[Inhoud]

ACHTSTE HOOFDSTUK.

DE PARIJSCHE CHEF VAN POLITIE.

Den volgenden morgen bracht een bediende aan Miss Bonn een prachtig bouquet orchideeën, uit de kostbaarste bloemen bestaande, benevens een ochtendgroet van Mr. Veith. Aan den ruiker was met gouddraad een klein etui bevestigd, waarin zich een schitterende diamanten ring bevond.

De bediende wachtte op antwoord en zei tot het kamermeisje, dat Mr. Veith liet vragen, wanneer hij lijn opwachting mocht komen maken.

Miss Evelin las den brief, die erbij was bezorgd, en sprak:

„Noodig Mr. Veith uit, om tegen twaalf uur te komen lunchen.”

Met een stralend gezicht ontving zij den Afrikaan.

Zij was zoo beminnelijk mogelijk tegen hem.

„Volgens den wensch van uw vader,” vertelde de huwelijkscandidaat, „zal ik hedenmiddag om drie uur, vergezeld door uw vader, mijn notaris opzoeken en daar het document opstellen, dat uw vader vóór onze verloving van mij verlangt.”

Zij sloeg haar arm om zijn hals en kuste hem.

Zij zag niet, hoe Mr. Veith, toen hij het boudoir verliet, om zich vandaar naar den ouden heer Bonn te begeven, een zakdoek te voorschijn haalde en zijn mond met zooveel kracht afveegde, alsof hij zooeven iets walgelijks met zijn lippen had aangeraakt.

Waren het de kussen der bekoorlijke Miss Evelin geweest?

Met den ouden man had hij een kort onderhoud.

Zij spraken af, dat zij elkaar om drie uur bij notaris Byer zouden ontmoeten.

Op dezelfde manier als de vorige keeren speelde zich hier de scène af.

Toen Mr. Veith en Bonn voor het huis van den notaris afscheid van elkaar namen, sprak Mr. Veith:

„Ik rijd van hier dadelijk naar het station en moet, zooals ik reeds aan Miss Evelin vertelde, voor veertien dagen naar Parijs.

Zeer dringende zaken beletten mij, reeds nu van mijn geluk te genieten.

Ik wil mijzelf het verdriet van het afscheid besparen en verzoek u daarom, Miss Evelin mijn afscheidsgroeten over te brengen en haar te zeggen, dat ik haar uit Parijs dadelijk zal schrijven. Ik hoop, dat zij mij trouw zal antwoorden.”

De vader verzekerde hem nogmaals, dat zijn dochter, ontroostbaar was over de scheiding, al was deze ook slechts van korten duur, maar zaken gingen voor alles en daarom moest zij zich erin schikken.

Hierop namen beiden afscheid van elkaar.

Mr. Veith deed alsof hij eenige oogenblikken naar den wegrijdenden Mr. Bonn keek, daarop keerde hij zich snel om en liep terug naar het zoo juist verlaten huis.

In een particulier vertrek van den notaris wachtte hij op notaris Barrison.

„Wij hebben weinig tijd te verliezen,” zei Mr. Veith tot hem, „om vijf uur vertrekt onze trein naar Parijs. Haast u dus, onze aangelegenheden in orde te brengen.

Ik geloof, dat ik alles zoo heb voorbereid, dat wij binnen een paar dagen reeds succes hebben”.

Samen verlieten zij het huis en begaven zich naar de woning van den notaris, die in allerijl zijn beambten en zijn familie mededeelde, dat hij voor eenige dagen op reis ging.

Den volgenden dag bevonden zij zich te Parijs.

Mr. Veith stapte met notaris Barrison in het Grand Hotel af.

Reeds eenige minuten na hun aankomst zat de zoogenaamde mr. Veith aan zijn schrijftafel en schreef een brief aan miss Evelin Bonn, zooals slechts een vurig minnaar dien in elkaar zet.

In tegenwoordigheid van den advocaat bezorgde de millionnair het schrijven ter post en nu moesten zij wachten op de dingen die komen zouden. [25]

Twee dagen nadat mr. Veith zijn brief had verzonden, kocht hij verschillende witte muizen en bracht die sierlijke diertjes in een kooitje mee naar het Grand Hotel.

