Het is niet noodig in deze bladen den zegevierenden intocht van den Prins te Edinburgh, na den beslissenden slag van Preston, te beschrijven. Eéne omstandigheid echter verdient vermeld te worden, omdat zij volkomen Flora Mac-Ivor’s edelmoedigheid in het licht stelt. De Hooglanders, door wie de Prins omringd was, brandden, in de uitgelatenheid van dit vroolijk oogenblik, herhaalde malen hunne geweren los: en toen een hunner bij toeval het zijne met een kogel geladen had, vloog deze langs de slapen der jonge dame, terwijl zij, van een balkon, [260]met een zakdoek wuifde.1 Fergus, die getuige was van dit ongeluk, snelde in een oogenblik naar haar henen; en ziende dat de wond van geen belang was, trok hij zijn sabel, met oogmerk, om, naar beneden, op den man aan te vliegen, wiens achteloosheid haar in zulk een groot gevaar had gebracht; toen ze, hem bij zijn plaid vasthoudende, uitriep: „Doe den armen knaap geen leed, – in ’s Hemels naam doe dat niet! Dank veeleer God met mij, dat het ongeluk Flora Mac-Ivor trof; want als de kogel een Whig had getroffen, zou men voorgewend hebben, dat er met opzet op hem geschoten was.”
Waverley ontging den schrik, welken dit ongeluk hem zou veroorzaakt hebben – daar hij genoodzaakt werd om kolonel Talbot naar Edinburgh te vergezellen.
Ze volbrachten de reis gezamenlijk te paard; en een tijd lang als wilden zij elkanders gevoelens en denkwijze polsen, spraken ze over alledaagsche en onverschillige onderwerpen.
Toen Waverley weder op de zaak kwam, die hem het naast aan het harte ging, namelijk den toestand van zijn vader en oom, scheen kolonel Talbot thans eerder verlangend zijn bezorgheid te verligten, dan ze te verzwaren. Inzonderheid bleek dit het geval te zijn, toen hij Waverleys geschiedenis vernam, deze geene zwarigheid maakte hem die toe te vertrouwen.
„En dus is er,” zei de Kolonel, „geen kwaad opzet geweest, zoo als, meen ik, de rechtgeleerden zeggen, bij uw overhaasten stap; en zijt gij tot de dienst van dezen dolenden ridder verlokt en overgehaald, door eenige beleefde woorden van hem, en van een paar zijner Hooglandsche werfofficieren? Het is zeker al heel gek, maar toch op verre na zoo erg niet, als ik reden had te denken. Evenwel kunt ge hem op dit oogenblik niet verlaten; dat schijnt onmogelijk. Maar ik twijfel volstrekt niet, of bij de oneenigheden, die er onder deze menigte woeste en wanhopige knapen voorvallen, er zich wel éen gelegenheid zal opdoen, waarvan ge u bedienen kunt, om u, voor dat de bom losbreekt, met eere van uwe overhaaste verbindtenis te ontslaan. Indien zich dit liet bewerkstellingen, zou ik wenschen dat gij een schuilplaats zocht die ik u zal aanwijzen in Vlaanderen. En ik verbeeld mij dat, na eenige maanden verblijfs buiten ’s lands, een amnestie voor u bij het bewind wel te verwerven zal zijn.”
„Ik mag u niet toestaan, kolonel Talbot, van eenig plan te spreken dat in verband staat met het verzaken eener onderneming, waarin ik mij met overhaasting mag hebben gestort; maar ik deed het toch uit vrijen wil, en met oogmerk om, wat ook de uitkomst wezen mocht, daarbij te blijven.”
„Dan hoop ik,” hernam kolonel Talbot, glimlachende, „dat zoo ge mij al verbiedt te spreken, gij mij toch meester van mijn gedachten en wenschen zult laten. Maar hebt ge nooit uw geheimzinnig pakje onderzocht?”
„Het is onder mijn bagaadje, wij zullen het te Edinburgh vinden.”
