[Inhoud]

IX.

LAATSTE POGINGEN IN EEN LAATSTEN STRIJD.

Andreas Ferrato hoorde dat stilzwijgend aan.

Hij had niets in zijn brein gevonden om graaf Sandorf te antwoorden. Zijn Corsicaansch bloed kookte in hem. Hij had de beide vluchtelingen vergeten, voor welker redding hij zooveel op het spel gezet had. Hij dacht slechts aan den Spanjaard; hij zag slechts Carpena! [149]

„Die ellendeling! O, die ellendeling!” mompelde hij eindelijk. „Ja! hij weet alles! Wij hangen geheel en al van zijne genade af! ik had het moeten begrijpen!”

Mathias Sandorf en Stephanus Bathory keken den visscher met een beklemd gevoel aan. Zij wachtten reikhalzend wat hij zeggen, wat hij doen zou. Er mocht geen enkel oogenblik verloren gaan. Er moest gehandeld, dadelijk gehandeld worden. Het verraad, dat werk des duivels, was waarschijnlijk reeds geschied.

„Heer graaf,” sprak eindelijk Andreas Ferrato, de politie kan ieder oogenblik mijne woning overvallen en binnenstormen. Ja! die ellendige bedelaar moet alles weten of ten minste moet hij onderstellen dat gijlieden hier zijt! Het is een koop, dien hij mij heeft komen voorstellen! Mijne dochter tot prijs voor zijne stilzwijgendheid. Hij zal u ten val brengen om zich op mij te wreken! Helaas, wanneer de politie-agenten komen, zal het onmogelijk zijn te ontsnappen en dan zult gij andermaal gevangen genomen worden. Ja, inderdaad, gij moet dadelijk vluchten!”

„Gij hebt gelijk, Andreas Ferrato,” antwoordde graaf Mathias Sandorf, „maar vóórdat wij scheiden, laat mij u bedanken voor al hetgeen gij voor ons gedaan hebt, en voor hetgeen gij voor ons doen wildet.…”

„Wat ik doen wilde, wil ik nog doen,” sprak Andreas Ferrato hoogst ernstig.

„Dat weigeren wij!” antwoordde Stephanus Bathory.

„Ja, dat weigeren wij,” vulde graaf Sandorf aan. „Gij hebt u reeds te veel blootgegeven en in gevaar gesteld! Wanneer men ons bij u ontdekt, dan veroordeelt men u tot de galeien!”

„Om het even!” riep de visscher uit.

„Kom Stephanus, laten wij deze woning verlaten om te vermijden dat wij er den ondergang en het ongeluk brengen!”

„Maar, heer graaf.…”

„Laten wij vluchten, dat ’s goed; maar alleen vluchten!”

Andreas Ferrato greep den graaf bij de hand.

„Waar zoudt gij heen gaan? Al de autoriteiten des lands zijn op de been en waakzaam. De politieagenten en de maréchaussées doorkruisen nacht en dag het veld in den omtrek. Er is geen enkel veilig punt op de kust, waar gij u zoudt kunnen inschepen, er bestaat geen enkel voetpad, waarlangs gij de grens veilig zoudt kunnen bereiken! Zonder mij vertrekken, is zeker den dood tegemoet snellen!”

„Volgt mijn vader, heeren,” voegde Maria er bij. „Wat er ook geschiede, hij doet zijn plicht door te pogen u te redden!”

„Goed zoo, mijne dochter,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ja waarlijk, het is slechts mijn plicht, dierbaar kind! Uw broeder wacht ons reeds bij de jol. De nacht is zeer donker. Vóórdat wij [150]ontdekt zullen wezen, zullen wij in volle zee zijn. Omhels mij, Maria, omhels mij, kindlief, en heeren, laten wij vertrekken!”

Toch wilden graaf Sandorf en zijn lotgenoot niet toegeven. Zij weigerden een dergelijk offer aan te nemen. Zij wilden dat huis wel dadelijk verlaten, om den visscher niet verder in gevaar te brengen. Ja zeker. Maar vertrekken onder zijne leiding, wanneer er de galeien op stonden! Neen! dat wilden zij niet!

„Kom dan toch!” zei Mathias Sandorf tot Stephanus Bathory, terwijl hij hem meetrok. „Als wij eenmaal buiten zijn, dan valt er alleen voor ons zelven te vreezen!”

