[Inhoud]

De afzanding der duinen.

Evenals de mensch, van wiens krachten door gestadigen, harden arbeid wat veel gevergd werd, ten behoeve van zijn gezondheid zoo nu en dan eens uit zijn dagelijkschen sleur wil losgerukt zijn, zoo ook hebben onze bolletjes hun eischen, die den kweeker wel eens zorg baren. Een bloembol tiert nu eenmaal niet, wanneer ze voortdurend in denzelfden bodem wordt geplant, en ’t is er den kweeker toch maar om te doen om zijn partijen gezond en voordeelig te kweeken.

Dat bij de enorme uitbreiding der kweekerijen in de laatste 20 jaren het gebrek aan teeltgronden, vooral lichtere zandgronden, zich deed gevoelen behoeft wel geen betoog. Wel tracht men het euvel eenigszins te ondervangen door de zwaardere gronden door vermengen met duinzand luchtiger en lichter te maken, maar dat is en blijft, hoewel een goede maatregel, tóch slechts half werk; alleen verwisseling van bodem kan de bolletjes zoowel als hun meesters in goeden doen houden.

RAADHUIS OVERVEEN

RAADHUIS OVERVEEN

Allengs is men begonnen duingronden, vooral de z.g. binnenduinen, af te zanden, waardoor veel bruikbare gronden werden verkregen. Vooral te Hillegom en Lisse is dit gebeurd, vaak ten koste van veel natuurschoon, en wanneer wij er straks doorpeddelen, zal ik U aanwijzen, waar weleer fraai beboschte binnenduinen te vinden waren. [20]

Om een afzanding te zien, daarvoor zouden wij echter zoo ver niet behoeven te gaan, want ook hier te Overveen knaagt men, hoewel op bescheiden wijze, aan den voet der duinen. Tusschen het zoo straks door mij genoemde „Brouwerskolkje” en „Kraantjelek” toch bevindt zich een kleine afzanding (No. 26) waarheen, naast de schoone buitenplaats „Duinlust”, een vaart van helder water voert. Hier kunnen wij de schuiten vinden van meestal 2 tot 3 M3. inhoud, waarin het duinzand, aangebracht in over planken loopende kruiwagens, wordt gestort. Wanneer de afstand tusschen afzanding en schuit wat groot wordt, maakt men zelfs gebruik van kipkarren, die over smalspoor gemakkelijk voortbewogen worden.

Laat ons hopen, dat men hier niet al te veel zal tornen aan de duinen zóó nabij de „Blinkert”, waarop Witte van Haemstede in 1304 zijn banier plantte.

Thans willen wij onzen tocht voortzetten en kiezen daartoe den fraaien weg langs „Elswout” om vervolgens langs den Oosterduin-weg en Zandvoortschen straatweg Heemstede te bereiken. Ook hier weêr veld op veld bestaande uit groote vakken van de meest uiteenloopende kleuren, iets wat wij op onze geheele excursie zullen aantreffen. Zie, daar zijn ook reeds de vroegste der enkelbloemige Tulpen, de Duc van Thol-variëteiten en ook enkele andere, rood, wit en geel. Van de Narcissensoorten vinden we reeds in bloei „Golden Spur” en „Van Sion”, terwijl we van de andere variëteiten de geel-groene knoppen bespeuren, die zich weldra van haar dun omhulsel zullen bevrijden om met haar gele en witte pracht de schoonheid van onze streek te verhoogen. Mij dunkt, ge voelt wel lust om Uw bezoek te herhalen, wanneer binnen enkele weken de Tulpen, zoo vroeg- als Meibloeiende, zijn ontloken, en ge U aan de schoonheid der Narcissen zult kunnen vergasten! Ge kent nu den weg, en zult dus, indien ge daartoe in de gelegenheid zijt, naar hartelust van alles kunnen genieten.

