[Inhoud]

TIENDE HOOFDSTUK.

DE MARSCH.

Het was laat toen Waverley naar huis terugkeerde, en de uitputting door de hartstochten die elkander in zijn hart bekampten, en door de ondervondene aandoeningen veroorzaakt, stortte hem in een diepen maar gezonden slaap. Zijn droomen brachten hem naar Glennaquoich, en in de zalen van Ian nan Chaistel, meende hij aan het feest, deel te nemen, dat zoo pas op Holyrood had plaats gehad. Ook het geluid der zakpijp hoorde hij duidelijk; en dit ten minste was geen bedrog; want „de trotsche stap van den voornaamsten pijper” van den clan Mac-Ivor deed zich op het plein, en wel voor de deur des verblijfs van zijn Opperhoofd hooren, en, gelijk vrouw Flockhart die blijkbaar geene vriendin van zijn muziek was, goedvond aan te merken, „deed de steenen uit den muur springen met zijn gegil.” Bij gevolg werd dat geluid spoedig sterk genoeg om Waverleys droom te verjagen, waarmede het zich eerst op een harmonische wijze had vereenigd.

Het geluid van Callums voetstappen in zijn kamer, (want Mac-Ivor [230]had Waverley wederom aan diens oppassing aanbevolen) was het tweede teeken tot het vertrek. „Wil Mijnheer,” zeide hij, „niet opstaan? Vich Ian Vohr en de Prins zijn reeds vertrokken naar het lange groene dal achter de buurt, die zij des Konings Park noemen1, en er is een groote menigte volks op de been, dat eer het nacht wordt door andere beenen weggedragen zal worden.”

Waverley sprong terstond op, en bracht, met Callums hulp, zijn Bergschotsche kleeding in behoorlijke orde. Callum berichtte hem tevens, dat de pakwagen een lederen en van een slot voorzien ding medegebracht had, dat op nieuw bij de bagaadje van Vich Ian Vohr en op diens wagen bezorgd was.

Waverley begreep uit deze beschrijving dat Callum van zijn mantelzak sprak. Hij dacht terstond aan het geheimzinnige pakje van het meisje uit het dal, dat hem altijd scheen te ontgaan, juist als het binnen zijn bereik was. Maar het was thans geen tijd om zijn nieuwsgierigheid te voldoen; en na vrouw Flockharts beleefd aanbod van een morgengroet, dat is een morgenslok te hebben afgeslagen, hetgeen, uitgezonderd hij, wellicht geen enkel man in het leger van den Prins zou hebben afgewezen, nam hij afscheid en vertrok met Callum.

„Callum,” zeide hij, terwijl ze over een modderig stuk land gingen, om de voorstad van Canongate te bereiken, „hoe zal ik aan een paard komen?”

„Daar moet gij niet aan denken,” hernam Callum, „Vich Ian Vohr trekt te voet op aan het hoofd van zijn volk, (om niet te spreken van den Prins, die hetzelfde doet) met zijn schild op den schouder, en gij dient wel naast hem te gaan.”

„Best, Callum! geef mij mijn schild. – Zoo, nu zijn wij klaar. – Hoe staat het mij?”

„Als de brave Hooglander, die op het uithangbord voor de groote herberg van Luckie Middlemass staat uitgeschilderd,” antwoordde Callum, waarmede hij, zooals men begrijpen zal, een fraai compliment bedoelde; want, volgens zijn gevoelen, was het uithangbord van Luckie Middlemass een uitnemend kunststuk. Maar Waverley, die de volle kracht zijner beleefde vergelijking niet gevoelde, deed hem geene verdere vragen.

Nadat zij de armoedige en vuile buitenwijken der hoofdstad doorgeworsteld, en in de open lucht gekomen waren, gevoelde Waverley zoowel zijn krachten als zijn moed verjongd; hij bepaalde zijne gedachten kalm bij de gebeurtenissen van den vorigen avond, en vestigde ze vol hoop en welberadenheid op die van den naderenden dag.

