[Inhoud]

VEERTIENDE HOOFDSTUK.

EEN ONVERWACHT BEZWAAR.

Toen de slag geëindigd en alles weder op orde gekomen was, zocht de baron van Bradwardine, na zich van zijn plicht gedurende den strijd gekweten, en hen, die onder zijn bevel stonden, in hunne kwartieren bezorgd te hebben, het opperhoofd van Glennaquoich en zijn vriend Waverley op. Hij vond den eersten bezig met uitspraak te doen in een aantal tusschen zijn clanslieden gerezen verschillen over punten van voorrang en daden van moed, en in het bijzonder over een aantal hooggeloopen en moeielijke twisten betreffende den buit. De belangrijkste van de laatste soort betrof den eigendom van een gouden horlogie, dat eens aan dezen of genen Engelschen officier had toebehoord. De partij, in [247]wiens nadeel het vonnis gewezen werd, troostte zich met de aanmerking: „Het (dat is, het horlogie, hetwelk hij voor een levend dier aanzag) stierf den eigen nacht, dat Vich Ian Vohr het aan Murdoch gaf,” omdat het uurwerk, daar het niet opgewonden was, bleef stilstaan.

Juist op het oogenblik dat deze gewichtige zaak beslist werd, naderde de baron van Bradwardine, met een bezorgd en toch trotsch gelaat, de beide jonge lieden. Hij steeg van zijn dampend krijgsros, waarvoor hij de zorg aan een zijner bedienden beval. „Ik vloek zelden,” zeide hij tegen den man; „maar zoo ge een van uw gemeene streken speelt, en den armen Berwick verlaat voor dat hij bezorgd is – om te loopen plunderen – moge de drommel mij halen, als ik je niet laat ophangen.” Nu streelde hij met innig welgevallen het dier, dat hem door al de vermoeienissen van den dag had heengeholpen, en na er een teeder afscheid van genomen te hebben zeide hij: – „Wel, mijn beste, jonge vrienden, dat is een roemrijke en beslissende overwinning, maar die jakhalzen van ruiters liepen te spoedig weg. Ik zou lust gehad hebben u de ware punten van het prælium equestre, of ruitergevecht, te doen opmerken, hetwelk hunne lafheid ontvlucht is, en dat ik voor den trots en den schrik van den krijg houd. Hoe het zij, ik heb dan nog eens gestreden voor deze oude zaak, ofschoon ik toegeef dat ik niet zoo ver kon gaan, als gij, jongere snuiters, daar het juist tot mijn plicht behoorde, ons handvol paardenvolk bij elkander te houden. En geen ruiter mag op eenige wijze de eer bekibbelen, die zijn kameraden ten deel gevallen is, en die op een anderen tijd, zoo God wil, de zijne kan worden. – Maar, Glennaquoich, en gij, mijnheer Waverley, ik bid u, geeft mij uw goeden raad in een zaak van groot gewicht, en waarbij de eer van het huis van Bradwardine het hoogste belang heeft. – Ik bid u om verschooning, vaandrig Maccombich, en u Inveraughlin, en u Edderalshendrach, en u, Mijnheer!”

De laatste, dien hij aansprak, was Ballenkeiroch, die, vervuld met den dood van zijn zoon, hem aanzag met een blik vol sarrende woestheid. De Baron, die zich in een oogwenk beleedigd gevoelde, had ook reeds de wenkbrauwen gefronsd, toen Glennaquoich zijn Majoor ter zijde nam, en hem, op den gezaghebbenden toon van een Opperhoofd, onderhield over de dwaasheid, om op een oogenblik als dit eenigen twist op te rakelen.

„De grond is bezaaid met lijken,” zei de oude bergschot, terwijl hij zich gemelijk verwijderde, „éen meer zou men daarbij nauwelijks hebben opgemerkt, en was het niet om u, Vich Ian Vohr, dan zou dat éene van Bradwardine of van mij wezen.”

