[Inhoud]

VIJFDE HOOFDSTUK.

DE DOOD VAN DEN FOXTERRIËR.

Het was een uur daarna, toen de bediende van Lord Lister dezen een brief bracht, en Raffles zag, dat het een van de lichtblauwe couverts van Miss Bonn was.

Haastig opende hij het en las:

Geachte Heer.

Het zou mij zeer veel genoegen doen indien gij hedenavond bij mij wilde komen soupeeren.

Hoogachtend,

Miss EVELIN BONN.”

Raffles lachte spottend.

„Met spek vangt men muizen,” mompelde hij. „Zij denkt mij in haar netten te verstrikken.

Voor dat doel zoekt zij mijn gezelschap, om mij later, als het haar gelegen komt, des te sneller in het verderf te kunnen storten. Of— —” hij dacht eenige oogenblikken na en stond toen van zijn stoel op.

Spoedig daarna verliet hij het huis om zich naar de begrafenis van den graaf van Heresford te begeven.

Met grooten luister werd de overledene ten grave gebracht.

Toen de droeve stoet zich weer huiswaarts begaf, naderde een bejaard heer met grijze haren Raffles en sprak:

„Heb ik de eer, met Lord Randolph te spreken?”

Lord Lister boog toestemmend.

„Ja, die ben ik.”

„Staat gij mij toe, dat ik mij aan u voorstel? Notaris Barrison.”

De groote onbekende antwoordde met een hoffelijke buiging:

„Het is mij zeer aangenaam, kennis met u te maken.”

„Zoudt gij mij een kort onderhoud willen toestaan?”

Beide heeren begaven zich naar de studeerkamer van den overledene en namen daar in fauteuils plaats.

„Ik hoorde van de bedienden,” zoo begon notaris Barrison, „dat gij bij het overlijden van mijn ongelukkigen cliënt tegenwoordig zijt geweest. Ik stel er bijzonder veel belang in, van u te vernemen, of u de een of andere vreemde omstandigheid gedurende de treurige gebeurtenis is opgevallen.”

John Raffles dacht eenige minuten na, hij weifelde of hij den notaris deelgenoot zou maken van zijn vermoedens.

Hij besloot, geheel waar jegens den ouden heer te zijn.

„Ik koester het vermoeden, notaris, en ben ook reeds bezig, mijn onderzoek in die richting te leiden, dat de dood van den graaf van Heresford niet een natuurlijke is geweest.”

„Waarop berusten uw vermoedens?”

„Niet op feiten, notaris, maar op dat, wat men een inwendige stem noemt.”

Notaris Barrison stak hem zijn hand toe, welke Raffles drukte.

„Ik dank u, Lord Randolph,” sprak hij, „het gaat mij even als u. Een inwendige stem roept ook mij onophoudelijk toe: de graaf van Heresford is niet een natuurlijken dood gestorven.

Ik heb in deze aangelegenheid reeds met den inspecteur van politie van Scotland Yard gesproken.”

John Raffles lachte ironisch.

„Ik zie Sir, dat gij hierom lacht en waarlijk, ik moet u gelijk geven.

De politie schijnt er niet te zijn, om misdaden op te sporen, doch alleen om een misdadiger te vangen.”

„Nauwelijks dit laatste,” antwoordde Raffles en hij vervolgde:

„Ik zou graag omtrent een zaak inlichtingen van u bekomen. Wat voor een document heeft de graaf van Heresford ten behoeve van Miss Evelin Bonn bij u laten opmaken?”

In de oogen van den notaris kwam een glans van genoegen.

„Ik zie, dat gij hetzelfde spoor volgt als ik, Lord Randolph. De graaf van Heresford benoemde eenige [14]dagen geleden Miss Evelin Bonn als zijn universeele erfgename ingeval van zijn overlijden.”

„Ik heb mij dus niet vergist,” riep Raffles uit, „ik vermoedde dit reeds.”

Op dit oogenblik trad Lord Turkington de kamer binnen. Hij had eveneens aan de begrafenisplechtigheid deelgenomen en wilde juist afscheid nemen.

„Mag ik de heeren aan elkaar voorstellen?” vroeg Raffles, „notaris Barrison, Lord Richard Turkington.”

Beide heeren maakten een buiging.

„Gij hadt immers het plan,” sprak Raffles, „een notaris te gaan opzoeken. Notaris Barrison heeft jarenlang de zaken van den graaf van Heresford geregeld en is een der bekwaamste en beroemdste advocaten van geheel Londen.”

„Ik ken mijnheer,” antwoordde Lord Turkington, „maar ik kan tot mijn spijt geen gebruik maken van zijn diensten, daar ik reeds jarenlang mijn eigen notaris heb. Zooals ik reeds zei, het spijt mij oprecht.

Gaat u met mij mee, Lord Randolph?”

„Ik ben helaas verhinderd,” antwoordde Raffles, „wij zullen elkaar eerst hedenavond bij Miss Evelin Bonn terugzien.”

Raffles zag duidelijk, dat bij die woorden een lichte schaduw over het gelaat van Lord Turkington trok.

Deze had gehoopt den avond alleen met zijn verloofde door te brengen.

„Zijt gij door Miss Evelin Bonn uitgenoodigd?”

Raffles boog toestemmend.

„Ja, Lord Turkington. Ik heb kort voordat ik naar de begrafenis ging een uitnoodiging gekregen.”

„Zoo, zoo,” antwoordde Lord Turkington, „dan zullen wij elkaar vanavond terugzien.”

Hij nam afscheid en verliet het vertrek.