Toen hij een kleine, steenachtige hoogte, St. Leonards heuvel geheeten, beklommen had, lag het Konings Park, of het dal hetwelk zich tusschen „Arthur’s zetel” en de helling, waarop het zuidelijk gedeelte van Edinburgh thans gebouwd is, aan zijn voeten, en leverde een vreemd en

opwekkend tooneel op. Het was bezet door het leger der Hooglanders, die nu bezig waren met zich tot de marsch gereed te maken. Waverley had reeds iets van dezen aard gezien bij de jachtpartij, die hij met Fergus Mac-Ivor had bijgewoond, maar het tegenwoordige was op een veel [231]grooter schaal, en oneindig belangrijker. De rotsen, die den achtergrond van dit tooneel uitmaakten, en de lucht zelve, weêrgalmden van den klank der doedelzakspelers waarvan ieder met zijn instrument, zijn opperhoofd en zijn clan tot den strijd opriep. De Bergschotten, die van hun leger onder den blooten hemel oprezen, met veel geraas en als een verwarde en ongeregelde menigte door elkaar krioelden even als bijen, die, in haar korven verontrust, zich tot den uitval voorbereiden, schenen al de vlugheid van geest en ligchaam te bezitten, die tot het uitvoeren van militaire bewegingen vereischt zijn. Wat zij deden, scheen zonder overleg en verward te zijn; maar zooveel orde en regelmatigheid ontstonden daaruit dat een veldheer de uitkomst moest geprezen hebben, al mocht een drilmeester ook lachen om de wijze, waarop men er toe geraakte.

Deze ingewikkelde beweging, waardoor de verschillende clans weldra onder haar bijzondere banieren gerangschikt werden, om in marschorde te geraken, schonk op zichzelf een vroolijk en levendig schouwspel. Ze hadden geen tenten op te ruimen, daar ze algemeen, en bij voorkeur, in het open veld geslapen hadden, ofschoon het al laat in den herfst werd, en het des nachts nog al begon te vriezen2. Een tijd lang, en terwijl ze zich ordenden, zag men ieder oogenblik een golvende en verwarde beweging van vlottende en in den wind fladderende pluimen en banieren, die de trotsche leuze van Clanronald: „Ganion Coheriga” – (spreek tegen, wie durft!) „Loch-Sloy” het wachtwoord der Mac-Farlanes; – „Forth, fortune and fill the felters,” (Voorwaarts, fortuin, en vele gevangenen!) het motto van den Markies van Tullibardine; „Bydand,” (Ferm!) dat van Lord Lewis Gordon, en de leuzen en teekens van verscheidene andere opperhoofden en clans te lezen gaven.

Eindelijk werd deze bonte en wemelende menigte tot eene smalle en dichte kolonne van groote lengte geschikt, die zich langs de geheele vallei uitstrekte. Aan het hoofd der kolonne woei de standaard uit van den Prins met een rood kruis op een wit veld en het motto „Tandem Triumphans.”3 De weinige ruiterij, die voornamelijk uit Laaglandsche heeren, met hunne huisbedienden en meiers bestond, maakte de voorhoede van het leger uit, en hare vaandels, waarvan zij wat het aantal betreft overvloedig voorzien was, zag men aan den uitersten rand des gezichteinders wapperen. Verscheidene leden van dit korps, onder welke Waverley toevallig Balmawhapple, en zijn luitenant Jinker opmerkte, (welke laatste echter, met verscheidene anderen, volgens advies van den Baron van Bradwardine, teruggebracht was tot den stand van „overcomplete officieren” zooals hij hen noemde,) droegen bij tot de levendigheid, ofschoon geenszins tot het geregelde van het tooneel, daar ze met hunne paarden, zoo veel het gedrang dit maar toeliet, vooruitdraafden om hunne plaats bij de voorhoede in te nemen. De betooveringen der Circe’s uit de Hoogstraat, en de sterke drank, waarmede ze gedurende den nacht waren gelaafd, hadden waarschijnlijk deze helden wat langer binnen de muren van Edinburgh opgehouden, dan met hun plicht en dienst bestaanbaar was. Van zulke achterblijvers namen de voorzichtigsten den langsten en meest omloopenden, maar wel zoo vrijen weg, om hunne plaats, volgens de marschorde, te bereiken, door zich [232]op een afstand te houden van het voetvolk, en zich een pad te banen door de tuinen ter rechterhand, waartoe ze slechts de moeite hadden te nemen om de losse steenen afscheidingen over te springen of neêr te rukken. Het onregelmatig opdagen en verdwijnen van deze kleine afdeelingen, zoo wel als de verwarring, te weeg gebracht door hen, die, schoon meestal vruchteloos, in weerwil van vloeken, verwenschingen en tegenstand, door de menigte der Hooglanders naar het front poogden te dringen, vergoedden door de schilderachtige woestheid van het tooneel wat door gemis aan militaire regelmatigheid daaraan ontnomen werd.

