[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

EEN SOLDATEN MAALTIJD.

Jaap van de Naald was een man van zijn woord, wanneer de sterke drank er buiten bleef; en Callum Beg, die zich nog bij Waverley als in schuld beschouwde, omdat deze geweigerd had vergoeding aan te nemen, ten koste van den kastelein uit de Kandelaar, nam deze gelegenheid waar, om de verplichting af te doen, door de wacht te houden over den erfelijken kleedermaker van den stam Ivor, en „zat hem,” gelijk hij zich uitdrukte, „dicht op de huid, tot hij het pak af had.” Om zich van dezen dwang te ontslaan, vloog Shemus’ naald door de stof met de snelheid [219]van den bliksem; en daar de kunstenaar niet ophield de eene of andere vreeselijke schermutseling van Fin Macoul1 te bezingen, zoo deed hij ten minste drie steken bij den dood van elken held. De kleeding was dus spoedig gereed; want het korte vest paste, en het overige van de uitrusting vorderde weinig moeite.

Toen onze held met fierheid het gewaad van den ouden Gael aantrok, dat wel geschikt was om een voorkomen van stoutheid aan een gestalte te geven, die, hoezeer rank en welgemaakt, eer sierlijk dan krachtig was, zullen mijn lezers hem, naar ik hoop, het wel willen vergeven, indien bij zich meer dan eens in den spiegel bekeek, en niet kon nalaten te erkennen, dat het beeld dat van een knap jong mensch was. In waarheid, hier was geen verbloemen aan. Zijn lichtbruin haar – want hij droeg geen pruik, al was dit in dien tijd de algemeene mode – paste bij de muts, die het dekte. Zijn gestalte verried vastheid en vlugheid, waaraan de breede plooien van den tartan iets waardigs gaven. Zijn blauw oog scheen van die soort,

„Die smelten in liefde, en die vonklen in den strijd,”

en een schijn van bedeesdheid, die werkelijk niets anders was dan het gevolg van zijn weinigen omgang met de menschen, verleende iets belangwekkends aan zijn trekken, zonder de bevalligheid of de schranderheid, welke ze kenmerkten, te schaden. „Hij is een mooi man – een heel mooi man,” zeide Evan Dhu (nu vaandrig Maccombich) tot Fergus’ knappe gastvrouw.

„Hij is heel wel,” zeide de weduwe Flockhart, „maar op verre na zoo mooi niet als uw kolonel, vaandrig.”

„Ik wilde hem niet vergelijken,” zeide Evan, „ook sprak ik niet van zijn bijzondere schoonheid, maar alleen, dat mijnheer Waverley er netjes en vlug uitziet, en als een borst, die zich niet op de teenen zal laten trappen. En inderdaad, hij is vlug genoeg met sabel en schild. Ik heb zelf eens met hem geschermd te Glennaquoich, en ook Vich Ian Vohr dikwijls, op een Zondag namiddag.”

„God vergeve het u, vaandrig Maccombich! Ik ben er zeker van, dat de kolonel nooit zoo iets gedaan heeft.”

„Hola! hola! vrouw Flockhart; wij hebben jong bloed, moet ge weten; en jonge heiligen, oude duivels!”

„Maar gaat ge morgen vechten tegen Sir John Cope, vaandrig Maccombich?” vroeg vrouw Flockhart aan haar gast.

„Wis en zeker, dat beloof ik hem, namelijk als hij ons wachten durft, vrouw Flockhart.”

„En zult ge aan die verschrikkelijke wezens, de dragonders, het hoofd bieden, vaandrig Maccombich?” vroeg de waardin op nieuw.

„Klauw om klauw, zoo als Conan tegen den Satan zei, vrouw Flockhart en de duivel hale den kortsten!”

„En zal de Kolonel zich in het gedrang der bajonetten wagen?”

„Daar kan ik een eed op doen, vrouw Flockhart; hij zal, bij Sint Pieter, de voorste zijn.”