Neemt voorloopig een bundeltje bloemen meê naar huis, waarvan ge hier voor 5 of 10 cents bezitter(ster) wordt. Het is vooral onze jeugd, die in den bloeitijd een „levendige handel” drijft in „Flora’s kinderen”. Ziet, ze loopen ons reeds met een bouquet in de opgeheven hand tegemoet, luid hun koopwaar aanprijzend, want uitgelaten als ge zijt over den verrukkelijken tocht, begrijpen zij, dat ge bezoekers zijt. Zij kennen hun luidjes, die kleine peuters, en ge moet des avonds bij het tellen der vele witjes, vermengd met (o, schande) vele koperstukken, hun glundere gezichten eens zien. Wee U, zoo ge U té vroeg op den dag door de kleine schalken tot koopen laat verleiden, want door het gestadig bengelen van den verkregen schat om Uw hals of aan het stuur van de fiets, zult ge des avonds als tastbaar bewijs van Uw bezoek aan de bolletjes hoogstwaarschijnlijk het geraamte van de bouquet, slechts de stengels zonder bloemen thuisbrengen. O, die oolijke Amsterdammers, uitgelaten als ze steeds zijn, wat hebben we om hen al een pret gehad! Ze kunnen op één dag wel tien ruikers aan, zoo ze ten minste des avonds nog iets bruikbaars willen meêvoeren!

OUDE TOL TE OVERVEEN

OUDE TOL TE OVERVEEN

Heemstede met het aan den Meerweg gelegen „Oude Slot”, en het naburige Bennebroek en Vogelenzang, in welk laatste kleine plaatsje zich Graaf Floris V gaarne ophield, behooren tot de meest landelijke uit onze streek. Men vindt er vele fraaie buitens en dus uit den aard der zaak ook [21]prachtige bosschen. Wie te Heemstede komt, verzuime niet het voor het publiek toegankelijke „Groenendaal” met ingang aan de Van Merlenlaan te bezoeken. Een bijzonderheid is nog „De Naald” juist bij de buitenplaats ’t Manpad. Dit gedenkteeken in den vorm van een 4 à 5 Meter hooge, vierkante, eenigszins spits-toeloopende zuil, werd opgericht op de plaats, waar de voor Witte van Haemstede zegerijke slag tegen de Vlamingen werd geleverd.

Bennebroek, het aardige kleine plaatsje met haar lief, oud kerkje, waarvan wij links van ons slechts den kleinen kerktoren zien, doet niet onder voor de andere dorpen van ons district. Aan aardige dorpsgezichten is hier geen gebrek, en overal zult ge den indruk van netheid krijgen.

Nu nog ongeveer tien minuten en wij bevinden ons op Hillegoms grondgebied, en op de eerste brug, de hooge Oosteinderbrug stappen we af, getroffen door den schoonen aanblik der velden, die zich aan beide zijden van den vóór ons liggenden straatweg bevinden. Welk een bloemenschat, welk een ongeëvenaarde pracht! Is het een wonder, dat ons district jaarlijks duizenden buitenlanders, waaronder zelfs veel Amerikanen, tot zich trekt?

Met Overveen, de bakermat der oude en bekende bloemenkweekers, schijnt Hillegom steeds tot de meest welvarende dorpen behoort te hebben, wat ik mede afleid uit het volgende gedichtje, gedateerd 1799:

„’t Vermaak’lijk Hillegom, omringd aan alle zijden”,

„Met laanen, duinen en voortreffelijke weiden”,

„Geeft haar bewooneren, den grootsten overvloed”,

„Van boom en veldgewas, ’t geen hun voor armoê hoed”.

Inderdaad was Hillegom vroeger vermaard om zijn groenten- en ooftteelt, en ook aan kapitale boerderijen heeft het hier niet ontbroken. Dit alles heeft nu echter plaats gemaakt voor de cultuur van bloembollen, en dat ook dit bedrijf loonend is (ik spreek hier van normale tijden, en laat de misère in ons vak tengevolge van den wereldoorlog buiten beschouwing) daarvan getuigen de vele villa’s en villatjes, zoo ook de reuzen-bollenschuren, ware paleizen.

HEEMSTEDE.

HEEMSTEDE.

