[Inhoud]

EEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN BRAAF MAN IN NOOD.

Indien mijn schoone lezeressen van gevoelen wezen mochten, dat de lichtvaardigheid van mijn held in de liefde volstrekt onvergefelijk is, moet ik haar herinneren, dat al zijn grieven en bezwaren geenszins uit die sentimenteele bron ontsprongen. Zelfs de lierdichter, die zoo aandoenlijk over de smart der liefde klaagt, kon te gelijker tijd niet vergeten, „dat hij in schulden stak en aan den drank was,” hetgeen buiten tegenspraak zijn ongeluk slechts kon verzwaren. Er verliepen inderdaad geheele dagen, waarop Waverley noch aan Flora noch aan Rose Bradwardine dacht, maar die besteed werden aan treurige gissingen over den waarschijnlijken staat der zaken op Waverley-Honour, en den twijfelachtigen uitslag van den burgertwist, waarin hij betrokken was. Kolonel Talbot wikkelde hem dikwijls in een gesprek over de onrechtvaardigheid der zaak, waaraan hij zich gewijd had, „Niet,” zeide hij, „dat het u mogelijk is ze op dit oogenblik te verzaken, want, wat er van kome, gij moet uwe overhaaste verbintenis gestand doen. Maar ik wensch u te doen beseffen, dat het recht niet aan uwe zijde is, dat gij strijdt tegen de ware belangen [277]van uw land, en dat gij, als Engelschman en als vaderlander, de de eerste gelegenheid de beste moet aangrijpen, om dezen ongelukkigen tocht op te geven, eer de sneeuwbal smelt.”

Bij dergelijke staatkundige woordenwisselingen voerde Waverley gemeenlijk, van zijn zijde, de gewone argumenten aan, waarmede het niet noodig is den lezer lastig te vallen. Maar hij had weinig te zeggen, wanneer de Kolonel hem drong, om de strijdkrachten, waarmede ze ondernomen hadden het Bewind omver te werpen, met die te vergelijken, welke thans in allerijl bijeengebracht werden, om het staande te houden. Hierop had Waverley slechts éen antwoord: „Zoo de zaak, die ik mede omhelsd heb, gevaarlijk is, zou het te schandelijker zijn, mij er aan te onttrekken.” En op zijn beurt bracht hij doorgaans den Kolonel tot zwijgen, terwijl hij er in slaagde om het gesprek een andere wending te geven.

Op zekeren avond, dat de vrienden, na lang met elkander te hebben geredetwist, afscheid van elkaâr hadden genomen, en onze held zich te bed had begeven, werd hij omstreeks middernacht door een onderdrukten zucht gewekt. Hij richtte zich spoedig op en luisterde; het geluid kwam uit de kamer van kolonel Talbot, die van de zijne door een houten beschot gescheiden was, terwijl de gemeenschap door een deur werd onderhouden. Waverley trad op deze deur toe, en hoorde duidelijk herhaaldelijk een diep zuchten. Wat was er te doen? De Kolonel had hem oogenschijnlijk in zijn gewonen gemoedstoestand verlaten. Hij moest, plotseling niet wél geworden zijn. Met deze gedachte, opende hij zeer zachtjes de deur, en zag hij den Kolonel, in zijn nachtgewaad, aan een tafel zitten, waarop een brief en een portret lagen. Hij hief haastig het hoofd op, terwijl Eduard nog besluiteloos stond, of hij naderen dan wel terug zou treden, en Waverley zag de sporen van tranen op zijn gelaat.

Alsof hij zich schaamde verrast te worden in zulk een gemoedsaandoening, stond de Kolonel blijkbaar vertoornd op. „Ik dacht, mijnheer Waverley, dat mijn eigene kamer, zoo wel als dit uur, zelfs een gevangene zouden bewaard hebben voor –”

„Zeg niet voor indringing, kolonel Talbot; ik hoorde u zwaar zuchten, en vreesde dat ge niet wél waart; alleen om die reden waagde ik het hier binnen te treden.”

„Ik ben wél,” zei de Kolonel, „volmaakt wel.”

„Maar u drukt een of ander leed,” zeide Eduard, „kan er ook iets gedaan worden om het te verzachten?”

„Niets, mijnheer Waverley; ik dacht slechts aan huis en aan eenige onaangename voorvallen aldaar.”

„O God, mijn oom!” riep Waverley uit.

„Neen, het is een verdriet, dat alleen mijzelven betreft; ik schaam mij dat gij getuige waart hoe het mij ter nedersloeg; maar het moet nu en dan zijn loop hebben, om verder dragelijk te zijn. Ik had het voor u geheim willen houden; want ik vrees dat het u bedroeven zal, en toch kunt ge nu geen troost aanbrengen. Maar ge hebt mij verrast – ik zie, dat ge zelf verrast zijt, en ik ben een vijand van geheimen: lees dezen brief,”

De brief was van des Kolonels zuster, en luidde dus:

