[Inhoud]

NEGENTIENDE HOOFDSTUK.

FERGUS AAN HET VRIJEN.

Hoe nauwkeuriger Waverley den toestand van het hof des Ridders gadesloeg, des te minder reden vond hij om er mede tevreden te zijn. Het bevatte, even als men zegt dat een eikel al de takken des aanstaanden booms in zich besluit, zoo vele zaden van oneenigheid en kuiperij, als het hof van een uitgebreid rijk. Ieder persoon van gewicht had een of ander bijzonder doel, dat door hem vervolgd werd met een hartstochtelijkheid, die aan Waverley volstrekt niet toescheen in evenredigheid met de belangrijkheid er van. Bijna allen hadden redenen tot ontevredenheid; maar de meestgegronde van allen was die van den waardigen ouden Baron, die zich alleen om het algemeen belang bekommerde.

„Wij zullen,” zeide hij op zekeren morgen, dat zij het kasteel in oogenschouw genomen hadden, tot Waverley, „wij zullen bezwaarlijk de belegeringskroon, welke zoo als gij weet, van takken of planten, op den belegerden grond gegroeid, gevlochten werd, hier winnen, of het moest van het kruid parietaria1 zijn; wij zullen – zeg ik – die kroon hier bezwaarlijk winnen.” En voor dit gevoelen bracht hij de geleerdste en meest voldoende redenen bij, van wier opsomming wij gelooven dat de lezer gaarne verschoond zal blijven.

Nadat hij aan den ouden Baron ontsnapt was, begaf Waverley zich naar het kwartier van Fergus, om hem, volgens afspraak, bij zijn terugkomst van Holyrood-House op te wachten. „Ik zal morgen een bijzondere audiëntie hebben,” had Fergus den vorigen avond aan Waverley gezegd, „en gij moet bij mij komen, om mij geluk te wenschen over den goeden uitslag, waarop ik bij voorbaat reken.”

De morgen kwam, en in de kamer van het Opperhoofd vond hij zijn vriend, den vaandrig Maccombich, die hem wachtte om verslag te doen van zijn volbrachten arbeid, het maken, namelijk een soort van gracht, welke men dwars door den heuvel van het kasteel gegraven, en een loopgraaf genoemd had. Weldra liet de stem van het Opperhoofd zich op de trappen hooren; hij riep op een toon van ongeduld en woede: – „Callum, – ik zeg, Callum Beg, – voor den duivel!” Hij trad het vertrek binnen met al de kenteekenen van iemand die in geweldige drift was ontstoken; en er zijn slechts weinigen, op wier gelaatstrekken de ontevredenheid zich sterker teekende dan op de zijne. Wanneer hij in zulk een spanning was, dan zwollen de aderen van zijn voorhoofd op; zijn neusgaten verwijdden zich; zijn oogen en wangen gloeiden, en zijn blik [270]was volmaakt die van een razende. Deze blijken van halfbedwongen woede waren nu nog te verschrikkelijker omdat zij blijkbaar veroorzaakt werden door een krachtige poging om een bijna ontembaren aanval van drift te temperen, en dus voortkwamen uit een inwendigen strijd, die geheel zijn zedelijken mensch schokte en beroerde.

Zoo als hij de kamer binnentrad, gespte hij zijn sabel los, en terwijl hij dien ter aarde wierp met een geweld, dat het wapen naar de andere zijde van het vertrek vloog, riep hij uit: „Ik weet niet, wat mij belet, een plechtigen eed te zweren, dat ik het nooit weêr voor deze zaak trekken zal? – Laad mijn pistolen, Callum, en breng ze terstond hier – terstond!” Callum, dien nooit iets verbaasde, ontstelde, of van zijn stuk bracht, gehoorzaamde met de grootste koelbloedigheid. Evan Dhu, wiens oogopslag, in het vermoeden dat zijn Opperhoofd eenig ongeluk was aangedaan, een soortgelijken storm aankondigde, zwol op van toorn, terwijl hij stil zweeg en wachtte te vernemen, waar of op wien de wraak moest nederdalen.

