[Inhoud]
I.

I.

PESCADOSPUNT EN KAAP MATIFOU.

Vijftien jaren zijn verloopen sedert de laatste gebeurtenissen, bij het einde van het voorspel dezer geschiedenis verhaald, voorgevallen waren.

Het was den 24en Mei 1882 een feestdag te Ragusa, een der voornaamste steden van de Dalmatische provinciën.

Dalmatië is slechts een smalle landtong, welke tusschen het noorder gedeelte der Dinarische Alpen, tusschen Herzegowina en de Adriatische zee gelegen is. Er is daar juist plaats voor eene bevolking van vier of vijf maal honderd zielen, die evenwel wat opeengehoopt moeten leven.

De Dalmaten vormen een fraai ras, dat zeer sober in die dorre schrale landstreek, waar de teelgrond zeldzaam aangetroffen wordt, leeft. Zij zijn fier gebleven te midden der staatkundige beroeringen, welke zij ondergaan hebben; zij zijn uiterst trotsch tegenover Oostenrijk, waaraan zij vastgeklonken werden door het verdrag van Campo Formio, hetwelk op dat punt bij den vrede van Parijs in 1815 bevestigd werd. Zij zijn eerlijk als goud, en hebben ten volle verdiend dat hun land, volgens eene vleiende uitdrukking van den heer Yriartes, „het land der deuren zonder sloten” genoemd werd!

Dalmatië wordt in vier kringen verdeeld, die op hunne beurt in districten onderverdeeld zijn. Dat zijn: de kringen van Zara, van Spolato, van Cattaro en van Ragusa. De gouverneur-generaal heeft zijne residentie te Zara, welke stad dientengevolge de hoofdplaats van de provincie is. Te Zara komt de Landdag bijeen, waarvan enkele leden deel uitmaken van de Kamer van vertegenwoordiging te Weenen.

De tijden zijn wel veranderd sedert de XVIde eeuw, toen de Uskoken, die niets anders dan gevluchte Turken waren, in open oorlog zoowel met de Muzelmannen als met de Christenen verkeerden, zoowel met den Sultan van Constantinopel als met den Doge van Venetië. Zij waren de schrik der Adriatische zee. Maar de Uskoken [160]zijn verdwenen en men vindt van dien volksstam nergens anders een spoor terug dan in de Carniòla. De Adriatische zee is dus heden ten dage even veilig als eenig ander gedeelte van die prachtige en dichterlijke Middellandsche zee.

Ragusa of beter gezegd: de kleine staat Ragusa, is langen tijd republikeinschgezind geweest en was dat voor Venetië, dat wil zeggen, reeds sedert de IXde eeuw. Het was eerst bij decreet van Napoleon I dat Ragusa in 1809 bij het koninkrijk Illyrië gevoegd werd, om het als hertogdom aan den maarschalk Marmont te schenken.

Reeds in de IXde eeuw vertoonden zich de schepen van Ragusa in alle de Levantsche zeeën en hadden den alleenhandel met de ongeloovigen tot zich getrokken. De Heilige Stoel had dien alleenhandel goedgekeurd, waardoor aan Ragusa een groote voorrang geschonken werd te midden van die kleine republieken van Zuid-Europa. Maar Ragusa onderscheidde zich nog door andere meer edele hoedanigheden. De goede naam harer geleerden, de roem van hare letterkundigen, de goede smaak van hare kunstbeoefenaars, hadden haar den naam van Slavonisch Athene verschaft.

Evenwel voor den handel ter zee is een goede haven met diepen ankergrond noodig, die schepen van groote tonnenmaat kan opnemen. Maar die haven ontbreekt aan Ragusa. Hare haven is smal en gevaarlijk van wege de rotsen, die nagenoeg met de waterlijn gelijk liggen, zoodat niets anders dan kustvaarders en visschersschuiten eene veilige ligplaats vinden.