Terwijl Waverley op dit merkwaardig schouwspel staarde, hetwelk nog indrukwekkender werd door de kanonschoten, die nu en dan uit het kasteel op de Hooglandsche wachten werden gedaan, wanneer deze uit de nabijheid afgelost werden, om zich bij hun hoofdkorps te voegen, herinnerde hem Callum, met zijne gewone vrijmoedigheid van spreken, dat Vich Ian Vohrs volk bijna aan het hoofd van de kolonne was, en dat ze „onder het kanonvuur zeer snel optrekken zouden.” Aldus aangespoord, stapte Waverley sneller voorwaarts, hoewel hij dikwijls een blik wierp op de dichte drommen van krijgslieden, die vóor en achter hem verzameld waren. Als men het meer van nabij bezag, leverde het leger echter een eenigzins minder indrukwekkend gezicht op, dan uit de verte. Zij die aan de spits van iederen clan voorttrokken, waren goed met sabel, schild en geweer gewapend, waarbij allen den dolk en de meesten het pistool voegden. Maar deze bestonden uit heeren, dat is bloedverwanten van het opperhoofd, schoon dan ook in verwijderden graad, die eene onmiddellijke aanspraak op zijne bescherming en bijstand hadden. Schooner en geharder manschappen zouden er bezwaarlijk te vinden zijn geweest in eenig leger ter wereld; en de vrije onafhankelijke houding van elk hunner, die echter zoo goed geleerd hadden ondergeschikt te blijven aan het bevel van hun Opperhoofd, benevens de bijzondere soort van krijgstucht, bij de Hooglanders op hunne veldtochten ingevoerd, maakten hen even geducht wegens hun persoonlijken moed en hun gevoel van eigenwaarde, als wegens hunne beredeneerde overtuiging van de noodzakelijkheid, om eendrachtig te handelen, en daardoor aan hunne nationale wijze van aanval de beste kans van welslagen te verzekeren. Maar in een lageren rang dan dezen, werden lieden gevonden van een mindere soort, de boeren van het Hoogland, die, ofschoon ze niet zoo genoemd wilden worden, en dikwijls, met een schijn van recht beweerden van ouder geslacht te zijn dan de heeren die ze dienden, echter de liverei droegen der uiterste armoede, daar ze op allerlei wijze toegerust, slecht gewapend, half naakt, klein van persoon waren, en een ellendig voorkomen hadden. Iedere clan van belang had eenige dezer Heloten in zijn gevolg. – Zoo waren de Mac-Couls, ofschoon ze hunne afkomst van Comhal, den vader van Finn, of Fingal rekenden, een soort van Gibeoniten, of erfelijke slaven der Stuarts van Appine. De Macbeths, afstammende van den ongelukkigen koning van dien naam, waren onderdanen van de Morays en van den clan Donnochy, of van de Robertsons van Athole. Nog een aantal andere voorbeelden zouden kunnen worden bijgebracht, indien ik niet vreesde den licht nog bestaanden trots van het Clanschap te kwetsen, en dus een Hooglandsch onweder over den boekwinkel van mijn uitgever te brengen. Nu waren deze zelfde Heloten, ofschoon naar het slagveld gedreven door het willekeurig gezag der Opperhoofden, [233]onder wie zij hout hakten en water droegen, in het algemeen zeer slecht gevoed, en gekleed en nog slechter gewapend. De laatste omstandigheid was voorzeker hoofdzakelijk toe te schrijven aan het door het bewind uitgevaardigde bevel tot algemeene ontwapening, dat schijnbaar zeer streng door het geheele Hoogland was ten uitvoer gelegd, hoewel het de meeste opperhoofden gelukte om de zaak te ontduiken, door de wapenen van hunne onmiddellijke clanslieden te behouden, en die van mindere waarde, bij deze geringere satellieten opgezameld, uit te leveren. Een natuurlijk gevolg hiervan was, dat, gelijk wij reeds te kennen gaven, een aantal dezer arme menschen in een allerellendigsten toestand te velde moesten trekken.

