[Inhoud]

ZESDE HOOFDSTUK.

HET AFSCHEID VAN WAVERLEY.

Op den avond van dezen merkwaardigen zondag trad Sir Everard de boekerij binnen, waar hij onzen jongen held bijna had betrapt, bezig met het oude zwaard van Sir Hildebrand in het rond te zwaaijen, dat als een erfstuk bewaard, gewoonlijk boven den schoorsteen in de boekerij, onder een portret van den ridder en zijn paard hing, wiens gelaatstrekken bijna geheel bedekt waren door des ridders vreeselijk zware krulpruik, terwijl het door hem bereden strijdros verborgen was onder den ontzachlijken mantel van de Bath-orde, waarmede hij omhangen was. Sir Everard trad binnen, en na een blik op de schilderij en een tweeden op zijn neef geslagen te hebben, begon hij eene kleine deftige aanspraak, die echter spoedig overging in zijne natuurlijke eenvoudige spreekwijze, bij deze gelegenheid door meer dan gewone aandoening verlevendigd. „Neef,” zeide hij „dat is, mijn lieve Eduard, het is Gods wil, en insgelijks de wil van uw vader, wien het, naast God, uw plicht is te gehoorzamen, dat gij ons verlaat, om het krijgsmans beroep te volgen, waarin zoovelen uwer voorvaderen zich onderscheiden hebben. Ik heb de noodige schikkingen gemaakt die u zullen in staat stellen, om in het veld te verschijnen als hun afstammeling en als de stamhouder van het huis Waverley; en, op ’t slagveld zult ge niet vergeten, welken naam gij draagt. Maar Eduard, mijn lieve jongen, herinner u insgelijks, dat gij de laatste van dien stam zijt, en dat alleen op u de hoop berust, dat hij niet zal uitsterven; en daarom, zoo ver plicht en eer zulks toelaten, vermijd het gevaar – ik meen, noodeloos [32]gevaar – en houd u niet op met gemeene knapen, spelers en Whigs, waarvan er zoo als te vreezen is, maar al te veel in de dienst gevonden worden, waarin gij treden zult. Uw Kolonel is, naar men mij bericht heeft, een uitmuntend man – voor een Presbyteriaan; maar gij zult uw plicht in het oog houden jegens God, de kerk van Engeland en den – (deze gaping had volgens de orde behooren aangevuld te worden met het woord koning; maar daar dit woord ongelukkig een dubbelen en onzekeren zin had, de éen doelende op het feitelijk bezit en de ander op het recht, zoo vulde de ridder het aan) – de kerk van Engeland en alle ingestelde machten.” Vervolgens, daar hij zich niet verder als redenaar waagde, bracht hij zijn neef naar den stal, om de paarden te zien, die hij voor hem bestemd had. Twee waren er zwart, de kleur van het regiment, beide uitmuntend schoone dieren; de drie andere waren stevige, vlugge rijpaarden, voor de reis, of voor Eduards bedienden bestemd; twee dezer waren uit die van het slot gekozen; een derde, die als staljongen dienst zou doen, zou in Schotland wel te krijgen zijn.

„Gij zult slechts met een klein gevolg vertrekken,” zei de baronet, „in vergelijking met Sir Hildebrand, toen hij voor de poort van zijn slot een talrijker troep ruiterij monsterde; dan uw geheele regiment. Ik zou graag gezien hebben, dat de twintig jonge lieden van mijn goederen, die dienst hebben genomen bij uw regiment, te gelijk met u naar Schotland hadden kunnen vertrekken. Het zou ten minste iets geweest zijn; maar men heeft mij gezegd, dat zulk een gevolg in den tegenwoordigen tijd als iets ongewoons beschouwd zou worden, nu allerlei nieuwe en dwaze gewoonten ingevoerd zijn om de natuurlijke banden, die het volk aan zijne landheeren hechten, te verzwakken.”