Tevergeefs zullen wij echter zoeken naar de duinen (binnenduinen) waarvan het bovenstaande gedicht gewaagt. Waar zijn de indertijd zoo aardig beboschte duinen, waartoe ons de thans nog bestaande Pastoorslaan toegang gaf? Waar is het heuvelachtige terrein van de oude buitens Elsbroek, Veenenburg en Rustenburg, doorsneden door de Veenenburgerlaan, gebleven? Afgezand, alles afgezand, alles opgeofferd aan de belangen van het bloembollenbedrijf! De kleine afzanding, die we te Overveen zagen, ze is slechts kinderspel bij wat hier is geschied, en voor een deel althans, al heel lang geleden. Ik heb zoo juist een oude kroniek vóór me, en op de daarbij behoorende kaart van Hillegom van het jaar 1746, waarop de binnenduinen in massa voorkomen, vind ik zoowaar reeds een afzanderij ter plaatse van de buurt „Weeresteyn” met „Afgesand” aangeduid. [22]

Ondertusschen naderen wij Lisse, waar zoowaar een zandsteenfabriek, „De Arnoud”, tot bloei kon komen, wat wel is toe te schrijven aan de aanwezigheid van de grondstof: het zand, door de binnenduinen geleverd. Alweer aardige villa’s en reuzenschuren, alweer de enorme aanplantingen van onze gewassen, zoodat ge ’t wel met me eens zult zijn, dat Lisse niet voor Hillegom behoeft onder te doen. Ik wil niet in bijzonderheden treden, het zou me te ver voeren. Laat het U genoeg zijn, dat we ons hier in ’t centrum van het district bevinden, en dat Lisse nog dat op Hillegom voor heeft, dat het nog een stukje ongerept natuurschoon bezit in het oude en fraaie buiten „Keukenhof”, dat we als jongen nooit verzuimden te bezoeken, mede omdat daar in ’t voorjaar de Belgische Hyacinthjes (No. 116) ook wel Bosch-Hyacinthen genaamd, in ’t wild te bewonderen waren. Het was de azuurblauwe verscheidenheid, wier eigenlijke botanische naam is Scilla Nutans Coerulea. Deze variëteit bestaat ook in rose en wit, maar de blauwe heb ik altijd de mooiste gevonden. Noteert het even, dat het zulk dankbaar goedje is, dat tusschen struikgewas altijd welig tiert, en laat ze in Uw tuintje niet ontbreken. Ze zijn goedkoop, zoodat ge ’t om het geld niet behoeft te laten.—Vergeet echter niet, dat ze voor het kweeken in potten, dus voor het forceeren, niet geschikt zijn.

Thans rest ons nog één plaats, waar we eens een kijkje willen nemen, het dorp Sassenheim, waar ons nationaal product al evenzeer de hoofdrol vervult als in de plaatsen, waar we reeds doortrokken. Hier worden de Narcissen op eenigszins uitgebreider schaal gekweekt dan in andere gemeenten, en iemand, met de plaatselijke gesteldheid bekend, zal in den bloeitijd aan deze cultuur zijn oogen kunnen verlustigen.

Een bezienswaardigheid in deze gemeente is voorts nog de ruïne van „Het slot van Teijlingen” (No. 88) waar Jacoba van Beyeren de laatste jaren van haar leven in gevangenschap doorbracht. Ze heeft wel nooit kunnen vermoeden, dat het slot na ongeveer 5 eeuwen zulk een fleurige omgeving zou hebben.

Ruïne van Heemstede

Ruïne van Heemstede

Zoo is dan het laatste dorp, dat op ons programma stond, bezien. Meent echter niet, dat we nu met het geheele bollenland hebben kennis gemaakt. Zeker, we hebben de belangrijkste en bloeiendste plaatsen, het hartje van de streek bezichtigd, maar ’t is toch slechts een gedeelte van wat er in werkelijkheid bestaat.—Noordwijk, Katwijk, Wassenaar, enz. in de omgeving van Leiden; Beverwijk, Castricum, Limmen, Egmond en Heiloo in de streek tusschen Haarlem en Alkmaar, al deze plaatsen staan in het teeken der bloembollencultuur.

Maar het meest bezienswaardige gedeelte, het hartje van het district, en bijgevolg de meest aanbevelenswaardige route voor bezoekers, is en blijft de streek tusschen Haarlem en Leiden.


