[Inhoud]

ACHTTIENDE HOOFDSTUK.

MAATSCHAPPELIJKE EN VERLIEFDE INTRIGUES.

Na het vertrouwen door Waverley aan den kolonel Talbot betoond, werd deze vriendschappelijker in zijn gedrag jegens hem, en daar ze noodwendig dikwijls bij elkander waren, groeide Eduards achting voor het karakter van den kolonel gedurig aan. Er scheen eerst iets stroefs in de wijze, waarop Talbot zijn misnoegen en berisping te kennen gaf, ofschoon niemand, in het algemeen, vatbaarder was voor overtuiging dan hij. Ook had de gewoonte om gezag uit te oefenen aan zijn manieren iets [265]gebiedends bijgezet, in weerwil van de fijne beschaving, die hij aan zijn vertrouwelijken omgang met de hoogere kringen te danken had. Als militair verschilde hij van allen, die Waverley tot nu toe had gezien. De baron van Bradwardine was een pedant die de wapenen droeg; de majoor Melville, vol kleingeestige bezorgdheid om de technische bijzonderheden van den dienst, deed eer denken aan iemand, die een bataljon de exercitiën moet doen uitvoeren, dan aan hem die een leger aanvoeren moet. Wat Fergus betreft, zijn militaire geest was zoo overheerscht door zijn plannen en staatkundige uitzichten, dat hij eer op een onbeduidend souverein vorstje, dan op een krijgsman geleek. Maar kolonel Talbot was in ieder opzicht de type van den Engelschen krijgsman. Hij was met hart en ziel aan den dienst van zijn Koning en vaderland gehecht, zonder eenigen hoogmoed te gevoelen, omdat hij, zoowel als de Baron, de theorie van zijn kunst verstond, of, zoo als de Majoor, de praktische bijzonderheden er van, of, even als het Opperhoofd van Glennaquoich, zijn wetenschap aan eigene bijzondere ontwerpen wist dienstbaar te maken. Daarenboven was hij een man van uitgebreide kennis en gevormden smaak, hoewel, gelijk wij reeds aangemerkt hebben, bezield met de vooroordeelen, die uitsluitend Engelsch mogen heeten.

Trapsgewijs ontwikkelde kolonel Talbots karakter zich voor Eduard; want het vruchteloos beleg des kasteels van Edinburgh door de Hooglanders, duurde verscheidene weken, gedurende welke Waverley weinig anders te verrichten had, dan zoodanige uitspanningen na te jagen, als het gezellige leven oplevert. Hij zou gaarne zijn nieuwen vriend overgehaald hebben, om met eenige zijner vroegere vertrouwden kennis te maken. Maar de kolonel schudde, na een paar bezoeken, het hoofd, en weigerde volstandig zich aan verdere proeven te wagen. Ja, hij ging verder, en noemde den Baron den ondragelijksten en stijfsten pedant dien hij ooit het ongeluk had gehad te ontmoeten, en het Opperhoofd van Glennaquoich een verfranschten Schot, die al de slimheid en innemendheid van het volk waarbij hij opgevoed was, benevens de trotsche, wraakzuchtige en onrustige geaardheid van zijn eigen volk bezat. „Zoo de duivel,” zeide hij, „opzettelijk een handlanger had gezocht, om dit ongelukkig land in verwarring te brengen, geloof ik niet dat hij een beteren had kunnen vinden, dan een knaap als deze, die even onrustig en slim schijnt, als hij ondeugend is, en die blindelings gevolgd en gehoorzaamd wordt door een hoop boeven, die gij goedvindt te bewonderen.”