Gelukkig heeft de natuur als altijd, op een half uur afstands ten noorden, in een van die inkeepingen van de baai van Ombla Fiumera, grillig een van die overheerlijke havenkommen gevormd, die de meest mogelijke hulpmiddelen en gemakken aan de meest ontwikkelde scheepvaart aanbieden. Die havenplaats ligt te Gravosa, de beste wellicht van de geheele Dalmatische kust. Daar is water genoeg voor de meest diepgaande bodems, zelfs voor oorlogsschepen; daar ontbreekt de ruimte niet voor het krengen en voor het dokken der schepen, ook niet voor de scheepstimmerwerven. Daar eindelijk kunnen die groote pakketbooten aanleggen, die der wereld in het tweede gedeelte dezer eeuw deelachtig zijn geworden.

Daaruit volgt dus dat op het tijdstip van dit verhaal, de weg van Ragusa naar Gravosa een ware boulevard was geworden, die ter weerszijden met fraaie boomen beplant en omzoomd was met heerlijke villa’s, terwijl de geheele bevolking der stad, die toen op zestien- of zeventienduizend inwoners kon gerekend worden, zich langs dien weg verdrong.

Nu kon men dien dag tegen vier uren in den namiddag bespeuren, dat de bewoners van Ragusa, na een heerlijken lente-ochtend genoten te hebben, zich naar Gravosa begaven. [161]

Ragusa. (Bladz. 160.)

Ragusa. (Bladz. 160.)

[162]

In die voorstad—en zoo kon Gravosa, bij de poorten der stad gelegen, toch inderdaad genoemd worden, niet waar?—was er toen feest. Verscheidene tenten en kermiskramen waren daar aanwezig, muziek en danspartijen in de open lucht hadden daar plaats, terwijl kwakzalvers, kunstenmakers, koorddansers, steltloopers, wier geschreeuw en gekakel, wier muziekinstrumenten en liederen groot spektakel in de straten, ja tot op de haven maakten, allerwege aangetroffen werden.

Voor een vreemdeling zou die dag een buitenkansje geweest zijn, om de verschillende typen van het Slavonische ras, dat zich daar vermengd met Bohemers van allerlei gehalte verdrong, te bestudeeren. Niet alleen waren de Nomadische bevolkingen toegestroomd, om er de nieuwsgierigheid van de ingezetenen te ontginnen, maar ook de boerenlui en de bergbewoners waren komen opdagen, om hun deel van de openbare vermakelijkheden te genieten.

Het vrouwelijk geslacht was er in groot getal vertegenwoordigd: dames uit de stad, boerinnen uit den omtrek, visschersvrouwen van de kust, die allen wemelden door elkander. Bij de eerstbedoelden was de poging merkbaar, om hare kleeding met de laatste mode van Westelijk Europa te doen overeenstemmen. Wat de anderen betreft, hare tooi verschilde minstens in eene bijzonderheid, naarmate van het district, vanwaar de draagsters afkomstig waren. Hier zag men witte hemdjes met geborduurde mouwen en borstrokken, elders jakken met veelkleurige figuren versierd, dan weer fraaie gordels met honderden ja duizenden zilveren spijkerkopjes bezaaid. Het alles geleek op een mozaïekwerk, waarin de kleuren in elkander vloeiden als op een fraai Perzisch tapijt. Hier werd een wit mutsje op dichte haarvlechten ontwaard, dat met veelkleurige linten getooid was; daar eene „okronga,” een soort sluier, die naar achteren afvalt, zooals de „puskul” van den Oosterschen tulband; en overal beenbekleeders en schoeisel, aan het been en aan den voet met bandwerk van stroo gevlochten vastgemaakt. En om al dien tooi en opschik te volmaken, blonken juweelen, in den vorm van armbanden, halssnoeren, of diademen van geldstukjes, op de meest kunstige wijze vervaardigd, om hals, armen, borst en midden te versieren. Die juweelen werden zelfs bij de kleeding van de landlieden aangetroffen, die ook den glinsterenden zoom van borduursels niet versmaden, waarmede de onderkant hunner japonnen versierd was.

Maar onder die verscheidene kleederdrachten der Ragusasche bevolking, welke door allen, zelfs door de zeelieden van de haven en de kust met smaak gedragen werden, was toch die der commissionnairs of boodschaploopers—een bevoorrecht gild—wel het meest geschikt om de aandacht te boeien. Die pakjesdragers zijn inderdaad als ware Oosterlingen uitgedost met tulband, vest, bovenkleed, [163]gordel, breede Turksche pantalon en babouchen of sloffen. Zij zouden op de kaden van Galata of op het plein Top’hané te Constantinopel volstrekt niet misplaatst zijn.