Zie zoo, nu is ’t welletjes voor vandaag! Nog enkele uren, en de dag is ten einde, zoodat we niet moeten talmen, willen we althans niet verplicht zijn de terugreis op een andere wijze dan per fiets te maken. Opgestapt dus; ginds willen we iets gebruiken; niet alleen omdat de inwendige mensch er naar vraagt, maar ook, opdat wij straks er een flink gangetje zullen kunnen inzetten. [23]

25

25

LANDSCHAPJE.

26

26

HET AFZANDEN DER DUINEN.

27

27

TULPENPELSTERS.

28

28

SORTEERMACHINE.

29

29

SCHUUR MET STELLINGEN.

30

30

BOLLENSCHUUR MET STELLINGEN.

[24]

31

31

COURONNE D’OR.

32

32

MURILLO.

33

33

VUURBAAK.

34

34

TOURNESOL.

35

35

SCHOONOORD.

36

36

SALVATOR ROSE.

[25]

„Hallo jongens, wacht even, want m’n paard is kreupel”! Het is deze noodkreet achter ons, die ons onmiddellijk doet afstappen, ’t Was anders den geheelen dag zoo goed gegaan, en nu juist op het scheiden van de markt valt er een slachtoffer.

Gelukkig, dat dicht in de buurt een rijwielhersteller te vinden is, zoodat we althans niet genoodzaakt zijn zelf daarvoor te fungeeren. We willen onze hongerige magen bevredigen, onze dorstige kelen laven, en intusschen zal het euvel wel verholpen zijn.

’t Gaat echter met de reparatie niet zoo vlot als gewenscht was en dies besluit een gedeelte van ons koppeltje om maar vast den terugweg zachtjes aan te nemen, hetgeen geschiedt met een sarcastische opmerking over ’t kreupele paard en de beste wenschen voor zijn spoedig herstel. Wacht maar, spotter, ’t zal je er straks naar vergaan!

Eindelijk komt ook de beurt aan ons om op te stijgen. Onze confraters hebben er toch bepaald een stevig gangetje ingezet, anders hadden we ze al achterhaald.

Maar zeg, zie eens, wat voert hij daar uit? Zie hem eens pompen; ’t lijkt wel of z’n leven er van afhangt. O leedvermaak, ’t is onze collega, die zoo straks met de beste wenschen voor het „kreupele paard” opsteeg.

Zoo amice, wat voer jij daar uit? Ons dunkt, dat jouw „bles” het ook aardig te pakken heeft! Verbruik toch niet zooveel lucht, kerel, je zult ons doen stikken!

Je kunt gerust je aardigheden voor je houden, hoor! Jij hadt tenminste straks nog hulp, en ik kan ’t karweitje alleen opknappen, ’t Is nu al de tweede maal, dat ik er den band uit gehad heb; je moet toch maar „Pech” (No. 59) hebben!

Al zuchtend en steunend pompt onze makker na die ontboezeming met nieuwe kracht door, zoodat het zweet hem van ’t gelaat druppelt. Als hij ten slotte tot de overtuiging komt dat de pleister ditmaal houdt, kijkt hij lachend op en wijzende op zijn partner, zegt hij: En wat zeg jelui nu wel van hem? Zit hij niet aardig in de blommetjes? Hij heeft zich daar straks door zoo’n kleine „bollendame” een ruiker en een slinger laten aanpraten, en als ik het niet verhoed had, zou hij zoowaar de geheele mand hebben leeggekocht. Er lag daar trouwens een schuit vol manden met bloemen (No. 90); ’t is toch zonde, dat die lui hier dat moois afsnijden en weg doen.

Ruïne van Heemstede

Ruïne van Heemstede

Als mijn vriend met bouquet en slinger zich niet onbetuigd latende, onder ’t opstappen uitroept: Zoo is ’t „Elk wat wils”. Ik kocht bloemen en jij pompt—dan kunnen wij een hartelijken lach niet onderdrukken.

Weldra, hebben wij onze vooruit gereden vrienden te pakken, en als we eindelijk de laatste velden passeeren (No. 60), voeren we alle een heerlijken ruiker mede, dien we als bewijs van ons bezoek aan de streek willen thuis brengen. Dat wij echter niet slechts gevoel hebben voor Poëzie maar ook voor Proza, daarvan zou de baas van „IJsco” kunnen getuigen. Zijn wafeltjes waren heerlijk!

[26]