Met het aanbreken van den dag maakte de oude Janet allerhande rumoer in huis, om den Baron, die doorgaans zeer vast en zwaar sliep, te wekken.
„Ik moet naar mijn hol terug,” zeide hij tot Waverley: „wilt gij met mij gaan naar beneden in het dal?”
Zij gingen te zamen naar buiten, en volgden een smal voetpad, dat door hengelaars of houthakkers, in het kreupelhout, ter zijde van den stroom gebaand was. Onderweg verklaarde de Baron aan Waverley, dat hij geen gevaar te vreezen had, indien hij een dag of wat op Tully-Veolan bleef, al zag men hem daar zelfs rond wandelen, indien hij maar de voorzichtigheid gebruikte van voor te geven, dat hij naar het landgoed kwam, als agent of zaakwaarnemer van een Engelschen heer, die voornemens was het te koopen. Met dit inzicht spoorde hij hem aan, den rentmeester een bezoek te brengen, die nog op het huis, klein Veolan geheeten, omtrent een kwartier van het slot, woonde, ofschoon hij het binnen kort verlaten moest. Stanleys paspoort zou een voldoend antwoord zijn voor den officier, die de militairen kommandeerde; en wat dezen of genen van het landvolk, die Waverley herkennen mocht betrof, zoo verzekerde hem de Baron, dat er niet het minste gevaar bestond, dat hij door hen zou worden verraden.
„Ik geloof zeker, dat de helft van het volk op de baronie,” zei de oude man, „weet, dat hun oude heer hier ergens in den omtrek is; want naar ik merk, dulden zij niet zelfs dat een kind hier heen komt om vogelnestjes te zoeken, iets dat ik, toen ik in het volle bezit van mijn macht als Baron was, niet in staat was geheel en al te beletten. Ja, dikwijls vind ik het een en ander op mijn weg, dat de arme schepsels, God zegene hen! daar neêrleggen, omdat zij begrijpen, dat het mij van dienst zou kunnen zijn. Ik hoop dat zij een wijzer en niet minder goeden meester zullen krijgen, dan ik.”
Een onwillekeurige zucht besloot dit gezegde; maar er lag in de kalme gelijkmoedigheid, waarmede de Baron zijn rampen verduurde, iets eerbiedwekkends, ja zelfs verhevens. Men hoorde geen vruchteloos klagen, [325]noch luidruchtige treurigheid; hij droeg zijn lot en de daarmede verbonden bezwaren met een opgeruimde ofschoon ernstige berusting, en veroorloofde zich nooit eenigen hevigen uitval tegen de bovendrijvende partij.
„Ik heb gedaan wat ik als mijn plicht beschouwde,” zeide de goede oude man, „en buiten twijfel doen zij, wat zij voor den hunne houden. Het doet mij somtijds wel zeer, op deze zwartgebrande muren van het huis mijner voorouders te staren; maar men weet dat officieren de hand van den soldaat niet altijd in bedwang kunnen houden, en roof en plundering tegengaan. Zelfs Gustaaf Adolf, zooals gij lezen kunt in Kolonel Munro’s Tocht met het brave Schotsche regiment, „Mackay’s regiment” genoemd, stond soms de plundering toe. Ik heb zelf inderdaad elders even treurige tooneelen van verwoesting gezien, als Tully-Veolan nu oplevert, toen ik onder den maarschalk hertog van Berwick diende. Voorwaar, wij mogen met Virgilius Maro zeggen, Fuimus Troës1 – en ziedaar het einde van een oud liedje. Maar huizen en families en mannen hebben lang genoeg bestaan, wanneer ze staan tot zij met eere vallen; en nu heb ik een huis gekregen, dat niet kwalijk gelijkt naar een domus ultima.”2 – zij waren nu tot den voet eener steile rots genaderd – „Wij, arme Jacobieten,” dus ging de Baron voort, terwijl hij de oogen opsloeg, „wij zijn nu gelijk de konijnen in de H. Schrift, (die de groote reiziger Pococke „jerbous” noemt) een zwak ras, dat zijn nest in de rotsen maakt. En nu; vaarwel, mijn beste jongen, tot wij elkander van avond bij Janet ontmoeten; want ik moet maken dat ik in mijn Patmos kom, wat niet al te gemakkelijk werk is voor mijn oude stijve leden.”
