[Inhoud]

ZES-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

DULCE DOMUM.

Het gevoel van afgrijzen, waarmede Waverley Carlisle verliet, veranderde langzamerhand in een zachte droefgeestigheid, een overgang, verhaast door de pijnlijke, maar toch troostrijke taak die hij te vervullen had met aan Rose te schrijven. Hij kon het smartelijke gevoel niet verbergen, dat deze rampzalige gebeurtenis in hem opwekte; maar hij wenschte ze in zulk een licht te plaatsen, dat haar verbeelding, hoe zeer ze zelve er ook door getroffen mocht worden, er niet al te zeer door geschokt werd. Trapsgewijs gewende hij zich meer en meer aan het tafereel dat hij voor Rose had geschetst om haar gevoeligheid te sparen, en zijn volgende brieven werden opgeruimder, en zinspeelden op de vooruitzichten op hoop en geluk, die zich voor hen ontsluierden. Maar, ofschoon zijn eerste verschrikkelijke aandoeningen in zachte droefgeestigheid waren overgegaan, toch had Eduard zijn vaderland reeds bereikt, eer hij, zoo al bij vroegere gelegenheden, zijn blikken met vreugde kon laten weiden over de schoonheden der alles bezielende natuur.

Nu begon hij, voor het eerst sedert hij Edinburgh verlaten had, het genot te smaken, dat bijna door allen wordt ondervonden, die naar een welig, volkrijk en uitnemend bebouwd land terugkeeren, uit streken waar woestheid en eenzame en treurige grootheid met elkander om den voorrang dingen. Maar hoe zeer werden deze gewaarwordingen verhoogd, toen hij het grond-eigendom betrad, zoo lang door zijn voorvaderen bezeten – de oude eiken van Waverley-park herkende – zich voor den geest riep, met welk genoegen hij Rose naar al zijn lievelingsplekjes geleiden zou – eindelijk de torens van het grijze slot zich zag verheffen boven het geboomte, dat het omringde, en zich in de armen wierp van de dierbare bloedverwanten, aan wie hij zoo veel eerbied en liefde verschuldigd was.

Het geluk hunner ontmoeting werd door geen enkel woord van verwijt verstoord. Integendeel, hoe veel angst Sir Everard en Freule Rachel gedurende Waverleys gevaarlijken tocht met den jongen Prins uitgestaan hadden, stemde die toch te goed met de beginselen waarin ze waren opgevoed, om er hem een bestraffing, of zelfs eenige berisping over te doen hooren. Bovendien had kolonel Talbot den weg met groot beleid voor Waverley geëffend, door uit te weiden over zijn moedig gedrag als krijgsman, bijzonder over zijn dapperheid en edelmoedigheid te Preston; tot de verbeelding van den Baronet en zijn zuster, ontvlamd door het denkbeeld, dat hun neef man tegen man had gevochten met zulk een uitnemenden krijgsman als de Kolonel zelf, hem gevangen gemaakt en van den dood gered had, Eduards krijgsverrichtingen op een lijn stelden met die van Wilibert, Hildebrand en Nigel, de zoo hoog geroemde helden van hun geslacht.

Waverleys gestalte, gehard door oefening, en veredeld door het krijgsmansberoep, had een krachtiger en gespierder voorkomen verkregen, waardoor niet alleen het verhaal van den Kolonel bevestigd werd, maar [353]tegelijk al de bewoners van Waverley-Honour verrast en verrukt werden. Ze verdrongen zich om hem te zien, te hooren en zijn lof te vermelden. De heer Pembroke, die, gelijk men wel zal gelooven, in het geheim zijn verstand en moed verhief, wegens het omhelzen van het ware belang der kerk van Engeland, berispte echter zijn kweekeling vriendschappelijk, dat hij zoo achteloos met zijn handschriften te werk gegaan was, hetwelk hem, zoo als hij zeide, inderdaad eenige persoonlijke onaangenaamheden berokkend had; daar hij, toen de Baronet door een koningsbode was gevangen genomen, het voorzichtig had geoordeeld, een schuilplaats op te zoeken, die wegens het gebruik, dat er in vroeger dagen van gemaakt was, „Het priesterhol” geheeten werd. Onze geleerde verzekerde dat de keldermeester er slechts eenmaal daags met voedsel komen durfde; zoodat hij herhaalde keeren genoodzaakt was geweest zijn middagmaal met spijzen te doen, die, òf geheel koud, òf, hetgeen nog erger was, slechts half warm waren; gezwegen van de omstandigheid, dat zijn bed soms in geen twee dagen werd opgemaakt. Waverley dacht onwillekeurig aan de schuilplaats van den baron van Bradwardine, die wél te vreden was met Janets onthaal en eenige bossen stroo in een rotshol; maar hij maakte geen aanmerkingen over een tegenstelling, die zijn waardigen leermeester slechts smartelijk hadden kunnen aandoen.

