„Ik ben bepaald tot speelbal mijner grillen,” zeide Waverley tot zichzelven, toen hij de deur zijner kamer sloot, en met groote stappen op en neder liep. – „Wat raakt het mij of Fergus Mac-Ivor Rose Bradwardine wenscht te huwen? – Ik bemin haar niet – ik zou misschien door haar bemind zijn geworden – maar ik wees haar eenvoudige, natuurlijke en hartelijke genegenheid af, in plaats van ze door een vriendelijk gedrag in teederheid te doen veranderen, en wijdde mij aan een vrouw toe, die nooit een sterveling zal beminnen, als Warwick, „de Koningmaker” niet weder uit de dooden opstaat. Ook de Baron – ik zou mij om zijn goederen niet bekommerd hebben, en dus zou de naam geen struikelblok zijn geweest. De drommel had de woeste moerassen kunnen halen en de Koninklijke caligæ uitgetrokken hebben, zonder dat ik er mij tegen verzet zou hebben. Maar geschapen als zij is voor de teedere aandoeningen van huiselijke gehechtheid en liefde, om al die vriendelijke en aangename zorgen te besteden en te ontvangen, welke het leven verzoeten van degenen, die het met elkander slijten, wordt ze gezocht door Fergus Mac-Ivor. Hij zal haar zeker niet slecht behandelen – daartoe is hij niet in staat – maar hij zal haar, na de eerste maand, verwaarloozen; hij zal er te veel aan denken, om dit of dat mededingend Opperhoofd ten onder te brengen, om dezen of genen gunsteling aan het hof te doen vallen, om hier of daar een schrale heide of een waterplas bij zijn bezittingen te voegen, of zijn benden met eenige nieuwe spitsboeven te vermeerderen – en zich niet bekreunen om al wat zij doet, en hoe zij den tijd doorbrengt.” [274]
„En dan zal hartzeers kanker ook haar bloem
Doorknagen, en het weergalooze schoon
Verbannen van haar rozeroode kaak;
Holoogig ziet ze dan, gelijk een geest,
En bleek en mager als door koorts verteerd,
Totdat zij sterft.”
„En dit droevige lot van het bevalligste schepseltje op Gods aardbodem zou te voorkomen zijn geweest, indien de heer Eduard Waverley uit zijn oogen had gekeken! – Op mijn woord, ik kan niet begrijpen, hoe ik Flora zoo veel, dat is, zoo heel veel mooier vond dan Rose. Zij is ranker, dat is waar, en haar houding is deftiger; maar velen houden Freule Bradwardine voor natuurlijker; en zij is zeker veel jonger. Ik zou denken, dat Flora een paar jaar ouder is dan ik – ik zal haar beiden van avond eens nauwkeurig gadeslaan.”
En met dit besluit, ging Waverley thee drinken (gelijk dit zestig jaar geleden het gebruik was) bij een dame van rang, die de zaak van den Prins was toegedaan, en waar hij, gelijk hij verwacht had, beide dames aantrof. Een ieder stond op toen hij binnenkwam, maar Flora hernam oogenblikkelijk haar plaats, en vatte het begonnen gesprek weder op. Rose, daarentegen, maakte bijna onmerkbaar plaats, opdat hij een stoel zou kunnen zetten in den dichten kring die haar omgaf.
„Hare wijze van doen is, over het geheel, zeer innemend,” zeide Waverley bij zichzelven.
De vraag werd geopperd, of de Gaelsche dan wel de Italiaansche taal de zachtste, vloeiendste en meest geschikte voor de poëzij was. De zaak der Gaelsche, die waarschijnlijk elders geen voorstanders zou gevonden hebben, werd hier met vuur verdedigd door zeven Hooglandsche dames, die haar longen in het geheel niet ontzagen, en het geheele gezelschap doof gilden met voorbeelden van de welluidendheid der Celtische taal. Flora, wie het in het oog viel dat de Laaglandsche dames om de vergelijking meesmuilden, bracht eenige redenen bij, ten bewijze dat ze niet zoo geheel dwaas was; maar toen men Rose naar haar gevoelen gevraagd had, liet zij zich met warmte ten voordeele der Italiaansche uit, die zij met behulp van Waverley beoefend had. „Zij heeft een juister gehoor dan Flora, ofschoon zij minder ervaren is in de muziek,” dacht Waverley bij zichzelf. „Ik veronderstel dat Freule Mac-Ivor spoedig Mac Murrough nan Fonn bij Ariosto zal vergelijken.”
Eindelijk gebeurde het dat het gezelschap het niet eens was, of men Fergus zou verzoeken op de fluit te spelen, waarin hij uitmuntte, dan wel of Waverley zou uitgenoodigd worden, een stuk van Shakespeare te lezen. De vrouw des huizes belastte zich goedwillig met het opnemen der stemmen van het gezelschap, die zich voor poëzij of muziek verklaarden; onder voorwaarde, dat de heer, wiens talenten dien avond niet in aanspraak genomen werden, ze wel zou verleenen om den volgenden op te luisteren. Het kwam zoo uit, dat Rose de beslissende stem had. Nu had Flora, die het zich tot een wet scheen gemaakt te hebben nooit een voorstel te ondersteunen, waardoor Waverley ook maar het geringste aangemoedigd kon worden voor de muziek gestemd, mits de Baron zijn viool nam, om Fergus te accompagneeren. „Ik wensch u geluk met uw smaak, Freule Mac-Ivor,” dacht Waverley, terwijl men naar zijn [275]boek zocht. „Ik hield dien, toen wij op Glennaquoich waren, voor beter; maar zeker is de Baron geen groot speler, en Shakespeare verdient wel dat men naar hem luistere!”
