Een uur later betrad Raffles als Lord Randolph de woning van zijn vriend lord Turkington.
Een bediende deelde hem mede, dat de lord zich bij miss Evelin Bonn bevond.
Onmiddellijk reed ook Raffles daarheen.
Hij was oneindig dankbaar, zijn vriend daar goed en wel aan te treffen.
„Waar zijt gij de laatste dagen geweest?” vroeg lord Turkington.
„In Schotland bij mijn broer,” loog Raffles. „Ik hoop, dat gij mij niet al te zeer gemist hebt. In het gezelschap van een zoo schoone vrouw vergeet men zijn beste vrienden.”
Miss Evelin Bonn behandelde hem met koele minachting.
Na een poosje trad de vader der jonge dame de kamer binnen.
De groote onbekende zag, dat miss Evelin haar vader met onrustige blikken aanzag.
„Nog geen brief?” vroeg zij hem.
„Wat voor een brief?” vroeg lord Turkington, bij wien jaloezie opkwam.
„Een gewichtige brief over zaken, stel je gerust,” glimlachte zijn aanstaande.
„Een notaris, met wien ik zeer bevriend ben, vertelde mij, dat de graaf van Heresford u zijn geheele vermogen heeft nagelaten,” sprak Raffles tot miss Bonn.
Miss Evelin Bonn fronste het voorhoofd.
„Gij schijnt erg nieuwsgierig te zijn, lord Randolph, ik begrijp niet, welk belang gij stelt in den graaf van Heresford en mijn persoon.”
„Ik stel er in zooverre belang in,” sprak Raffles, „dat het mij verbaast, bij u niet het minste verdriet te bespeuren over den dood van een trouw vriend.”
„Wilt gij mij beleedigen?”
Lord Turkington, wien de opmerking van Raffles ook niet aanstond, merkte op onvriendelijken toon op:
„Uw optreden is ongepast, lord Randolph!”
„Werkelijk?” lachte Raffles, „heb ik u ooit aanleiding gegeven om u over mij te beklagen? Gij zult mij toegeven, lord Turkington, dat een persoon, die iemand zulk een groot vermogen nalaat, als de graaf van Heresford dit aan miss Bonn deed, aanspraak mag maken op eenige deelneming, al ware het slechts een gehuichelde.
„Mij doet de onverschilligheid der miss onaangenaam aan.”
Lord Turkington zag in, dat de woorden van Raffles op waarheid berustten.
Maar in zijn verliefdheid wilde hij dit niet toegeven en antwoordde:
„Ik verzoek u, lord Randolph, uw opmerkingen in deze aangelegenheid voor u te willen houden. Miss Evelin Bonn staat onder mijn bescherming en ik weet zeer goed, wat haar voor de buitenwereld te doen staat.
„Wanneer de graaf van Heresford zijn vermogen aan deze dame heeft nagelaten, dan is dat een particuliere zaak, die niemand iets aangaat. Miss Evelin Bonn heeft niets gedaan om het vermogen van den graaf te verwerven.”
„Het is mogelijk,” sprak Raffles met een eigenaardig glimlachje, dat miss Bonn het bloed naar de wangen dreef, „maar men spreekt er in de Londensche kringen reeds over en ik denk, dat gij als de toekomstige verloofde der miss en als Engelsch lord een uiterst wankelbare eer te verdedigen hebt.”
Lord Turkington richtte zich vol trots op:
„Zijt gij van plan, een voordracht over „eer” te houden, Lord Randolph?”
Raffles haalde de schouders op.
„Vat het op, zooals gij wilt, maar vergeet niet, dat ik als uw vriend voor u sta en slechts als vriend tot u spreek.”
„Ik bedank voor een vriendschap, die zich op beleedigende wijze uit.”
„Lord Turkington!”
„Lord Randolph!” [31]
Zij keken elkaar met fonkelende oogen aan.
Een uitbarsting scheen onvermijdelijk.
Nu kwam miss Evelin Bonn, die zoo verstandig was om verder twistgesprek te willen vermijden, tusschenbeide.
„Ik bid u, heeren, bedenkt, dat gij u in gezelschap bevindt van een dame!”
Maar Lord Turkington had alle zelfbeheersching verloren.
Hij zag in Raffles niet meer den trouwen vriend, maar een vijand, die hem zijn geluk wilde ontstelen.
Met een vijandige uitdrukking in zijn oogen, trad hij op Lord Lister toe en sprak:
„Het spijt mij, dat men met personen, zooals gij er een zijt, niet duelleert. Ik zou deze zaak anders met de wapens willen beslechten!”
De groote onbekende, beantwoordde deze beleediging met een zachten, treurigen blik. Daarop verliet hij, zonder om te kijken, het vertrek.
Op straat gekomen, gaf hij een brief in een blauw couvert aan een jongen en beval dezen, den brief aan Miss Bonn te bezorgen.
Daarop nam hij een rijtuig.
Op eenigen afstand van het huis naderden in snelle vaart twee auto’s.