De dames van het gezelschap ontgingen zijn afkeuring evenmin. Hij gaf toe dat Flora Mac-Ivor een schoone vrouw was, en Rose Bradwardine een mooi meisje. Maar hij beweerde dat de eerste de werking harer schoonheid vernietigde door een gemaakte navolging van den valschen hoftoon, dien zij waarschijnlijk te St. Germains had leeren kennen. En wat Rose Bradwardine betrof, het was onmogelijk, zeide hij, voor eenigen sterveling, zulk een onwetend klein ding te bewonderen, wier beetje opvoeding even weinig berekend was voor hare kunne of jaren, als een van haars vaders oude uniformen geschikt zou zijn om haar persoontje op te tooien. Intusschen was dit alles niets dan zwartgalligheid en vooroordeel bij den goeden Kolonel, voor wien de witte kokarde op de borst, de witte roos in het haar, en het Mac vóor den naam, een engel in een duivel zou veranderd hebben. En inderdaad stemde hij, zelf schertsende [266]toe, dat hij Venus niet schoon zou vinden, als zij in een of ander gezelschap aangediend werd, onder den naam van freule Mac-Jupiter.

Waverley, zooals men zal gelooven, beschouwde deze jonge dames met geheel andere oogen. Gedurende den tijd van het beleg bezocht hij haar bijna dagelijks, ofschoon hij met leedwezen opmerkte, dat hij even geringe vorderingen maakte in het veroveren der genegenheid van Flora, als de Prins in het ten onder brengen van de vesting. Zij bleef gestreng bij het eens genomen besluit volharden, om hem met onverschilligheid te behandelen, zonder eenige schijnbare poging, hetzij om hem te ontwijken, hetzij zelfs om een gesprek met hem te vermijden. Ieder woord, iedere blik werd streng geregeld naar haar eenmaal aangenomen stelsel, en Waverleys neerslachtigheid, noch Fergus’ verstoordheid, welke deze bezwaarlijk kon ontveinzen, kon Flora’s oplettendheid voor Eduard een schrede verder brengen, dan die welke door de meest gewone beleefdheid gevorderd werd. Aan den anderen kant begon Rose meer en meer een plaats in zijn hart in te nemen. Hij had meermalen gelegenheid om op te merken, dat, naar mate hare beschroomdheid verminderde, hare houding aan adel won; dat de kritieke omstandigheden van het tegenwoordige onrustige tijdstip een zekere waardigheid in gevoel en uitdrukking bij haar in het leven schenen te roepen, die hij vroeger niet bespeurd had; en dat zij geene gelegenheid, welke binnen haar bereik lag, verzuimde, om hare kennis uit te breiden en haar smaak te verfijnen.

Flora Mac-Ivor noemde Rose haar leerling, en zorgde trouw om haar in hare studiën bij te staan, en zoowel haar smaak als haar verstand te beschaven. Het zou het oog van een scherpen opmerker niet ontgaan zijn, dat zij, in Waverleys bijzijn, er veel meer op uit was, de begaafdheden van hare vriendin te doen schitteren, dan hare eigene. Maar ik moet den lezer verzoeken niet te vergeten, dat dit vriendschappelijk en belangeloos doel met de meest omzichtige kieschheid werd omsluierd, zoodat hare handelwijze zoo weinig geleek naar het gewone gedrag eener schoone vrouw, die zich het voorkomen geeft om eene andere voort te helpen, als de vriendschap van David en Jonathan naar de gemeenzaamheid van twee heertjes, die langs Bond Street slenteren. Met één woord, de uitwerking werd bespeurd, maar de oorzaak liet zich nauwelijks ontwaren. Beide dames waren, als twee uitnemende tooneelspeelsters, volmaakt in hare rol, en speelden die op een wijze, welke de toeschouwers in verrukking bracht; en, daar dit het geval was, zoo was het bijna onmogelijk te ontdekken, dat de oudste telkens aan hare vriendin alles afstond wat voor hare talenten het meest berekend was.

