„Dus het gaat niet?” begon Kaap Matifou.
„Wat gaat niet?”
„De zaken!”
„Zij konden beter gaan, dat valt niet te betwisten; maar zij konden ook nog slechter gaan!”
„Pescadospunt?”
„Kaap Matifou!”
„Neem mij niet kwalijk, hetgeen ik je zeggen ga!”
„Ik zal het je integendeel wel kwalijk nemen, wanneer het dat verdienen zal!”
„Welnu.… ge moest mij verlaten,” zei de reus.
„Wat bedoel je met dat: mij verlaten.… Je in den steek laten?” vroeg Pescadospunt. [172]
„Ja!”
„Ga voort, o Hercules mijner droomen! Ga voort. Waarachtig, je boezemt me belang in.”
„Zie,” antwoordde de reus, „ik ben er zeker van, dat wanneer ge alleen waart, ge er wel komen zoudt.… Ik hinder je, en zonder mij zou je.…”
„Zeg eens, Kaap Matifou,” antwoordde Pescadospunt ernstig. „Je bent dik, niet waar?”
„Ja.”
„Welnu, hoe dik en hoe lang en hoe groot ge ook wezen moogt, begrijp ik niet, dat je machtige omvang de domheid heeft kunnen bevatten, die je daar uitgekraamd hebt.”
„Waarom dan toch, Pescadospunt?”
„Omdat die domheid nog dikker, nog grooter is dan jij bent, Kaap Matifou! Ik zou je verlaten! Jij mijn schoothondje, mijn dierbaar lief beestje! Maar zeg eens, als ik weg was, met wien zou je je toeren uitvoeren?”
„Met wien?.…”
„Wie zou er zijn, die den gevaarlijken sprong op je achterhoofd kon uitvoeren?”
„Ja, maar.…”
„Wie zou den toer met „de beenen uit elkander” tusschen je armen kunnen volbrengen?”
„Drommels!.…” antwoordde de reus, die door die dringende vragen in de war raakte.
„Ja.… de beenen uit elkander.… voor een stormachtig opgewonden publiek.… wanneer er bij toeval publiek aanwezig is!”
„Een publiek?” mompelde Kaap Matifou.
„Dus,” hernam Pescadospunt, „houd je mond en laten wij slechts daaraan denken, dat wij zooveel geld verdienen moeten om heden avond te kunnen eten!”
„Ik heb geen honger!”
„Jij, je hebt altijd honger, Kaap Matifou; dus.… nu heb je ook honger,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij met zijne beide handen de kolossale kakebeenen opende van zijn makker, die de verstandskies niet afgewacht had om zijne twee en dertig tanden voltallig te hebben. „Ik zie dat aan je oogtanden, die de lengte bezitten van de haken van een buldog! Je hebt honger, zeg ik je, en als wij nu maar zoo gelukkig zijn om slechts een halven gulden, kom, slechts een kwartje te verdienen, dan zal je eten!”
„Maar jij, kleine Pescadospunt?”
„Ik, voor mij is een graankorrel genoeg! Ik behoef niet sterk te zijn, terwijl jij zoonlief.… Volg nu wel mijne redeneering. Hoe meer je eet, te vetter zal je worden. Hoe vetter je wordt, te meer [174]zal je een wonderverschijnsel zijn!.… Een wonderverschijnsel, ja.…” [173]
Noch het grappige spel zijner pruik, die van hondsgras vervaardigd was. (Bladz. 169.)
[174]
„Ik integendeel, hoe minder ik eet, te meer ik vermager. En hoe meer ik vermager, te meer word ik ook een wonderverschijnsel op mijne beurt. Is dat waar of niet?”
„Dat is waar,” antwoordde Kaap Matifou zoo kinderlijk eenvoudig mogelijk. „Dus, Pescadospunt, in mijn belang moet ik eten?”
„Het is zooals gij zegt, mijn dikke vent! In uw belang, terwijl ik in mijn belang niet moet eten!”
„Zoodat, wanneer er slechts voor één te eten was.…”
„Dat voor jou zou zijn!”
„Maar wanneer voorraad voor twee was?”