Alles was nu in de weer met het maken van toebereidselen voor Eduards huwelijk, een gebeurtenis, die de goede Baronet en Freule Rachel beschouwden als een vernieuwing hunner eigene jeugd. Deze echtverbintenis was hun, gelijk kolonel Talbot reeds had te kennen gegeven, allerverkieslijkst voorgekomen, daar zij in alle opzichten, uitgezonderd wat het geld betrof, wenschelijk was, en zij zelven meer dan overvloedig met tijdelijke middelen gezegend waren. De heer Clippurse werd dus op Waverley-Honour ontboden, onder betere voorteekenen dan bij den aanvang van ons verhaal. Maar de heer Clippurse kwam niet alleen; want, daar hij nu in jaren gevorderd was, had hij zich verbonden met een neef, een jonger gier, gelijk onze hedendaagsche Juvenalis1 aan wien wij het verhaal van Swallow den procureur te danken hebben, hem wellicht genoemd zou hebben – en zij dreven thans hunne zaken onder de firma van Clippurse en Hookem. Deze brave mannen kregen bevel om de noodige huwelijksvoorwaarden op te stellen, en wel op zulk een milden en onbekrompen voet alsof Eduard de eenige erfgename van een pair, met hare vaderlijke erfgoederen aan haar hermelijnen mantel gehecht, zou trouwen.

Maar, alvorens een onderwerp te beginnen, welks langdradigheid spreekwoordelijk is geworden, moet ik den lezer herinneren aan een steen, door een ledigloopenden, speelzieken knaap een heuvel afgerold (een tijdkorting, waarmede ik zelf, in mijn jeugdige jaren, zeer goed vertrouwd was). De steen beweegt zich eerst langzaan, terwijl hij, door af te wijken, elk beletsel van eenig belang vermijdt; maar als hij zijn vollen loop heeft verkregen, en het einde van zijn loopbaan nadert, jaagt en dondert hij naar beneden, met ellenlange sprongen, bekommert zich om heggen en sloten evenmin als een Yorkshiresche jager, en bereikt zijn grootste snelheid, als hij op het punt is om voor eeuwig tot rust te komen. Evenzoo is de loop van een verhaal, gelijk [354]dat, hetwelk gij hier aantreft; de eerste gebeurtenissen zijn met zorg tot in de minste bijzonderheden beschreven, opdat gij, vriendelijke lezer, met het karakter van ieder persoon door zijn handelingen zoudt bekend worden, liever dan door het vervelender middel van rechtstreeksche beschrijving; maar nu de geschiedenis ten einde loopt, springen wij over al zulke omstandigheden heen, die, hoe belangrijk ook, reeds door uw verbeelding zijn vooruit gezien, en wij laten u al datgene veronderstellen, wat, indien wij het verhaalden, terecht zou worden beschouwd, alsof wij misbruik van uw geduld wenschten te maken.