Het Opperhoofd bracht hem tot bedaren, terwijl hij hem wegleidde, en keerde toen tot den Baron terug. „Het is Ballenkeiroch,” zeide hij op zachten en vertrouwelijken toon, „vader van den jonkman, die voor acht jaren, in die ongelukkige affaire bij uwe plaats, sneuvelde.”

„O!” zei de Baron, terwijl de onheilspellende strakheid zijner trekken in een zachtere uitdrukking overging: „ik kan veel van iemand verdragen, dien ik ongelukkig zooveel smart heb veroorzaakt. Gij deedt wel met mij te waarschuwen, Glennaquoich; hij mag zoo zwart zien als de nacht om kerstmis, eer Cosmo Comyne Bradwardine zeggen zal dat hij hem onrecht doet. Och! ik heb geen mannelijk kroost, en ik behoor veel te verdragen van iemand, dien ik kinderloos heb gemaakt; schoon ge weet, dat de bloedschuld tot uw eigen genoegen werd afgemaakt, bij assythment [248]en door brieven van slains1. – Maar, gelijk ik zei, ik heb geen mannelijken afstammeling, en toch is het noodig dat ik de eer van mijn huis ophoud; het is juist hierover dat ik u in het bijzonder wilde spreken, en waaromtrent ik al uwe oplettendheid inroep.”

De twee jongelieden wachtten met ongeduldige nieuwsgierigheid. „lk twijfel niet, jongelieden, of men heeft wel zóo voor uwe opvoeding zorg gedragen, dat gij den waren aard van leenroerige bezittingen kent?”

Fergus, die voor een eindelooze verhandeling bevreesd begon te worden, antwoordde: „Door en door, Baron,” en stiet Waverley aan, om hem te doen verstaan, dat hij zijn onkunde niet bekennen zou.

„Ook is u, naar ik vertrouw, niet onbekend, dat het bezit van de baronie van Bradwardine van een even vereerenden als bijzonderen aard is, daar ze blanch is (hetwelk Craig2 oordeelt in het Latijn te moeten worden overgezet, door Blancum, of liever francum, een vrije bezitting) pro servitio detrahendi, seu exuendi, caligas regis post battaliam.3 Hier zag Fergus Eduard van ter zijde aan, terwijl bij bijna onmerkbaar de wenkbrauwen optrok, met welke beweging zijn schouders eveneens instemden. „Nu doen zich omtrent dit onderwerp twee tamelijk onzekere punten voor. Vooreerst, of deze dienst, of leenmanshulde, ooit kan toekomen aan den Prins, daar de woorden per expressum, caligas regis, „de laarzen van den Koning zelven” zijn; en ik verzoek uw gevoelen betreffende deze bijzonderheid te mogen weten, eer wij verder gaan.”

„Wel, hij is Prins-Regent,” antwoordde Mac-Ivor, met een heerschappij over zijn gelaat die allen lof verdient; „en aan het Fransche hof wordt alle eer aan den Prins-Regent bewezen, die men den Koning schuldig is. Daarenboven, indien ik de laarzen van een van beide moest uittrekken, zou ik die dienst tienmaal liever bewijzen aan den jongen Prins, dan aan zijn vader.”

„Ja, maar ik spreek hier niet van persoonlijke voorkeur. Evenwel is uw gezag van groot belang, wat de gebruiken van het Fransche hof betreft. En zeker de Prins, als alter ego4, mag misschien wel aanspraak maken op het homagium van de groote leenheeren der kroon, daar aan alle getrouwe onderdanen in de akte van het regentschap bevolen wordt, om hem als des Konings eigen persoon te eerbiedigen. Verre zij het dus van mij, den luister van zijn gezag te willen verminderen, door hem een daad van hulde te onthouden, die zoo bijzonder geschikt is om er glans aan bij te zetten; want ik twijfel nog eenigszins, of aan den Keizer van Duitschland de laarzen wel worden uitgetrokken door een rijksvrijheer? Maar, hier doet zich de tweede zwarigheid voor – de Prins draagt geen laarzen, maar eenvoudige trews en brogues5. [249]

Dit laatste dilemma had Fergus’ ernst bijna verstoord.