„Dan zou die ook voor jou zijn! Wat duivel, Kaap Matifou, je staat wel twee mannen?”
„Vier.… zes.… tien!.…” riep de reus uit, die inderdaad door tien mannen niet zou te bedwingen zijn.
Wanneer wij de overdrijving, zoo eigen aan de Herculessen van den ouden en van den nieuweren tijd ter zijde laten, dan valt toch als onomstootelijke waarheid mede te deelen, dat Kaap Matifou het van alle de worstelaars, die met hem in het strijdperk getreden waren, gewonnen had.
Men verhaalde van hem twee stukken, die inderdaad zijn buitensporige kracht bewezen.
Op een avond bevond hij zich te Nîmes in een circus, die in hout opgetrokken was. Een der steunbalken, die de kap van het dak torschten, bezweek. Een hevig gekraak verschrikte de toeschouwers, die gevaar liepen onder het vallende dak verpletterd te worden, of zich zelven dood te dringen, door de poging om langs de smalle uitgangen te ontsnappen. Maar Kaap Matifou was er! Met één sprong was hij bij den steunbalk, die reeds uit de loodlijn geweken was, en schraagde hem met zijne krachtige schouders juist op het oogenblik, dat de dakstoel zou neerkomen, en dat gedurende den geheelen tijd, die noodig was om de zaal te ontruimen. Daarna volvoerde hij een vervaarlijken sprong en stormde naar buiten, juist toen het dak achter hem instortte.
Dat, dat was eene krachtsontwikkeling der schouders geweest; ziet hier nu eene van de armen.
Eens ontsnapte in de vlakte van Camargue een woedende stier uit de omheining, waarin hij opgesloten was; hij vervolgde en verwondde verscheidene personen. Zonder de tusschenkomst van Kaap Matifou, zou hij de grootste ongelukken veroorzaakt hebben. De reus liep op het dier toe, wachtte het, toen het op hem aankwam, met gestrekte knieën af, greep het, toen het met voorover gebogen [175]kop op hem losstormde, bij de hoorns, wierp het met een krachtige armbeweging omver en weerhield het in dien stand, terwijl het met de vier hoeven in de lucht spartelde, totdat het overmeesterd, gebonden en buiten staat gesteld was om verder nadeel te kunnen aanrichten.
Van die bovenmenschelijke lichaamskracht zouden nog meer bewijzen bij te brengen zijn. De medegedeelde zijn evenwel voldoende om niet alleen de spierkracht van Kaap Matifou begrijpelijk te maken, maar ook om een denkbeeld te geven, van zijn moed en zijne toewijding en zelfopoffering, daar hij nooit vreesde zijn leven te wagen, wanneer het gold zijn evenmensch te hulp te komen. Hij was dus een even goedhartig wezen als hij sterk was. Evenwel om niets van zijne spierkracht te verliezen, moest de reus, zooals Pescadospunt herhaaldelijk verzekerde, eten, en zijn makker noodzaakte hem daartoe en leed zelf gebrek, wanneer er slechts voor één zelfs voor twee voorraad was. Dien avond evenwel verscheen het avondmaal—voor een zelfs—niet aan den gezichteinder.
„Er zijn nevelen aan de kim,” zeide Pescadospunt herhaaldelijk.
En om die nevelen te verdrijven, hervatte die edele kerel zijne geestigheden en zette potsierlijke gezichten. Hij liep zijne verhevenheid op en neer, hij draaide rechts en links, hij ontwrichtte zijne heupen, hij liep op zijne handen als hij dat niet op zijne voeten deed. Volgens eene zijner wijsgeerige opmerkingen, had men minder honger, wanneer men met het hoofd omlaag heen en weer wandelde. Hij herhaalde in zijn eigenaardig bargoens, dat half uit Provençaalsche, half uit Slavonische uitdrukkingen bestond, die eeuwige grappen, die net zoo lang gebruikelijk zullen zijn als een pailjas zal bestaan, om ze aan de menigte van leegloopers en maangapers toe te schreeuwen en zoo lang als die leegloopers zullen samenstroomen om ze aan te hooren.