Weldra bereikten ze die stad. Aan Waverley was, op ’s Prinsen uitdrukkelijk bevel, een verblijf aangewezen in een flink kwartier, waar hij voor kolonel Talbot een vertrek kon doen inrichten. Zijn eerste bezigheid was zijn mantelzak te onderzoeken, en na een oogenblik gezocht te [261]hebben, kwam het bewuste pakje te voorschijn. Waverley opende het in haast. Onder een witten omslag, met het eenvoudig adres: aan den heer E. Waverley, vond hij een aantal open brieven. De beide bovenste waren van kolonel Gardiner aan hem zelven: de eerste, die van de oudste dagteekening was, behelsde een zachte en vriendelijke berisping over het verontachtzamen van des schrijvers raad, betreffende het besteden van zijn tijd, gedurende zijn afwezigheid met verlof, welks verlenging hij kapitein Waverley herinnerde dat weldra geëindigd wezen zou. „Inderdaad,” zoo luidde de brief verder, „ware het anders geweest, het nieuws van buiten ’s lands, en mijn voorschriften van het ministerie van oorlog, zouden mij genoodzaakt hebben het in te trekken, daar er, sedert den tegenspoed in Vlaanderen, groot gevaar is voor inval van buiten en voor opstand der kwalijkgezinden binnen ’s lands. Ik bid u dus, zoo spoedig mogelijk, naar het hoofdkwartier terug te keeren; en het is van belang er bij te voegen, dat dit te noodzakelijker wordt, daar er eenige ontevredenheid onder uw escadron heerscht, en ik het onderzoek naar bijzonderheden uitstel, tot ik het genoegen van uw bijstand kan smaken.”
De tweede brief, een week later gedagteekend, was in zoodanigen toon vervat, als men kon verwachten na het uitblijven van eenig antwoord op den vorigen. In dezen werd Waverley herinnerd aan zijn plicht, als man van eer, als officier en als Engelschman; de kolonel stond stil bij de aangroeiende ontevredenheid zijner manschappen, en dat men sommigen hunner had hooren zeggen, dat de Kapitein hun oproerig gedrag aanmoedigde en goedkeurde; en eindelijk gaf de schrijver zijn hoogste leedwezen en verbazing te kennen, dat Waverley zijn bevelen niet had opgevolgd, en naar het hoofdkwartier was teruggekeerd; voorts herinnerde hij hem dat zijn verlof ingetrokken was, en bezwoer hem op een toon, waarin vaderlijke bestraffing met militair gezag vereenigd was, zijn dwaling te herstellen, door zich onmiddellijk bij het regiment te voegen. „Om zeker te zijn,” dit was het slot van den brief, „dat dit schrijven u werkelijk in handen komt, zend ik het u door korporaal Tims, met order om het u zelven te overhandigen.”
Het lezen dezer brieven vervulde Waverley met smartelijke aandoeningen en hij voelde zich gedrongen amende honorable te doen aan de gedachtenis van den braven en uitnemenden schrijver; want, daar de Kolonel alle reden had gehad om te denken, dat zij hem veilig in handen gekomen waren, kon er, nu de gegeven raad in den wind geslagen was, niets minder volgen, dan die derde en laatste oproeping, welke Waverley inderdaad te Glennaquoich ontving, ofschoon te laat om er aan te gehoorzamen. Zijn schorsing in den dienst, ten gevolge van zijn oogenschijnlijke veronachtzaming van dit laatste bevel, was, wel verre van een harde of strenge maatregel, slechts een onvermijdelijk gevolg daarvan. De volgende, door hem geopende, brief was van den majoor van het regiment, waarin hem bericht werd, dat er een gerucht, ten nadeele van zijn goeden naam, in de omstreken verspreid was, namelijk dat zekere mijnheer Falconer van Ballihopple, of zoo iets, in zijn tegenwoordigheid, een verraderlijken toast had ingesteld, dien hij met stilzwijgen had aangehoord, ofschoon die dronk zulk een grove beleediging van de koninklijke familie bevatte, dat een heer in het gezelschap, juist niet bekend door zijn ijver voor het bewind, de zaak echter had opgevat, en dat kapitein Waverley dus had geduld, dat een ander, vergelijkender wijze minder [262]in de zaak betrokken, zijn gevoeligheid over een beleediging bewees, tegen hem, als officier, persoonlijk gericht. De majoor zeide ten slotte, dat niet één van kapitein Waverleys kameraden deze schandelijke historie kon gelooven, maar dat zijn eigene eer, zoo wel als die van het regiment, vorderde, dat ze oogenblikkelijk uit zijn naam werd tegengesproken, enz. enz.
„Wat dunkt u van dit alles?” zei kolonel Talbot, wien Waverley de brieven overhandigde, na ze zelf gelezen te hebben.
„Wat mij er van dunkt? Het maakt elke gedachte onmogelijk; en is in staat om mij krankzinnig te maken.”
„Bedaard, mijn jonge vriend! Laat ons zien, wat dit vuile gekrabbel is, dat nu volgt.”
