[Inhoud]

ZEVEN-EN-TWINTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN REIS NAAR LONDEN.

Het gezin te Fasthwaite was spoedig aan Eduard gehecht. Hij bezat inderdaad die minzaamheid en beleefdheid, welke bijna algemeen wederkeerige genegenheid uitlokken, en bij deze eenvoudige lieden boezemde zijn kunde ontzag in, en wekte zijn lijden belangstelling op. Zijn neêrslachtigheid schreef hij, om in geen nadere verklaring te komen, aan het verlies van een broeder toe, die in de schermutseling bij Clifton gesneuveld was; en onder deze goede menschen, die heel ouderwetsch waren en veel hechtten aan familie-banden, verwekte zijn aanhoudende droefgeestigheid medelijden, maar geen verbazing.

Op het laatst van Januari werd zijn gewone levendigheid weder opgewekt door de gelukkige vereeniging van Eduard Williams, den zoon van zijn waard, met Cecilia Jopson. Onze held wilde over het huwelijksfeest van twee personen, aan wie hij zoo veel verplichting had, door geen treurigheid van zijn zijde een schaduw werpen. Hij spande zich derhalve in, danste, zong, speelde allerlei spellen mede, en was de vroolijkste van het gezelschap. Maar den volgenden morgen had hij ernstiger zaken om aan te denken.

De predikant, die het jonge paar getrouwd had, was zoo ingenomen met den zoogenaamden student in de godgeleerdheid, dat hij den volgenden dag van Penrith kwam, om hem een bezoek te brengen. Onze held zou zich in een tamelijk moeielijke positie bevonden hebben, indien de predikant de diepte van zijn vooronderstelde kennis had willen peilen; maar gelukkig hield hij er meer van om het nieuws van den dag te hooren en te vertellen. Hij bracht twee of drie oude dagbladen mede, in een van welke Waverley een bericht aantrof, dat hem spoedig doof maakte voor ieder woord, hetwelk de eerwaarde heer Twigtythe mocht in te brengen hebben omtrent de tijdingen uit het noorden, en het vooruitzicht dat de Hertog de rebellen wel spoedig zou inhalen en tot den laatsten man uitroeien. Het was een artikel in deze, of nagenoeg in deze woorden:

„Den tienden dezer overleed te zijnen huize, in Hillstreet, Berkeley-Square, [304]de heer Richard Waverley, tweede zoon van sir Giles Waverley van Waverley-Honour enz. enz. Hij stierf aan een kwijnende ziekte, verergerd door het onaangename bewustzijn van verdacht te worden, waarin hij zich bevond, daar hij verplicht was geweest om borg te stellen voor een groote som, als beschuldigd van hoogverraad. Een beschuldiging van dezelfde zware misdaad rust op zijn ouderen broeder, sir Everhard Waverley, het hoofd dier oude familie; en wij vernemen, dat hij voor de rechters zal gebracht worden in het begin van de volgende maand, tenzij Eduard Waverley, zoon van den overleden Richard, en erfgenaam van den baronet, zich in handen der justitie stelt. In dat geval, verzekert men ons, is het Zijner Majesteits goedgunstig voornemen, alle verdere vervolgingen tegen sir Everhard te staken. Het is gebleken, dat deze ongelukkige jonge edelman de wapens heeft opgevat in dienst van den Pretendent, en dat hij met de Hooglandsche troepen Engeland is binnengerukt. Men heeft niets van hem gehoord, sedert de schermutseling van den 18den December l. l.”

Dus luidde de paragraaf, die hem zoo geweldig trof. – „Goede God! ben ik dan de moordenaar van mijn vader? – Onmogelijk! Mijn vader, die nooit de genegenheid van een vader blijken liet, zoo lang hij leefde, kan niet zoo aangedaan zijn geweest door mijn vooronderstelden dood, dat het den zijne zou verhaast hebben; neen, ik kan dit niet gelooven, – het zou dwaasheid zijn slechts éen oogenblik zulk een verschrikkelijk denkbeeld te voeden. Maar het zou zelfs erger zijn dan vadermoord, te dulden, dat een of ander gevaar mijn braven en edelmoedigen oom zou bedreigen, die altijd meer dan een vader voor mij geweest is, als zulk een ramp door een offer van mijn kant af te wenden is!”