„Treedt binnen, heeren, treedt binnen!” riep Pescadospunt. „Men betaalt slechts, wanneer men de tent verlaat, en.… dan nog maar de kleinigheid van een kreutzer!”
Maar om de tent te kunnen verlaten, moest men haar eerst binnentreden, en geene der vijf of zes personen, die voor de geschilderde zeilen stonden te lanterfanten, scheen tot het besluit te kunnen komen om binnen te treden.
Toen wees Pescadospunt met trillenden stok op de merkwaardigheden, die op dat zeildoek geschilderd stonden. Niet dat hij eene diergaarde aan het publiek te vertoonen had! Neen! Die schrikwekkende beesten leefden ergens in den achterhoek van Afrika of van Indië. Maar.… wanneer Kaap Matifou hen ooit mocht ontmoeten, dan zou hij er slechts een hap van maken.
En daarop volgden de gewone kluchten, die door den reus met [176]zware slagen op de groote trom, die als kanonschoten weerklonken, afgebroken werden.
„De hyena, heeren! Ziet hier de hyena! Hij is afkomstig van de Kaap de Goede Hoop. Het is een vlug en bloeddorstig dier. Hij springt de ringmuren der kerkhoven over en zoekt daar zijn prooi!”
En naar eene andere zijde van het geschilderde doek wijzende, waarop een geelachtig water te midden van blauwe en groene grassoorten afgebeeld was.
„Ziet hier! Een jeugdige en belangwekkende neushoorn, die slechts vijftien maanden oud is! Dat dier werd op Sumatra geboren en opgevoed, waar het met zijn schrikkelijken hoorn het vaartuig gedurende den overtocht in gevaar bracht van te stranden!”
Daarna op een groenachtigen hoop beenderen van rampzalige slachtoffers op den voorgrond wijzende:
„Ziet, heeren, ziet! De schrikkelijke leeuw van den Atlas. Hij bewoont het innerlijke van de Sahara! In het brandende zand van de woestijn! Op het oogenblik van de tropische hitte, kruipt hij in rotsholen! Als hij eenige druppels water vindt, dan stort hij er zich in en komt er druipstaartend uit!”
Maar al dat aanmoedigende redenaarstalent liep gevaar geheel nutteloos te worden uitgekraamd. Pescadospunt schreeuwde als een bezetene, maar te vergeefs. En te vergeefs sloeg Kaap Matifou op de groote trom, alsof hij het vel wilde stuk slaan!
Het was wanhopig!
Eindelijk bleven toch verscheidene Dalmatiërs, stevige bergbewoners, stilstaan, om, zooals het scheen, den athleet Kaap Matifou met bewondering te aanschouwen.
Dadelijk meende Pescadospunt een middel gevonden te hebben. Hij wilde die brave lieden tot een worstelstrijd uitdagen.
„Treedt binnen, heeren! Treedt binnen! Het oogenblik is gekomen! Groote worstelstrijd van man tegen man! De strijd zal met geopende hand plaats vinden! De schouders moeten elkander raken! Kaap Matifou neemt op zich om al de liefhebbers te overwinnen, die hem de eer willen aandoen zich met hem te meten! Een katoenen zwembroekje zal de eereprijs zijn voor zijn overwinnaar! Zult gij dat zijn, heeren?”
Die vraag werd gedaan aan drie kolossale boeren, die hem met domme verbaasde oogen aankeken.
Maar die kolossale boeren hadden geen lust om zich aan dien worstelstrijd, die toch zeer eervol voor de beide tegenstanders zou geweest zijn, te onderwerpen. Pescadospunt ging toen tot de aankondiging over, dat bij gebrek aan liefhebbers de strijd toch zou plaats hebben, maar nu tusschen Kaap Matifou en hem. Ja, waarlijk! De behendigheid zou zich meten met de kracht! [177]
Hij spande alle krachten in, de spieren zijner armen en beenen zwollen als koorden op. (Bladz. 183.)
