[Inhoud]

VIERDE HOOFDSTUK.

EEN NACHTELIJK AVONTUUR.

Toen de geheele troep de hut verlaten had, werd er een oogenblik halt gehouden, en hij, die het bevel op zich nam, en in wien Waverley denzelfden ranken Hooglander meende te herkennen, die bij Donald Bean Leans voor onderbevelhebber had gespeeld, beval, fluisterend en door teekens, dat men de diepste stilte in acht moest nemen. Hij gaf Eduard [199]een sabel en een ruiterspistool in de hand, en op den omtrek wijzende, bracht hij de hand aan het gevest van zijn eigen zwaard, alsof hij hem wilde doen verstaan, dat ze wellicht tot geweld hunne toevlucht zouden moeten nemen om zich een weg te banen. Vervolgens plaatste hij zich aan het hoofd van den troep, die de een achter den ander geschaard het pad opsteeg, terwijl Waverley terstond achter den leidsman volgde.

Deze ging slechts met groote voorzichtigheid voort, alsof hij het minste gerucht wilde vermijden, en hield stil, zoodra ze den top van den berg bereikt hadden. Waverley bespeurde al spoedig de reden van al deze voorzorgen; want hij hoorde, op kleinen afstand, een Engelsche schildwacht zijn „All’s well!” roepen. De zware klank daalde, op den nachtwind, in het boschrijke dal neder, en werd door de echo’s van de omringende hoogten nagebauwd. Twee, drie en viermaal werd het geroep al zwakker en zwakker herhaald, alsof het op grooter en grooter afstand van post tot post ging. Het was blijkbaar, dat eene afdeeling soldaten in de nabijheid en op hare hoede was, ofschoon lang niet genoegzaam, om mannen te ontdekken, in allerlei soort van strooptochten zoo bedreven als die, met welke Waverley thans hunne vruchtelooze voorzorgen bespiedde.

Toen deze stemmen door de stilte van den nacht vervangen waren, begaven de Hooglanders zich snel, maar met de uiterste behoedzaamheid, op marsch. Waverley had weinig tijd, en inderdaad ook weinig lust, om waarnemingen te doen; hij kon alleen onderscheiden, dat ze op eenigen afstand langs een groot gebouw heentrokken, door welks ramen nog een paar lichten schenen te flikkeren. Een weinig verder, snoof de geleidende Hooglander in den wind, als een jachthond die voor het wild staat, en gaf toen een teeken aan zijn troep, om wederom halt te houden. Hij bukte zich op handen en voeten, in zijn plaid gewikkeld, zoodat hij nauwelijks te onderscheiden was van den begroeiden bodem, waarop hij zich bewoog, en naderde in deze houding, om verkenning te doen. Weldra kwam hij terug, en zond zijne kameraden, op één na weg; en, terwijl hij Waverley beduidde dat deze zijne voorzichtige wijze van voortgaan moest navolgen, kropen alle drie op handen en voeten voort.

Na op deze ongemakkelijke manier een langer weg te hebben afgelegd, dan zijnen knieën en beenen aangenaam was, bespeurde Waverley de rooklucht, die waarschijnlijk al veel vroeger door de scherpere reukorganen van zijn leidsman was opgemerkt. De rook zelf kwam uit den hoek van een lage en vervallen schaapskooi, welker muren van ongemetselde steenen waren opgetrokken, zoo als in Schotland gebruikelijk is. Dicht langs dezen lagen muur werd Waverley, waarschijnlijk niet zonder oogmerk door een Hooglander geleid, en, om hem al den omvang van het gevaar te doen kennen, of misschien om de volle overtuiging van zijn eigene behendigheid te hebben, noodigde hij hem door teekens en voorbeeld uit, het hoofd op te heffen, om over den muur in de schaapskooi te zien. Waverley deed dit, en zag een voorpost van vier of vijf soldaten, die bij hun wachtvuur gelegerd waren. Ze sliepen allen, uitgenomen de schildwacht, die heen en weder wandelde met het geweer op schouder, hetwelk door een rooden gloed van het vuur verlicht werd, zoo dikwijls hij, op zijn korten heen- en terugmarsch, er langs kwam; terwijl hij zijn oogen bij herhaling vestigde op dat gedeelte van den hemel, waar de maan, tot [200]hiertoe door mist verduisterd, nu op het punt scheen te voorschijn te treden.