Dit zeggende begon hij de rots op te klimmen, terwijl hij zich met de handen steunde, om van de eene gevaarlijke trede naar de andere te komen, tot hij omtrent halverwege was, waar twee of drie struiken den ingang bedekten van een hol, hetwelk geheel en al naar een oven geleek, waar de Baron eerst zijn hoofd en schouders, en vervolgens, ofschoon vrij langzaam, het overige van zijn lichaam in bracht, terwijl de beenen en voeten het laatst verdwenen – gelijk aan een groote slang, die haar schuilplaats binnenkruipt, of aan een langen stamboom, dien men met moeite in het enge loket, van een ouderwetschen secretaire wegbergt. Waverley had de nieuwsgierigheid om naar boven te klimmen, en naar hem in zijn spelonk te zien, gelijk deze schuilplaats wel mocht heeten. Over het geheel zag zij er wel eenigszins uit als dat vernuftig stukje speelgoed, dat men een haspel in een flesch noemt, en de bewondering der kinderen opwekt, (en van sommige volwassenen, ook van mijzelven bijvoorbeeld) die het geheim niet kunnen vatten, hoe het er in gekomen is, of hoe het er uit is te nemen. Het hol was zeer nauw en zoo laag dat hij er niet staan, en nauwelijks zitten kon, hoewel hij eindelijk na eenige vergeefsche pogingen daarin slaagde. Zijn eenig vermaak bestond in het lezen van zijn ouden vriend Titus Livius, tusschenbeide afgewisseld door op den zolder en de muren zijner vesting, die van zandsteen waren, met zijn mes Latijnsche spreuken en teksten uit de H. Schrift te snijden. Daar het hol droog en met zuiver stroo en gedroogd varenkruid gevuld was, „zoo vormde het,” naar hij zeide, terwijl hij deed alsof hij [326]zich er geheel op zijn gemak bevond, – wat wonderlijk afstak bij zijn werkelijken toestand, – „een zeer dragelijk leger voor een oud soldaat, behalve als de wind vlak uit het noorden blies.” Ook ontbrak het hem niet aan schildwachten, die op verkenning uitgingen, gelijk hij aanmerkte. Davie en zijn moeder lagen aanhoudend op den loer, om op alle gevaren te letten en ze af te wenden; en men stond verbaasd over de behendigheid, waarmede de instinctmatige gehechtheid van den armen onnoozele hem scheen te bezielen, als het de veiligheid van zijn heer gold.
Thans zocht Eduard een ontmoeting met Janet. Hij had haar, op het eerste gezicht, herkend als de oude vrouw, die hem gedurende zijn ziekte had opgepast, nadat hij uit de handen van Gilfillan verlost was. Ook de hut, hoewel een weinig opgeknapt en iets beter gemeubeld, was ongetwijfeld de plaats waar men hem had opgesloten. Hij herinnerde zich nu insgelijks op de Gemeenteweide van Tully-Veolan den stam van een grooten boom, „de minnaars-boom” genoemd, dien hij ontegenzeggelijk voor denzelfden hield, waarbij de Hooglanders, op dien merkwaardigen nacht, bijeen kwamen. Zijn verbeelding had den avond te voren dit alles reeds met elkander in verband gebracht; maar redenen, die de lezer waarschijnlijk wel zal kunnen gissen, beletten hem Janet in tegenwoordigheid van den Baron onder handen te nemen.
Thans vatte hij deze taak in goeden ernst op, en zijn eerste vraag luidde: „wie de jonge dame was, die de hut gedurende zijn ziekte bezocht had?” Janet zweeg eenigen tijd, en maakte vervolgens de opmerking, dat het geheimhouden der zaak thans niemand goed of kwaad zou doen.
„Het was een dame,” zeide zij, „die haars gelijke in de wereld niet heeft – Freule Rose Bradwardine.”
„Dan was Freule Rose Bradwardine waarschijnlijk ook de oorzaak van mijn bevrijding,” zeide Waverley, verrukt over de bevestiging van een denkbeeld, hetwelk de plaatselijke omstandigheden bij hem opgewekt hadden.
„Ik weet zeer goed, mijnheer Waverley, dat zij zelve het was; maar heel, heel boos en beleedigd zou zij geweest zijn, het arme schepsel, als zij had kunnen gissen, dat gij ooit een woord van de zaak zoudt weten; want zij gebood mij altijd Gaelsch te spreken, als gij er bij waart, om u in den waan te brengen, dat wij in de Hooglanden waren. Ik kan vrij wel met die taal terecht, want mijn moeder was een Hooglandsche.”