[178]
„Treedt binnen, heeren. Treedt dan toch binnen! Volgt elkaar maar!” riep de arme Pescadospunt met eene kracht, alsof hij zijne longen verscheuren wilde. „Gij zult hier zien, wat gij nog nimmer gezien hebt! Een gevecht van Pescadospunt met Kaap Matifou! Een strijd tusschen de twee Provençaalsche tweelingen!.… Ja.… tweelingen!.… natuurlijk niet even oud.… ook niet uit dezelfde moeder geboren.… Maar wij zijn tweelingen!.… Kijk maar, hoe wij elkander gelijken!.… Wij zijn even dik!.… Ik vooral!”
Een jongmensch was voor de tent blijven stilstaan en hoorde alle die oudbakken aardigheden met den grootsten ernst aan.
Die jongeling was hoogstens twee en twintig jaren oud en had eene gestalte, die weinig meer dan eene middelmatige was. Zijne fraaie gelaatstrekken schenen vermoeid door den arbeid, zijn geheel uiterlijk ademde ernst en duidde op eene nadenkende geaardheid. Het kon wel zijn, dat die man veel ondervinding in de lijdensschool had opgedaan. Zijne groote zwarte oogen, zijn baard, dien hij vol maar kort afgeknipt droeg, zijn mond, die de plooi van een glimlach niet had, maar die fijntjes onder een nog fijner geteekenden knevel uitkwam. Dat alles duidde op eene Hongaarsche afkomst, op eene afkomst, waarin het Magyaarsche bloed voortheerschte. Hij was zeer eenvoudig gekleed in een modern kostuum, zonder evenwel den schijn op zich te laden een modegek te wezen. Zijn uiterlijk liet geen twijfel over: in dien jongeling was de man reeds aanwezig!
Hij luisterde, zooals reeds gezegd is, naar de nuttelooze geestigheden van Pescadospunt. Hij zag niet zonder weemoed zijne bewegingen op die verhevenheid. Hij had zelf veel geleden en ongetwijfeld was hij niet ongevoelig voor het lijden van anderen.
„Het zijn twee Franschen!” mompelde hij. „Arme drommels! Zij beuren heden niets.”
Toen kwam de gedachte bij hem op om geheel alleen een publiek toeschouwers daar te stellen, alleen een betalend publiek te willen zijn. Dat zou niets anders dan eene aalmoes, maar toch eene bedekte, eene verborgen aalmoes zijn; en het was zeer waarschijnlijk dat die van pas zou komen. Hij trad dus op de deur toe, dat wil zeggen op de opening der tent, die door het ophouden van een hoek van het zeildoek gevormd werd.
„Treed binnen, mijnheer! Treed binnen! Men begint dadelijk!”
„Maar.… ik ben alleen.…” merkte het jongmensch met de meest mogelijke welwillendheid in zijne stem op.
„Mijnheer!” antwoordde Pescadospunt met koddige fierheid op, „ware kunstenaars letten meer op de qualiteit dan op de quantiteit der toeschouwers!”
„Gij zult mij middelerwijl veroorloven?” zei de jongeling, terwijl hij zijne beurs uithaalde. [179]
Hij nam twee gulden daar uit, die hij in den tinnen schotel neerlei, die in een hoek der verhevenheid stond.
„Een edel hart!” mompelde Pescadospunt.
En zich tot zijn makker wendende:
„Kom, vooruit, Kaap Matifou! Vooruit! Wij zullen hem voor zijn geld bedienen!”
Maar ziet, juist op het oogenblik van binnen te zullen treden, ontwaarde de eenige bezoeker van de Fransche en Provençaalsche tent een jong meisje, dat in gezelschap van haren vader een kwartier vroeger was blijven stilstaan voor de groep guzlas-zangers. Die jongeling en dat jeugdige meisje waren, zonder dat zij het wisten, door een en dezelfde gedachte bewogen om een liefdewerk te volvoeren. De eene had eene aalmoes gewijd aan die straatzangers, de andere aan deze acrobaten.
Maar ongetwijfeld was deze ontmoeting den jongman niet voldoende; want hij vergat, zoodra hij het lieve kind bespeurde, zijne rol van toeschouwer, alsook den prijs, dien hij betaald had, en stoof den kant uit, waar de liefelijke verschijning zich in de menigte verloor.