„Zoo, Waverley, zijt gij daar?” riep het Opperhoofd; na een oogenblik bedenkens; „Ja, ik herinner mij, dat ik u verzocht mijn zegepraal te deelen, en ge zijt gekomen om getuige te zijn van mijn – teleurstelling, zullen wij het maar noemen.” Nu bood Evan hem het geschreven rapport aan, dat hij in de hand had, hetwelk Fergus hem met groote drift ontrukte. „Ik zou, om Gods wil wenschen,” zeide hij, „dat het oude nest neêrstortte op het hoofd van de gekken, die het aanvallen en van de guiten die het verdedigen. Ik zie, Waverley, dat gij mij voor krankzinnig houdt, – verlaat ons, Evan, maar blijf zoo in de nabijheid, dat ik u roepen kan.”

„De Kolonel is geweldig verstoord” zeide vrouw Flockhart tegen Evan, toen hij naar beneden kwam; „ik hoop dat hij wél is, – tot zelfs de aderen van zijn voorhoofd stonden stijf als zweepkoord, – zou hij het een of ander niet willen gebruiken?”

„Hij tapt gewoonlijk wat bloed af tegen deze aanvallen,” zei de Hooglandsche schildknaap met groote bedaardheid.

Toen de vaandrig het vertrek verlaten had, begon het Opperhoofd langzamerhand tot bedaren te komen. „Ik weet, Waverley,” zeide hij, „dat kolonel Talbot u bewogen heeft om tienmaal op een dag uwe verbintenis met ons te verwenschen; – neen, ontken het niet; want ik ben op het oogenblik in verzoeking om het zelf te voldoen. Kunt gij gelooven, dat ik heden morgen twee verzoeken tot den Prins richtte, en dat hij ze beide heeft afgeslagen; wat dunkt u?”

„Wat kan ik er van denken, zonder te weten welke uwe aanzoeken waren?”

„Wel, wat doet het er toe wat zij waren, man? Ik zeg u, dat ik het was die ze deed. Ik, aan wien hij meer verplichting heeft dan aan de beste drie, die zijn standaard gevolgd zijn; want ik zette de geheele zaak op touw, en haalde al de mannen van Perthshire over, toen geen éen zich zou bewogen hebben. Ik ben er de man niet naar, denk ik, om iets zeer onredelijks te vragen, en al had ik het gedaan, dan mochten ze wel iets over het hoofd gezien hebben. Maar, gij zult alles weten, nu ik weêr eenigszins ruimer adem halen kan. – Gij herinnert u mijn aanstelling, bij open brief, tot graaf; zij is geteekend, een aantal jaren geleden, voor destijds betoonde diensten, en het minst dat ik zeggen kan, [271]is dat mijn volgend gedrag er de waarde niet van heeft verminderd. Nu, mijnheer, waardeer ik die prul van een gravenkroon zoo min als gij, of eenig wijsgeer op aarde; want ik houd het er voor dat het Opperhoofd van zulk een clan als de Sliochd nan Ivor, hooger in rang is, dan éen graaf in Schotland. Maar ik had een bijzondere reden, om dezen verwenschten titel tegenwoordig te voeren. Ik vernam toevallig, moet gij weten, dat de Prins dien ouden dwazen baron van Bradwardine heeft gedrongen, zijn mannelijken erfgenaam, of neef, in den negentienden of twintigsten graad, die een officiersplaats bij de militie van den keurvorst heeft aangenomen, te onterven, en zijn nalatenschap te doen overgaan op uwe aardige, kleine vriendin, Rose; en hiermede, daar het een bevel van Koning en Opperhoofd is, die de bestemming van een leen naar genoegen mag veranderen, schijnt de oude heer tamelijk wel tevreden.”