Nog eenige weinige vragen brachten het geheele geheim aan den dag van Waverleys bevrijding uit den staat van gevangenschap, waarin hij Cairnvreckan verliet. Nooit klonk eenige muziek zoeter in het oor eens kenners, dan de vreeselijke langdradigheid, waarmede de oude Janet iedere omstandigheid beschreef, Waverleys ooren verrukte. Maar daar de lezer niet verliefd is, moet ik zijn geduld ontzien, en trachten hetzelfde verhaal dat de oude Janet in een rede van bijna twee uren mededeelde, binnen een betamelijken omvang te beperken.
Toen Waverley aan Fergus den brief voorlas, dien hij, door Davie Gellatley, van Rose Bradwardine ontvangen had, en waarin hem bericht werd dat Tully-Veolan door een kleinen hoop soldaten bezet was, had deze omstandigheid den levendigen en werkzamen geest van het Opperhoofd getroffen. Daar hij verlangde de posten van den vijand te verontrusten en terug te drijven, alsmede het leggen eener bezetting zoo zeer in zijn eigene buurt wenschte te voorkomen, en hij te gelijk den Baron wilde verplichten, – want het denkbeeld van een huwelijk met Rose [327]zweefde hem vaak voor den geest – besloot hij eenigen van zijn clan te zenden om de roodrokken te verjagen en Rose naar Glennaquoich over te brengen. Maar juist toen hij Evan met een kleine afdeeling bevel had gegeven tot deze onderneming, noodzaakte hem de tijding, dat Cope de Hooglanden was binnengerukt, ten einde de troepen van den Prins, alvorens deze zich verzamelden, te ontmoeten en te verstrooien, – zich met zijn geheele macht bij den standaard van Karel Eduard te voegen.
Voor dat Fergus vertrok, zond hij een bevel aan Donald Bean om zich bij hem te voegen; maar de sluwe vrijbuiter, die maar al te zeer de waarde van een afzonderlijk kommando kende, zond, in plaats van hem te gehoorzamen, eenige verontschuldiging, waarmede Fergus in den nood van het oogenblik, verplicht was genoegen te nemen, hetgeen hij evenwel niet deed zonder het heimelijk besluit, om, te gelegener tijd en plaats, wraak te nemen over dit uitstel. Daar hij echter aan de zaak niets veranderen kon, zond hij bevel aan Donald, om naar de Laaglanden af te zakken, de soldaten van Tully-Veolan te verdrijven, de woning van den Baron te ontzien, zich ergens in de nabijheid, tot bescherming van diens dochter en familie, te vestigen, en eindelijk om de detachementen gewapende vrijwilligers en soldaten, die hij in de buurt mocht ontmoeten, te verontrusten en te verjagen.
Daar deze last zeer onbepaald was, nam Donald zich voor dien op de voordeeligste wijze voor zichzelven uit te leggen, en daar hij niet meer in bedwang gehouden werd door de nabijheid van Fergus, dewijl hij, daarenboven uit hoofde van vroegere geheime diensten eenigen invloed in den raad des Prinsen bezat, besloot hij het ijzer te smeden, terwijl het heet was. Het kostte hem dan niet veel moeite, de krijgslieden van Tully-Veolan te verjagen; maar hoewel hij het niet waagde, eenigen inbreuk te maken op de rust van het gezin, noch Freule Rose lastig te vallen, daar hij er niet op gesteld was, zich een machtigen en onverzoenbaren vijand in des Prinsen leger te maken, en hij maar al te goed wist, hoe zwaar de wraak des Barons treffen kon, begon hij met het heffen van schatting en afpersingen op het landvolk, in éen woord, met den oorlog voor zijn bijzonder voordeel te voeren.
