[Inhoud]

ACHT-EN-DERTIGSTE HOOFDSTUK.

EEN NASCHRIFT, DAT EEN VOORBERICHT HAD MOETEN ZIJN.

Onze reis is nu geëindigd, waarde lezer, en indien gij alle geduld onder het lezen der voorgaande bladzijden niet verloren hebt, is het contract van uw zijde volkomen nageleefd. Evenwel, op het voorbeeld van den koetsier, die het bedongen geld voor zijn rid heeft ontvangen, verlaat ik u nog niet, en blijf ik nog een oogenblik bij u, om met alle mogelijke bescheidenheid een aanval te doen op uw edelmoedigheid, ten einde nog iets boven het bedongene te erlangen. Nogtans staat het u even zoo vrij het boek van den schrijver, die u met dit verzoek aan boord komt, weg te werpen, als de deur voor den neus van den koetsier dicht te slaan.

Dit hoofdstuk had als voorbericht moeten dienen; maar om twee redenen heb ik besloten het deze plaats te doen innemen. Ten eerste: de meeste romanlezers, zoo als mijn eigen geweten mij zegt, zijn zeer geneigd zich aan het overslaan van een voorrede te bezondigen; ten andere, is het een algemeen gebruik bij deze klasse van lezers, om met het laatste hoofdstuk van een werk te beginnen; zoodat alles wel berekend, deze opmerkingen er juist te meer kans door loopen, om op de plaats waar zij behooren, gelezen te worden. [363]

Er is geen volk in Europa, dat in den loop van een halve eeuw, of iets minder, zulk een volslagene verandering heeft ondergaan als de Schotten. Onder de eerste oorzaken der veranderingen moeten de gevolgen van den opstand van 1745, de vernietiging van de patriarchale macht der clanhoofden en van het leenstelsel der Baronnen en des Laaglandschen adels gerekend worden; kortom, de geheele ondergang van de Jacobietische partij, die, daar zij zich niet met de Engelschen vereenigen, noch hun gebruiken wilde aannemen, er zich een geruimen tijd lang een punt van eer van maakte, de oude zeden en de Schotsche gebruiken te handhaven. De steeds toenemende rijkdom en de uitbreiding van den handel hebben er sedert toe medegewerkt, om de Schotten van onzen tijd evenzeer te doen verschillen van hun voorouders, als de hedendaagsche Engelschen geheel iets anders zijn dan zij, die onder koningin Elizabeth leefden. De gevolgen van al deze veranderingen, zoowel uit een staatkundig als uit een œconomisch oogpunt, zijn even talentvol als nauwkeurig door lord Selkirk beschreven; maar hoewel deze belangrijke omkeer vrij snel in zijn werk is gegaan, heeft die echter slechts trapsgewijze kunnen plaats grijpen, en even als zij, die met den loop van een diepen en rustigen stroom medegaan, bemerken wij de door ons gemaakte vorderingen niet, voordat wij onze oogen geslagen hebben op het reeds verwijderde punt, waarvan wij zijn uitgegaan. Diegenen onder onze tijdgenooten, die zich de laatste twintig of vijfentwintig jaren der achttiende eeuw kunnen herinneren, zullen de waarheid dezer bewering toestemmen, vooral als zij verbonden waren met een of ander lid der familiën, welke men in mijn jongenstijd „het volk van den ouden zuurdeesem” heette, uithoofde van hun onveranderlijke, ofschoon hopelooze getrouwheid aan het huis van Stuart. Dit ras is heden ten dage bijna geheel verdwenen, en met hen heeft men een aantal ontegenzeggelijk bespottelijke vooroordeelen, maar tevens ook verscheidene treffende voorbeelden van gastvrijheid en deugd, en van de aloude trouw der Schotten zien verloren gaan, benevens het bijzondere en belanglooze aankleven der grondbeginselen, die zij van hun vaderen hadden geërfd.

Het toeval heeft gewild, hoewel ik niet onder de Hooglanders geboren ben – hetgeen tot verontschuldiging moge strekken voor de tallooze fouten, die ik begaan mocht hebben als ik mij van hunne taal bediend heb – dat ik de dagen mijner kindschheid en jongelingschap in het midden van zulke personen heb doorgebracht, als waarvan ik gesproken heb. Om eenige herinnering te bewaren van deze voormalige zeden en gewoonten, die ik bijna geheel en al heb zien uitsterven, heb ik in de uit de lucht gegrepen tooneelen en met geheel en al verdichte personen een gedeelte der gebeurtenissen afgeschilderd, die ik door diegenen had hooren vertellen, welke er een werkzaam aandeel in genomen hadden; en, in waarheid, de meest romantische gebeurtenissen van dit verhaal zijn juist die, welke op werkelijke feiten gegrond zijn. De wederkeerige dienstbewijzen tusschen een Hooglander en een hoofdofficier van het leger des konings, en de stoutmoedige wijze waarop deze zijn rechten deed gelden, om aan den eersten de van hem ontvangen goede dienst te vergelden, zijn letterlijk waar. Het gebeurde met het geweerschot is een dame van adellijke geboorte overkomen, die sedert is overleden, en door wie het heldhaftig antwoord werd gegeven, hier Flora in den mond gelegd. Geen edelman, die verplicht was na den slag van Culloden zich te verbergen, [364]of hij kon even vreemde en even zonderlinge avonturen verhalen, als die ik mijnen helden heb laten weêrvaren: de vlucht van Karel Eduard zelve zou er het merkwaardigste en treffendste voorbeeld van opleveren.