Sir Everard had zijn best gedaan, om deze onnatuurlijke richting van den tijdgeest te verbeteren; want hij had de banden van gehechtheid tusschen de recruten en hun jongen kapitein verstrekt, niet alleen door een overvloedigen maaltijd van vleesch en bier, bij wijze van afscheidsfeest, maar tevens door een ruim geschenk in geld, hetwelk eer strekte om de genoegens dan wel om de orde en tucht op hun marsch te bevorderen. Na de paarden in oogenschouw genomen te hebben, bracht Sir Everard zijn neef terug naar de bibliotheek, waar hij een met zorg toegevouwen brief voor den dag haalde, volgens ouder gewoonte omwonden met een strookje ongesponnen zijde, en verzegeld met een nauwkeurig afdruksel van het Waverleysche wapenschild. Deze brief was, met alle deftigheid van dien tijd, geadresseerd „Aan den Hoogwelgeboren Heere Cosmo Comyne Bradwardine, van Bradwardine, op zijn residentie Tully-Veolan, graafschap Perth, Schotland. – Ter vriendelijke bezorging van kapitein Eduard Waverley, neef van Sir Everard Waverley, van Waverley-Honour, Baronet.”

De edelman aan wien dit breedvoerig adres gerigt was, en over wien wij in het vervolg meer zullen te spreken hebben, had in ’t jaar 1745 de wapens gevoerd voor het verbannen koninklijke huis van Stuart, en was te Preston, in Lancashire, gevangen genomen. Hij was iemand van zeer oude familie, maar van niet onbezwaard vermogen; een geletterde, naar de gewone wijze der Schotten, dat is te zeggen, eerder omslachtig dan nauwkeurig, en meer een belezen man dan een taalkenner. Men verhaalde van hem, dat hij van zijn liefde tot de oude schrijvers een zeer bijzonder blijk had gegeven. Op weg tusschen Preston en Londen [33]gelukte het hem aan zijn wachters te ontsnappen; maar toen men hem naderhand vond, rondslenterende in de nabijheid van de plaats waar zij den vorigen nacht verblijf gehouden hadden, werd hij herkend en andermaal gevat. Zijn medgezellen, en zelfs zijn geleiders, stonden verbaasd over zijn onvoorzichtigheid, en konden niet nalaten te vragen, waarom hij, eenmaal in vrijheid, niet zijn best gedaan had, om eene veilige schuilplaats te bereiken; waarop hij antwoordde, dat dit zijn voornemen was geweest, maar dat hij, om de waarheid te zeggen, was teruggekeerd om zijn Titus Livius te zoeken, dien hij in de haast van zijn vlucht vergeten had1. Dit eenvoudig verhaal trof den heer, die, zoo als wij reeds gezegd hebben, de verdediging van sommige dezer ongelukkige lieden, voor rekening van Sir Everard, en van misschien nog eenigen van zijne partij, had op zich genomen. Hij was daarenboven zelf een bewonderaar van den ouden Paduaschen geschiedschrijver, en schoon zijn eigen geestdrift hem niet ligt tot zoo iets buitensporigs zou vervoerd hebben, zelfs om de uitgaaf van Sweynheim en Pannartz (die men voor de editio princeps houdt) terug te krijgen, achtte hij echter de gehechtheid van den Schot daaraan niet minder hoog, en deed hij zoo zijn best om alle bewijzen tegen hem te ontzenuwen, of te verzwakken, om rechtsgeleerde bezwaren tegen de vervolging te ontdekken en zoo voorts, dat het hem gelukte Cosmo Comyne Bradwardine’s volkomen vrijspraak en ontheffing van zekere alles behave prettige gevolgen van een veroordeeling wegens hoogverraad te redden.