Intusschen zette hij de witte kokarde op, en maakte zijn opwachting bij Rose, terwijl hij een grooten eerbied aan den dag legde voor de dienst, waarin haar vader zich had begeven, en een aantal verschooningen vroeg voor de vrijheden, die hij, tot onderhoud van zijn volk, zich noodwendig moest veroorloven. Juist op dit oogenblik vernam Rose, door de nooit tot zwijgen gebrachte faam, die gewoonlijk op overdrijving belust is, dat Waverley den smid te Cairnvreckan, terwijl deze hem trachtte gevangen te nemen, had gedood, dat hij vervolgens door majoor Melville van Cairnvreckan in een gevangenis geworpen was, en binnen drie dagen door een vonnis van de militaire rechtbank zou ter dood gebracht worden. Gedreven door den wanhopigen angst, welken deze tijdingen te weeg gebracht hadden, sloeg zij Donald Bean voor, den gevangene te ontzetten. Dit was juist de soort van dienst, waarnaar hij verlangde, in de overtuiging dat hij dien als van zooveel gewicht, zou kunnen doen gelden, dat men daarom al de onbeschoftheden, waaraan hij zich, in de landstreek, mocht hebben schuldig gemaakt, in het vergeetboek stellen zou. Hij was echter zoo slim, om, terwijl hij gedurig van zijn plicht en ambt sprak, zoo lang de toeven, tot de arme Rose door smart en verlegenheid tot het uiterste [328]gebracht, besloot hem tot de onderneming over te halen, door middel van eenige kostbare juweelen, die aan haar moeder hadden toebehoord.
Donald Bean, die in Fransche dienst was geweest, kende de waarde dezer sieraden, of berekende ze misschien zelfs te hoog. Maar aan den anderen kant bespeurde hij hoe Rose bevreesd was voor de ontdekking, dat zij hare juweelen voor de bevrijding van Waverley had gegeven. Nadat hij besloten had, dat zijn buit hem door dit bezwaar niet ontgaan zou, bood hij vrijwillig aan een eed te doen, om nooit van Freule Roses aandeel aan de zaak een woord te reppen; en, daar hij er voordeel in zag den eed te houden, en geen zweem van uitzicht op winst wanneer hij dien brak, nam hij de verbindtenis op zich – om, gelijk hij aan zijn luitenant zeide, eerlijk met de jonge dame te werk te gaan, – onder dien eenigen vorm, welken hij, volgens een stilzwijgende overeenkomst met zichzelven, voor verbindend hield – namelijk door stilzwijgendheid op zijn ontblooten dolk te zweren. Hij werd te meer tot deze daad van goede trouw bewogen, door eenige beleefdheden, welke Freule Bradwardine aan zijn dochter Alice had bewezen, en die, terwijl zij het hart van het bergmeisje wonnen, den trots van haar vader niet weinig streelden. Alice, die thans een weinig Engelsch spreken kon, was, ter vergelding van Roses vriendelijkheid, zeer openhartig, en vertrouwde haar al de papieren, die de kuiperijen met Gardiners regiment betroffen, en door haar in bewaring genomen waren, toe, terwijl zij op Roses aansporing, even gereedelijk besloot, ze, buiten haar vaders weten, Waverley in handen te spelen. „Want zij kunnen de goede Freule en den knappen jongen heer misschien plezier doen,” dacht Alice, „en wat heeft mijn vader aan eenige vellen bekrabbeld papier?”
De lezer weet, dat zij gelegenheid vond om haar voornemen, des avonds voor dat Waverley het dal verliet, ten uitvoer te brengen. Hoe Donald zijn onderneming volvoerde, is hem evenzeer bekend.
Maar de verdrijving der soldaten van Tully-Veolan had opzien gebaard en terwijl Donald op den loer lag tegen Gilfillan, werd een sterke afdeeling, die Bean Lean wel uit het hoofd zou laten te bestrijden, uitgezonden, om de opstandelingen op hun beurt terug te drijven, zich daar neêr te slaan en de landstreek te beschermen. De officier, een fatsoenlijk man en voorstander van tucht, drong zich even zoo min in bij Freule Bradwardine, wier verlaten toestand hij eerbiedigde, als hij zijn soldaten toestond de minste ongeregeldheid te plegen. Hij sloeg een klein kamp op, op een hoogte, dicht bij het huis van Tully-Veolan, en plaatste de noodige wachten bij al de verschillende bergengten in de nabijheid. Dit onaangenaam nieuws kwam ter ooren van Bean Lean, toen hij naar Tully-Veolan terug keerde. Maar, dewijl hij het loon van zijn arbeid ongaarne wilde missen, besloot hij, daar de toegang tot Tully-Veolan onmogelijk was, zijn gevangene in Janets hut te brengen, waarvan het bestaan zelfs ter nauwernood vermoed kon worden door hen, die lang in de nabuurschap gewoond hadden, als ze niet opzettelijk daarheen werden gebracht, en welke plaats Waverley zelven volkomen onbekend was. Na dit volbracht te hebben, vorderde en verkreeg hij zijn belooning. Waverleys ongesteldheid was iets dat al hun berekeningen deed falen, en Donald was genoodzaakt, met zijn bende, de buurt te verlaten, en elders een ruimer tooneel voor zijn avonturen te zoeken. Op Roses dringende bede liet hij een oud man achter, een kruidlezer, die verondersteld [329]werd iets van de geneeskunst te verstaan, en die zich belastte met Waverley, gedurende diens ziekte.