Hierop begaf hij zich met zijn begeleider naar den chef van de Parijsche geheime politie, monsieur Lebaudy.

Nadat beide heeren zich hadden voorgesteld, sprak Mr. Veith:

„Wij zijn naar Parijs gekomen om hier een duivelsche misdaad te ontmaskeren. Zoudt u zoo goed willen zijn de eerstvolgende uren in ons gezelschap door te brengen? Wij verwachten namelijk uit Londen een brief, die door een misdadigster aan ons wordt gezonden. Ik hoop bepaald en geloof mij niet te vergissen, dat vorenbedoeld schrijven tot uitvoering van een moord op mijn persoon zal worden gebruikt”.

Monsieur Lebaudy stemde toe en hield het tweetal gezelschap.

Tot de avondpost moesten zij wachten.

Met deze kwam een brief, dien de kellner in de kamer bracht en die direct werd herkend als het blauwachtig couvert, dat door Miss Evelin Bonn werd gebruikt.

Raffles overhandigde den brief aan den chef van politie.

„Er is mij aan uw getuigenis zeer veel gelegen, mijnheer Lebaudy, onderzoek nauwkeurig het poststempel en den omslag, opdat wij, zooals onze Engelsche wetten dat eischen, naar waarheid kunnen getuigen, dat deze brief door de post behoorlijk in onze tegenwoordigheid aan Mr. Veith is afgegeven,” sprak de notaris.

Mr. Lebaudy onderzocht den brief zeer scherp en antwoordde:

„De brief is in ongeschonden toestand.”

„Dan zal ik hem openen,” sprak Mr. Veith.

Met zijn zakmes sneed hij het couvert open en haalde er een vel postpapier en een blauw linnen couvert uit, dat voor het antwoord bestemd was.

Op het oogenblik, waarop de Afrikaner den inhoud te voorschijn haalde, lieten de aanwezige heeren een luid „Ah!” hooren.

Voorzichtig legde de mijnbezitter het couvert op tafel en las:

Mijn inniggeliefde James.

Sedert jij weg bent, voel ik mij in Londen eenzaam en verlaten. Het is mij alsof de zon niet meer schijnt. O, mijn geliefde, ik zou nooit hebben geloofd, dat ik een man in zoo korten tijd zoo vurig en innig zou kunnen beminnen als ik dat jou doe. Je brief heb ik eerst twee uur nadat hij in huis was in handen ontvangen. Door de vele correspondentie, die ik krijg, bleef hij onopgemerkt tusschen de overige brieven liggen. Ik zend je daarom een couvert zooals ik ze gebruik en verzoek je, dit voor het antwoord te willen reserveeren! Mijn portier, mijn bediende, mijn kamermeisje hebben de opdracht, zoodra de brievenbesteller het blauwe couvert brengt, het mij direct te overhandigen. Schrijf alsjeblieft dadelijk. Verlangend ziet je antwoord tegemoet, je je eeuwig liefhebbende

EVELIN.

N.B.: Heb je mij nog lief?”

„Jawel!” riep de notaris uil, „ik houd ook al van haar! Vervloekt, heer chef van politie, dit is de meest duivelachtige, de meest geslepen misdaad, waarvan ik ooit heb gehoord!”

Monsieur Lebaudy keek den notaris vol verbazing aan.

„Mag ik vragen, hoe deze zaak in elkaar zit? Tot nu toe heb ik nog niet het geringste vermoeden van een misdaad.”

„Daar ligt het, daar!” antwoordde de notaris, met zijn rechterhand naar het blauwe couvert wijzende.

De chef van politie keek naar het couvert, dat er zoo onschuldig uitzag en sprak op twijfelenden toon:

„Bedoelt gij die blauwe enveloppe?”

„Ja! Die verbergt den dood voor u, voor mij en voor iedereen, die, zonder het geheim te kennen, het couvert zou gebruiken.”

„Dat blauwe couvert?” vroeg monsieur Lebaudy nogmaals.

„Dat draagt den dood met zich mee!” sprak nu ook Mr. Veith.