De baron van Bradwardine, want zoo werd hij in Schotland doorgaans genoemd, (schoon zijn gemeenzame vrienden hem Tully-Veolan, of nog korter Tully noemden) stond niet zoo ras rectus in curia (als gezuiverde voor de rechtbank), of hij begaf zich per post naar Waverley-Honour om er zijn hulde en dankbetuiging te brengen. Eén zelfde zucht voor veld en jachtvermaken, en een algemeene overeenstemming in staatkundige gevoelens, legden den grond tot zijne vriendschap met Sir Everard, al verschilden hunne gewoonten en liefhebberijen in andere opzichten nog al aanmerkelijk: en nadat hij verscheidene weken op Waverley-Honour had doorgebracht, vertrok hij met tallooze betuigingen van achting, terwijl hij bij den Baronet er met warmte op aandrong, dat deze zijn bezoek zou beantwoorden, en in een volgend saizoen deel nemen aan de korhoender-jacht, op zijn veengronden in Perth. Kort daarop maakte de heer Bradwardine uit Schotland eene som tot afdoening der kosten, bij ’s Konings Hoog Gerechtshof te Westminster gemaakt, over; welke som, schoon juist niet zoo ontzaglijk groot, in Engelsch geld berekend, in haar oorspronkelijken vorm van Schotsche ponden, schellingen, enz.2 zulk eene verbazende uitwerking had op het gestel van Duncan Mackwheeble, des Barons vertrouwden zaakwaarnemer, rentmeester en rechterhand, dat hij een aanval van kolijk kreeg, die vijf dagen aanhield, eeniglijk en alleen, zooals hij zeide, veroorzaakt door dat hij het ongelukkige werktuig moest worden, om zulk eene belangrijke som uit zijn geboorteland aan die valsche Engelschen over te maken. Maar, gelijk [34]vaderlandsliefde het schoonste gevoel is, zoo is zij ook dikwijls de meest verdachte dekmantel van geheel andere aandoeningen; en velen met den heer Mackwheeble bekend, beweerden, dat zijne betuigingen van spijt niet geheel belangeloos waren, en dat hij veel minder zou gezucht hebben over het uitbetalen der gelden aan de deugnieten te Westminster, wanneer ze niet waren geheven op de goederen van Bradwardine, een fonds dat hij meer bijzonder als het zijne beschouwde. Dan de rentmeester betuigde, dat hij volstrekt geen eigen belang kende:

„Wee, wee om Schotland, maar geen zier om mij!”

Wat den edelman betreft, deze was verheugd, dat zijn waardige vriend Sir Everard Waverley van Waverley-Honour terugbetaling ontvangen had der kosten, welke hij voor rekening van het huis Bradwardine had gemaakt. Het was van belang, zeide hij, voor de eer van zijn familie, en van het koninkrijk Schotland in het algemeen, dat deze verschotten terstond betaald werden, en het uitstellen zou een openbare schande zijn. Sir Everard, gewoon om veel grootere sommen met onverschilligheid te behandelen, ontving de drie honderd pond sterling zonder eens op te merken, dat deze betaling van internationaal belang was, en zou waarschijnlijk de gansche zaak vergeten hebben, indien Mackwheeble bedacht geweest was, om zijn kolijk te verzachten door het gezondene te onderscheppen. Van dit oogenblik dateerde echter eene jaarlijksche correspondentie bestaande in een korten brief, een mand wild en een paar gevulde vaten, tusschen Waverley-Honour en Tully-Veolan, terwijl de Engelsche toezending in groote kazen en sterk bier, faizanten en reeën, en het Schotsche tegengeschenk uit korhoenders, hazen, gezouten zalm en eigengestookte jenever bestond. Al deze geschenken werden gegeven en ontvangen, als bewijzen van standvastige vriendschap en genegenheid tusschen twee edele huizen. Natuurlijk vloeide hieruit voort, dat de stamhouder van Waverley-Honour Schotland niet gevoeglijk kon bezoeken, zonder van een geloofsbrief bij den baron van Bradwardine voorzien te zijn.

Nadat dit onderwerp uitgelegd en geregeld was, gaf de heer Pembroke zijn wensch te kennen, om een afzonderlijk afscheid van zijn waarden kweekeling te mogen nemen. Des goeden mans vermaningen aan Eduard, om zijn leven en zeden onbevlekt te bewaren, en aan de beginselen van het Christendom trouw te blijven, het godloos gezelschap van spotters en vrijgeesten te vermijden, die er maar al te veel bij het leger waren, bleven niet onvermengd met zijn staatkundige vooroordeelen. Het had den Hemel behaagd, zeide hij, Schotland (ontwijfelbaar om de zonden zijner voorvaderen in 1642) in een nog treuriger staat van duisternis te houden, dan zelfs het ongelukkige koninkrijk van Engeland. Hier immers, schoon de kandelaar der kerke van Engeland eenigermate van zijne plaats was verzet, bestond ten minste nog een schemerlicht: er was eene hierarchie, schoon kettersch en vervallen van de beginselen, door die groote kerkvaders Sancroft3 en zijne broederen aangekleefd en voorgestaan; er was een liturgie, schoon jammerlijk verdraaid in sommige der voornaamste gebeden. Maar in Schotland was het volslagen duisternis, en, [35]uitgenomen eenige steeds vervolgde overgeblevenen, hier en daar verstrooid, waren de kansels overgelaten aan Presbyterianen, en gelijk hij vreesde aan secten-mannen van allerlei aard. Het was zijn plicht, zijn lieven kweekeling in staat te stellen, aan zulke heillooze en gevaarlijke leeringen in kerk en staat, die hij van tijd tot tijd zou moeten vernemen, weerstand te bieden.