De feestvreugde was toen tot haar toppunt geklommen en de luidruchtigheid het hoogst. De kramen zoowel in de straten als op de kaden waren overvuld. Er bestond bovendien nog eene bijzondere aantrekkingskracht, die wel geschikt was om een zeker aantal nieuwsgierigen, leegloopers en lanterfanten te verleiden en meê te slepen, en dat was het te water laten van eene „trabucolo,” een soort vaartuig, dat alleen in de Adriatische zee aangetroffen wordt en twee masten ieder met twee zeilen voert, welke op schuin oploopende ra’s aangeslagen zijn.

Het te water laten zou tegen zes uren in den avond plaats hebben, en de romp der trabucolo was reeds bevrijd van de steunpalen en wachtte slechts op het wegnemen van de sleutelwiggen, om te water te loopen.

Maar tot op dat uur wedijverden de kunsten- en potsenmakers met de rondreizende muzikanten en met de koorddansers in talent of behendigheid, tot groot genoegen van de menigte.

Het waren toen de muzikanten, die het meest de toeschouwers tot zich trokken. Onder hen bevonden zich guzlars of bespelers van de guzla en die haalden het meeste geld op. Terwijl zij zich met hunne zonderlinge speeltuigen begeleidden, zongen zij met eene keelgeluidachtige stem hunne nationale gezangen en liederen, en die waren inderdaad wel waard, dat men een oogenblik stilstond om ze te hooren.

De guzla, waarvan die straatkunstenaars zich bedienen, is een instrument met een langen hals, waarover verscheidene snaren gespannen zijn en waarop zij eenvoudig met een enkelen kattendarm zagen. Wat de stem der zangers betreft, deze laatsten loopen geen gevaar, dat hun de noten ontbreken zullen, want zij gaan ze zoowel boven in hun hoofd als beneden in de borstholte zoeken.

Een van die zangers,—een groote lummel, met gele huid en bruin haar,—hield zijn instrument tusschen zijne knieën evenals een oude violoncel, die uitgeteerd zoude zijn. Hij zong en mimeerde door houding en gebaren eene canzonetta, waarvan hieronder de vertaling volgt:

Wanneer weerklinkt het lied,

Het lied der Singare;

U ontsnappe dan niet,

Hoe zij zingt dat haar lied

Want: Beware!

Pas op voor de Singare![164]

Blijft ge echter ver van haar

Van haar verteerende blikken

Dan is er weinig gevaar

Dan kunt ge het nog ontglippen!

Na dat eerste couplet trad de zanger met het traditioneele bakje in de hand op de menigte toe, om hun de gift van een paar kleine koperen muntstukken af te bedelen. Maar hetgeen hij opgehaald had, bedroeg, scheen het, niet veel, want hij keerde naar zijne plaats terug en poogde zijn gehoor te verteederen met een tweede couplet van de canzonetta.

Een man, ongeveer vijftig jaren oud, hoorde dat gezang dier Bohemers rustig aan. Maar hij scheen weinig gevoelig voor zooveel dichterlijke verleidingen; want zijne beurs bleef tot nu toe opgeborgen en gesloten. Het is waar, dat de Singare zelve, waarvan de canzonetta sprak, met hare verteerende blikken niet gezongen had, maar wel de lange lummel, die zich tot haren tolk gemaakt had. Hij was dan ook op het punt om heen te gaan, zonder iets betaald te hebben, toen een jong meisje, die den toehoorder begeleidde, hem weerhield met de woorden:

„Vader, ik heb geen geld bij mij. Ik bid u, geef toch iets aan dien braven man.”

Dat was de reden, waarom de guzlar vier of vijf kreutzer meer ontving dan wel geschied zou zijn zonder de tusschenkomst van het jonge meisje. Niet dat haar vader, die zeer rijk was, zulk een gierigaard genoemd kon worden, dat hij een aalmoes zou weigeren aan een kermismuzikant. Neen, maar waarschijnlijk behoorde hij niet tot hen, die door de menschelijke ellende bewogen kunnen worden.