„Ik ontving den uwen, beste broeder, door Hodges. Sir E. W. en de heer R. zijn nog op vrije voeten, maar mogen Londen niet verlaten. Ik [278]wenschte hartelijk, dat ik u even gunstige tijding omtrent de zaken te huis kon mededeelen. Maar het nieuws van het ongelukkige gevecht te Preston kwam tot ons met het vreeselijk bericht er bij, dat gij onder de gesneuvelden waart. Gij weet hoe zwak de gezondheid van Lady Emilia was, toen uwe vriendschap voor Sir E. u bewoog haar te verlaten. Zij was geweldig verontrust toen zij de treurige berichten ontving dat de opstand in Schotland was uitgebarsten; maar zij hield zich moedig, gelijk, zeide zij, uw vrouw betaamde, om den toekomstigen erfgenaam voor u in het leven te bewaren, waarop zoo lang en te vergeefs is gehoopt. Helaas, waarde broeder, die uitzichten zijn nu verdwenen! In weerwil van al mijn voorzorgen, kwam deze ongelukkige tijding haar, zonder dat zij er op was voorbereid, ter oore. Zij werd terstond ongesteld, en het arme kind overleefde ter nauwernood zijn geboorte. Gave God, dat dit alles was! Maar schoon de wederlegging van het ijselijk gerucht, door uw eigen brief, haar krachten naar lichaam en geest in hooge mate heeft doen opleven, zoo is Dr. *, het smart mij dit te moeten zeggen, toch nog voor ernstige en zelfs gevaarlijke gevolgen beducht, voornamelijk wegens de onzekerheid, waarin Emilia noodzakelijk eenigen tijd moet verkeeren, en welke nog verzwaard wordt door de denkbeelden die zij zich gevormd heeft omtrent de wreedheid van den vijand, door wien gij gevangen gehouden wordt.”

„Wend dus alles wat in uwe macht is aan, waarde broeder, en tracht zoodra gij dezen ontvangt, uw vrijheid te erlangen, hetzij op uw woord, tegen losgeld, of langs elken maar mogelijken weg. Ik overdrijf den staat van Emilia’s gezondheid niet, maar ik mag, – ik durf de waarheid niet verzwijgen. Voor altijd, waarde Filips, uw u hartelijk toegenegen zuster,

Lucie Talbot.”

Eduard verstomde van smart, toen hij dezen brief gelezen had; want de gevolgtrekking liet zich niet wegcijferen, dat de door den Kolonel ondernomen reis, om hem te zoeken, hem deze zware ramp had berokkend. Dit ongeluk was, zelfs wat het onherstelbare gedeelte daarvan betrof, nog erg genoeg; want kolonel Talbot en Lady Emilia, die lang zonder kinderen gebleven waren, hadden zich niet weinig verheugd in het vooruitzicht, dat nu geheel vervlogen was. Maar deze teleurstelling was niets bij de uitgebreidheid van de dreigende ramp; en Eduard liep een rilling door de leden, daar hij zich als de oorzaak van beide beschouwde. Eer hij zijn gedachten tot spreken verzamelen kon, had de Kolonel reeds weder zijn gewone uiterlijke bedaardheid herwonnen, ofschoon zijn onrustige blik den inwendigen strijd maar al te zeer verried.

„Zij is een vrouw, mijn jonge vriend, over wie een krijgsman zich niet behoeft te schamen een traan te storten.” Hij reikte hem het portretje over, waarop gelaatstrekken te zien waren, welke zijn lofspraak ten volle billijkten; „en echter weet God, dat hetgeen gij daar van haar ziet, het minste is van de bekoorlijkheden, die zij bezit – bezat, moest ik misschien zeggen – maar Gods wil geschiede!”

„Gij moet vliegen – gij moet oogenblikkelijk vliegen, om haar op te beuren. Het is niet – het zal niet te laat zijn.”

„Vliegen? Hoe is dat mogelijk? Ik ben krijgsgevangen, – door mijn woord van eer gebonden.” [279]

„Ik ben het, die u gevangen houd – ik geef u uw woord terug – Ik ben voor u verantwoordelijk.”

„Dit kunt ge niet aanraden, zonder uw plicht te schenden; ook kan ik mijn vrijheid niet van u aannemen, zonder mijn eigene eer te schenden – gij zoudt er voor verantwoordelijk worden gesteld.”

„Ik zal het met mijn hoofd verantwoorden, als het noodig is. Ik ben de ongelukkige oorzaak geweest van het verlies van uw kind; maak mij niet tot den moordenaar uwer vrouw.”

„Neen, beste Eduard,” zeide Talbot, terwijl hij hem vriendelijk bij de hand vatte, „gij zijt in geenen deele te beschuldigen; en zoo ik deze huiselijke ramp twee dagen voor u verborgen hield, was het alleen opdat uw teergevoeligheid ze niet in dat licht zou beschouwen. Gij kondt aan mij niet denken, ja nauwelijks kennis van mijn bestaan dragen, toen ik Engeland verliet om u te zoeken. Het is een verantwoordelijkheid, de Hemel weet het, zwaar genoeg voor arme stervelingen, dat wij rekenschap moeten geven van het vooruitgeziene en rechtstreeksche gevolg onzer daden; voor de middelijke en zijdelingsche uitwerkselen er van heeft het groote en algoede Wezen, dat alleen het onderling verband der menschelijke zaken kan doorzien, zijn brooze schepselen niet aansprakelijk gesteld.”

„Maar dat ge Lady Emilia, in den belangwekkendsten toestand voor een echtgenoot, hebt verlaten, om te zoeken naar een –”

„Ik deed slechts mijn plicht, voel geen berouw, en mag het ook niet gevoelen. Indien het pad van dankbaarheid en eer altijd effen en gemakkelijk was, zou er weinig verdienste in bestaan het te volgen, maar het ligt dikwijls in een richting, die geheel met ons belang en onze neigingen en ook soms met onze edeler aandoeningen in strijd is. Deze zijn de beproevingen des levens, en de tegenwoordige, schoon niet de minst drukkende,” (de tranen kwamen ongeroepen in zijn oog) „is de eerste niet, welke het mijn lot was te ondergaan. – Maar morgen zullen wij hierover spreken,” terwijl hij Waverleys hand drukte, „goeden nacht – tracht dit alles eenige weinige uren te vergeten – het zal, denk ik, te zes ure dag zijn, en het is nu over tweeën – goeden nacht!”

Eduard ging heen, zonder de kracht te hebben hem te antwoorden.