Miss Evelin Bonn was in een zeer zenuwachtige bui. Zij en haar vader zaten in haar weelderig ingericht boudoir.
Reeds urenlang wachtte zij op den brief Van mr. Veith, en zij kon zich niet verklaren, waarom deze wegbleef.
„De Afrikaansche millionnair zal door zaken verhinderd zijn geweest,” sprak haar vader, „het is niet noodig, dat je je daarover opwindt.”
Op dit oogenblik trad een bediende binnen en meldde:
„Een heer, die zijn naam niet wil noemen, wenscht de lady te spreken.”
Miss Evelin Bonn haalde misnoegd de wenkbrauwen op en sprak:
„Ik ben niet voor naamlooze menschen te spreken.”
De bediende ging heen.
„Ik heb een gevoel, alsof wij een onaangename tijding zullen krijgen,” zei miss Evelin tot haar vader.
„Je bent zenuwachtig.”
„Ik kan het niet helpen. Vannacht is mij de doode graaf van Heresford verschenen om mij naar het altaar te leiden.”
„Je ziet spoken en—”
Verder kon de oude niet spreken.
Als verlamd van schrik staarde hij naar de deur, waardoor een gemaskerd heer binnenkwam.
„Ik ben gewend, om ontvangen te worden,” sprak de indringer, „en wensch een onderhoud met u te hebben.”
„Roep de politie!” riep miss Bonn tot haar vader.
De gemaskerde lachte, nam plaats alsof hij thuis was en stak een sigarette aan.
„Wel,” sprak hij op onverschilligen toon, „roep de politie als getuige bij ons onderhoud. Dit zal zeer interessant voor haar zijn.”
Miss Bonn beefde plotseling over haar geheele lichaam.
Een bang voorgevoel maakte zich van haar meester.
„Wie zijt gij? Wat wilt gij?” vroeg zij met moeite.
„Ik kom uit naam van den graaf van Heresford,” antwoordde de gemaskerde.
Een kreet weerklonk door het boudoir.
De oude had intusschen zijn zelfbeheersching teruggekregen.
„Houd uw ongepaste aardigheden voor u, mijnheer, en maak mijn dochter niet verschrikt,” riep hij op barschen toon.
„Oho,” lachte de gemaskerde, „is het lieve duifje zoo vreesachtig? Dat had ik niet gedacht.”
„Zeg, wat gij hier komt doen. Ik heb geen lust, mij langer met u bezig te houden.”
„Maar ik wel,” hoonde de gemaskerde, „ik breng zooveel tijd voor u mee, als de graaf van Heresford noodig heeft om weer uit zijn graf te voorschijn te komen.”
Nu begon ook de oude Bonn bang te worden.
Een nieuwe gil weerklonk.
„De lady heeft werkelijk zenuwen,” spotte de indringer, „en daarom zal ik u niet langer lastig vallen dan noodig is. Namelijk—”
Hij kruiste zijn beenen over elkaar en fixeerde met zijn zwarte oogen de schoone miss eenige seconden.
„De graaf van Heresford bracht mij gisteren een bezoek.”
„De graaf is dood!” viel de oude hem in de rede.
„Natuurlijk is hij dood,” lachte de onbekende, „daarom komt hij ook niet zelf, maar zendt mij. Ik ben namelijk sinds zijn dood zijn buurman.”
„Hij is krankzinnig,” fluisterde miss Bonn haar vader toe.
„Gij vergist u, lady,” antwoordde de gemaskerde, „ik ben niet zoo krankzinnig als uw vrienden, die zich door uw schoonheid laten betooveren en dan met u in blauwe couverts correspondeeren.”
Miss Bonn rilde opnieuw.
Zij werd bang voor dezen bezoeker.
Ook de oude Bonn voelde bij de laatste woorden van [28]den vreemdeling zijn knieën knikken en moest plaats nemen.
„Blauwe couverts,” vervolgde de geheimzinnige vreemdeling, „zien er aardig uit en zijn solide, maar gevaarlijk! Ik zou liever rose gebruiken.”
Miss Bonn hijgde naar adem.
Haar vader had het koude zweet op het voorhoofd.
„De graaf van Heresford, mijn buurman, heeft mij gezworen, dat hij nooit weer een blauw couvert wil gebruiken. Hij zal dien eed wel houden, want hij is dood. Hij gaf mij opdracht, daar hij, toen hij zijn testament maakte, krankzinnig was en geheel vergeten had, dat hij twee arme studeerende neven bezit, u te bevelen, mij een verklaring te geven, dat gij afstand doet van de nalatenschap ten behoeve zijner beide arme bloedverwanten.”