Nieuwsgierig keek Raffles de auto’s na, die voor het huis van miss Evelin Bonn stilhielden en hij zag er een dozijn mannen uitstappen.
„Scotland Yard heeft zich mobiel gemaakt,” fluisterde Raffles en reed verder.
Lord Turkington had zijn goed humeur verloren.
Te vergeefs trachtte Miss Evelin Bonn hierin verandering te brengen.
Zelfs de champagne, die zij voor hem schonk, vroolijkte hem niet op.
Hij had een gevoel, alsof hij Raffles schandelijk credit had aangedaan en hij dacht erover na, op welke wijze hij het weer goed kon maken.
Een bediende bracht een brief binnen, die juist was bezorgd.
Met een zachten vreugdekreet greep miss Bonn naar het couvert dat een harer blauwe enveloppes scheen te zijn.
Zij dacht, dat het het antwoord van Mr. Veith was.
Haastig scheurde zij het couvert open en las.
Plotseling zag Lord Turkington, hoe Miss Evelin Bonn wankelde en haar gelaat doodsbleek werd.
Verschrikt wilde hij haar helpen, maar zij weerde hem af en las nogmaals den inhoud van den brief, die luidde
„Miss Bonn!
Ik heb u een diamanten collier gezonden en een ring. Beide zijn Parijsche imitatie en niet waard, dat ik ze terug kom halen. Misschien zult gij de dingen willen dragen op uw laatsten gang naar het schavot.
Daar ik er een sport van maak, misdadigers te straffen, lever ik u aan het gerecht over en ben blij, de rij mijner daden met deze vermeerderd te hebben. Ik heb u het leven ontstolen.
JOHN C. RAFFLES.”
Met starenden blik keek Miss Bonn naar den brief.
Lord Turkington wist niet, wat hij uit haar vreemde houding moest opmaken.
Daar hoorde hij het geluid van vele mannenstemmen in huis.
Ook Miss Bonn hoorde het.
„Mijn God, wat is dat?”
Angstig luisterde zij aan de deur.
Plotseling werd deze opengeworpen.
Een aantal mannen met revolvers in de hand snelde de kamer binnen.
„In naam der wet,” riep inspecteur Baxter, „neem ik u gevangen, Miss Evelin Bonn, wegens gepleegden moord en een poging tot een nieuwen!”
Bleek als een lijk staarde Miss Bonn de beambten aan.
„Mag ik den heeren om een verklaring verzoeken?” vroeg Lord Turkington vol ontzetting.
De beambte boog vol eerbied voor den lord en sprak:
„Het doet mij leed, niet aan den wensch van uw lordschap te kunnen voldoen. Uw lordschap zal bij het verhoor alles vernemen.”
Daar weerklonk een schot.
Een oogenblik luisterden allen.
„Mijn vader!” riep Miss Bonn en in het volgende oogenblik had zij, zonder dat iemand het had kunnen beletten, een gouden flacon, die zij aan een ketting droeg, geopend en aan den mond gezet.
Als door den bliksem getroffen, viel zij op den grond.
„De blauwe dood,” mompelde notaris Barrison, „zoo stierf de graaf van Heresford en waarschijnlijk nog anderen.”
Daarop wendde hij zich tot Lord Turkington:
„Om u voor een dergelijken dood te bewaren, heeft [32]J. C. R. (hij noemde den naam niet) deze misdadigster ontmaskerd. Het is zijn werk. Wij zouden het niet hebben gekund.”
Lord Turkington keek als versuft om zich heen.
De notaris moest hem steunen, opdat hij niet zou neervallen.
Inspecteur Baxter had zich over de doode heengebogen en nam den brief, dien zij nog in de hand hield.
Vol belangstelling las hij den inhoud en plotseling stiet hij een vloek uit.
„Wat is er, inspecteur?” vroeg detective Marholm.
„Vervloekt! Ik vind hier een brief van Raffles. Er gebeurt waarachtig niets meer, zonder dat Raffles zich ermee bemoeit!”
„Of omgekeerd,” antwoordde detective Marholm, „zonder Raffles gebeurt er niets meer!”
„Zonder gekheid, heeren,” sprak notaris Barrison, „ik hoorde, wat gij daar van Raffles zeidet. Wij moeten hem dankbaar zijn, dat hij met zijn buitengewoon talent deze duivelsche misdadigster heeft ontmaskerd.”
„Raffles?” vroeg politie-inspecteur Baxter.
„Ja, Raffles,” herhaalde notaris Barrison, „zijn werk is het, dat wij hier staan en dat de moord, gepleegd op den graaf van Heresford, is opgehelderd en gewroken.”
„Een moord?”
„Een moord, heer inspecteur.”
„Waarvan hij niets vermoedde,” dacht detective Marholm.
„Raffles heeft dezen moord ontdekt,” vervolgde notaris Barrison, „en verdient daarvoor openlijk gehuldigd te worden.”
„Een standbeeld,” sprak Marholm met luide stem, „en daaronder in gouden letters het opschrift:
„Aan den genialen Raffles,
van de dankbare Engelsche politie.”