Beiden drongen door de menigte heen en gingen naar de andere kramen, waar het niet minder luidruchtig toeging, terwijl de guzla-bespelers zich in de nabij gelegen herbergen en kroegen verspreidden, om het ontvangen geld in vocht voor de keel om te zetten. Zij gingen dan ook niet zuinig om met de „slivo-vitza”, een soort zeer sterke brandewijn, die door de distillatie van pruimen verkregen wordt en die in weerwil van zijne alcoholische kracht, als stroop door die Bohemer kelen vloot.

Die kunstbeoefenaars in de open lucht, hetzij het zangers, hetzij het koorddansers of grappenmakers waren, erlangden niet allen even gelijkelijk de gunsten van het publiek. Onder de minstbegunstigden kon men twee acrobaten ontwaren, die te vergeefs hunne kunsten op eene verhevenheid van planken aan den man poogden te brengen. Zij hadden evenwel geen toeschouwers.

Boven die verhevenheid prijkten afbeeldingen met schreeuwende [165]kleuren besmeerd en in vrij slechten staat verkeerende, waarop verscheurende dieren, in waterverf gekleurd en bedeeld met de meest grillige omtrekken, voorgesteld waren. Men zag daar leeuwen, jakhalzen, hyena’s, tijgers, boa’s enz. enz., die te midden van een onwaarschijnlijk, ja onmogelijk landschap sprongen of zich ontrolden.

Achter die verhevenheid stond eene kleine ronde tent, van oud zeildoek vervaardigd, die met zooveel gaten doorboord was, dat de nieuwsgierigen en onbescheidenen de verleiding niet konden weerstaan om er het oog bij te brengen en er door te gluren, hetgeen nadeelig voor de ontvangst moest zijn.

Vóór de verhevenheid stond een slecht bevestigde paal, waaraan eene oude leelijke plank vastgespijkerd was, die als het ware de kinderjaren van de uithangborden vertegenwoordigde en waarop deze vijf woorden grof en lomp met houtskool geschreven waren:

PESCADOS EN MATIFOU.

Fransche acrobaten.

Uit een lichamelijk oogpunt beschouwd,—en ongetwijfeld ook uit een zedelijk oogpunt,—verschilden die twee mannen zoo sterk van elkander als dat twee menschelijke wezens doen kunnen. Alleen had hun gemeenschappelijke oorsprong het kunnen bij elkander brengen om de wereld rond te trekken en den strijd des levens te zamen te aanvaarden. Beiden waren in de Provence geboren.

Hoe kwamen zij aan die zonderlinge namen, die waarschijnlijk daar ginds in hun ver verwijderd geboorteland eenige vermaardheid hadden?

Hadden zij die ontleend aan die twee geographische punten, waartusschen de baai van Algiers ingesneden is, namelijk tusschen kaap Matifou en kaap Pescados? Ja, zeker, en die namen pasten hen inderdaad volkomen, evenals die van Atlas aan een kermisreus of aan een straat-Hercules.

Kaap Matifou is een groote, stevige onwrikbare heuvel, die op het noordwestelijke uiteinde van de uitgestrekte reede van Algiers verrijst, alsof hij de ontketende elementen tartte en daardoor het gezegde der dichters verdiend heeft:

„Zijn onvernietigbare massa heeft den tijd vermoeid.”

Zoodanig was de athleet Matifou, een Alcides, een Porthos, een gelukkige mededinger van een Ompdrailles, van een Nikolaas Crestes en van andere beroemde worstelaars, die tot sieraad strekten van de zuidelijke worstelperken.

Die reus, zooals men hem noemde, en men moest hem gezien [166]hebben om het te gelooven, was meer dan zes voet hoog, had een omvangrijk hoofd en daaraan geëvenredigde schouders, eene borstkas als een smids-blaasbalg, beenen als boomstammen van twaalf jaren oud, armen als drijfstangen van een stoomwerktuig, en handen als nijptangen. In dien man zag men de menschelijke spierkracht in hare geheele heerlijkheid, en wanneer men naar zijn ouderdom vernomen had,—dien hij, tusschen twee haakjes gezegd, zelf niet wist,—dan zou men met verbazing gehoord hebben, dat hij ternauwernood zijn twee en twintigste jaar ingetreden was.