En beiden waren op het punt om door het geopende venster te ontwijken, om over het kleine erf hetzij de kust te bereiken, hetzij zich naar het inwendige der provincie te begeven toen Luigi binnen stormde.

„De politieagenten!” zei hij.

„Vaarwel!” riep graaf Sandorf uit.

En gevolgd door zijn lotgenoot sprong hij het venster uit.

Juist in dat oogenblik drong een bende politiedienaren de huiskamer van den visscher binnen.

Carpena geleidde hen.

„Ellendeling!” zeide Andreas Ferrato.

„Dat ’s mijn antwoord op uwe weigering!”

De visscher werd gegrepen en in een ondeelbaar oogenblik gebonden. Terzelfder tijd hadden de agenten de woning bezet en al de kamers daarvan onderzocht. Het open raam wees hen den weg aan, dien de vluchtelingen genomen hadden. Zij ijlden dadelijk ter hunner vervolging naar buiten.

De beide rampzaligen bereikten toen juist de heg, die het erf omheinde en van de kleine beek afscheidde. Graaf Sandorf was er in één sprong over, daarna hielp hij Stephanus Bathory, die minder vlug was, om er over te klauteren. Een geweerschot weerklonk op nog geen vijftig passen van hen.

Stephanus was door een geweerkogel aan den schouder getroffen, hoewel niet levensgevaarlijk. Maar zijn arm was verlamd en hij was onmachtig de pogingen van zijn makker te ondersteunen.

„Vlucht,” riep hij hem toe. „Vlucht Mathias.”

Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven,” antwoordde graaf Sandorf, na andermaal beproefd te hebben zijn gewonden makker in zijne armen op te tillen.

„Vlucht, Mathias!” herhaalde Stephanus Bathory.

„Neen! neen!”

„Vlucht en leef om de verraders te straffen!”

Die laatste woorden klonken als een bevel in de ooren van graaf Sandorf. [151]

De magnaat van Transsylvanië, de samenzweerder van Triëst, de makker en deelgenoot van Stephanus Bathory en van Ladislas Zathmar moest plaats maken voor den straffenden rechter!

De politieagenten, die op hunne beurt het uiteinde van het kleine erf bereikt hadden, wierpen zich in dit oogenblik op den gekwetste. Wanneer graaf Sandorf nog eene enkele seconde aarzelde, dan moest ook hij in hunne handen vallen!

„Vaarwel, Stephanus, vaarwel!” riep hij uit.

En met een vervaarlijken sprong wipte hij over de beek, die langs de heg vloot en verdween hij in de duisternis.

Vijf of zes geweerschoten werden in die richting afgeschoten; maar de kogels troffen den vluchteling niet. Hij sprong terzijde en liep ijlings naar den kant der zee.

De politieagenten zaten hem evenwel op de hielen. Daar zij hem in het donker niet ontwaren konden, was het onmogelijk om hem voor te komen. Zij verspreidden zich, om hem den pas af te snijden, zoowel naar het innerlijke des lands, als naar den kant van de stad en van het voorgebergte, hetwelk de baai ten noorden van Rovigno omgeeft.

Een brigade maréchaussées schoot hen te hulp en bewoog zich zoo, dat graaf Sandorf geen andere weg open bleef, dan naar de kust. Maar daar, bij den rand der klippen aangekomen, wat zou hij daar doen?

Zou hij er in slagen eene sloep te bemachtigen, om zich daarmede op de Adriatische zee te wagen?

Daartoe zou hij den tijd niet hebben; want vóórdat hij het touw, waarmede ze aan den oever vast lag, losgemaakt zou hebben, zou hij onder de geweerkogels, die op hem afgezonden zouden worden, vallen.

Hij begreep evenwel al heel spoedig, dat de vlucht naar het oosten hem afgesneden zou zijn. Het geweervuur, de kreten door de politieagenten en door de maréchaussées uitgestooten, terwijl zij naderden, duidden hem genoegzaam aan, dat hij van achteren, naar den kant van het strand, omsingeld was.

Hij kon slechts naar de zee heenijlen en daarlangs ontvluchten.

Dat was ongetwijfeld een zekeren dood tegemoet loopen; maar was het niet beter die in de golven te vinden, dan ze af te wachten voor het executie-peloton op het binnenplein van de vesting te Pisino.