Hier haalde de heer Pembroke twee geweldige pakken voor den dag, die ieder een geheelen riem dicht geschreven stukken schenen te bevatten. Het was de arbeid van ’s waardigen mans geheele leven; en nooit gingen arbeid en ijver zoo volslagen te loor. Hij was eens naar Londen gegaan, met het voornemen om ze aan de wereld te schenken, door middel van een boekverkooper, wel bekend door den handel in dergelijke geschriften en tot wien men hem gezegd had zich te wenden met zekere woorden en met een zeker teeken, dat, naar het schijnt, in die dagen gangbaar was onder de Jacobieten. Nauwelijks had de heer Pembroke het schibboleth met den vereischten klem uitgebracht, of de boekverkooper begroette hem, in weerwil van alle tegenbetuiging, met den titel van doctor; en na hem in zijn achterwinkel gebracht, en overal te hebben nagezien, waar iemand al of niet verborgen kon zijn, begon hij: „Wel doctor! – wel! – alles onder de roos. – Alles dicht – er is hier zelfs geen gat voor een Hannoversche rat om in te kruipen. Wel zoo, – he! goed nieuws van onze vrienden aan den overkant? – en hoe vaart de waardige koning van Frankrijk? – Of misschien komt gij nu uit Rome – want Rome moet eindelijk gaan handelen – de Kerk moet hare kaars aan de oude lamp opsteken. – He – wat – beschroomd? Gij bevalt mij des te beter; maar wees onbevreesd.”

Hier brak de heer Pembroke met eenige moeite een stroom van vragen af, vergezeld van teekens, knikjes en wenken; en na eindelijk den boekverkooper overtuigd te hebben dat hij hem te veel eer aandeed, door te vooronderstellen dat hij een zendeling van het verdreven koningshuis was, gaf hij hem te verstaan wat zijn bedoeling was.

De uitgever ging nu, met een veel deftiger houding, tot het onderzoeken der handschriften over. De titel van het eerste was: „Eene Dissentie van de Dissenters, of de Comprehensie weerlegd, betoogende de onmogelijkheid van alle bijlegging der geschillen tusschen de Kerk en de Puriteinen, Presbyterianen of Sectarissen van welken aard ook, opgehelderd uit de Schriftuur, de Kerkvaders en de voortreffelijkste godgeleerden.” De uitgave van dit werk werd door den boekverkooper stellig geweigerd. „Wèl gemeend,” zeide hij, „en geleerd, buiten twijfel; maar de tijd is voorbij. In klein-Cicero-formaat gedrukt, zou het acht honderd bladzijden beloopen en nooit de kosten goed maken. Ik verzoek dus er van verschoond te blijven – ik bemin en eer de ware kerk van ganscher harte, en was het eene predikatie geweest over het martelaarschap of een kleinigheid van twaalf stuivers – wel nu, ik zou iets wagen, voor de eer van het geestelijk kleed. – Maar, kom, laat ons het andere zien. „Het erfelijke Recht gerecht.” – Ha! daar is eenige zin in, Hm – hm – hm – bladzijden zooveel – papier zooveel, – drukloon, – Hm – evenwel wil ik u zeggen, doctor, gij moet er wat van het Grieksch en Latijn uitgooien; zwaar, doctor, verd.… d zwaar – (met verlof) en zoo gij er wat zout bij doet – ik ben er de man niet naar om ooit mijn schrijvers in ongelegenheid te brengen – ik heb uitgegeven voor Drake [36]en Charlwood Lawton en voor den armen Amhurst.4 – Ach Caleb! Caleb! Wel, het was schande den armen Caleb te laten verhongeren, en er zijn zoo veel vette predikers en heeren onder ons! Eens in de week had ik hem ten eten: maar goede Hemel, wat is eens in de week, als iemand niet weet, waar hij de andere zes dagen wat krijgen zal! – Kom ik moet het handschrift den kleinen Tom Alibi laten zien, die al mijn rechtsgeleerde zaken waarneemt – ik moet onder de lei blijven – het gemeen was laatst al heel onvriendelijk – allen Whigs en Rondhoofden, allen Willemiten en Hannoversche ratten.”