Wij zijn er dus niet toe gestemd, om u al de vervelende werkzaamheden van de heeren Clippurse en Hookem, of die hunner ambtgenooten, door wie de zaak van Eduard Waverley en zijn aanstaanden schoonvader moest bepleit worden, breedvoerig te schilderen, integendeel, wij willen u alleen met meer uitlokkende onderwerpen kort bezig houden. De brieven, bij voorbeeld, die tusschen sir Everard en den Baron, bij deze gelegenheid, werden gewisseld, ofschoon in hun soort, voorbeeldelooze staaltjes van welsprekendheid, moeten wij aan de meêdoogenlooze vergetelheid prijs geven. Ook kan ik u niet uitvoerig vertellen, hoe de waardige tante Rachel, niet zonder een kiesche en teerhartige toespeling op het door Rose gebrachte offer, waardoor haar bruidsdiamanten in handen van Donald Bean Lean gekomen waren, haar juweelkistje van een stel voorzag, dat de afgunst eener hertogin zou hebben kunnen opwekken. Verder zal de lezer de goedheid gelieven te hebben, om zich te verbeelden, dat Job Houghton en zijn vrouw behoorlijk verzorgd werden; hoewel men hun nooit aan het verstand heeft kunnen brengen, dat hun zoon op een andere wijze gevallen was, dan vechtende aan de zijde van zijn jongen meester; zoo dat Alick, die, als een voorstander der waarheid, menige noodelooze poging had gedaan, om hun de ware omstandigheden te verklaren, ten laatste bevel kreeg, geen woord meer van de zaak te reppen. Hij stelde zich echter schadeloos, door allerhande verhalen van wanhopige gevechten, afgrijselijke schavotstraffen en spook- en moordgeschiedenissen, waardoor hij de verbazing van den geheelen bediendenkring opwekte.

Maar ofschoon deze gewichtige zaken zich, in een verhaal, spoedig laten vertellen, even als het verslag van een rechtsgeding in een nieuwsblad, zoo was echter, in weerwil van al den haast, dien Waverley maken kon, de tijd, door de rechterlijke behandeling gevorderd, gevoegd bij het oponthoud door de manier van reizen dier dagen oorzaak, dat er nog ruim twee maanden verliepen, eer Waverley, na Engeland verlaten te hebben, nog eens ten huize van den heer van Duchran afstapte, om de hand zijner verloofde bruid te vragen.

De dag van de voltrekking zijns huwelijks werd op den zesden na zijn aankomst bepaald. De baron van Bradwardine, bij wien huwen, doopen en begraven feesten waren van hooge en plechtige beteekenis, voelde eenigen spijt, dat, de familie van Duchran daaronder begrepen, benevens al de naaste buren, die aanspraak konden maken om bij zulk een gelegenheid tegenwoordig te zijn, er niet meer dan dertig personen konden bijeen gebracht worden. „Toen hij zelf trouwde,” zeide hij, „waren er drie honderd geboren edellieden te paard, benevens hun bedienden, en nog een veertigtal Hooglandsche edelen, die nooit te paard zitten, tegenwoordig.” [355]

Maar zijn trots vond eenigen troost in het denkbeeld, dat, daar hij en zijn schoonzoon zoo kort geleden onder de wapens waren geweest tegen het bewind, het stof tot gegronde vrees en aanstoot aan de bestaande overheid zou kunnen geven, wanneer de vrienden, nabestaanden en verbondenen hunner huizen, zich als in optocht tot den krijg hier verzamelden, gelijk anders het oude gebruik van Schotland bij dergelijke gelegenheden medebracht. – „En zonder twijfel,” dus besloot hij met een zucht, „een groot aantal van diegenen, die zich het meest op deze gewenschte bruiloft zouden hebben verheugd, zijn òf vertrokken naar betere gewesten, òf zwerven thans rond als ballingen buiten hun vaderland.”

Het huwelijk greep op den bepaalden dag plaats. De eerwaardige heer Rubrick, bloedverwant van den eigenaar der gastvrije woning, waar het gevierd werd, en kapelaan van den baron van Bradwardine, had het genoegen het jonge paar in te zegenen. Frans Stanley was bruigoms-jonker, daar hij zich, met dat oogmerk, bij Eduard gevoegd had, kort na diens aankomst te Duchran. Lady Emilia en kolonel Talbot waren voornemens geweest, de plechtigheid bij te wonen, doch, toen de tijd daar was, bleek het dat haar gezondheid haar niet veroorloofde zulk een verre reis te doen. Ter vergoeding daarvan werd er bepaald, dat Eduard Waverley en zijn echtgenoot, die, benevens den Baron, van plan waren terstond een bezoek op Waverley-Honour af te leggen, op hun tocht derwaarts eenige dagen zouden doorbrengen op een landgoed, dat kolonel Talbot, verlokt door den goedkoopen prijs, in Schotland had gekocht, en waar hij voornemens was eenigen tijd te verblijven.


1 Walter Scott doelt hier op den dichter Crabbe.