, zich in het bed oprichten. Hij bespeurde evenwel, dat er geen groote last bestond bij de oude vrouw, die hem tot ziekeoppasster diende, of bij den bejaarden Hooglander, om hem te vergunnen de deur van de bedstede open te doen, om hem afleiding te verschaffen met het gadeslaan hunner bewegingen; en ten laatste, nadat Waverley het luik van zijn kooi herhaalde malen geopend, en zij het even dikwijls weder gesloten hadden, maakte de oude Hooglander een einde aan den twist, door het van den buitenkant, met een spijker, zoo vast te maken, dat er geen verwrikken aan was, eer dit uitwendig beletsel weggenomen werd.

Waverley zocht bij zich zelven de oorzaak van dezen geest van verzet na te gaan bij lieden, wier gedrag aan geen roofzucht deed denken, en die in alle andere opzichten alleen met zijn welzijn en zijn wenschen schenen te rade te gaan. Ook herinnerde onze held zich, dat het hem, gedurende de ergste crisis van zijn ziekte, toescheen, dat hij een vrouwelijke gedaante, jonger dan de oude Hooglandsche oppasster, tusschenbeide bij zijn legerstede had ontwaard. Hij had hiervan wel is waar slechts een zeer flauwe herinnering, maar zijn vermoedens werden bevestigd, toen hij, oplettend luisterende, in den loop van den dag, dikwijls de stem van een tweede vrouwelijk wezen hoorde, dat met zijn oppasster sprak. Wie kon dat zijn? En waarom verlangde ze verborgen te blijven? Zijn verbeelding ontvlamde terstond, en bracht hem [196]Flora Mac-Ivor voor den geest. Maar na een korten strijd tusschen het vurige verlangen om te mogen gelooven, dat zij in zijne nabijheid was, en, gelijk een engel der barmhartigheid, zijn ziekbed bewaakte, werd Waverley gedrongen te erkennen, dat zijn gissing geheel onwaarschijnlijk was. Immers liet het zich bezwaarlijk veronderstellen, dat ze haar betrekkelijk veilig verblijf op Glennaquoich had verlaten, om naar het Laagland, thans de zetel van burgeroorlog, af te komen, om zulk een schuilhoek te bewonen, als deze. Evenwel klopte zijn hart, als hij een enkelen keer het trippelen van een lichten, vrouwelijken voet, naar of van de deur der hut, kon hooren, of de gedempte toonen van een zachte en fijne vrouwestem mocht opvangen, tegenover het schorre, binnensmondsche gekwaak van de oude Janet, gelijk, zoo als hij vernam, de oude vrouw heette.

Daar hij niets anders had, om zich in zijn eenzaamheid mede te vermaken, hield hij zich bezig met een plan om zijn nieuwsgierigheid te voldoen, in spijt van de scherpe oplettendheid van Janet en den ouden Hooglander; want den jongen knaap had hij sedert den eersten morgen niet weder gezien. Eindelijk, na een nauwkeurig onderzoek, scheen de zwakke toestand van zijn houten gevangenis de middelen aan de hand te geven om zijn nieuwsgierigheid te voldoen; want het gelukte hem uit een eenigzins vermolmde plank, een spijker te trekken. Door deze kleine opening kon hij een vrouwelijke gedaante bemerken, die, in haar plaid gewikkeld, met Janet in gesprek was. Maar, reeds sedert de dagen van onze grootmoeder Eva, heeft het toegeven aan al te groote nieuwsgierigheid doorgaans zijn straf gevonden in de teleurstelling, die ze ontmoet. De gestalte was niet die van Flora en het gelaat kon hij niet te zien krijgen; en, om de teleurstelling ten top te voeren, terwijl hij met den spijker de opening zocht te vergrooten, ten einde zijn doel beter te bereiken, verried een klein geraas zijn voornemen, en het voorwerp zijner nieuwsgierigheid verdween oogenblikkelijk, en bezocht ook, voor zoover hij bemerken kon, de hut niet meer.