„Barmhartige goedheid!” riep de weduwe diep getroffen uit, „en als hij vermoord wordt door de roodrokken!” [220]

„Zoo dat gebeurde, vrouw Flockhart, dan ken ik er een, die hem niet overleven zal om hem te beschreien. Maar laat ons ten minste vandaag nog leven en ons middagmaal gebruiken; en zie daar is Vich Ian Vohr, met den heer Waverley, die eindelijk zijn bekomst er van heeft om ginds voor den grooten spiegel te draaien, en die oude leelijke kerel, de baron Bradwardine, die den jongen Ronald van Ballenkeiroch dood schoot, op de hielen gevolgd door dat wonderlijke stuk van een mensch, dien ze Mackwheeble noemen, de heer van Kittlegabs, de Fransche kok met zijn hond, die het spit draait, achter hem drentelende; en ik heb honger als een wolf, mijn goede weduw; dus zeg aan Kaat, dat zij de soep opdraagt en zet de pinners2 op; want gij weet, Vich Ian Vohr zal niet gaan zitten, voordat gij aan het hoofd van de tafel plaats hebt genomen, – en vergeet het fleschje brandewijn niet, hoor wijfje!”

Op dezen wenk werd het middagmaal op tafel gezet. Vrouw Flockhart, die van uit haar weduwkap, als de zon door den nevel glimlachte, plaatste zich aan het hoofd van de tafel, terwijl zij misschien bij zichzelve naging, hoe weinig zij er zich over bekommerde, of de opstand ook lang duurde, die haar in een gezelschap bracht, hetwelk zoo ver boven haar gewonen vriendenkring verheven was. Zij had Waverley en den Baron naast zich, terwijl zij het genoegen smaakte van het Opperhoofd tegenover zich te zien. De man des vredes en van den oorlog, de rentmeester Mackwheeble en vaandrig Maccombich, namen, na een aantal buigingen voor hunne meerderen en tegen elkander, plaats, ieder aan een zijde van het Opperhoofd. Tijd, plaats en omstandigheden in aanmerking genomen, was hun onthaal uitnemend, en Fergus bij uitstek opgeruimd. Zich om geen gevaar bekreunende, en luchthartig van aard, opgewonden door jeugd en eerzucht, zag hij in zijne verbeelding al zijne verwachtingen door het geluk bekroond, en liet hij zich in ’t geheel niet storen door den kans op een krijgsmansdood. De Baron verontschuldigde zich met een paar woorden dat hij Mackwheeble had meêgebracht. „Zij hadden ons onledig gehouden,” zeide hij, „met de zorgen voor de uitgaven van den oorlog. En op mijn woord,” zei de oude man, „daar ik denk dat dit wel mijn laatste veldtocht zal zijn, zoo eindig ik juist waar ik begonnen ben. – Ik heb het altijd moeielijker gevonden aan „de zenuwen van den oorlog” te komen, gelijk een geleerd schrijver de caisse militaire noemt, dan bij het vleesch „het bloed of de beenderen.””

„Hoe!” riep Fergus, „ge hebt het eenige korps ruiterij opgericht dat van beteekenis voor ons is; en hebt gij niets van de louis d’or uit de Doutelle3 gekregen om u te ondersteunen?”

„Neen, Glennaquoich; knapper lui zijn mij voor geweest.”

„Dat is inderdaad schande,” zei de Hooglander; „maar ge zult met mij deelen wat van den mij verleenden onderstand over is. Het zal u van nacht eene angstige gedachte besparen, en morgen op hetzelfde neêrkomen, want op de een of andere wijze, zullen wij allen, eer de zon [221]ondergaat, bezorgd zijn.” Waverley deed, sterk kleurende, maar met den grootsten ernst, hetzelfde aanbod.

„Ik dank u beiden, beste jongens,” antwoordde de baron, „maar ik wil geen inbreuk maken op uw peculium. Mackwheeble heeft de vereischte som verschaft.”

Hier draaide de rentmeester onrustig op zijn stoel, en scheen alles behalve op zijn gemak. Ten laatste, na verscheiden malen gekucht te hebben en na telkens herhaalde betuigingen van zijne toewijding aan zijns heeren dienst, bij nacht of bij dag, levend of dood, begon hij te kennen te geven: „dat de bankiers hun gereed geld in het kasteel hadden geborgen; dat, zonder twijfel, Sandie Goldie, de zilversmid, veel voor mijnheer den Baron doen zou, maar dat er niet veel tijd was om de waarborgsakten in orde te krijgen, en zeker, zoo Glennaquoich, of mijnheer Waverley het schikken konden, –”

„Laat mij van zoodanigen onzin niet meer hooren, Mijnheer,” riep de Baron, op een toon, die Mackwheeble deed verstommen, „maar handel, gelijk wij voor den eten zijn afgesproken, zoo ge in mijne dienst wenscht te blijven.”