„Hé, mijnheer!.… mijnheer!.…” riep Pescadospunt. „En uw geld dan?.… Wat drommel, dat hebben wij niet verdiend!.… Maar waar is hij?.… Verdwenen!.… Hé, mijnheer!.…”
Maar hij poogde te vergeefs „zijn publiek”, dat weggeloopen was, te ontwaren. Daar nu bekeek hij Kaap Matifou, die niet minder verbouwereerd was dan hij, en met open mond stond te kijken.
„Juist op het oogenblik, dat wij zouden beginnen,” zei eindelijk de reus. „Waarachtig, wij hebben geen geluk.”
„Laten wij toch maar beginnen,” zei Pescadospunt, terwijl hij het trapje afklom, dat naar de verhevenheid voerde.
Zoo zouden zij, door slechts voor de ledige banken—die er trouwens ook niet waren—te spelen, ten minste het ontvangen geld verdienen.
Maar in dat oogenblik ontstond een hevig rumoer op de kaden der haven. De menigte scheen eene beslist aangeduide beweging te volgen, die haar naar den kant van de zee voerde, en de woorden, die door honderd, door duizend monden herhaald werden, weerklonken:
„De Trabucolo!.… de Trabucolo!”
Het oogenblik was inderdaad gekomen, dat het kleine vaartuig te water zou gelaten worden. Dat schouwspel is altijd aantrekkelijk en steeds van dien aard om de publieke nieuwsgierigheid op te wekken. Het plein en de kaden, waarop de menigte zich een oogenblik te voren verdrong, waren weldra verlaten en alles stroomde naar de scheepstimmerwerf, waar de handeling zou plaats hebben.
Pescadospunt en Kaap Matifou begrepen dat er ten minste in [180]het eerste halfuur niet meer op publiek te rekenen viel. Zij waren daarenboven uiterst begeerig om den eenigen toeschouwer die op het punt was geweest om hunne tent binnen te treden, terug te vinden. Zij verlieten hun hok dan ook, zonder het te sluiten,—waarom ook te sluiten, er was niets weg te nemen?—en gingen naar den kant van de werf.
Die scheepstimmerwerf was aan het uiteinde van eene landspits buiten de havenkom van Gravosa, op een hellend terrein gelegen, dat door de branding als met eene zilveren franje van verblindend wit schuim omgeven werd.
Pescadospunt en Kaap Matifou baanden zich een weg met hunne ellebogen en slaagden er in een plaatsje in de eerste rijen der toeschouwers te veroveren. Zoo had zich nimmer, zelfs bij benefietvoorstellingen de menigte voor hunne tent verdrongen! Ja, de kunst ontaardde! zoo verklaarden zij.
De Trabucolo was reeds van de zijstelten bevrijd, die hare flanken steunden, en was gereed om de helling af te loopen. Het anker hing ter gewenschter plaats; het zou voldoende zijn om het te laten vallen, wanneer de romp te water zoude zijn, ten einde de vaart te temperen, die het scheepje te ver in het havenkanaal zou kunnen voeren. Hoewel de Trabucolo slechts een vijftig tonnen meette, was het toch een zoo aanzienlijk gevaarte, dat alle mogelijke voorzorgsmaatregelen moesten genomen worden. Twee werklieden der helling stonden op het dek van het achterschip bij den stok, waaraan de Dalmatische vlag woei, terwijl twee anderen op het voorschip klaar bij het anker stonden.
Het was achteruit, zooals gewoonlijk bij dergelijke operatiën geschiedde, dat de Trabucolo te water zoude glijden. Haar kiel rustte op de met zeep besmeerde helling en werd nog slechts tegengehouden door het sluitstuk. Het was voldoende dat dit weggenomen werd, om de afglijding te doen plaats hebben; daarna zou de snelheid door de in beweging gebrachte massa aangroeien en het kleine vaartuig zou van zelf naar zijn natuurlijk element toeijlen.
Reeds waren een half dozijn timmerlieden, met ijzeren knodsen gewapend, bezig met het inslaan van wiggen, die onder de kiel van het voorschip aangebracht werden, om het een weinig op te tillen om zoo nog meer helling te verkrijgen, ten einde het afglijden naar de zee te vergemakkelijken.