Alle voorzorg om zijn uitzicht te belemmeren werd sedert dien tijd opgegeven; en hij verkreeg niet alleen verlof, maar ook hulp om op te staan en te verlaten, wat, in letterlijken zin, zijn gevangenis-leger geweest was. Maar hij mocht geen voet buiten de hut te zetten; want de jonge Hooglander had zich nu weder bij zijn ouderen makker gevoegd, en een van beiden stond gedurig op de wacht. Zoo dikwerf Waverley de deur naderde, plaatste de schildwacht zich, beleefd, maar vastberaden er voor, en verzette zich tegen Eduards pogingen, terwijl hij de daad gepaard deed gaan met teekens, die schenen aan te duiden, dat zijn streven gevaarlijk, en er een vijand in de nabijheid was. De oude Janet scheen beangst en op hare hoede; en Waverley, die nog geen krachten genoeg had, om, in weerwil van den tegenstand zijner huisgenooten, een poging te wagen om te ontsnappen, was genoodzaakt geduld te oefenen. Zijn onthaal was, in ieder opzicht, beter dan hij zich had kunnen voorstellen; want gevogelte en zelfs wijn waren van zijn tafel niet uitgesloten. De Hooglanders matigden zich nooit aan om met hem te eten, en behandelden hem, behalve dat ze hem bewaakten, met grooten eerbied. Zijn eenig vermaak was uit het raam te kijken – of liever uit de ruwe opening, welke tot raam moest dienen – op een breeden en woesten stroom, die door een steenachtige bedding, omtrent tien [197]voet beneden de gevangenis, ruischte en schuimde, en alom dicht door boomen en struiken overschaduwd en bedekt was.

Op den zesden dag na zijn inkerkering, bevond Waverley zich zoo wel, dat hij aan zijne ontsnapping uit deze sombere en ellendige gevangenis begon te denken, daar hij aan elk gevaar, hetwelk hij bij de poging mocht loopen, de voorkeur gaf boven de verdovende en ondragelijke eentoonigheid, waaraan hij in Janets woning ten prooi was. De vraag ontstond inderdaad bij hem, werwaarts hij gaan zou, als hij weder zijn eigen meester was. Twee plannen schenen uitvoerbaar, hoewel beide met gevaar en moeite gepaard gingen. Het eene was naar Glennaquoich terug te gaan en zich bij Fergus Mac-Ivor te voegen, die, dat wist hij zeker, hem vriendelijk ontvangen zou; en in zijn tegenwoordige stemming ontsloeg hem de gestrengheid, waarmede hij behandeld werd, in zijne eigene oogen, ten volle van zijne verplichting jegens het bestaande bewind. Het andere ontwerp was te pogen eene Schotsche zeehaven te bereiken, en zich van daar naar Engeland in te schepen. Besluiteloos dobberde zijn geest tusschen deze twee plannen, en indien hij ontsnapt ware zoo als hij zich had voorgenomen, is het waarschijnlijk dat hij zich eindelijk zou hebben laten leiden door de meerdere gemakkelijkheid, waarop hij een van beide voornemens had kunnen volvoeren. Maar zijn noodlot had bepaald, dat hem geen keus zou worden gelaten.