„Wel,” zeide hij, „ge weet, Baron, dat het spreekwoord luidt: het gaat moeielijk een Hooglander de broek uit te trekken, – en dat geldt ook hier van laarzen.”

„Het woord caligæ,” ging de Baron voort, „ofschoon ik beken, dat het volgens mijn familie-overlevering, en zelfs in onze oude bewijsstukken, door laarzen verklaard wordt, beteekent evenwel, in zijn oorspronkelijken zin, veeleer sandalen; en Cajus Cæsar, de neef en opvolger van Cajus Tiberius, verkreeg den bijnaam van Caligula, a caligulis, sive caligis levioribus, quibus adolescentior usus fuerat in exercitu Germanici patris, sui6. Ook waren de caligæ in gebruik bij de monniken; want wij lezen in een oud glossarium, dat, volgens den regel van St. Benedictus, in de abdij van St. Amand, de caligæ met banden werden vastgemaakt.”

„Dat zal op de brogues zien,” hernam Fergus.

„Wel zeker, mijn waarde Glennaquoich, en de woorden zijn uitdrukkelijk: Caligæ dietæ sunt, quia ligantur; nam socci non ligantur, sed tantum intromittuntur; dat is, caligæ ontleenen haren naam van de banden, waarmede ze vast gemaakt worden, terwijl daarentegen socci, die bijna hetzelfde mogen zijn als onze pantoffels, slechts aan den voet gesloft, worden. Ook komen in het Charter tweeërlei woorden voor, exuere seu detrahere, dat is, losmaken, zoo als in het geval van sandalen of brogues, en uittrekken, zoo als wij in onze moedertaal van laarzen zeggen. Intusschen wilde ik, dat we meer licht hadden; maar ik vrees, dat er weinig kans bestaat om hier eenigen geleerden schrijver de re vestiaria7 te vinden.”

„Ik twijfel er sterk aan,” zei het Opperhoofd, terwijl hij een blik wierp op de zwoegende Hooglanders, die beladen met den buit der verslagenen terug kwamen, „schoon de res vestiaria zelve op het oogenblik inderdaad vrij wat gezocht schijnt.”

Daar deze aanmerking geheel in den luimigen aard van den Baron viel, vereerde hij ze met een glimlach, maar keerde oogenblikkelijk terug tot hetgeen hem een zeer ernstige zaak scheen.

„Het is waar,” zeide hij, „Mackwheeble koestert het gevoelen, dat deze vereerende dienst, uit haren aard, plicht is, si petatur tantum; dat wil zeggen, wanneer Zijn Koninklijke Hoogheid van den grooten leenman der Kroon vordert dat hij dezen persoonlijken plicht volbrengen zal; en hij wees inderdaad het punt aan in Dirleton’s Twijfelingen en Vragen, Grippit tegen Spicer, over de uitwinning van een landgoed ob non solutum canonem, dat is, wegens het niet betalen van een leenplicht van drie peperkorrels in het jaar, welke geschat werd zeven achtste van een Schotsche duit waardig te zijn, tot het betalen waarvan de aangeklaagde verwezen werd. Maar onder uw welnemen, geloof ik dat het beste is, mij in den weg te plaatsen om den Prins deze dienst te bewijzen en hem die aan te bieden; en ik zal zorgen dat de rentmeester bij de hand is met een akte van protest, welke reeds door hem is gereed gemaakt, (dit zeggende haalde hij een papier voor den dag) waarin verklaard wordt, dat, indien Zijn Koninklijke Hoogheid anderen bijstand zal aannemen [250]in het uittrekken van zijn caligæ, (hetzij dit vertaald worde door laarzen of brogues) behalve dien van den genoemden baron van Bradwardine, die op dit oogenblik gereed en gewillig is om dien te verleenen, zulks op geenerlei wijze inbreuk zal maken op, of strekken tot nadeel van de rechten van den gezegden Comyne Bradwardine, om gezegden dienst in het vervolg te volvoeren; noch zal het aan eenigen schildknaap, kamerdienaar, hoveling of page, wiens bijstand het Zijn Koninklijke Hoogheid moge behagen te gebruiken, eenig recht, titel of aanspraak geven, ter opeisching op gezegden Cosmo Comyne Bradwardine, van de landerijen en de baronie van Bradwardine, en zoo voorts, gehouden, als voorzegd, volgens de plichtschuldige en getrouwe vervulling der bedongen leendiensten.