Graaf Sandorf spoedde zich dus naar het strand. In weinige sprongen had hij de eerste kabbelingen bereikt, die de branding tegen het strand opjoeg. Hij voelde als ’t ware de politieagenten achter zich. De geweerkogels, die in den blinde op hem afgevuurd werden, gingen rakelings zijn hoofd voorbij. [152]

Op een kleinen afstand van het strand staken hier op de kust van Istrië eene menigte rotstoppen uit zee op. Dat waren afzonderlijke klippen, die den oever dekten. Tusschen die klippen werden talrijke waterpoelen aangetroffen, die de uithollingen van den oever vulden. De meeste dier poelen waren diep, maar er waren er ook, waarin het water ternauwernood tot aan den enkel reikte.

Dat was de laatste uitweg, die nog voor graaf Mathias Sandorf openstond. Hoewel hij er niet aan twijfelen kon, dat hij den dood aan het uiteinde daarvan zou vinden, aarzelde hij geen oogenblik dien in te slaan.

Hij doorwaadde dan die poelen en sprong van rots tot rots. Maar daarbij werd zijn omtrek meer zichtbaar op den minder donkeren achtergrond van den gezichteinder. Dadelijk weerklonken kreten om hem aan te duiden, waarna de politieagenten hem achterna snelden.

Graaf Sandorf was vast besloten niet levend in hunne handen te vallen. Als de zee hem zou aanspoelen, dan zou het slechts zijn lijk zijn.

Die moeilijke jacht op die onvaste en gladde steenen, bedekt met glibberige zeegewassen, door die waterpoelen, waarin iedere pas eene struikeling of een val kon ten gevolge hebben, duurde meer dan een half uur. Het was den vluchteling gelukt een voorsprong te behouden, maar de vaste grond zou hem weldra ontbreken.

En inderdaad, hij kwam op een der laatste rotsen van de klippen-bank aan. Twee of drie politie-agenten waren nog slechts op tien passen van hem. De anderen volgden op ongeveer twintig schreden.

Graaf Sandorf verhief zijne gestalte toen. Een laatste kreet ontsnapte hem, een laatste kreet als vaarwel tot den hemel gericht. En op het oogenblik dat een aantal geweerschoten op hem gelost werden, sprong hij in zee.

Toen de politie-agenten bij het uiteinde der rotsbank gekomen waren, ontwaarden zij niets meer dan het hoofd van den vluchteling, dat slechts als een zwart punt verscheen en naar volle zee gekeerd was.

Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf opspatten. En ongetwijfeld moesten een of meer kogels hem getroffen hebben, want hij dook onder de golven om niet meer te voorschijn te komen.

Neen, niets, niets was meer te ontwaren!

De maréchaussées en de politie-agenten bleven, totdat de dag aangebroken was, de rotsbank, de klippen en het strand van het voorgebergte af ten noorden van de baai gelegen, tot voorbij het fort van Rovigno nauwkeurig bewaken. [153]

Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf opspatten. (Bladz. 152.)

Eene nieuwe losbranding deed het water rondom het hoofd van Mathias Sandorf opspatten. (Bladz. 152.)

[154]

Het was te vergeefs.

Niets duidde er op, dat graaf Sandorf ergens op die kust voet aan wal gezet had.

Iedereen was dan ook overtuigd, dat zoo hij niet door een kogel getroffen werd, hij verdronken was; dat hij in ieder geval dood was.

Intusschen met welke nauwgezetheid de nasporingen ook geleid en uitgevoerd werden, geen lijk werd in de branding ontwaard, noch op de kust gevonden. En toch strekten die nasporingen zich over eene kuststrook uit van meer dan twee uren gaans. Maar daar de wind van den kant van het land woei en de stroom naar het zuidwesten voerde, zoo bestond er geen twijfel of het lijk van den vluchteling was naar volle zee gedreven.

Graaf Sandorf, de Hongaarsche magnaat, had dus zijn graf in de golven van de Adriatische zee gevonden!

Dat was de meening, die na een zeer nauwkeurig onderzoek, als de meest natuurlijke door het Oostenrijksche gouvernement aangenomen werd.

Het recht moest dan ook zijn loop hebben.