„En wat zal er nu van de hulde worden?”

„De drommel hale de hulde! – Ik geloof, dat Rose de pantoffel der koningin, op haar krooningsdag, zal uittrekken, of een dergelijke nesterij. – Hoe dat ook zij, daar Rose altijd een goede partij voor mij zou geweest zijn, zonder die stomme voorkeur van haar vader voor zijn mannelijken erfgenaam, is het mij in de gedachte gekomen dat er nu geen beletsel meer overbleef, tenzij de Baron verwachten mocht dat de echtgenoot zijner dochter den naam van Bradwardine zou aannemen, wat in mijn geval, zoo als ge begrijpt, onmogelijk wezen zou en heb ik gemeend dat als ik den titel aannam, waarop ik zulk een gegrond recht had, natuurlijk die moeielijkheid uit den weg zou te ruimen zijn. Indien Rose tevens, volgens hare eigene rechten, burggravin Bradwardine na haar vaders overlijden wezen zou, des te beter; ik kon daar niets tegen hebben.”

„Maar, Fergus,” zeide Waverley, „ik dacht niet dat gij de minste genegenheid voor Freule Bradwardine koesterdet, en gij schimpt altijd op haar vader.”

„Ik heb zoo veel genegenheid voor Freule Bradwardine, mijn goede vriend, als ik noodig acht voor de toekomstige meesteres in mijn huis en de moeder mijner kinderen te moeten koesteren. Zij is een heel knap en schrander meisje, en zeker van een der eerste Laaglandsche geslachten, en zal, met een weinig onderwijs en vorming van Flora, een zeer goed figuur maken. Wat haar vader aangaat, hij is een origineel, dat is waar, en al vrij belachelijk, maar hij heeft sir Hew Halbert – den dierbaren overleden heer van Balmawhapple, en anderen zulke gestrenge lessen gegeven, dat niemand hem durft bespotten, en dus heeft zijn belachelijkheid niets te beteekenen. Ik zeg u, daar had geene zwarigheid ter wereld moeten bestaan – geene. Ik had de geheele zaak bij mijzelven geregeld.”

„Maar hadt gij de toestemming van den Baron, of Rose gevraagd?”

„Waartoe? Den Baron er over te spreken, voor dat ik mijn titel had zou slechts een ontijdig en verbitterend gekibbel hebben doen ontstaan over de naamsverandering, daar ik, in tegendeel, als graaf van Glennaquoich, hem eeniglijk had voor te stellen, om zijn verd … mden beer en laarzentrekker in een afzonderlijk veld of op eenige andere, mijn wapen slechts niet benadeelende, wijze op mijn schild over te nemen. En wat Rose betreft, ik zie niet in wat zij er tegen zou kunnen hebben, als ik de toestemming van haar vader had.” [272]

„Misschien hetzelfde wat uwe zuster tegen mij heeft, ofschoon ik uwe toestemming heb.”