Fergus juichte deze schikking hoogelijk toe: en de Baron nam een vriendelijk afscheid van hen, met een glimlach van voldane eigenliefde op het gelaat.

„Lang leve onze beste vriend, de Baron,” riep het Opperhoofd, zoodra hij buiten het gehoor was, „als het belachelijkst origineel, dat ten noorden van de Tweed bestaat! Het spijt mij dat ik hem niet aangeraden heb, heden avond in den kring van den Prins te verschijnen met een laarzentrekker onder den arm. Ik geloof dat hij den wenk zou opgevolgd hebben, als die maar met gepaste deftigheid gegeven ware.”

„Hoe kunt ge er toch vermaak in scheppen zulk een achtingswaardig man belachelijk te maken?”

„Met uw verlof, mijn waarde Waverley, ge zijt niet minder belachelijk dan hij. Hoe? bemerkt ge niet, dat ’s mans geheele ziel alleen met deze plechtigheid is vervuld? Hij heeft daarvan gehoord en er over gedacht, als het verhevenste voorrecht en de luisterrijkste plechtigheid ter wereld; en ik twijfel niet, of het genoegen dat hij hoopt te smaken door het bewijzen van dezen dienst, was voor hem een voorname beweegreden om de wapens op te vatten. Maak er staat op, dat, indien ik gepoogd had hem er van af te brengen om zich belachelijk te maken, hij mij voor een weetniet, een ingebeelden gek zou hebben uitgescholden, of het misschien wel in het hoofd zou gekregen hebben om mij de keel af te snijden; een genoegen, dat hij zich eenmaal voorstelde over een punt van etiquette, in zijn oogen niet half zoo gewichtig als deze zaak van laarzen of brogues, of waarvoor de caligæ, ten slotte, door de geleerden mogen worden verklaard. Maar ik moet naar het hoofdkwartier gaan, om den Prins op dit inderdaad buitengewone tooneel voor te bereiden. Ik ben er zeker van dat mijn bericht goed opgenomen zal worden, want het zal hem eens hartelijk doen lachen, en tevens maken dat hij op zijn hoede is niet te glimlachen, als de lust er toe zeer mal-à-propos wezen zou. Derhalve, tot wederziens, Waverley!” [251]


1 Assythment, een geijkte rechtsterm van de Schotsche balie, en die wettige vergoeding beteekent, compensatie. Brieven van slains of doodsbrieven noemde men die brieven, welke door hem, wiens bloedverwant verslagen was, geschreven werden aan den moordenaar, om hem te verklaren, dat hij voldaan was, alsmede de brieven, waarin de moordenaar een vergoeding aanbood. 

2 Sir Thomas Craig, een uitstekend rechtsgeleerde van de zestiende eeuw. Zijn verhandeling over het Jus feodale wordt nog altijd in waarde gehouden. 

3 De dienst om den koning na den slag de laarzen uit te trekken. 

4 Een ander ik, een andere koning. 

5 Trews, Schotsche pantalons, en brogues voetzolen van kalfsleer. 

6 Omdat hij in zijn jeugd, bij het leger van zijn vader Germanicus, ligte sandalen droeg. 

7 Over de kleeding.