Intusschen werd het hart der arme Rose weldra door duizend nieuwe folteringen gekweld. Zij vernam van de oude Janet, dat er een prijs op het hoofd van Waverley gesteld was, en daar hetgeen hijzelf bij zich had zoo veel waarde bezat, was er geen zeggen van of Donald wel aan de verzoeking zou kunnen weêrstand bieden. Geslingerd door vrees en smart, nam Rose het stoute besluit, om den Prins zelven het gevaar te ontdekken, waaraan Waverley was bloot gesteld, overtuigd dat Karel Eduard, niet minder als staatsman, dan als man van eer en menschelijkheid, er belang in zou stellen, om te voorkomen, dat hij in handen der vijandelijke partij viel. Eerst meende zij dezen brief naamloos te zenden; maar natuurlijk vreesde zij, dat hij er in dat geval geen acht op zou slaan. Zij zette er dus haar naam onder, hoewel met tegenzin en vrees, en vertrouwde dien aan een jong man toe, die, terwijl bij zijn boerderij ging verlaten, om zich bij het leger van den Prins te voegen, haar om de een of ander soort van geloofsbrief verzocht voor den avonturier, van wien hij een officiersplaats hoopte te verkrijgen.
De brief kwam Karel Eduard in handen, juist toen hij naar de Laaglanden afzakte, en daar hem het staatkundig belang maar al te zeer bekend was, dat er voor hem in de veronderstelling gelegen was, dat hij in verbindtenis stond met de Engelsche Jacobieten, deed hij aan Donald Bean Lean de stelligste bevelen overbrengen, om Waverley veilig en ongeschonden, zoowel in persoon als wat zijn goed betrof, bij den gouverneur van Doune-Castle te bezorgen. De vrijbuiter durfde niet ongehoorzaam zijn, want het leger van den Prins was nu zoo dicht in de buurt, dat de straf dadelijk op het verraad zou hebben kunnen volgen. Daarenboven was Donald een staatkundige, zoo wel als een roover, en niet geneigd om de gunst, welke zijn vroegere geheime diensten hem verworven hadden, bij deze gelegenheid door weerspannigheid te verspelen. Hij maakte dus uit den nood een deugd, en gaf bevel aan zijn luitenant, om Waverley naar Doune te geleiden, hetwelk op de, in een vorig hoofdstuk vermelde wijze, veilig werd volbracht. De gouverneur van Doune had order hem, als krijgsgevangen, naar Edinburgh op te zenden, daar de Prins vreesde, dat, indien Waverley in vrijheid gesteld was, hij zijn voornemen weder opvatten mocht, om naar Engeland te gaan, zonder hem gelegenheid te hebben gegeven tot een persoonlijke ontmoeting. Hier handelde hij, eigenlijk, volgens den raad van het Opperhoofd van Glennaquoich, met wien, gelijk men zich herinneren zal, de Prins zich onderhield over de wijze, waarop met Eduard moest gehandeld worden, maar zonder dezen te zeggen, hoe hem de plaats zijner opsluiting bekend was geworden.