De eerste had tot opschrift: „Aen den heir W. Ruffin, deze.” – „Waerde menheir, sommige van onze jonge slokkers wille maer niet bijte, al heb ik hun zeid dat jij mij mijnheirs ijgen cachet had laete kijke. Maar Tims zal je, volgens belofte, de brieven overlevere, en vertel onzen ouden Addam, dattie ze mijnheirs hand heit gegeve, daer dit toch op ’t zelve uitkomt; en wacht op het sein en hoera voor de kerk en voor ons goed recht, zoo als mijn vader in den oogst zingt.
De uwe, waerde menheir,
H. H.
Naschrif. Zeg aan menheir, dat we dol zijn om wat van hem te hoore, en niet vatte waarom ie zelf niet schrijft.”
„Deze Ruffin is dan denkelijk,” zeide kolonel Talbot, „uw Donald uit het hol, die uwe brieven onderschept, en een briefwisseling aangeknoopt heeft met dien armen duivel Houghton, terwijl hij voorgaf in uw naam te handelen.”
„Het schijnt maar al te zeker. Maar wie kan Addam zijn?”
„Mogelijk Adam, de ongelukkige Gardiner!”
De overige brieven hadden een gelijke strekking; en thans werden zij nog volkomener ingelicht omtrent Donald Beans streken.
John Hodges, een van Waverleys bedienden, die bij het regiment gebleven, en te Preston gevangen genomen was, verscheen op dit oogenblik. Hij had zijn meester uitgevorscht, met oogmerk om weêr in zijn dienst te treden. Van dezen knaap vernamen ze, dat, eenigen tijd na Waverleys vertrek uit het hoofdkwartier, er een zekere marskramer, Ruthven, Ruffin of Rivane geheeten, bij de soldaten bekend onder den naam van „de Leepert”, dikwijls in het stadje Dundee gekomen was. Hij scheen overvloed van geld te bezitten, betaalde wat hij gebruikte heel ruim, scheen altijd gereed om zijn vrienden in de kroeg te onthalen, en won gemakkelijk de vriendschap van een aantal manschappen van Waverleys escadron, bijzonder die van den wachtmeester Houghton en zekeren Tims, die mede onder-officier was. Dezen stelde hij een plan voor, uit naam van Waverley, om het regiment te verlaten en zich bij hem in de Hooglanden te voegen, waar, volgens het gerucht, de clans reeds in grooten getale de wapens hadden opgevat. De manschappen, die voor zoo verre ze een eigene meening hadden, als Jacobieten waren opgevoed, en inzonderheid wisten dat hun heer, sir Everhard, altijd geacht werd die gevoelens aan te kleven, vielen gemakkelijk in den strik. Dat Waverley ver weg, in de Hooglanden, was, werd als een genoegzame verschooning aangenomen, om zijn brieven door middel van den marskramer [263]over te maken; en het zien van zijn welbekend cachet scheen de in zijn naam gevoerde onderhandelingen te eerder te wettigen, daar het schrijven gevaarlijk kon zijn. Doch men begon lucht van het kabaal te krijgen door de oproerige taal der daarin betrokkenen. De marskramer rechtvaardigde dit vermoeden; want men zag hem niet meer. Toen de courant verscheen, die het bericht behelsde, dat Waverley uit den dienst ontslagen was, brak onder een groot gedeelte van zijn escadron dadelijk een opstand uit, doch de oproermakers werden omsingeld en ontwapend door het overige van het regiment. Houghton en Tims werden door een krijgsraad veroordeeld om doodgeschoten te worden, maar kregen daarna verlof om hun leven te loten. Houghton, die in het leven bleef, toonde veel berouw, daar hij door de vermaningen en verklaringen van kolonel Gardiner overtuigd was geworden, dat hij zich met een zeer schandelijke zaak had ingelaten. Het is opmerkelijk, dat, zoodra de arme kerel hiervan overtuigd was, hij ook oogenblikkelijk voor zich de verzekering had, dat zijn opruier buiten voorkennis van Eduard had gehandeld, zeggende: „Zoo het schandelijk en tegen Oud-Engeland was, kon de jonker er niets van weten: nooit deed hij iets, noch dacht aan iets, dat schandelijk was, zoo min als sir Everhard, of iemand hunner vóor hem, en hij zou er den dood op willen ingaan, dat Ruffin alles op zijn eigen hand had gedaan.”
De kracht der overtuiging, waarmede hij zich op dit punt uitte, zoo wel als zijn verzekeringen, dat de voor Waverley bestemde brieven, aan Ruthven waren overgegeven, brachten die verandering in kolonel Gardiners gevoelen te weeg, waarvan hij Talbot gesproken had.