Dat kolossale wezen was stomp van begrip, maar had daarentegen ongetwijfeld een goed hart en een eenvoudig en zacht karakter. Hij kende noch haat noch gramschap. Hij zou nimmer iemand kwaad doen. Hij durfde ter nauwernood de hand te drukken, die hem gereikt werd, uit vrees van ze in de zijne te vermorselen. In den grond van zijne natuur, die zoo machtig was, bestond niets van den aard eens tijgers, waarvan hij toch de kracht bezat.

Hij gehoorzaamde dan ook op een woord of een wenk van zijnen makker, alsof een gril van den Schepper hem tot kolossalen zoon van dien mageren sprinkhaan geschapen had.

Als tegenstelling lag aan het westelijk uiteinde van de Algerijnsche baai, kaap Pescados, vlak tegenover kaap Matifou. Die landtong is smal, uitgerafeld, en bestaat slechts uit eene dunne rotsbank, die zich ver in zee uitstrekt. Vandaar de naam van Pescados, welke gegeven was aan dien jongen van twintig jaren, die klein, mager en tenger was en niet eens het vierde gedeelte in oude ponden woog, van hetgeen de andere kilogrammen op de weegschaal haalde. Maar hij was lenig, uitermate vlug in zijne bewegingen en had een schranderen geest en een onaantastbaar gelijkmatig humeur, zoowel in voor- als tegenspoed. Hij was een wijsgeer op zijn manier, daarbij vindingrijk en in de hoogste mate practisch. Hij kon het best vergeleken worden bij een aap, zonder diens boosaardigheid evenwel. Hij was door het toeval met onverbreekbare banden aan zijn makker, aan dien goeden, grooten, vetten dikhuid verbonden, dien hij door al de wisselvalligheden van een straatkunstenaarsleven geleidde.

Beiden waren acrobaten van beroep en liepen de kermissen af.

Matifou, of beter Kaap Matifou,—zooals hij gewoonlijk genoemd werd,—worstelde in de strijdperken, verrichtte allerhande daden van krachtsbetoon, boog ijzeren staven op zijn elleboogsbeen, tilde met stijf uitgestrekte armen de zwaarste personen van het gezelschap toeschouwers op en maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker, alsof dat een eenvoudige biljardbal ware geweest. [167]

En maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker. (Bladz. 168.)

En maakte kunsttoeren met zijn jeugdigen makker. (Bladz. 168.)

[166]

Pescados of Pescados-punt,—zooals de andere in de wandeling genoemd werd,—paradeerde, zong, speelde voor hansworst, vermaakte het publiek als pailjas door zijne geestige gezegden. Nimmer [168]bleef hij steken of het antwoord schuldig en hij verbaasde de menigte door zijne evenwichtstoeren, die hij uiterst behendig ten uitvoer bracht. Als hij dat niet deed, dan lokte hij aller goedkeuring uit, door goochelstukjes met kaarten, waarin hij inderdaad aan den meest behendigen prestidigitateur een lesje had kunnen geven. Zoo nam hij zonder aarzelen op zich, om het even welk spel het betrof,—hetzij een berekenings- of een hazardspel—steeds te zullen winnen.

„Ik heb mijn „candidaats-examen” afgelegd!” zeide hij en herhaalde hij gaarne.

Maar, waarom, zult ge mij zeggen,—in navolging van eene gemeenzame uitdrukking van vriend Pescadospunt—waarom zagen die twee arme drommels zich dien dag door de toeschouwers verlaten, terwijl deze zich rondom andere tenten en kramen verdrongen? Waarom, zult ge me zeggen, dreigde die geringe inkomst, die zij toch zoo noodig hadden, hen te ontvallen? Dat was inderdaad onverklaarbaar.