Alles wat den slag van Preston en de schermutseling van Clifton betreft, is ontleend aan de verhalen van ooggetuigen, die alles behalve van verstand misdeeld waren, en is nog eens getoetst aan de „Geschiedenis van den Opstand,” door wijlen den achtenswaardigen schrijver van „Douglas.” De Schotsche edellieden der Laaglanden en de hoofdpersonen zijn hier, niet als portretten van bepaalde personen, maar als typen der algemeene zeden van dit tijdperk weêrgegeven, waarvan ik in mijn jeugd eenige sporen heb gezien, terwijl de overlevering voor mij het ontbrekende heeft aangevuld.

Het is mijn voornemen geweest die karakters te schilderen, niet door middel van een overdreven karikatuur van het volks-dialect, maar door hun gewoonten, hun zeden en hun gevoelens, ten einde van verre eenigszins te wedijveren met die bewonderenswaardige Iersche portretten, die wij te danken hebben aan mejufvrouw Edgeworth, en zoo geheel verschillend van die „stereotiepe Ieren” die, terwijl ze volmaakt op elkander geleken, sedert zoo langen tijd een plaats in het drama en den roman hebben ingenomen.

Ik heb echter geen groot vertrouwen in de wijze, waarop ik mijn plan heb ten uitvoer gebracht. Ik was, inderdaad, zoo weinig over mijn werk voldaan, dat ik het ter zijde had gelegd, zonder er de laatste hand aan geslagen te hebben, en ik vond het slechts toevallig onder andere verloren papieren in een oude kast terug, waar het een aantal jaren had gelegen, toen ik in de laden daarvan naar het een of ander zocht, waaraan een vriend voor zijn vischtuig behoefte had. In dien tusschentijd zijn er over soortgelijke onderwerpen een paar werken verschenen, uit de pen gevloeid van twee dames, wier genie haar vaderland tot eere verstrekte; ik bedoel de Glenburnie van mevrouw Hamilton, en een latere Verhandeling over het bijgeloof in de Hooglanden. Maar het eerstgenoemde schildert ons slechts, ofschoon met een treffende waarheid, de zeden der landlieden in Schotland, terwijl het geestige werk van mevrouw Grant van Laggan, over onze volksoverleveringen, geheel en al iets anders is dan het verdichte verhaal, dat ik gepoogd heb zamen te stelten.

Ik wenschte er mij van te overtuigen, dat mijn werk niet geheel onbelangrijk voor den lezer wezen zal. De ouden van dagen zullen er de tooneelen hunner jeugd in terugvinden, terwijl het jongere geslacht zich er een denkbeeld door zal kunnen vormen van de zeden onzer voorouders.

Evenwel spijt het mij van harte, dat de afschildering van dit tafereel der zeden en gewoonten van ons land, die hoe langer hoe meer verloren gaan, niet aan de pen was opgedragen van den Schotschen schrijver, die er zich alleen met goed gevolg van had kunnen kwijten – van dien zoo voortreffelijken schrijver op het gebied dezer soort van literatuur, en wiens schetsen van kolonel Caustie en van Umphraville zoo geheel overeenkomstig zijn met de schoonste trekken van ons volkskarakter. Ik zou in dat geval meer genoegen gesmaakt hebben als lezer, dan ik ooit als auteur zal smaken, in het volle gevoel van gelukkig geslaagd te zijn, – wel te verstaan, indien de voorgaande bladzijden mij die zoo gewenschte onderscheiding verschaffen. Maar terwijl ik reeds van de [365]aangenomen gewoonte ben afgeweken door deze opmerkingen aan het einde van het werk te plaatsen, dat ze mij heeft ingegeven, waag ik het nogmaals den vorm te schenden, door het geheel te besluiten met een opdracht.

DEZE BOEKDEELEN

WORDEN EERBIEDIG OPGEDRAGEN

AAN

ONZEN SCHOTSCHEN ADDISON,

HENRY MACKENZIE,

DOOR

EEN ONBEKEND BEWONDERAAR

VAN ZIJN GENIE. [366]