Den volgenden dag ging de heer Pembroke weder bij den uitgever: maar bevond dat Tom Alibi’s advies dezen van de onderneming had doen afzien. „Niet, dat ik niet (wat wilde ik ook zeggen?) om den wil der kerk naar de strafkoloniën wou gaan; met genoegen – maar, doctorlief ik heb vrouw en kinderen; – doch, om mijn ijver te toonen, ik wil de karwei aan mijn buurman Trimmel aanprijzen – hij heeft vrouw noch kind, en niet veel omhanden, dus zal eene zeereis hem niet zoo ongelegen komen.” Maar de heer Trimmel was ook onverbiddelijk, en de heer Pembroke, gelukkig misschien voor hem zelven, was genoodzaakt naar Waverley-Honour terug te keeren met zijn verhandeling ter handhaving der echte grondbeginselen van Kerk en Staat in den mantelzak gepakt.

Daar, door de baatzuchtige lafhartigheid van den boekhandel, naar alle waarschijnlijkheid het publiek beroofd zou worden van het voordeel, hetwelk er van zijn onvermoeiden arbeid te hopen was, besloot de heer Pembroke twee afschriften van deze verbazende manuscripten, ten gebruike van zijn leerling, te maken. Hij gevoelde dat hij, als gouverneur, wat lui was geweest; en daarenboven kwelde hem zijn geweten, dat hij in het verzoek van den heer Richard Waverley had toegestemd, om Eduard geene denkbeelden in te boezemen, die met de tegenwoordige inrichtingen in Kerk en Staat onbestaanbaar waren. „Maar nu,” dacht hij, „mag ik, zonder mijn woord te verbreken, daar hij niet langer onder mijn opzicht is, den jongeling de middelen in handen geven om voor zichzelven te oordeelen, en heb ik slechts zijn verwijtingen te vreezen, dat ik hem zoolang het licht heb onthouden, hetwelk in zijn ziel zal opgaan, na volbrachte lectuur.” Terwijl hij aldus aan de droombeelden van een schrijver en een staatkundige toegaf, stopte zijn geliefde leerling, die weinig uitlokkends in den titel der verhandelingen zag, en door het aantal dicht ineen geschreven regels afgeschrikt werd, het handschrift in een hoek van zijn reiskoffer.

Tante Rachel’s vaarwel was kort maar teeder; alleen waarschuwde zij haar dierbaren Eduard, dien ze waarschijnlijk zeer vatbaar geloofde, voor de betoovering der Schotsche schoonen. Zij stemde toe, dat in het noordelijke gedeelte van het eiland eenige oude familiën woonden; maar het waren alle Whigs en Presbyterianen, uitgenomen de Hooglanders, en wat deze betrof, kon ze niet nalaten te zeggen dat er niet veel kieschheid onder de dames kon heerschen, waar de gewone dracht der heeren, gelijk men haar verzekerd had, om er het minste van te zeggen, zeer vreemd en alles behalve welvoegelijk was. Zij besloot met eene vriendelijke [37]en roerende zegenbede en gaf den jongen officier, als een bewijs harer liefde, een kostbaren diamanten ring, een in die dagen veel door de mannen gedragen sieraad, en een beurs vol zware goudstukken, die insgelijks zestig jaar geleden vrij wat algemeener waren, dan in later tijd.


1 Zie Aanteekening B. Titus Livius. 

2 Het Schotsche pond was niet meer dan een shilling, zestig cents van onze munt. 

3 Sancroft, aartsbisschop van Canterbury, in 1677. 

4 Zie Aanteekening C, Nicolaas Amhurst.