Stephanus was, de lezer weet onder welke omstandigheden, gevat geworden. Hij werd gedurende den nacht, en vergezeld van een sterk bewakings-detachement, naar den vestingtoren van Pisino teruggevoerd. Daar werd hij, helaas! voor slechts weinige uren, in gezelschap van graaf Ladislas Zathmar opgesloten.

De terechtstelling werd toen vastgesteld op den volgenden dag, den 30sten Juni.

Stephanus Bathory had voorzeker gedurende die noodlottige uren zijne vrouw en zijn kind voor de laatste maal hebben kunnen weerzien. Ladislas Zathmar zou een laatsten handdruk van zijn getrouwen dienaar hebben kunnen ontvangen; want het bevel om hen in den vestingtoren te Pisino toe te laten, was behoorlijk gegeven.

Maar èn mevrouw Bathory met haren zoon, èn Borik, die uit de gevangenis losgelaten was, hadden Triëst verlaten. Niet wetende waarheen de gevangenen gevoerd waren, daar de inhechtenisneming zeer geheim was gehouden, waren zij in Hongarije en zelfs tot in Oostenrijk gaan zoeken; en toen het vonnis uitgesproken was, kon men hen natuurlijk niet bijtijds weêrvinden.

Stephanus Bathory moest dus die laatste vertroosting ontberen om zijn gade en zijn kind weer te zien. Hij kon hen den naam der verraders, die zijn leven verkocht hadden, niet mededeelen.

Alleen de gerechtigheid van graaf Mathias Sandorf zou die kunnen treffen.

Professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar werden te vijf uren op het binnenplein der vesting doodgeschoten. Zij stierven als mannen, die hun leven voor hun vaderland ten offer brachten. [155]

Silas Toronthal en Sarcany konden de hoop koesteren, dat zij tegen iedere weerwraak beveiligd waren. En inderdaad, het geheim van hun verraad was slechts bekend bij hen alleen en bij den gouverneur van Triëst.

Dat verraad, die snoode daad werd hen betaald met de helft der bezittingen van graaf Mathias Sandorf.

De andere helft werd als buitengewone gunst opgespaard en bewaard voor de erfgenamen van den graaf, wanneer zij hun achttiende jaar bereikt zouden hebben.

Noch Silas Toronthal noch Sarcany ondervonden eenige wroeging over hunne schandelijke daad. Zij konden dan ook in rust en vrede genieten van de rijkdommen, door dat afschuwelijk verraad verkregen.

Eene ander verrader scheen ook niets te vreezen te hebben. Dat was de Spanjaard Carpena, wien de bloedprijs, de premie van vijf duizend gulden, die aan den verklikker uitgeloofd werd, uitgereikt was.

Maar konden de bankier Silas Toronthal en zijn medeplichtige Sarcany in Triëst met opgeheven hoofde rondwandelen, daar hun geheim bewaard was gebleven, Carpena moest onder het gewicht der algemeene afkeuring en verontwaardiging de wijk nemen en Rovigno verlaten. Maar wat kon hem dat schelen! Hij had niets meer te vreezen, zelfs niet de wraak van Andreas Ferrato.

De visscher was inderdaad gevangen genomen, terechtgesteld en tot levenslange galeistraf veroordeeld geworden, omdat hij eene schuilplaats aan de vluchtelingen verleend had. Maria was thans met haren jongeren broeder Luigi alleen. Helaas, armoede en ellende wachtten hen in dat huis, waaruit de vader gesleurd was, zonder er weer te keeren!

Zoodat drie ellendelingen, alleen uit een hebzuchtig gevoel, zonder dat een zweem van haat hen tegen hunne slachtoffers in het harnas joeg,—Carpena hiervan misschien uitgezonderd—de een om zijn wankelende bankierszaken te herstellen, de twee anderen om rijkdommen te verwerven, niet waren teruggedeinsd om zulk een gruwel te beramen en te bedrijven.

Zou zulk een schandelijke daad op aarde ongestraft blijven?

Helaas! Gods rechtvaardigheid wordt niet altijd bespeurd.

Zouden graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory, die drie vaderlandslievende mannen, zoude Andreas Ferrato, de nederige visscher, het edele hart, ongewroken blijven?

Het antwoord daarop blijft aan de toekomst over.

EINDE VAN HET VOORSPEL.

[157]