Op den avond van den zevenden dag ging de deur van de hut eensklaps open, en twee Hooglanders traden binnen, die door Waverley herkend werden als een deel te hebben uitgemaakt van het geleide, dat hem naar de stulp had overgebracht. Zij spraken gedurende korten tijd met den ouden man en diens medgezel, en gaven Waverley daarop, met zeer duidelijke teekens, te verstaan, dat hij zich moest gereed maken hen te vergezellen. Dit was eene blijde tijding. Hetgeen reeds voorgevallen was gedurende zijn opsluiting, deed duidelijk zien dat men niets kwaads met hem in den zin had, en zijn verbeeldingskracht, die gedurende zijn rust veel van de veerkracht herwonnen had, aanvankelijk door angst, teleurstelling en eene mengeling van onaangename gewaarwordingen onderdrukt, werd later door gebrek aan opwekking tot last. Zijn liefde voor het wonderbare – ofschoon het in den aard van zoodanige naturen licht, om geprikkeld te worden door de maat van het gevaar, waaraan men zich ziet blootgesteld – was bezweken onder de buitengewone en oogenschijnlijk onoverkomelijke rampen, waardoor hij te Cairnvreckan omringd scheen. In waarheid, uit deze mengeling van gespannen nieuwsgierigheid en opgewonden verbeelding ontstaat eene bijzondere soort van moed, welke eenigermate gelijkt op het licht, gewoonlijk door een mijnwerker gedragen, en dat toereikend is om hem te midden der gewone gevaren van zijn arbeid te geleiden en troost te schenken, maar dat zeker uitdooft, indien hem het dreigende gevaar van aarddampen en verpeste luchten overkomt. Het was trouwens nu weêr ontstoken, en met een gemengde aandoening van hoop, vrees en verlangen zag Waverley op de groep voor hem, terwijl zij, die zoo even waren aangekomen, in der haast een maaltijd gebruikten, en de anderen hunne wapens opnamen, en eenige toebereidselen maakten voor hun vertrek.

Terwijl hij in de berookte hut zat, op eenigen afstand van het vuur, [198]waar de overigen omheen zaten, gevoelde hij een zachten druk op zijn arm. Hij zag om – het was Alice, de dochter van Donald Bean Lean. Zij toonde hem een pak papieren op eene wijze, dat de beweging door niemand anders werd opgemerkt, bracht haar vinger, tot een tweede teeken, aan de lippen, en ging als ’t ware voort, de oude Janet behulpzaam te zijn met Waverleys kleêren in zijn mantelzak in te pakken. Het was blijkbaar haar wensch, dat hij geen teeken zou geven dat hij haar herkende; nogtans zag zij bij herhaling naar hem om, als er zich een gelegenheid opdeed om dit ongemerkt te doen, en toen zij ontwaarde dat hij zag wat ze deed, vouwde ze het pakje met groote behendigheid en spoed in een zijner hemden, die ze in den mantelzak stopte.

Hier was dus nieuw voedsel voor gissingen. Was Alice zijn onbekende bewaakster? Was dit meisje uit het hol de beschermgeest, welke gedurende zijne ziekte bij zijn bed had gewaakt? Was hij in handen van haar vader? en zoo ja, wat was zijn voornemen? Roof, het gewone doel van dezen ellendeling, scheen ditmaal uit het oog verloren te zijn; want niet alleen was Waverleys eigendom hem terug gegeven, maar zelfs zijn beurs, waardoor deze plunderaars van beroep in verzoeking konden gebracht zijn, had men al dien tijd geduldig in zijn bezit gelaten. Het pakje zou dit alles misschien verklaren, maar het bleek duidelijk uit Alices wijze van handelen, dat zij verlangde dat hij het in het geheim zou raadplegen. Ook zocht zij zijn oog niet meer, nadat ze overtuigd was geworden, dat haar wenk opgemerkt en verstaan was. Integendeel verliet ze kort daarna de hut, en slechts toen ze de deur uitging, schonk zij, begunstigd door de duisternis, Waverley een afscheidslachje en een beteekenisvollen knik, eer ze in het donkere dal verdween.

De jonge Hooglander werd herhaalde malen door zijn kameraden uitgezonden, als ’t ware op kondschap. Ten laatste, toen hij voor de derde of vierde maal terugkwam, stond de geheele troep op, en gaven ze onzen held door teekens te verstaan dat hij volgen moest. Vóór zijn vertrek echter reikte hij de hand aan de oude Janet, die hem zoo ijverig en oplettend gedurende zijn ziekte had opgepast, terwijl hij er tastbare blijken zijner dankbaarheid bijvoegde. „God zegene u! God zende u voorspoed, kapitein Waverley!” zeide Janet in goed Laaglandsch Schotsch, ofschoon hij haar tot hiertoe nooit een woord dan in het Gaelsch had hooren uiten. Maar het ongeduld zijner metgezellen veroorloofde hem niet eenige opheldering te vragen.