Maar voor Waverley bezat Rose Bradwardine eene aantrekkelijkheid, waaraan weinige mannen in staat zijn weerstand te bieden, namelijk, het blijkbare belang, dat zij in alles stelde, wat hem betrof. Zij was te jong en te onervaren, om de volle kracht te berekenen der bestendige oplettendheid, welke zij hem betoonde; haar vader was te zeer afgetrokken door geleerde en militaire gesprekken, om de neiging zijner dochter op te merken, en Flora Mac-Ivor zocht haar niet door waarschuwing te verontrusten: omdat zij in dit gedrag van hare vriendin de waarschijnlijkste kans zag opgesloten, om haar ten laatste Waverleys wederkeerige genegenheid te bezorgen. De waarheid is, dat Rose, in het eerste gesprek na hare ontmoeting, den toestand van haar hart aan die [267]scherpe en schrandere opmerkster had ontdekt, zonder het zich zelve bewust te zijn. En van dat oogenblik af had Flora niet alleen vast besloten, om Waverleys aanzoeken af te wijzen, maar stelde zij er tevens het hoogste belang in, om ze op hare vriendin te zien overgebracht. Ook verflauwde zij niet in dit verlangen, ofschoon haar broeder, van tijd tot tijd, half schertsende, half in ernst, er van gesproken had aan Freule Bradwardine zijn hof te zullen maken. Zij wist dat Fergus het echte stelsel der grooten ten aanzien van het huwelijk volgde, en zijn hand aan geen engel zou schenken, tenzij met het oogmerk om machtige vrienden te winnen en zijn gezag en grootheid uit te breiden. De gril van den baron, om zijn nalatenschap op den verren mannelijken bloedverwant te doen overgaan, in plaats van op zijn eigene dochter, scheen dus voor hem een onoverkomelijke zwarigheid te zijn, om ooit ernstig aan Rose Bradwardine te denken. Inderdaad was Fergus’ hoofd een rustelooze werkplaats van plannen en intrigues van allerlei aard, waarbij hij, even als menig werktuigkundige, bij wien het vernuft meer ontwikkeld is dan de volharding, dikwijls onverwacht, en zonder eenig blijkbaar oogmerk, het eene ontwerp liet varen, en zich ernstig met een ander begon bezig te houden, dat óf versch uit de smidse zijner verbeelding kwam, óf bij een vroegere gelegenheid half voltooid was, ter zijde geworpen; en het was daarom moeielijk te gissen, welken weg hij ten laatste, bij een of andere voorkomende gelegenheid, zou inslaan.

Ofschoon Flora oprecht gehecht was aan een broeder, wiens werkzaamheid en geestkracht zij inderdaad al hare bewondering zou geschonken hebben, al had er ook geen zoo nauwe band tusschen hen bestaan, was zij echter in geenen deele blind voor zijn gebreken, die zij als gevaarlijk beschouwde voor de uitzichten van elke vrouw, welke hare denkbeelden van een gelukkig huwelijk met hem, mocht bouwen op het vreedzaam genot der huiselijke gezelligheid, en het betoon van wederkeerige en toenemende liefde. Waverleys wezenlijke geaardheid daarentegen scheen haar, in weerwil zijner droomen van slagvelden en krijgsmansroem, geheel en al huiselijk toe. Hij verlangde noch verkreeg eenig deel aan de woelige tooneelen, die aanhoudend rondom hem plaats hadden, en verveelde zich eer dan dat hij eenig gewicht hechtte aan het bepleiten der wederzijdsche vorderingen, rechten en belangen, dat dikwijls in zijne tegenwoordigheid plaats greep. Dit alles wees hem aan, als den geschikten persoon, om een meisje als Rose gelukkig te maken.

Over dezen trek in Waverleys karakter sprak zij op zekeren dag, dat ze naast Freule Bradwardine gezeten was. „Hij bezit te veel geest en smaak,” hernam Rose, „dan dat hij belang zou stellen in zulke beuzelachtige kibbelarijen. Wat raakt het hem, bij voorbeeld, of het Opperhoofd van den clan der Macindallaghers, die slechts vijftig man heeft aangebracht, Kolonel of Kapitein wordt? En hoe kan men veronderstellen, dat mijnheer Waverley eenig deel zal nemen in den hevigen twist tusschen uw broeder en den jongen Corinaschian, of de post van eer den oudsten of den jongsten zoon van een clan toekomt.”

„Mijn lieve Rose,” antwoordde Flora, „zoo hij de held was, waarvoor gij hem houdt, zou hij zich met deze zaken bemoeien, niet omdat zij op zichzelve zoo belangrijk zijn, maar om als middelaar tusschen beiden te treden bij de vurige geesten, die ze nu eenmaal tot het onderwerp van hun twist maken. Gij zaagt, toen Corinaschian in zulk een geweldige [268]drift losbarste, en de hand aan zijn sabel sloeg, hoe Waverley het hoofd oprichtte, alsof hij uit een droom ontwaakte, en met groote bedaardheid vroeg, wat er gaande was?”