Terwijl dus de voorhoede van een clan bestond uit manschappen op hunne wijze, wonderlijk goed gewapend, scheen de achterhoede daarentegen uit wezenlijke bandieten te bestaan. De een was met een strijdbijl, de ander met een sabel zonder schede gewapend; hier zag men een roer zonder slot, daar een mes stevig aan een stok gebonden; sommige hadden ook niets dan hunne dolken en stokken, of uit de heg gesneden knuppels. Het grimmige, havelooze en woeste voorkomen dezer lieden, waarvan de meesten met al de verbazing der onwetendheid, de meest gewone voortbrengselen van het maatschappelijke leven aangaapten, verwekte opzien in de Laaglanden, maar verspreidde er tegelijkertijd den schrik. Zoo weinig zelfs waren op dat tijdstip de Hooglanden nog bekend, dat het karakter en voorkomen van hun bevolking, die op deze wijze als militaire avonturiers zich vertoonden, bij de zuidelijke Laaglanders geen mindere verbazing wekten, dan een inval van Afrikaansche Negers of Eskimo’s, uit de noordelijke gebergten van Schotland komende, zou gedaan hebben. Het kan dus geen verwondering baren, dat Waverley, die tot hiertoe de Hooglanders in het algemeen beoordeeld had naar diegenen, welke Fergus had geraden geacht hem van tijd tot tijd te doen zien, ongerust en angstig gestemd werd, als hij dacht aan de roekelooze onderneming van een legerkorps, dat geen vierduizend man sterk, en waarvan de helft op zijn best gewapend was, om een ommekeer te brengen in het lot van het Britsche rijk en het regeerende Huis door een ander te doen vervangen.

Terwijl hij langs de kolonne voorttrok, welke zich nog niet in beweging had gesteld, werd een ijzeren kanon, het eenige stuk geschut van een leger dat zulk een belangrijke omwenteling op het oog had, afgevuurd als het signaal tot den marsch. De Prins had den wensch te kennen gegeven, om dit nutteloos stuk geschut achterwege te laten; maar, tot zijn verbazing, smeekten de Hooglandsche Opperhoofden hem vurig, dat het hen op hun tocht mocht vergezellen, terwijl ze zich berispen op de vooroordeelen hunner volgelingen, die, weinig aan artillerie gewoon, een belachelijk gewicht aan dit veldstuk hechtten, en verwachtten dat het wezenlijk zou bijdragen tot een overwinning, die zij, inderdaad, niet konden hopen alléen met hunne eigene geweren en zwaarden te behalen. Twee of drie Fransche kanonniers waren dus aangewezen om dit krijgswerktuig te besturen, hetwelk door een span Hooglandsche hitten werd voortgetrokken, en, ten slotte, alleen maar gebruikt werd om seinschoten te doen.4 [234]

Zoodra dan het schot bij deze gelegenheid gehoord werd, kwam de geheele linie in beweging. Een woeste vreugdekreet der voorttrekkende bataljons kliefde de lucht, en werd vervolgens opgelost in den schrillen toon der doedelzakken, gelijk het geluid van deze, op hare beurt, bijna uitgedoofd werd door den zwaren stap van zoo vele manschappen, die zich te gelijk in beweging zetten. De vaandels schitterden en wapperden, en de ruiterij haastte zich om hare plaats als voorhoede in te nemen, en kleine afdeelingen op verkenning uit te zenden, ten einde de bewegingen van den vijand gade te slaan en daarvan verslag te doen. Ze verdwenen uit Waverleys oog, toen ze het voetpad van „Arthurs zetel” insloegen, onder den merkwaardigen rand van basaltrotsen, tegenover het kleine meer van Duddingston.

De infanterie volgde in dezelfde richting, terwijl ze haar pas naar een ander korps regelde, dat een meer zuidelijken weg volgde. Eduard was verplicht al zijn krachten in te spannen, om dat gedeelte der kolonne te bereiken, waar Fergus en zijn manschappen zich bevonden.


1 Het hoofdkorps van de Hooglandsche armee was gelegerd of liever gebivakkeerd in dat gedeelte van het Konings Park, hetwelk zich naar den kant van het dorp Duddingston uitstrekt. 

2 Het was den 20sten September. 

3 Eindelijk zegevierend. 

4 Zie Aanteekening GG. Veldstuk van het Hooglandsche leger. W. S.