Een ieder volgde dien arbeid, te midden eener algemeene en diepe stilte, met de levendigste belangstelling. [181]
„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!” (Bladz. 184.)
[180]
Juist in dat oogenblik verscheen bij de ombuiging van de landspits, die in het zuiden de havengang van Gravosa dekte, een pleizierjacht. Het was een goelet, die ongeveer drie honderd vijftig tonnen inhoud kon meten. Dat vaartuig poogde, door te laveeren, den [182]kant, waarop de scheepstimmerwerf lag, te boven te komen, om zoo den haveningang open te krijgen. Daar de bries uit het noordwesten woei, liep het jacht scherp bij den wind, bakboord overhellende, en stuurde zoodanig, dat het slechts af te houden had, om op de gewilde ankerplaats te komen. Binnen tien minuten zou dat vaartuig in de onmiddellijke nabijheid gekomen zijn. Het werd al grooter en grooter voor het oog, alsof men het door een verrekijker bekeek, waarvan de buis door eene langzame maar gestadige beweging uitgeschoven werd.
Nu moest de goelet, om de haven binnen te kunnen loopen, voorbij de scheepshelling stevenen, alwaar het te water laten van de Trabucolo voorbereid werd. Zoodra zij dan ook geseind werd, werd het raadzaam geacht, om ieder ongeval te voorkomen, de handeling uit te stellen. Men zou haar voortzetten, wanneer het vaartuig voorbij gestevend zoude zijn. Eene aanvaring tusschen die beide vaartuigen, waarvan het een dwars voor het andere, dat met alle snelheid vooruitschoof, gekomen zou zijn, zou voorzeker noodlottig voor het jacht moeten uitvallen.
De werklieden hielden dus op met tegen de wiggen te slaan, en de man, die bij het sluitstuk stond, kreeg bevel om nog te wachten. Dat was dus een uitstel van slechts weinige minuten.
De goelet naderde intusschen snel. Men kon reeds met het bloote oog de voorbereidselen van het ten anker gaan waarnemen. De beide kluivers werden ingenomen en men had den schoot van het grootzeil opgegeid, terwijl het fokkezeil weggenomen werd. Maar de snelheid, waarmede het vaartuig voortdreef, was nog vrij groot.
Ieders blik was op dat bevallig scheepje gevestigd, waarvan de nog bijstaande zeilen door de schuine stralen der zon als verguld werden. De matrozen verrichtten hun werk aan boord in hun Levantijnsch pak, met de roode muts op het hoofd; terwijl de kapitein op het achterschip bij den man aan het roer stond, en vandaar kalm en waardig zijne bevelen gaf.
Weldra bevond zich het jacht, waaraan niet meer plaats overbleef dan noodig was om den slag te maken, die het tot voorbij de landspits, welke de haven dekte, moest brengen, dwars van de sleephelling.
Plotseling weerklonk een schrikkelijke kreet. De Trabucolo was in beweging geraakt. Door de een of andere oorzaak was het sluitstuk uit zijne sponning gesprongen en bewoog het schip zich juist op het oogenblik, dat het jacht zijne stuurboordzijde aanbood.
De botsing tusschen de beide vaartuigen scheen dus onvermijdelijk. Tijd en middelen, om haar te beletten, ontbraken. Er viel niets te doen. Op het geschreeuw van de toeschouwers antwoordde een kreet van schrik, door de bemanning van de goelet geslaakt. [183]
De kapitein, die zijne koelbloedigheid niet verloor, deed het roer te boord leggen, maar het was onmogelijk dat het vaartuig vlug genoeg zou kunnen wenden of voorbijschieten, om den schok te vermijden.
Want inderdaad, de Trabucolo gleed van de helling. Een witte rook, door de sterke wrijving veroorzaakt, werd bij den voorsteven waargenomen, terwijl de achtersteven reeds in het water der baai dook.