Terwijl deze gedachten, als bliksemschichten Waverleys brein doorkliefden, werd de waardige geestelijke, in een uitvoerig verhaal van den slag van Falkirk gestuit door de doodelijke bleekheid van zijn gelaat, en vroeg hem, of hij zich niet wél bevond? Gelukkig kwam de bruid, met den blos der vreugde op het gelaat, het vertrek binnen. Vrouw Williams was geen van de slimste vrouwen; maar zij bezat een goed hart, en daar zij terstond begreep, dat Eduard geschokt was door onaangenaam nieuws in de papieren, kwam zij met zoo veel oordeel tusschenbeide, dat zij, zonder eenige achterdocht te wekken, des heeren Twigtythes oplettendheid afleidde, en hem bezig hield tot hij, kort daarop, afscheid nam. Waverley verklaarde terstond aan zijn vrienden, dat hij in de noodzakelijkheid was, om naar Londen te gaan, en wel zonder het minste uitstel.

Een oorzaak van uitstel deed zich echter op, waaraan Waverley weinig gewend was. Zijn beurs, ofschoon wél voorzien, toen hij eerst te Tully-Veolan kwam, had sedert dien tijd geen versterking ontvangen; en hoewel zijn latere leefwijze niet van den aard was, om ze spoedig uit te putten – hij had zich toch voornamelijk bij zijn vrienden en bij het leger opgehouden – zoo bevond hij toch, dat hij, na met zijn huiswaard te hebben afgerekend, te arm zou zijn, om de kosten van een reis met postpaarden te bestrijden. Het scheen dus beter te zijn, zich naar den noordelijken landweg over Boroughbridge te begeven, en daar plaats te nemen op den Noorderpostwagen, een lompe ouderwetsche kast, met drie paarden, die de reis van Edinburgh naar Londen („zoo God wil,” zegt de advertentie) in drie weken volbrengt. Onze held nam derhalve [305]een minzaam afscheid van zijn Cumberlandsche vrienden, wier goedheid hij beloofde nimmer te zullen vergeten, en stilzwijgend hoopte te eeniger tijd door wezenlijke blijken van dankbaarheid te erkennen. Na enkele geringe bezwaren en eenig lastig oponthoud, en na zijn kleeding in een staat te hebben gebracht, meer overeenkomstig zijn rang, ofschoon uiterst eenvoudig en bescheiden, volbracht hij zijn tocht langs de landwegen, en bevond zich in den postwagen, tegenover mevrouw Nosebag, de vrouw van den luitenant Nosebag, adjudant van de **sche dragonders, een ongegeneerd vrouwtje van ongeveer vijftig jaar, die een blauw met rood afgezet kleed en een met zilver beslagen karwats droeg.

Deze dame was een dier werkzame leden der maatschappij, die op zich nemen à faire les frais de la conversation. Zij was juist uit het noorden terug gekomen, en berichtte Eduard, hoe weinig het gescheeld had, of haar regiment had het rokkenvolk, te Falkirk, in de pan gehakt; „dit werd alleen belet,” zeide zij, „door zoo’n akelige moeras, waar men in Schotland nooit buiten kan, geloof ik, en daardoor leed ons arm regiment ietwat, gelijk Nosebag zegt, in dit nietsbeteekenend gevecht. Gij, mijnheer, hebt gij bij de dragonders gediend?” Waverley was zoo onverwacht overvallen, dat hij dit bevestigde. „O, ik wist het meteen; ik zag aan uw houding, dat gij militair zijt, en ik was verzekerd dat gij niet tot de zandhazen behoordet, zooals Nosebag ze noemt. Van welk regiment, als ik u vragen mag?” Dit was een onaangename vraag. Waverley maakte er echter te recht het besluit uit op, dat deze goede dame de geheele ranglijst van buiten kende: en, om ontdekking te ontgaan, door zich dicht bij de waarheid te houden, antwoordde hij: „Gardiners dragonders, mevrouw, maar ik heb eenigen tijd geleden de dienst verlaten.”

„O, die dragonders, die de voorsten waren bij den terugtocht van Preston, zooals mijn Nosebag zegt. Wat zegt gij, mijnheer, waart gij daarbij?”

„Ik had het ongeluk, mevrouw,” antwoordde Eduard, „om getuige van dat gevecht te zijn.”

„En het was een ongeluk, dat weinige van Gardiners dragonders stand hielden om er getuigen van te zijn, geloof ik, mijnheer – ha! ha! ha! Ik vraag verschooning; maar een soldatenvrouw houdt van een grap.”

„De duivel hale u!” dacht Waverley, „welk een helsch toeval heeft mij, met deze nieuwsgierige heks opgesloten!”