Op dat stellige bevel waagde de rentmeester, ofschoon hij een gevoel had, alsof hij veroordeeld was om het bloed uit zijn eigene aderen in die van den Baron te doen overstorten, het niet een enkel woord meer uit te brengen. Maar na nog een poos op zijn stoel heen en weer te hebben geschoven, wendde hij zich tot Glennaquoich, en zeide hem, dat, zoo deze meer baargeld had, dan hem in het veld te pas kwam, hij het tegenwoordig voor hem kon uitzetten, in veilige handen en met groot voordeel.

Op dit voorstel schoot Fergus in een hartelijken lach, en antwoordde, toen hij weêr bij adem gekomen was: „Hartelijk dank, maar ge moet weten dat het onder ons, krijgslieden, een gewoon gebruik is; onze hospita tot onzen bankier te maken. Hier, vrouw Flockhart,” vervolgde bij, terwijl hij vier of vijf groote stukken uit een welgevulde beurs nam, en de beurs zelve, met den overigen inhoud, in haar schoot wierp, „dit zal voor mij voldoende zijn; neem gij de rest; wees mijn bankier, zoo ik leef; en mijn executeur, zoo ik sterf; maar draag zorg iets aan de Hooglandsche Cailliachs4 te geven, die het coronach voor den laatsten Vich Ian Vohr het hardst zullen uitgalmen.”

„Dit is het testamentum militare,” zei de Baron, „hetwelk onder de Romeinen als een privilegie van mondelinge testamenten gold.” Maar het weeke hart van vrouw Flockhart smolt in haar binnenste, bij deze taal van het Opperhoofd; zij trok een bedroefd gezicht, en weigerde stellig het haar opgedragene te aanvaarden, zoodat Fergus verplicht was het terug te nemen.

„Welnu,” zei het Opperhoofd, „dan zal het, zoo ik sneuvel, den grenadier ten deel vallen, die mij de hersens inslaat, en ik zal zorgen dat hij het niet gemakkelijk verdient.”

Mackwheeble was weder in verzoeking om een woord mede te spreken; want waar het de kas gold, was het hem onmogelijk te zwijgen.

„Misschien zou het beter zijn dat hij het goud aan freule Mac-Ivor [222]bracht, in geval van dood of eenige andere gebeurtenis. Men zou den vorm kunnen bezigen van een geschenk mortis causa, ten behoeve van de jonge dame; en het zou maar een pennestreek kosten, om het in orde te brengen.”

„De jonge dame,” zeide Fergus, „zou, indien zoo iets gebeurde, wel aan andere zaken te denken hebben, dan aan deze ellendige louis d’or.”

„Gij hebt volmaakt gelijk; – daar valt niets tegen in te brengen; maar Mijnheer weet wel, dat de zware rouw.…”

„Door de meeste lieden beter te dragen is, dan een hongerige maag, niet waar, rentmeester, niet waar? Ik geloof zelfs dat er menschen zijn, die door zulk eene wijze overweging getroost zouden worden over het verlies van hunne geheele familie. Maar er is een rouw die honger noch dorst kent, en de arme Flora.…” Hier zweeg hij, en het gansche gezelschap deelde in zijne ontroering.

De gedachten van den Baron bepaalden zich natuurlijk tot den onbeschermden toestand van zijne dochter, en een zware traan welde in het oog van den grijsaard. „Zoo ik kom te vallen, Mackwheeble, gij hebt al mijn papieren, en weet al mijn zaken; wees rechtvaardig omtrent Rose.”

De rentmeester was, in elk geval een mensch – van aardsche stof zoo als ieder ander – zeker voor het grootste gedeelte modder en slijk, maar hij bezat toch eenig gevoel voor billijkheid en, vooral wanneer het den Baron of zijne jonge meesteres gold. Hij hief dus een luiden jammerkreet aan. „Als die vreeselijke dag komen mocht, zou, zoo lang Duncan Mackwheeble een stuiver had, die aan freule Rose toebehooren. Hij wilde kopieërwerk doen voor een stuiver het blad, eer zij weten zou wat gebrek was; zoo inderdaad de schoone baronie van Bradwardine en Tully-Veolan, met zijne huizing en opslag (hij hield vol, bij iedere pauze, met snikken en schreien), hofstede, tuinen, veenen en gronden – buitenweiden, velden, boomgaarden, duivenhokken – met de rechten van net- en fleurvisscherij in het meer en water van Veolan – tienden, patroonschap enz. – annexis et connexis rechten van weide, turf, manschap en aanhoorigheden, hoedanig ook – (hier nam hij toevlucht tot het einde van zijn langen das, om zijne oogen af te droogen, daar zij, in spijt van hemzelven, overliepen bij de gedachten, welke deze brabbeltaal van kunsttermen te voorschijn riep) – alles breeder beschreven in de oorspronkelijke bewijsstukken en titels derzelve – en gelegen binnen de parochie van Bradwardine in het graafschap Perth – zoo deze, als voorzeid, moeten overgaan van mijns meesters kind op Inch-Grabbit, die een Whig is en een Hannoveraan, en bestuurd moet worden door zijn agent, Jamie Howie, die niet in staat is om veldwachter5, laat staan om rentmeester te wezen.”