De politiebeambte stond op en bekeek het voorwerp van alle kanten.

„Niet waar?” vroeg de notaris, „men ziet niet aan het ding, wat het werkelijk is—maar ik zal het u verklaren:

Gij weet, dat de afzendster van den brief verzocht, het couvert voor het antwoord te gebruiken. Om dit te doen, zou Mr. Veith de gegomde klep moeten sluiten, nietwaar?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde de chef van politie.

„Welnu, om dit te doen, moet men den gegomden rand bevochtigen.”

„Zeer zeker!”

„Wee u, wanneer gij of een ander den gomrand met [26]de lippen aanraakt, gij zoudt binnen eenige seconden een lijk zijn.”

Een zacht „mille tonnerres!” weerklonk van de lippen van den chef van politie.

„Ik heb,” sprak Mr. Veith, „om u een bewijs te leveren van dezen misdadigen toeleg, een paar witte muizen gekocht. Ik zal nu met een klein schaartje stukjes van den gegomden rand afsnijden en deze aan de diertjes te vreten geven. Gij zult de uitwerking dadelijk zien.”

Hij nam een schaar, sneed smalle papierstrookjes af en wierp deze in de kooi.

Met groote opmerkzaamheid stonden de drie heeren om de kooi om te zien wat er gebeurde.

Het diertje had het stukje papier opgeknabbeld en begon aan een tweede.

Een paar seconden speelde het nog hiermede; plotseling wierp het zich op den rug, rillingen voeren door het kleine lichaam, het stiet een angstig piepend geluid uit en een seconde later was het dood.

De mannen durfden nauwelijks ademhalen.

Met strakke oogen keken zij naar het onschuldige, kleine slachtoffer.

Daarop riep de Afrikaner:

„Blauwzuur, monsieur Lebaudy!”

De chef van politie nam een zakdoek en waaide zich koelte toe. Het gebeurde had hem zeer aangegrepen.

De onmenschelijke wreedheid, de gemeenheid en list, waarmee deze misdaad was uitgedacht en voorbereid, waren zelfs voor hem ongekend.

„Ik hoop,” sprak notaris Barrison, „dat ik u volkomen overtuigd heb.

De misdaad moest gepleegd worden op een persoon, die zich hier in de Fransche hoofdstad bevindt. Gij zijt derhalve als chef der veiligheidspolitie de aangewezen persoon, om de vervolging dezer zaak op u te nemen.”

„Natuurlijk,” antwoordde de chef van politie, „sta mij toe, dat ik dit couvert dadelijk door onzen scheikundige laat onderzoeken.

Van den uitslag van dit onderzoek hangt het verdere verloop der zaak af.”

Lebaudy borg het corpus delicti zorgvuldig in zijn portefeuille.

Daarop nam hij ook den brief, dien mr. Veith had ontvangen, tot zich.

Den volgenden morgen reeds zou hij den uitslag meedeelen.

Het onderzoek, dat de scheikundige der politie nog dien nacht deed, had het verwachte resultaat.

De kleefstof van het couvert bestond uit een gomoplossing, welke sterk vermengd was met blauwzuur.


Reeds met de eerstvertrekkende stoomboot reisden mr. Veith, notaris Barrison en monsieur Lebaudy naar Londen.

De Fransche politieambtenaar moest, om miss Evelin Bonn gevangen te kunnen nemen, zich in het bezit stellen van een bevel tot inhechtenisneming, afkomstig van de Londensche politie, en zoo waren ook Londensche detectives noodig om de giftmengster in verzekerde bewaring te stellen.

Zoodra zij in de Theemsstad waren aangekomen, begaf notaris Barrison zich met monsieur Lebaudy naar Scotland Yard, om Baxter met het voorgevallene in kennis te stellen en de noodige formaliteiten in orde te brengen.

Mr. Veith daarentegen had voor korten tijd afscheid van zijn beide reisgezellen genomen en als plaats van ontmoeting het bureau van den notaris opgegeven.

Mr. Barrison wist echter, dat zij hem terug zouden zien.

Nog eenmaal drukte hij hem de hand en bedankte hem hartelijk voor de hulp, die hij in deze zaak had geboden. [27]