Na verloop van een paar minuten, verhief zich, door een dier plotselinge veranderingen in de lucht, aan bergachtige landen zoo eigen, een koeltje, en vaagde de wolken weg, welke den gezichteinder hadden beneveld, en de koningin des nachts stortte haar vollen luister op eene uitgestrekte en dorre heide uit, wel is waar, met kreupelhout en kwijnend geboomte bezet aan den kant, dien ze langs waren gekomen, maar open en bloot voor de waarneming van de schildwacht naar die zijde, werwaarts het doel van hun tocht was. De muur van de schaapskooi hield hen, op dit oogenblik, nu ze lagen, verborgen; maar het scheen bijna onmogelijk, een voetstap verder te gaan, zonder terstond ontdekt te worden.

De Hooglander hield zijn oogen naar het blauwe gewelf geslagen, maar wel verre van met Homerus’, of liever Popes, door den nacht overvallen landman, het nuttig licht te zegenen, mompelde hij een Gaelschen vloek op den ontijdigen glans van Mac-Farlanes buat (d.i. lantaarn)1. Hij zag eenige minuten angstig rond, en nam toen oogenblikkelijk zijn besluit. Terwijl hij zijn makker bij Waverley liet, gaf hij dezen te verstaan zich rustig te houden, en na den ander zijn bevelen in een kort gefluister te hebben medegedeeld, keerde hij, begunstigd door de ongelijkheid van den grond, terug, in dezelfde richting en op dezelfde wijze, als ze gekomen waren. Eduard, die het hoofd omwendde om hem met de oogen te volgen, kon hem, met de snelheid van een Indiaan, op handen en voeten zien loopen, terwijl hij zich van elk struikje en iedere oneffenheid bediende, om zich voor ontdekking te vrijwaren, en niet de meer open liggende gedeelten van zijn weg betrad, tenzij de schildwacht zijn rug naar hem gekeerd had. Eindelijk bereikte hij het kreupelhout en het lage geboomte, dat het heiveld, nu meer moerassig geworden, naar dien kant bedekte, en dat zich waarschijnlijk tot op de hoogte uitstrekte van het zoo lang door Waverley bewoonde dal. De Hooglander verdween, maar het was slechts voor weinige minuten; want hij kwam op eens uit een ander gedeelte van het kreupelbosch te voorschijn, en terwijl hij stoutmoedig op de open heide voortging, als ware het om ontdekking uit te lokken, hief hij zijn geweer op en vuurde op de schildwacht. Een wonde in den arm verstoorde op onaangename wijze de waarnemingen van den armen knaap, evenals zij aan het deuntje, dat hij floot, een einde maakte. Hij beantwoordde het schot, maar zonder gevolg. Zijn kameraden werden door het alarm gewekt, en snelden met rassche schreden naar de plek, vanwaar het eerste schot gekomen was. Na hun den tijd gegeven te hebben om hem te zien, verdween de Hooglander in de struiken, want zijn krijgslist was ten volle gelukt.

Terwijl de soldaten van hun kant de oorzaak van hetgeen hen verontrust had in gene richting vervolgden, haastte Waverley zich den wenk van zijn achtergebleven metgezel te volgen en zich naar dien kant te begeven, welken zijn leidsman eerst voornemens was te kiezen, en die nu (daar de aandacht der soldaten elders gevestigd was) zonder opzicht en zonder bewaking bleef. Nadat ze een goede vijf minuten gaans geloopen [201]waren, onttrok de rand van een hoogte, die zij beklommen hadden, hen aan alle verdere bespieding. Zij hoorden echter nog, op een afstand, het geroep der soldaten, die met elkander op de heide het wachtwoord wisselden, en eveneens konden zij in dezelfde richting, meer in de verte het geroffel van een trommel hooren, die de soldaten tot de wapens riep. Maar deze vijandige geluiden waren thans wijd achter hen en stierven weg, naarmate zij hun tocht sneller voortzetten.

Toen ze nog omstreeks een half uur langs opene en woeste gronden van dezelfde soort waren voortgetrokken, kwamen ze aan den stomp van een ouden eik, die, naar de overblijfselen te oordeelen, eens een boom van zeer grooten omvang geweest was. In een daarbijgelegen hol troffen ze onderscheidene Hooglanders, met een paar paarden aan. Ze hadden zich bij deze nog slechts weinige minuten gevoegd, die Waverley’s reisgezel, naar alle waarschijnlijkheid, besteedde, om hun de oorzaak van hunne vertraging mede te deelen, (want het woord Duncan Duroch werd verscheidene malen herhaald) toen Duncan zelf verscheen geheel en al buiten adem, blijkbaar zoo vermoeid als iemand, die aan zijn vlugge loop en het behoud van zijn leven te danken heeft, maar hartelijk lachende en opgetogen over het gelukken der krijgslist, waardoor hij zijn vervolgers had bedrogen. Waverley zag inderdaad gemakkelijk in, dat dit niet zeer moeielijk was voor een behendigen bergbewoner, die volkomen bekend was met den grond, en zijn loop met een vastheid en vertrouwen vervolgde, welke onmogelijk voor zijn vijanden waren. Het door Duncan verwekte alarm scheen nog voort te duren; want er werden op grooter afstand een paar geweerschoten gehoord, die, naar het scheen, alleen strekten, om Duncans vreugde en die zijner kameraden te verhoogen.