„Zeker, maar diende het algemeene gelach, dat zijn verstrooidheid verwekte, niet beter om den twist te stuiten, dan het beste dat hij hun had kunnen zeggen?”

„Dat zal ik niet tegenspreken; maar beken toch Rose lief, dat het voor Waverley veel eervoller geweest zou zijn als hij hem door klem van reden tot inzigt had gebracht.”

„Zoudt ge hem tot vredemaker-generaal onder al deze, als buskruid opvliegende, Hooglanders willen aanstellen? Vergeef mij, Flora, ge weet dat ik uw broeder niet bedoel; hij bezit meer gezond verstand dan zij met hen allen. Maar zoudt ge meenen, dat de trotsche, heethoofdige, woelige wezens, van wier twisten wij zoo veel zien en nog veel meer hooren, en die mij iederen dag angst aanjagen, eenigszins te vergelijken zijn met Waverley?”

„Ik vergelijk hem in geenen deele met deze onopgevoede lieden, lieve Rose. Ik bejammer het slechts, dat hij, met zijn talenten en zijn genie, niet die plaats in het maatschappelijke leven inneemt, waarop ze hem zoo bij uitstek het recht geven, en dat hij niet met de volle kracht daarvan de edele zaak ondersteunt, waarvoor hij zich heeft verklaard. Zijn Lochiel, en P**, en M**, en G**, geen mannen van de fijnste beschaving? Kan men ontkennen dat ze bekwaamheid bezitten? – Waarom kan hij niet besluiten, hun bedrijvig en nuttig leven na te volgen? – Ik verbeeld mij tusschenbeide, dat zijn ijver verlamd is door dien hooghartigen, kouden Engelschman, met wien hij thans zoo druk omgaat.” –

„Kolonel Talbot? – dat is ontegenzeggelijk een zeer onaangenaam persoon. Hij ziet er uit alsof hij geen Schotsche vrouw waardig achtte, om een kopje thee aan te bieden. Maar Waverley is zoo beminnelijk, zoo welopgevoed, zoo –”

„Ja,” zeide Flora met een glimlach, „hij kan de maan bewonderen, en een stanza uit Tasso aanhalen.”

„Maar – ge weet ook hoe hij gevochten heeft.”

„O, wat alleen het vechten aangaat,” antwoordde Flora, „ik geloof dat alle mannen (dat wil zeggen, zij die dezen naam verdienen) tamelijk veel op elkander gelijken: er wordt in het algemeen meer moed toe vereischt om weg te loopen. Ze hebben bovendien, wanneer men hen met elkander vergelijkt, een zeker vechters-instinct, gelijk wij ook in andere mannelijke dieren zien, zoo als honden, stieren en dergelijke. Maar stoute en gevaarlijke ondernemingen zijn Waverleys sterke zijde niet. Hij zou nooit zijn beroemde voorzaat, sir Nigel, geweest zijn, maar eenvoudig sir Nigels lofredenaar en zanger. Zal ik u eens zeggen, waar hij te huis en op zijn plaats zou zijn, mijn lieve? – in den rustigen kring van het huiselijk geluk, te midden der geletterde ledigheid, en der beschaafde genietingen van Waverley-Honour. Daar zal hij de oude bibliotheek in den keurigsten Oud-Gothischen smaak herstellen, hare kasten met de kostbaarste en zeldzaamste boeken bezetten; – hij zal plannen en landschappen teekenen, verzen maken, tempels doen verrijzen, grotten graven, en in een schoonen zomernacht onder de kolonnade voor het slot staan, en naar de herten turen, die daar in den maneschijn ronddolen, of in de schaduw der takken van de zware, oude, schilderachtige eikenboomen [269]ter neder liggen; – voorts zal hij de schoone vrouw, die aan zijn arm hangt, gedichtjes voorlezen, – en een gelukkig echtgenoot zijn.”

„En zijn echtgenoote een gelukkige vrouw,” dacht de arme Rose. Maar ze zuchtte slechts, en gaf aan het gesprek een andere wending.