Het begin dezer weeklacht had inderdaad iets aandoenlijks; maar het einde maakte het onmogelijk om niet in lachen uit te barsten. „Geen nood, Mackwheeble,” zei vaandrig Maccombich, „want de goede oude tijden van rukken en plukken zijn terug gekomen, en Sneckus MacSnackus, (hij wilde waarschijnlijk annexis connexis zeggen) en de rest uwer vrienden zullen plaats moeten maken voor den langsten degen.”

„En die degen zal de onze zijn, rentmeester,” zeide het Opperhoofd, [223]die wel zag dat Mackwheeble, bij deze kennisgeving, niet weinig verbleekte.

Wij geven hun graag onzer bergen metaal,

Lillibulero, bullen a la.

En in plaats van met munt doen wij af met het staal.

Lero, lero, enz.

Weldra zien we onzen kerfstok zoo effen als ooit,

Lillibulero, enz.

Want wie dùs is betaald vraagt, om afdoening nooit.

Lero, lero, enz.6

„Maar kom, rentmeester, wees niet neerslachtig; drink uw wijn in rust; de Baron zal behouden en overwinnend op Tully-Veolan terugkeeren, en Killancureits landerijen met zijn eigen vereenigen, omdat de laffe, halfbakken knaap niet, als een braaf man, voor den Prins wil te velde trekken.”

„’t Is waar, de goederen grenzen aan elkaar,” zeide de rentmeester, terwijl hij zijn oog afveegde, „en behooren natuurlijk onder éen bestuur.”

„En ik,” ging het Opperhoofd voort, „zal ook voor mij zelven zorgen; want ge moet weten, dat ik hier een goed werk heb te verrichten, om vrouw Flockhart in den schoot der Katholieke Kerk te brengen, of ten minste halfweg, dat wil zeggen, tot aan uwe Episcopale vergaderzaal. O Baron! zoo ge haar schoone altstem hoordet, Kaatje en Matje des morgens aansporend, gij, die muziek verstaat, zoudt schrikken op het denkbeeld, van haar bij het psalmgezang van Haddo’s Hol7 te hooren gillen.”

„De Hemel vergeve het u, kolonel, is dat doordraven! Maar ik hoop, dat de heeren thee zullen drinken, alvorens naar het paleis te gaan, en ik zal ze voor u zetten.”

Dit zeggende, liet vrouw Flockhart hen aan hunne eigene gesprekken over, die, gelijk men veronderstellen mag, hoofdzakelijk over de aanstaande gebeurtenissen van den veldtocht liepen.


1 Een held uit de Ossiansche overlevering. 

2 Een soort van kapsel, aan weerszijden met bandjes, van de slapen, waar ze zijn vastgehecht, tot aan het middel af hangende. 

3 De Doutelle was een schip dat, ten behoeve der insurgenten, geld en wapenen uit Frankrijk aanbracht, zegt Walter Scott, maar het was eigenlijk meer. De Doutelle was het fregat waarop Karel Eduard zich had ingescheept. 

4 Oude vrouwen, belast met het zingen der klaagzangen voor de afgestorvenen, wat men in Ierland onder keening verstaat. W. S. 

5 Officier van justitie van lageren rang, min of meer gelijk agent van politie, vulgo „diender.” 

6 Ik heb deze verzen, of daarmede overeenkomende, in een der Magazines van dien tijd gevonden. W. S. 

7 De hoofdkerk van St. Giles, te Edinburgh, is in vier afdeelingen gescheiden, waarvan de eene den naam voert van het hol van Haddo, omdat men vooronderstelt, dat de kelder, waarop ze gebouwd is, eertijds aan een zekeren Lord Haddo tot kerker verstrekte.