Gelukkig bleef de goede dame niet lang bij één stuk stil. „Nu komen wij te Ferrybridge,” zeide zij, „waar een afdeeling van de onzen gelaten werd, om de deurwaarders en dienders en vrederechters en dat soort van wezens te ondersteunen, bij het onderzoeken der papieren, het tegenhouden der rebellen en wat dies meer zij.” Zij waren nauwelijks in de herberg, of zij sleepte Waverley naar het raam, met den uitroep: „Ginds komt korporaal Bridoon, van ons arm escadron; hij komt met den deurwaarder; Bridoon is een mijner lammeren, gelijk Nosebag ze noemt. Kom, mijnheer – A – a, – maar, hoe is uw naam, mijnheer?”

„Butler, mevrouw,” zeide Waverley, die besloot liever gebruik te maken van den naam eens voormaligen mede-officiers, dan gevaar te loopen van ontdekt te worden, door het opgeven van een anderen, die niet in het regiment gevonden werd.

„O ja, gij hebt onlangs een escadron gekregen, toen die gemeene kerel Waverley naar de rebellen overliep. Heer! ik wenschte wel dat onze oude plaag, kapitein Cramp, tot de rebellen overliep, dan zou Nosebag het [306]escadron krijgen. – Maar! waarom staat Bridoon daar op de brug te slenteren? Ik wil mij laten hangen, als hij niet „buiten westen is,” gelijk Nosebag zegt. Kom, mijnheer, daar gij en ik tot de dienst behooren, zullen wij den rekel tot zijn plicht brengen.”

Waverley zag zich, met gewaarwordingen, die zich gemakkelijker laten begrijpen dan beschrijven, verplicht zijn manhaftige vrouwelijke bevelhebber te volgen. De dappere korporaal geleek zoo veel naar een lam, als een dronken korporaal van de dragonders, van omtrent zes voet hoog, met zeer breede schouders en zeer dunne beenen, om niet te spreken van een houw dwars over het gezicht, bij mogelijkheid daarop kon gelijken. Mevrouw Nosebag begon het gesprek, zoo al niet met een vloek, dan ten minste met eenige woorden, die er vrij wat naar geleken, terwijl zij hem beval zijn plicht te doen. „Loop jij maar naar de verd.…” begon de moedige ruiter; en sloeg de oogen op om meer kracht te voegen aan het woord dat hij er op meende te laten volgen, en verder een bijvoeglijknaamwoord te zoeken dat hij zou kunnen toepassen op de persoon die hij aansprak, maar zoodra hij de spreekster herkend had, salueerde hij eerbiedig en veranderde van toon. – „God zegene uw schoon gezicht, mevrouw Nosebag, is u dat? Wel, als een arme drommel bij ongeluk eens ’s morgens een klein tikje weg kreeg, zijt gij er toch nooit de vrouw naar om hem in het ongeluk te helpen.”

„Kom, kom, deugniet, doe uw plicht; deze heer en ik behooren tot den dienst; maar zie terdeeg naar dien schuwen vogel met den grooten hoed, die in den hoek van den wagen zit. Ik geloof dat het een verkleede rebel is.”

„De drommel hale haar stekelige pruik,” gromde de korporaal, toen zij hem niet meer hooren kon. „Die grijze feeks van een moeder-adjudant, zoo als wij haar noemen, is een grooter plaag voor het regiment, dan de provoost-geweldige en de Sergeant-Majoor, en de oude Kolonel, op den koop toe. Kom, mijnheer de diender, laat ons zien of die schuwe vogel, zoo als zij hem noemt, (die, in het voorbijgaan gezegd, een kwaker van Leeds was, met wien mevrouw Nosebag een kleinen twist had gehad over het geoorloofde van de wapens te dragen) een slok voor ons over heeft; want die Yorkshire ale ligt me koud in de maag.”

De levendigheid dezer goede vrouw had Eduard hier uit de verlegenheid geholpen, maar daarentegen was zij meer dan eens op het punt hem andere lasten op den hals te halen. In elke stad waar zij ophielden, wenschte zij het corps de garde te zien, zoo er een was, en eens scheelde het maar weinig, of zij had hem bij een werf-officier van zijn eigen regiment gebracht. Daarenboven gaf zij hem den naam van Kapitein en van Butler zoo druk, dat hij bijna razend werd van verdriet en angst; en nooit was hij blijder bij het einde van een reis, dan toen de aankomst van den postwagen te Londen hem van de oplettendheden van mevrouw Nosebag bevrijdde. [307]