Miss Bonns oogen fonkelden van haat.
„Gij wilt ons dus afpersen?” riepen het jonge meisje en de oude man op verschrikten toon. (Zie het titelblad.)
De gemaskerde antwoordde lachend:
„Als gij het afpersing wenscht te noemen, dan ja. Ik houd mij bij voorkeur met dergelijke afpersingen bezig. Om het kort te maken, ik heb geen tijd genoeg om van u een schriftelijk antwoord te vorderen met ingesloten een voor de gezondheid bevorderlijk couvert van blauw- blauw-, drommels! bijna zou ik zeggen blauwzuur! Zeker omdat dat woord ook met blauw begint. Ik bedoel echter: van blauw linnenpapier.”
De met ringen getooide en van diamanten vonkelende handen van Miss Bonn omklemden krampachtig de leuning van haar stoel.
Alles in de kamer begon voor haar oogen te draaien.
Zij voelde zich een onmacht nabij.
„Ik ben bereid,” fluisterde zij nauwelijks hoorbaar, „aan den wensch van den graaf van Heresford te voldoen.”
„Dat zul je niet doen,” riep de oude Bonn uit, terwijl hij zich met een dolk in de hand op den gemaskerde wierp.
Deze was echter op een dergelijken aanval voorbereid.
Voordat de oude hem kon bereiken, gaapte hem de mond van een Browning-pistool tegen.
„Schiet niet!” riep miss Bonn, haar handen angstig smeekend opheffend.
„Stel u gerust,” lachte de vreemdeling, „het is maar een grap, die wij drijven, om onze zenuwen op de proef te stellen. Steek dien dolk weer bij u, mr. Bonn. Ik erken, dat uw zenuwgestel niets te wenschen overlaat.”
„De duivel woont in u!” knarsetandde de oude en ging weer naar zijn stoel terug.
„Ga nu aan uw schrijftafel zitten!” beval de gemaskerde de sidderende miss Bonn, „en schrijf wat ik u zal dicteeren.”
De diva waagde het niet, zich te verzetten en deed wat haar bevolen werd.
„Neem blauw schrijfpapier,” riep de vreemdeling, „en zet nu het volgende:
„Bij dezen verklaar ik onder eede, dat mij de nalatenschap van den graaf van Heresford niet rechtmatig toekomt en ik er geen aanspraken op kan of wil maken. De graaf van Heresford heeft het testament onder mijn invloed opgemaakt.
Miss EVELIN BONN.”
De onbekende stond op, nam de nog natte verklaring en las deze.
Bevredigd gaf hij het papier aan haar terug en sprak:
„Neem nu een blauw couvert en adresseer het op deze wijze:
„Aan notaris Barrison,
Londen, Broadstreet.”
Weer gehoorzaamde miss Bonn.
De gemaskerde overtuigde zich er van, of het adres juist was, gaf het couvert aan miss Bonn terug en sprak:
„Sluit den brief nu hierin en— —sluit, alstublieft het couvert. Het blauw—blauwzuur,—och, hoe kom ik toch telkens aan dat woord, het blauwe papier zal geen schadelijke gevolgen hebben voor u, wanneer gij eraan likt.”
Hij lachte spottend, toen miss Bonn het couvert sloot, terwijl een lijkkleur haar gelaat overtoog.
„Vergeet den postzegel niet.”
Nadat miss Bonn ook deze had opgeplakt, stak de gemaskerde den brief in zijn zak.
„Zie zoo, nu heb ik met u afgehandeld. De doode graaf zal nu rustig kunnen slapen. Ik wensch u hetzelfde.”
Hij ging naar de deur, opende deze half en bleef toen staan, terwijl hij sprak:
„Ik voel mij nog verplicht u mijn naam te noemen.”
Hij wachtte eenige oogenblikken, toen klonk het scherp en duidelijk:
„John Raffles!”
Op hetzelfde moment was de deur achter hem dicht gevallen en met doodsbleeke gezichten keken vader en dochter elkaar aan. [29]
„Wij zijn ontmaskerd,” kermde miss Bonn, „wij moeten vluchten, voordat het te laat is.”
„Nonsens!” schreeuwde de oude man, „de graaf heeft opvolgers genoeg. Wij zullen de schade wel weer inhalen.”
„Ik wist, dat ons heden iets onaangenaams zou overkomen,” zuchtte Evelin.
„Houd je goed. Lord Turkington kan elk oogenblik komen.”
„Begrijpt gij, hoe Raffles ons geheim ontdekt kan hebben?”
„De duivel hale dien kerel! Neen, ik begrijp het niet!” [30]