Plotseling sprong een man vooruit. Hij greep een eind touw, dat aan het voorschip afhing. Maar te vergeefs poogde hij het vaartuig te weerhouden door zich, op gevaar af van meegesleept te worden, tegen den grond te stutten.
Er stond een ijzeren kanonstuk, dat als meerpaal gebruikt werd, in den grond geplant. In een oogwenk is het om dat kanon geslagen en viert langzaam af, terwijl de man het touw weerhoudt op gevaar van gegrepen en verpletterd te worden. Hij spande alle krachten in; de spieren zijner armen en beenen zwollen als koorden op. Hij weerstond den aandrang met bovenmenschelijke kracht. Dit duurde tien seconden.
Maar toen brak, toen knapte de tros. Maar die tien seconden waren voldoende. De Trabucolo had de wateren der baai bereikt, dook onder, maar richtte zich weer op met eene beweging alsof zij stampte. Zij snelde naar den ingang der haven en stoof rakelings—op geen voet afstand—den achterspiegel der goelet voorbij, stevende voort totdat het anker in den grond viel, deed haren ketting strak loopen en stuitte zoo de vaart.
De goelet was gered!
Die man, wien niemand, door gebrek aan tijd—zoo bliksemsnel en onverwacht was alles in zijn werk gegaan—te hulp had kunnen komen, was de heldhaftige Kaap Matifou.
„Mooi!.… zeer mooi zoo!” riep Pescadospunt uit, terwijl hij op den reus toetrad.
Deze nam hem op, niet om met hem toeren te verrichten, maar om hem te omhelzen, zooals hij dat slechts doen kon, namelijk tot stikkens toe.
Toen barstten van alle kanten toejuichingen en handgeklap los. De geheele menigte verdrong zich om dien Hercules, die niet minder bescheiden was dan de befaamde uitvoerder van de twaalf kunststukken uit de fabelleer en niets omtrent die geestdrift van het publiek begreep.
Vijf minuten later was de goelet op hare ankerplaats te midden van de havenkom aangekomen. Daarna zette een sierlijke sloep, door zes roeiriemen bewogen, den eigenaar van dat jacht op de kade aan wal. [184]
Dat was een man van hooge gestalte, ongeveer vijftig jaren oud, met schier witte haren en grijzenden baard, welke laatste op Oostersche wijze geknipt was en gedragen werd. Groote zwarte vragende oogen, die eene bewegelijke ziel aanduidden, verlevendigden zijn gelaat, dat wel ietwat door de zon gebruind was, maar regelmatige en schoone trekken vertoonde. Wat vooral dadelijk trof, dat was dat adellijk uiterlijk, hetwelk zelfs van grootheid getuigde, die zijn geheele persoon uitstraalde. Zijne scheepskleeding, een donkerblauwe pantalon, een pijjakker van dezelfde kleur maar met blinkende knoopen versierd, een zwarte ceintuurband, die hem het middel onder den pijjakker omsloot, zijn lichte hoed van bruin linnen vervaardigd, dat alles stond hem goed en liet een krachtig lichaam uitkomen, dat, uitmuntend gevormd, nog niet door den ouderdom aangetast was.
Zoodra die persoon, waarin men voelde dat een geestkrachtvolle en machtige geest huisde, voet aan wal gezet had, stapte hij op de beide acrobaten toe, die nog steeds door de menigte omringd en toegejuicht werden.
Men drong op zijde om voor hem plaats te maken.
Toen hij nabij Kaap Matifou gekomen was, was zijn eerste gebaar niet om zijne beurs te voorschijn te halen en daaruit eene rijke aalmoes te nemen! Neen! hij reikte den reus de hand en sprak tot hem in het Italiaansch:
„Heb dank, vriend, voor hetgeen gij zooeven gedaan hebt!”
Kaap Matifou was waarachtig geheel onthutst over zooveel eer voor zulk eene geringe daad.
„Ja!.… het was mooi!.… het was prachtig, Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt met de helder klinkende stembuiging van zijn Provençaalsch dialect aan.
„Zijt gijlieden Franschen?” vroeg de vreemdeling.
„Zoo Fransch mogelijk!” antwoordde Pescadospunt niet zonder trots. „Franschen uit het zuiden van Frankrijk!”