Nu stond ook Raffles op.

„Ik hoop, notaris, dat, wanneer de graaf van Heresford op misdadige wijze den dood heeft gevonden, ik dit zal ontdekken. Misschien heb ik daarvoor uw hulp noodig.”

„Het zou mij veel genoegen doen, als ik u de behulpzame hand kon bieden. Ik was zeer bevriend met den graaf van Heresford en betreur zijn dood op smartelijke wijze.”

Nu verlieten ook de beide heeren het sterfhuis, namen ieder een rijtuig en vertrokken in verschillende richtingen.— —

Eenige uren later trad John Raffles het boudoir van Miss Evelin binnen, waar hij reeds Lord Turkington vond aan de zijde zijner verloofde.

Lord Turkington en Miss Bonn waren in vroolijke stemming.

„Wij zullen nog een paar maanden wachten met het publiek maken van onze verloving,” sprak Lord Turkington tot Raffles, „opdat de wereld, die den graaf van Heresford in één adem noemt met mijn verloofde, geen stof tot praatjes heeft.”

De avond werd op aangename wijze doorgebracht.

Raffles kon niets bijzonders ontdekken in het huis van Miss Evelin Bonn.

Het eenige, wat hem opviel, was, dat de vader van Miss Bonn zich niet liet zien.— —

Toen de groote onbekende zich den volgenden dag met Charly Brand in zijn studeerkamer bevond, legde hij den brief, dien hij bij den graaf van Heresford had weggenomen, voor zich neer, daarop haalde hij het blauwe couvert te voorschijn, waarin het antwoord gesloten was geweest en eindelijk het blauwe couvert met het briefje, dat de uitnoodiging van Miss Bonn had bevat.

Hij rook aan het couvert en aan het papier alsof hij een hondenneus had.

Maar niets bijzonders viel hem op.

Noch het papier, noch het couvert had een opvallende lucht.

„Wat doe je?” vroeg Charly Brand.

„Ik ken vergiften, mijn beste jongen,” antwoordde Lord Lister, „die men op stof, papier, bloemen of andere dingen kan aanbrengen en wier lucht in staat is een mensch, die ze inademt, bliksemsnel te dooden.

Maar dit papier is volkomen reukeloos.

Haal mij den kleinen foxterriër eens hier, die het eigendom is van den portier.”

Een oogenblik later kwam Charly Brand met den hond binnen.

Raffles streelde het diertje en speelde met hem om met hem vertrouwd te raken.

Daarop maakte hij tot groote verbazing van Charly Brand met een smal en bijzonder fijn pennemesje den vastgekleefden rand van het couvert los, dat de graaf van Heresford aan Miss Evelin Bonn had gezonden.

Het couvert was slechts losjes vastgekleefd, zoodat nog een vrij groote streep gom aan den rand overgebleven was.

Nu nam Raffles den foxterriër, zette het dier op tafel en liet zich door Charly Brand suiker geven.

Van die suiker liet hij het diertje geruimen tijd likken.

Daarop hield hij plotseling den gegomden rand voor [15]den bek van het beest en noodzaakte dit zoodoende, dien rand af te likken.

De foxterriër deed het.

Opeens, juist toen Charly Brand een opmerking wilde maken, wat Raffles hem echter met een gebiedenden wenk belette, begon de hond als beschonken rond te draaien, hij sprong in de hoogte, stiet een kort geblaf uit en viel neer.

Hij was dood!

Verstijfd van ontzetting keek Charly Brand naar het doode beest.

„Wat is dat? Wat beteekent dat?” vroeg hij bevend.

Zijn vriend stond met over de borst gekruiste armer en somberen blik naar het levenlooze beest te kijken.

„Op dezelfde manier stierf de graaf van Heresford,” sprak hij op doffen toon.

Charly Brand meende niet goed verstaan te hebben.

Hij naderde Lord Lister en vroeg:

„Wat bedoel je?”

„Ik bedoel den dood van den graaf van Heresford,” herhaalde de groote onbekende. „Een duivelsche uitvinding om indirect een moord te plegen!”

„Ik begrijp dit alles niet.”

„Er zijn veel dingen, die het menschelijk verstand nauwelijks kan begrijpen. Daartoe behoort het blauwe couvert van de bekroonde schoonheid, Miss Evelin Bonn.”

„Wat is er dan met de couverts?” vroeg Charly Brand, die nog steeds niets begreep.

„Je hebt gemerkt,” antwoordde Raffles, „dat ik den terriër aan den gegomden rand van het couvert liet likken. Deze kleefstof bevat een sterk werkend gif. Hij, die met zijn tong een dergelijk couvert bevochtigt, is een kind des doods. Hij is reddeloos verloren!”

„Dat is een duivelsch werk!” fluisterde de secretaris.

„Dit couvert,” vervolgde zijn vriend, „heeft de graaf van Heresford eenige oogenblikken voor zijn dood gesloten.”

„Maar hoe kwam hij aan deze enveloppe?”

„Miss Bonn zond ze hem met het dringend verzoek, zijn antwoord erin te sluiten, opdat zij onder de vele correspondentie, die de post haar gewoonlijk bracht, den brief dadelijk zou herkennen.”

„Ik begrijp het nu,” sprak Charly Brand.

„Nu moet Lord Turkington uit de handen dier duivelin worden gered, voordat hij een lijk is. Reeds morgen zal ik den strijd tegen Miss Evelin Bonn beginnen. Ik zou Raffles niet zijn, als ik haar haar slachtoffer niet kon ontstelen.” [16]