Fergus zette grootte oogen op bij de vergelijking, die in deze veronderstelling opgesloten lag, maar hield voorzichtig het antwoord terug, dat hem op de tong brandde. „O, wij zouden dat alles gemakkelijk geschikt hebben. Dus, mijnheer, verzocht ik een bijzonder gehoor bij den Prins, dat heden morgen werd bepaald, en ik vroeg u mij hier te ontmoeten, in de vaste overtuiging, ofschoon ze die van een gek bleek te zijn, dat ik uw bijstand zou noodig hebben, als speelnoot. Nu dan – ik som mijn aanspraken op – ze worden niet betwist – de zoo dikwijls herhaalde beloften en het verleenen van den open brief worden erkend. Maar ik stel voor, als een natuurlijk gevolg, om den rang aan te nemen, waartoe de benoeming mij verheft en nu voert men de oude historie van G*’s en M*’s jaloerschheid aan – ik verzet mij tegen dit voorwendsel, en bied aan om, uithoofde der vroegere dagteekening, dan de beuzelachtige vorderingen van hun kant, hunne schriftelijke inwilliging te verwerven – en ik verzeker u, dat ik deze toestemming van hen zou verkregen hebben, al was het ook op de punt van den degen. En nu komt de waarheid in al hare naaktheid voor den dag, en durft hij mij in het gezicht zeggen, dat mijn verheffing voor het oogenblik buiten werking moet blijven, uit vrees van te mishagen aan dien gemeenen lafaard en fainéant – hier noemde Fergus het mededingend Opperhoofd van zijn clan – die geen meer aanspraak heeft om Opperhoofd te zijn, dan ik om Keizer van China te wezen; en die goedvindt zijn laffen afkeer om te velde te trekken, (gelijk zijn twintigmaal herhaalde beloften het medebrengen) te verbergen onder een voorgewenden naijver op des Prinsen vooringenomenheid met mij. En, om dezen ellendigen mededinger het voorwendsel voor zijn lafhartigheid te ontnemen, vraagt de Prins, als persoonlijk vriendschapsbewijs van mij, verbeeld u, niet op mijn gegrond en redelijk verzoek, in dit oogenblik, aan te dringen. Stel nu maar eens op Prinsen uw vertrouwen!”

„En eindigde hiermede uwe audiëntie?”

„Eindigen? Wel neen! Ik had besloten hem geen voorwendsel voor zijn ondankbaarheid te laten, en daarom gaf ik met al de bedaardheid, die ik meester kon blijven, – want, ik verklaar u, dat ik van drift beefde, – de bijzondere redenen op, waarom ik wenschte, dat Zijne Koninklijke Hoogheid mij een ander middel mocht voorschrijven, om mij van mijn verplichting en gehechtheid te kwijten, daar mijn vooruitzichten in het leven, datgene, wat op ieder anderen tijd slechts een beuzeling zou zijn, thans tot een zwaar offer maakten; en nu ontvouwde ik hem mijn geheele ontwerp.”

„En wat antwoordde de Prins?”

„Wat hij antwoordde? Nu – het is goed dat er geschreven staat: „vloek den Koning niet, zelfs niet in uwe gedachten!”– nu dan, hij antwoordde, dat het hem inderdaad verheugde, dat ik hem tot mijn vertrouwde gemaakt had, om smartelijke teleurstelling te voorkomen; want hij kon mij op zijn vorstenwoord verzekeren, dat freule Bradwardines hart niet vrij was, en hij zich persoonlijk verbonden had hare liefde te begunstigen! „Dus, mijn waarde Fergus!” zeide hij, met zijn allergenadigsten glimlach, „daar er aan het huwelijk niet te denken valt, behoeft er, zoo als ge ziet, over den graventitel geen beweging gemaakt te worden.” En hiermede ging hij weg, en liet mij planté là![273]

„En wat deedt gij?”

„Ik zal u zeggen, wat ik op dat oogenblik had kunnen doen – mij zelven aan den duivel of aan den Keurvorst verkoopen, wie maar de felste wraak beloofde. Maar nu ben ik weder bedaard. Ik weet, dat hij voornemens is haar aan den een of ander zijner ellendige Fransche of Iersche officiers uit te huwelijken; maar ik zal hen van nabij gadeslaan, en laat de man, die mij uit den zadel wil lichten, oppassen! – Bisogna coprirsi, signor.”2

Na nog eenige woorden, waaromtrent het onnoodig is in bijzonderheden te treden, nam Waverley afscheid van het Opperhoofd, wiens woede nu plaats had gemaakt voor een vurig verlangen naar wraak, en keerde naar huis terug, ter nauwernood in staat om zich van de verschillende gewaarwordingen rekenschap te geven, die dit verhaal in zijn hart had opgeroepen.


1 Parietaria officinalis. Glaskruid, een zeer broos plantje. 

2 „Men moet zich vermommen, mijnheer.”