De vreemdeling bekeek hen met waarachtige ingenomenheid, die met eenige aandoening vermengd was. Hunne ellende was te klaarblijkelijk om zich te kunnen vergissen. Hij zag daar wel degelijk twee arme kunstenaars voor zich staan, waarvan een hem met groot gevaar van zijn leven, een belangrijken dienst bewezen had, want eene botsing tusschen de Trabucolo en de goelet, zou rampvol geweest zijn en vele slachtoffers gemaakt hebben.
„Komt mij aan boord opzoeken,” zei hij hen.
„Wanneer het u schikt, Prins!” antwoordde Pescadospunt, terwijl de beminnelijkste glimlach, dien hij te voorschijn tooveren kon, zijne lippen krulde.
„Morgen ochtend, zoo vroeg mogelijk.” [185]
Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt. (Bladz. 191.)
[186]
„Zoo vroeg mogelijk! Wij zullen er zijn!” antwoordde Pescadospunt, terwijl Kaap Matifou zijn kolossaal hoofd slechts op en neer bewoog ten teeken dat ook hij instemde.
Intusschen bleef de menigte den held van dit avontuur steeds omringen. Zij zou hem ongetwijfeld in triomf rondgedragen hebben, waren de meest vastberadenen en de stevigsten niet afgeschrikt geweest door zijn gewicht. Maar Pescadospunt, die steeds bij de pinken was, meende dat het juiste oogenblik gekomen was, om de gunstige stemming van zoo’n publiek te benuttigen. Zoodra dan ook de vreemdeling, na hun nogmaals de hand toegestoken en met een vriendelijk gebaar toegewuifd te hebben, naar de kade gestapt was, riep hij met zijne guitige en aantrekkelijke stem:
„De worsteling, heeren! De worsteling tusschen Kaap Matifou en Pescadospunt. Treedt binnen, heeren, treedt binnen!… Men betaalt slechts bij het heengaan of bij het binnenkomen, naar ieders verkiezing!”
Dien dag was de tent veel te klein! Men moest menschen afwijzen! Men moest die hun geld teruggeven!
Wat den vreemdeling betrof, nauwelijks had deze eenige schreden in de richting van de kade gedaan, toen hij zich plotseling voor het jonge meisje en haren vader bevond, die dat geheele tooneel bijgewoond hadden.
De jongeman, die hen op eenigen afstand gevolgd was en wiens groet door den vader slechts uit de hoogte beantwoord was, hield zich op een zekeren afstand. De vreemdeling had gelegenheid dat op te merken.
Toen deze zich in de tegenwoordigheid van dien man bevond, ondervond hij een gevoel, waarvan hij de uiting ter nauwernood kon bedwingen. Het was een gevoel van afkeer voor dien persoon, hetwelk hem beheerschte, en onwillekeurig schitterde een dreigende bliksemstraal in zijn oog.
Die man, de vader van het jonge meisje, naderde hem en zeide zeer beleefd:
„Gij zijt, dank zij den moed van dien acrobaat, aan een groot gevaar ontkomen, mijnheer!”
„Inderdaad, mijnheer!” antwoordde de vreemdeling, wiens stem, willens of onwillens, eene onbedwingbare ontroering te kennen gaf.
En zich tot den vader wendende, vroeg hij:
„Met wien heb ik de eer te spreken, mijnheer?”
„Ik ben Silas Toronthal van Ragusa,” antwoordde de gewezen bankier van Triëst. „Mag ik op mijne beurt weten, wie de eigenaar is van dat fraaie pleiziervaartuig?”
„Ik ben dokter Antekirrt,” antwoordde de vreemdeling.
Beiden wisselden een groet en gingen in verschillende richtingen [187]huns weegs, terwijl het gejuich en het handgeklap in de tent der Fransche acrobaten bleef aanhouden.
Dien avond at Kaap Matifou niet alleen naar volle genoegen, dat wil zeggen dat hij voor vier personen verslond, maar er bleef ook nog een portie over. En die was voldoende voor het avondmaal van zijnen braven kleinen makker, voor Pescadospunt.