Inderdaad beschouwde Karel Eduard den brief, dien hij over dit onderwerp ontvangen had, als een dames geheim, ofschoon Roses schrijven in de allervoorzichtigste en meest algemeene bewoordingen vervat was, en schijnbaar alleen in de pen gegeven werd door beweegredenen van menschelijkheid en ijver voor ’s Prinsen dienst. Evenwel drukte zij zulk een vurig verlangen uit, dat niemand hoegenaamd een woord er van vernemen mocht, dat zij zich met de zaak had ingelaten, dat de Prins daardoor op de gedachte kwam, van het groot belang dat zij in het behoud van Waverley stelde. Deze, overigens welgegronde, gissing verleidde hem [330]nogtans tot valsche gevolgtrekkingen. De aandoening, die Waverley op het bal van Holyrood, bij het naderen van Flora en Rose liet blijken, werd door den Prins op rekening gesteld van de gevoelens die Eduard voor de laatste koesterde; en bij zichzelven maakte hij het besluit op, dat het voornemen van den Baron aangaande de beschikkingen over zijn landgoed, of eenig dergelijk bezwaar, hun onderlinge genegenheid dwarsboomde. Dikwijls, wel is waar, schonk het gerucht Waverley aan Freule Mac-Ivor; maar de Prins wist, dat het gerucht mild is in deze soort van giften, en terwijl hij het gedrag der beide dames jegens Waverley aandachtig gadesloeg, twijfelde hij niet, of de jonge Engelschman gevoelde volstrekt geen liefde voor Flora, terwijl hij door Rose Bradwardine bemind werd. Daar hij Waverley aan zijn dienst wenschte te verbinden, en niet minder verlangde een daad van welwillendheid en vriendschap te verrichten, nam de Prins bij den Baron de eerste de beste gelegenheid te baat, om hem over het doen overgaan van het landgoed op zijn dochter te onderhouden. De heer Bradwardine gaf zijn toestemming; maar het gevolg er van was, dat Fergus onmiddellijk besloot met zijn dubbel aanzoek, om een vrouw en een graafschap, voor den dag te komen, hetwelk door den Prins, zoo als wij gezien hebben, werd afgeslagen. De Prins, onophoudelijk met zijn eigene veelvuldige bezigheden bezet, had tot hiertoe nog geen onderhoud met Waverley over deze zaak gehad, ofschoon hij zich dikwijls voorgenomen had er over te spreken. Maar na het door Fergus betuigde verlangen, zag de Prins er de noodzakelijkheid van in, om tusschen de medeminnaars onzijdig te schijnen, in de stille hoop, dat de zaak, die zoo veel zaden van tweedracht in zich scheen te bevatten, zou kunnen blijven rusten tot na den afloop der onderneming. Maar toen, op den marsch naar Derby, de Prins aan Fergus de reden van zijn twist met Waverley gevraagd had, en het Opperhoofd als oorzaak bijbracht, dat Eduard gezind was, het aanzoek door dezen om de hand zijner zuster gedaan, in te trekken, zeide hem de Prins ronduit, dat hijzelf Freule Mac-Ivors gedrag ten opzichte van Waverley had gadegeslagen, en ten volle overtuigd was, dat er een misverstand bij Fergus heerschte in het beoordeelen van Waverleys handelwijze, die, gelijk hij alle reden had te gelooven, aan Freule Bradwardine gehecht was. De hieruit tusschen Eduard en het Opperhoofd der Mac-Ivors ontstane twist ligt, hoop ik, den lezer nog in het geheugen. – Deze omstandigheden zullen voldoende zijn, om zoodanige punten van ons verhaal toe te lichten, als wij, volgens de gewoonte van alle vertellers, gepast oordeelden vooreerst in het duister te laten, met het oogmerk om de nieuwsgierigheid van den lezer te prikkelen.
Toen Janet eenmaal de voornaamste door ons aangegeven feiten had verklaard, was Waverley gemakkelijk in staat, het kluwen, dat deze hem in handen stelde, ook voor andere geheimen van het doolhof, waarin hij verward was geweest, te gebruiken. Aan Rose Bradwardine was hij derhalve het leven verschuldigd, hetwelk hij nu meende gaarne in haar dienst te willen opofferen. Bij een weinig nadenken echter werd hij overtuigd, dat het gepaster en aangenamer was voor haar te leven, en dat, daar hij in het bezit van een onafhankelijke fortuin was, zij ze met hem zou kunnen deelen, hetzij in den vreemde, of in zijn eigen vaderland. Het genoegen van verzwagerd te zijn aan zulk een achtenswaardig man als de Baron, en van wien zijn oom sir Everard zoo veel [331]werk maakte, was ook een aangename gedachte, al had er anders nog iets ontbroken, om het huwelijk gewenscht te maken. De zonderlinge gewoonten van den man, die hem geweldig belachelijk waren voorgekomen gedurende zijn voorspoed, schenen bij den ondergang van zijn gelukszon in volkomen harmonie met de edele trekken van zijn karakter, en er het eigenaardige van te verhoogen, zonder daarom den lachlust op te wekken. Met dusdanige ontwerpen van toekomstig geluk vervuld, begaf Eduard zich naar klein Veolan, de woning van den heer Duncan Mackwheeble.