De taal, welke zij bezigden, een mengelmoes van het Provençaalsche en het Italiaansche dialect—was meer dan voldoende om zich door het Dalmatisch publiek te doen verstaan en begrijpen. Sedert zij den Provençaalschen geboortegrond verlaten hadden, waren zij, ouderloos als zij waren, en hunne ouders zelfs nimmer gekend hebbende en als ware producten eener spontane generatie, er in geslaagd rond te komen. Zij zochten de jaarmarkten en de kermissen op, leefden eer armoedig dan weelderig. Zij ontbeten niet iederen dag en hadden meestal slechts een schraal stuk brood tot avondmaal. Dat was genoeg; want, beweerde en herhaalde de opgeruimde Pescadospunt:

„Men moet nimmer het onmogelijke vergen!”

En toch, al vergde dien dag die goedige lummel het onmogelijke niet, zoo poogde hij toch een paar dozijn toeschouwers, die voor zijn kraam stonden te gapen, tot zich te lokken, in de hoop dat zij besluiten zouden zijne ellendige tent te bezoeken. Maar noch zijne geestige gezegden, die door zijn vreemden tongval al zeer koddig klonken, noch zijne kwinkslagen, die een blijspel-schrijver beroemd en rijk gemaakt zouden hebben, noch de potsierlijke gezichten, die hij trok en die een heilige van steen of brons, in eene nis der domkerk staande, aan het lachen zouden gebracht hebben, noch zijne ledematenbewegingen en heupontwrichtingen, ware kunststukken van lenigheid; noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was en welker staarteinde op de roode stof van zijne buis bengelde, noch zijne komieke uitvallen, die den beroemden Pulcinello van Rome overwaardig zouden geweest zijn, konden het publiek bekoren. [169]

En toch werd dat Slavonisch publiek door hem en zijn makker sedert verscheidene maanden geëxploiteerd.

Na de Provence verlaten te hebben, waren de twee vrienden de landstreek der Maritieme Alpen, het Milaansche, het Lombardijsche en daarna het Venetiaansche grondgebied doorgetrokken, waarbij als het ware de een de volmaking van den anderen was. Beiden waren beroemd: Kaap Matifou door zijne kracht, Pescadospunt door zijne vlugheid. Hunne vermaardheid had hun tot Triëst, in Illyrië gelegen, gelokt. Van Triëst waren zij door Istrië langs de kust van Dalmatië naar Zara, naar Salona, naar Ragusa afgezakt, terwijl zij meer profijt er in vonden om steeds voorwaarts te schrijden dan om achterwaarts terug te keeren.

Achterwaarts waren zij genoten, ja versleten. Voor zich uit brachten zij steeds een geheel nieuw programma voor het publiek, waaruit dan zoo goed en zoo kwaad als het ging munt geslagen werd.

Thans helaas, zij zagen het maar al te goed in, dreigde de tocht, dien zij maakten en die toch nimmer schitterend geweest was, zeer slecht te worden. Die arme drommels koesterden dan ook maar één wensch, dien zij waarachtig niet wisten hoe te verwezenlijken, namelijk om naar hun vaderland terug te keeren, om de Provence weer te zien, en deden daarbij de gelofte: zich nimmer meer zoo ver van den geboortegrond te verwijderen. Maar zij voelden den kogel aan hun voet geklonken, den kogel der armoede en der ellende, en met zoo’n kogel aan het been is het afleggen van honderden uren gaans een lastig en moeilijk werk.

Evenwel, alvorens aan de toekomst te kunnen denken, moest aan het heden gedacht worden, dat wil zeggen: aan het maal, dat zij hedenavond zouden genieten. En wat daartoe in uitzicht zich vertoonde, was jammerlijk schraal. Zij hadden geen kreutzer in kas, wanneer men aan den slip van den zakdoek, waarin Pescadospunt gewoonlijk het gezamenlijke vermogen der beide vennooten opborg, den weidschen naam van kas mag geven. Te vergeefs bewoog hij zich en liep hij op zijne verhevenheid heen en weder. Te vergeefs liet hij wanhopige uitroepingen en aanmoedigingen door de lucht weerklinken. Te vergeefs stelde Kaap Matifou zijn reuzenarmen ten toon, waarvan de aderen en spieren zich slingerden en uitkwamen als de vertakkingen van eene klimopplant rondom een knoestigen stam! Maar geen enkel toeschouwer liet iets bespeuren van eenige neiging om die linnen tent binnen te treden.