De lezer heeft al lang begrepen, dat Donald Bean Lean bij deze gelegenheid de rol van verleider speelde. Zijn drijfveêren waren in éen woord deze. Van woeligen en listigen aard, was hij langen tijd als een ondergeschikt werktuig en verspieder gebruikt door de vertrouwden van den Prins, en dat wel dikwijls veel meer dan Fergus Mac-Ivor zelf dacht onder wiens bescherming hij stond, maar dien hij vreesde en lang niet beminde. Als een gevolg van zijn welslagen in deze staatkundige loopbaan, was hij er natuurlijk op bedacht, om gelijk hij hoopte, door een of anderen stouten trek, zich te verheffen boven zijn tegenwoordig gevaarlijk en onzeker bestaan als roover. Hij werd inzonderheid gebezigd, om de sterkte der regimenten in Schotland, het karakter der officieren enz., te leeren kennen, en had al lang het oog op Waverleys escadron, als vatbaar voor verleiding, laten vallen, Donald geloofde, wat meer is, dat Waverley zelf in den grond de Stuarts aankleefde, hetgeen bevestigd scheen door zijn lang bezoek bij den Jacobietischen baron van Bradwardine. Toen Waverley dus, met een van Glennaquoichs gevolg, in zijn hol kwam, vatte de roover, die zich geen denkbeeld kon maken van de wezenlijke beweegreden, welke niets dan nieuwsgierigheid was, de blijde hoop op, dat zijn talenten, onder leiding van dezen invloedrijken jongen Engelschman, tot een of anderen belangrijken aanslag zouden gebezigd worden. Ook kwam hij hiervan niet terug, ofschoon Waverley hoegenaamd geen acht sloeg op zijn wenken en de aanleidingen die hem verschaft werden om tot een verklaring te komen. Zijn gedrag werd aan voorzichtige achterhoudendheid toegeschreven, ofschoon het Donald eenigszins hinderde, die, daar hij begreep dat hij buiten een geheim gehouden werd, waar vertrouwen voordeelig kon zijn, zich voornam zijn rol in het stuk te hebben, [264]hetzij men hem die al of niet opdroeg. Met dit oogmerk maakte hij zich, gedurende Eduards slaap, meester van diens cachet, ten einde het eenmaal te gebruiken bij de manschappen van Waverleys escadron, die het vertrouwen des kapiteins bezaten. Zijn eerste reis naar Dundee, de stad waar het regiment in bezetting lag, deed zijn oorspronkelijke vooronderstelling in duigen vallen, maar opende hem een nieuw veld ter bearbeiding. Hij wist dat hij aan de aanhangers der Stuarts geen beteren dienst kon bewijzen, dan om een gedeelte van het leger voor de zaak van den Prins te winnen, wat hem zeker een ruime belooning zou verzekeren. Tot dat einde ondernam hij de kuiperijen waarmede de lezer reeds bekend is, en welke hem den draad in handen geven tot al het ingewikkelde en duistere in de gebeurtenissen vóor Waverleys vertrek van Glennaquoich.
Volgens den raad van kolonel Talbot, weigerde Waverley den jongen in dienst te nemen, wiens verklaring een nieuw licht over deze zaken verspreid had. Talbot beduidde hem, dat hij den jonkman een slechte dienst zou bewijzen, met hem in een wanhopige onderneming te betrekken, en dat, wat er ook gebeurde, zijn getuigenis in zekere mate strekken kon, om ten minste de omstandigheden op te helderen, die Waverley er toe gebracht hadden zelf deel er aan te nemen. Waverley schreef dus een kort verhaal van het gebeurde aan zijn oom en vader, evenwel niet zonder hen te waarschuwen, in den tegenwoordigen stand van zaken, niet te pogen zijn brief te beantwoorden. Vervolgens overhandigde Talbot den man een brief voor den bevelhebber van een der Engelsche schepen, die in de Frith kruisten, terwijl hij hem verzocht den brenger te Berwick aan land te zetten, met een pas voor het graafschap **. Nu werd hij van geld voorzien, om zijn reis zoo spoedig mogelijk af te leggen, en tevens werd hem bevolen zorg te dragen dat hij aan boord van het bedoelde schip kwam, door een visscherschuit af te huren, hetgeen hij, gelijk ze later vernamen, gemakkelijk bewerkstelligde.
De tegenwoordigheid van Callum Beg moede, een dienaar die, naar hij meende, eenigen lust had, om als verspieder zijn bewegingen gade te slaan, huurde Waverley als knecht een eenvoudigen Edinburgschen knaap, die de witte kokarde had opgezet in een aanval van ontevredenheid en jaloezij, omdat Jenny Job een geheelen nacht had gedanst met korporaal Bullock, van de fuseliers.
1 Zie Aanteekening MM. ↑