De Hooglander nam nu de wapens terug, die hij onzen held had toevertrouwd, terwijl hij hem te verstaan gaf dat men de gevaren der reis gelukkig te boven was. Waverley beklom daarop een der paarden, een verandering, die de uitgestane vermoeienis en zijn jongste ongesteldheid allezins wenschelijk maakten. Zijn mantelzak werd op een anderen hit geplaatst. Duncan kreeg het derde paard, en, door hun escorte vergezeld, begaven zij zich met een stevigen pas op weg. Zonder verder avontuur op dezen nachtelijken tocht, bereikten zij bij het aanbreken van den dag de oevers eener snelvlietende rivier. Het land rondom was vruchtbaar en tevens schilderachtig. Steile, met bosch bezette oevers, werden afgewisseld door koornvelden, die dit jaar een overvloedigen oogst beloofden, welke reeds grootendeels gemaaid lag.

Aan den anderen oever der rivier, en gedeeltelijk omringd door een bocht van haren loop, stond een groot en zwaar kasteel, welks half ingevallen torens reeds door de eerste stralen der zon verlicht werden2. Het was, wat den vorm aangaat, een langwerpig vierkant, van genoegzamen omvang, om in het middelste gedeelte een uitgestrekt plein te bevatten. De torens aan de vier hoeken staken boven de muren van het gebouw uit, en droegen wederom torentjes van verschillende hoogte en onregelmatigen vorm. Op een van deze stond een schildwacht, wiens muts en op den wind golvende plaid hem voor een Hooglander deden kennen; gelijk een groot wit vaandel, dat van een anderen toren woei, [202]verkondigde, dat het garnizoen tot de in opstand zijnde aanhangers van het huis van Stuart behoorde.

Na in haast een klein en onbeduidend stadje doorgemarcheerd te zijn, waar hunne verschijning verbazing, noch nieuwsgierigheid bij de weinige boeren opwekte, die door de werkzaamheden van den oogst van hun bed werden opgejaagd, trok de bende een oude en smalle brug met verscheidene bogen over; en terwijl ze daarop een weg links insloegen, en een laan van hooge, oude moerbezieboomen volgden, bevond Waverley zich vlak voor het sombere maar toch schilderachtige gebouw, dat hij op een afstand had bewonderd. Een geweldig groote met ijzer beslagen poort, die de buitenste verdediging van den ingang uitmaakte, was reeds voor hen geopend; en nadat een tweede van zwaar eikenhout, en dik met ijzeren spijkers bezet, ontsloten was, kwamen ze op de binnenplaats. Een heer in Hooglandsche kleeding, met een witte kokarde op de muts, hielp Waverley van zijn paard stijgen, en heette hem, met veel beleefdheid, welkom op het kasteel.

Nadat de Gouverneur – want dezen titel moeten wij hem geven – Waverley in een half vervallen vertrek had gebracht, waar, echter, een klein veldbed stond, en hem iedere verversching had aangeboden, die hij maar verlangen mocht, stond hij op het punt om hem te verlaten.

„Wilt gij niet nog de goedheid hebben,” zeide Waverley, na hem bedankt te hebben, „om mij te zeggen waar ik ben, en of ik mij al dan niet als een gevangene te beschouwen heb?”

„Het staat mij niet vrij zoo uitvoerig als ik wel wenschte op deze vraag te antwoorden. Evenwel mag ik u kort weg zeggen, dat ge op het kasteel van Doune zijt, in het district van Menteith, en niet het minste gevaar te duchten hebt.”

„En welken waarborg heb ik daarvoor?”

„Het woord van eer van Donald Stuart, Gouverneur van het garnizoen, en Luitenant-Kolonel in dienst van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Karel Eduard.” Dit zeggende, verliet hij haastig het vertrek, om alle verder gesprek te vermijden.

Onze held, uitgeput door de vermoeienissen van den nacht, wierp zich thans op het bed, en verzonk binnen weinige minuten in een vasten slaap.


1 Zie Aanteekening BB. Mac Farlane’s lantaarn. W. S. 

2 Zie Aanteekening CC. Kasteel van Doune