„Drommels, zij zijn hard in den bek, die duivelsche Dalmatiërs,” zei Pescadospunt.

„Als keisteenen zoo hard,” vulde Kaap Matifou aan.

„Waarlijk, ik geloof dat wij moeite zullen hebben om heden ons [170]eerste geld te verdienen! Zie je, Kaap Matifou, wij zullen moeten opbreken!”

„Om waar heen te gaan?”

„Je bent wel nieuwsgierig!” antwoordde Pescadospunt.

„Spreek maar op.”

„Welnu, wat zou je denken van een land, waar men verzekerd is om eens per dag te kunnen eten?

„Waar ligt dat land, Pescadospunt?

„O ver, heel ver, zeer ver.… zelfs verder dan zeer ver, Kaap Matifou!”

„Aan het uiteinde der aarde?”

„De aarde heeft geen uiteinde,” antwoordde Pescadospunt machtspreukig. „Wanneer zij een uiteinde had, dan zou zij niet rond zijn; wanneer zij niet rond was, dan zou zij niet kunnen draaien. Wanneer zij niet draaide, zou zij onbewegelijk zijn, en wanneer zij zij onbewegelijk was.…”

„Welnu?”.… vroeg Kaap Matifou.

„Welnu.… dan zou ze op de zon vallen in minder tijd dan ik noodig heb om een konijn weg te goochelen!”

„En dan?.…”

„En dan zou gebeuren wat iederen onhandigen kunstenmaker overkomt, wanneer twee zijner ballen zich in de lucht ontmoeten en klotsten! Krak! Alles breekt, alles valt en het publiek fluit hem uit en vraagt zijn geld terug. Hij geeft het terug, maar dan.… dan heeft hij dien avond niets te eten!”

„Zoodat,” vroeg de reus, „wanneer de aarde op de zon viel, dan kregen wij niet te eten?”

„Neen, voorwaar!”

Kaap Matifou verloor zich na dat antwoord in zeer wijdloopige overpeinzingen. Hij zat in een hoek der verhevenheid, met zijne armen gekruist over zijne borst, die met een vleeschkleurig geweven hemd bedekt was. Hij bewoog het hoofd heen en weer als een porceleinen Chineesch beeldje; hij zei niets meer, hij zag niets meer, hij hoorde niets meer. Hij werd bestormd door de meest onmogelijke vermenging van denkbeelden. Alles hoste en klotste in die groote hersenkas en daarbij voelde hij in het binnenste van zijn wezen iets, alsof daar een afgrond geboord werd. Toen scheen het hem toe, alsof hij hoog, heel hoog, zeer hoog.… hooger dan zeer hoog steeg. Die uitdrukking, door Pescadospunt gebezigd voor de verwijdering der voorwerpen, had hem getroffen. Maar toen had hij een gevoel alsof men hem gedurende die stijging plotseling losliet, waarbij hij viel.… viel in zijn eigen maag, dat wil zeggen in de ledige ruimte.

Dat was eene ware nachtmerrie. Het rampzalige wezen sprong [171]met uitgestrekte armen en als verblind van zijn stoeltje op. Nog ééne seconde, dan zou hij van boven zijn verhevenheid neergevallen zijn.

„Hé! Kaap Matifou, wat scheelt je toch?” riep Pescadospunt uit, terwijl hij zijn makker bij de hand greep en er in slaagde, evenwel niet zonder moeite, om hem achteruit te trekken.

„Wat? Mij?.…” antwoordde de reus geheel beteuterd. „Wat mij scheelt?.…”

„Ja, u!”

„Mij scheelt.…” zeide Kaap Matifou, terwijl hij zijn denkvermogen bijeen raapte, een moeilijk werk, hoewel zijne denkbeelden niet zeer talrijk waren. „Mij scheelt.… anders niets dan dat ik je spreken moet, Pescadospunt!”

„Spreek dan, Kaap van mijn hart! en vrees niet dat ge beluisterd zoudt kunnen worden; want het publiek is weg! Weg! Verstoven!”

De reus liet zich op zijn stoeltje neervallen en trok met zijn machtigen arm, maar toch zacht, zeer zacht, alsof hij bang was hem te breken, zijnen braven makker tot zich.