„Romeo en Julia” werd gekozen, en Eduard las met smaak, gevoel en warmte, eenige tooneelen uit dat treurspel voor. Het geheele gezelschap juichte met handgeklap, en verscheidenen met tranen toe. Flora, die het stuk zeer goed kende, behoorde onder de eerstgenoemden. Rose, voor wie het zoo goed als nieuw was, behoorde tot de laatste klasse van bewonderaars. „Zij heeft ook meer gevoel,” zeide Waverley in zichzelven.
Toen het gesprek over de handeling van het stuk en over de karakters, begon te loopen, verklaarde Fergus, dat de eenige, die verdient als man van fatsoen en geest en moed genoemd te worden, Mercutio was. „Ik kon,” zeide hij, „al zijn ouderwetsch vernuft niet volkomen volgen, maar hij moet, naar de denkbeelden van zijn tijd, een zeer beminnelijk mensch zijn geweest.”
„En het was schande,” zei vaandrig Maccombich, die doorgaans in alles zijn kolonel volgde, „van dien Tibbert of Taggart, of hoe hij ook heette, hem van onder den arm van dien anderen Heer overhoop te steken, terwijl hij den twist zocht bij te leggen.”
De dames verklaarden zich natuurlijk luide voor Romeo, maar dit gevoelen bleef niet zonder tegenspraak. De vrouw des huizes en verscheidene andere dames berispten tamelijk streng de lichtvaardigheid, waarmede de held zijn genegenheid van Rosalinde op Julia overbracht. Flora bewaarde het stilzwijgen tot men haar gevoelen herhaalde malen gevraagd had, en antwoordde toen, dat deze wispelturigheid, waaraan men zich ergerde, door haar niet slechts zeer overeenkomstig met de natuur gehouden werd, maar dat ze ten hoogste voor de kunst van den dichter getuigde. „Shakespeare schildert Romeo als een jonkman die bijzonder vatbaar is voor de zachtere aandoeningen; het eerste voorwerp zijner liefde is een meisje, dat ze niet kon beantwoorden; dit zegt hij u bij herhaling.”
„De zwakke kinderpijl der liefde treft haar niet”
en wederom,
„De liefde zwoer zij af”
Daar het nu onmogelijk was, dat Romeo’s liefde – aangenomen dat hij een verstandig mensch was – zonder hoop kon voortduren, nam de dichter met de grootste bekwaamheid, het oogenblik te baat, waarin de held zich werkelijk tot wanhoop gebracht ziet, om hem een meisje te gemoet te voeren, dat volmaakter is dan zij, door wie hij was afgewezen, en tevens geneigd om aan zijn liefde te beantwoorden. Ik kan mij bezwaarlijk een toestand voorstellen, die meer geschikt is om Romeo’s liefde voor Julia aan te wakkeren, dan de omstandigheid dat hij door haar, op eens, uit den staat van kwijnende neerslachtigheid, waarin hij eerst ten tooneele verschijnt, wordt opgewekt en weggerukt en waarvan hij zoo geheel verwijderd is, als hij uitroept:
„Wat droefheid mij voortaan ook treffen mag,
Zij weegt toch geenszins hier ’t genoegen op,
Dat slechts een oogwenk mij haar bijzijn schenkt.”
[276]
„Hoe nu, Freule Mac-Ivor,” zeide een jonge dame van rang, „wilt gij ons van ons schoonste voorrecht berooven? Wilt gij ons overtuigen, dat liefde zonder hoop niet kan bestaan, of dat de minnaar onbestendig moet worden, wanneer zijn dame wreed is? Wel foei! zulk een besluit, dat zoo weinig sentimenteel is, had ik niet verwacht.”
„Een minnaar, waarde lady Betty, mag, naar mijn oordeel, onder zeer ontmoedigende omstandigheden in zijn liefde volharden. De liefde kan (soms) iederen storm, hoe zwaar die ook zij, weerstand bieden, maar onmogelijk de langdurige Siberische koude der onverschilligheid. Neem, zelfs met uwe aantrekkelijkheden, deze proef op geen minnaar, wiens trouw gij op prijs stelt! Ja, de liefde kan met verbazend weinig hoop zich voeden, maar geheel zonder deze leven, kan zij niet.”
„Het zal er juist zoo mede gelegen zijn, als met Duncan Mac-Girdie’s merrie, met uw welnemen,” zeide Evan, „hij wilde haar namelijk langzamerhand gewennen om zonder voêr te leven, en juist toen hij haar op één stroohalmpje daags gebracht had, stierf het arme beest!”
Evans vergelijking bracht het gezelschap aan het lachen, en het gesprek nam een andere wending. Kort daarna scheidde men, en Eduard keerde naar huis terug, in gedachten verzonken over hetgeen Flora gezegd had. „Ik wil mijn Rosalinde niet langer beminnen,” zeide hij; „zij heeft mij, daartoe een genoegzaam duidelijken wenk gegeven; en ik zal met haar broeder spreken en mijn aanzoek opgeven. Maar wat Julia betreft – zou het edelmoedig zijn Fergus’ bemoeiingen in den weg te staan? Maar het is onmogelijk dat hij ooit slaagt! En als hij niet slaagt, wat dan? – Wel dan, alors comme alors.” En met dit wijze besluit, om zich door de omstandigheden te laten leiden, begaf onze held zich ter rust.