Er zijn menschen, die de Faam wel de handen vol te doen geven. Toch is zij eene ware orchest-vrouw met honderd monden, die den gewilden naam door haar trompetten aan de vier hoeken der aarde verkondigen.
Een zoodanige was dokter Antekirrt, die zoo even in de haven van Gravosa aangekomen was. Er was omtrent hem in dat legendarische Oosterland een zeker geheimzinnig verhaal ontstaan. In Azië, van de Dardanellen af tot aan het Suezkanaal; in Afrika van Suez af tot aan de uiterste grenzen van Tunis; in de Roode zee, langs de geheele Arabische kuststrook, werd zijn naam genoemd en herhaald als die van een buitengewoon man, zeer ervaren in de natuurkundige wetenschappen, als van een soort alweter, een „taleb”, die in de uiterste geheimen van al het geschapene gedrongen was. In den bijbelschen tijd, of beter in den tijd van de Tale Canaäns, zou hij Epiphanes geheeten hebben. In de omstreken van den Euphrates zou men hem voor een afstammeling van de oude Perzische wijzen gehouden hebben.
Welke overdrijving heerschte er bij die beroemdheid? Al de overdrijving, die van een Perzischen wijze een toovenaar wil maken; al de overdrijving, die een geleerd man tot een bovenmenschelijk wezen wil verheffen. Ja, de waarheid is, dat dokter Antekirrt slechts een mensch, niets anders dan een mensch was, die wel is waar, gezonde en degelijke geestvermogens en een helder doorzicht bezat, die zeer oordeelkundig en met een bewonderenswaardig scherpen blik begaafd was, maar die ook door de omstandigheden buitengewoon voortgeholpen was. Zoo was het hem in een der binnenprovinciën van Klein-Azië gelukt de geheele bevolking tegen een schrikkelijke ziekte, die voor zeer besmettelijk gehouden werd en waarvoor hij het geneesmiddel gevonden had, te beveiligen. Vandaar zijne onvergelijkelijke beroemdheid.
Wat er vooral toe bijdroeg om hem die beroemdheid te verleenen, [188]was het ondoordringbare geheimzinnige, waarin zijn persoon gehuld was. Vanwaar kwam hij? Dat wist niemand. Wat wist men omtrent zijn verleden? Niets. Waar en onder welke omstandigheden had hij geleefd? Niemand kon daar antwoord op geven. Men bevestigde slechts, dat die dokter Antekirrt om zoo te zeggen aangebeden was door de bevolkingen van Klein-Azië en van Oost-Afrika, dat hij doorging voor een knappen geneesheer, wiens buitengewone genezingen indruk hadden gemaakt tot bij de beroemdste wetenschappelijke vereenigingen van Europa; dat hij zijne zorgen zoowel aan de armste lieden als aan de rijken en machtigen der aarde wijdde. Men had hem evenwel nimmer in de landstreken van het Westen gezien en zelfs was men sedert eenige jaren geheel en al onbekend met de plaats van zijn verblijf. Vandaar de neiging om hem van den een of anderen geheimzinnigen „avatar” te doen afstammen, om hem als het product van den een of anderen Hindoeschen god te beschouwen, om er een bovenaardsch wezen van te maken, die door bovennatuurlijke middelen kon genezen.
Maar al had dokter Antekirrt zijne kunst nog niet in de voornaamste staten van Europa uitgeoefend, zoo was zijn roem hem daar toch vooruitgesneld. Hoewel hij te Ragusa slechts als gewoon reiziger aangekomen was, als vermogende toerist, die met zijn jacht rondreisde om de voornaamste plaatsen, aan de Middellandsche zee gelegen, te bezoeken, zoo had zich zijn naam toch dadelijk door de stad verbreid. In afwachting dan ook, dat men den dokter, zelf zou kunnen aanschouwen, had de goelet middelerwijl veel bekijks. Het gevaar, dat door den moed van Kaap Matifou afgewend was, zou trouwens voldoende geweest zijn om de algemeene aandacht op te wekken.
Inderdaad, dat jacht zou zelfs den meest rijken, den meest prachtlievenden gentleman van de zeilvereenigingen van Amerika, van Engeland en Frankrijk eer aangedaan hebben! Zijne beide masten stonden rechtop en dicht bij het midden van het vaartuig geplaatst, hetgeen veroorloofde eene groote ontwikkeling aan het grootzeil en aan het fokkezeil te geven. De lengte van zijn boegspriet, die twee kleine kluivers voerde, de afmeting der vierkante zeilen, die aan den fokkemast aangeslagen waren, de hoogte der stengen en de geheele inrichting van het want moesten hem eene bewonderenswaardige snelheid bij iedere weersgesteldheid verleenen. Die goelet meette drie honderd vijftig tonnen. Zij was lang en rank, had eene gunstige ronding en verhief zich bevallig boven de waterlijn. Zij had diepgang genoeg om rustig op het watervlak te liggen. Het was wat men noemde een zeewaardig vaartuig, dat nauwkeurig naar den wil van den stuurman luisterde, en tot vier streken scherp bij den wind kon zeilen. Hetzij de goelet met volle zeilen, hetzij zij in [190]den wind opliep, zij was niets verlegen, om, wanneer er een hevige bries woei, hare dertien en een halve mijl in de wacht af te leggen. [189]
De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboords valreep aan. (Bladz. 195.)
[190]
De Boadice, de Gaëtana, of de Mordon, die beroemde Engelsche pleiziervaartuigen, zouden het onderwerpelijke jacht niet de loef afgestoken hebben bij eene internationale match.
Wat de uiterlijke en innerlijke fraaiheid van het jacht betrof, de meest-eischende sportsman zou niets beter hebben kunnen uitdenken. Zijn hagelwit dek was van Canadeesche pijnboomenbalkjes zonder kwasten vervaardigd; het innerlijke van het vaartuig was met ware schrijnwerkersvaardigheid afgewerkt. De kappen, de trappen en de paneelen waren van djattihout en met gepolijst koperen banden versierd, die als goud blonken; het beeldhouwwerk van het stuurrad was keurig, terwijl de blokken van mahoniehout scherp afstaken bij de masten, welker onderdeel in wit geverfde omhulsels geborgen was, en bij het touwwerk van het want, dat van gegalvaniseerd ijzerdraad vervaardigd was, en bij de helderwitte sloepen, die rank en bevallig in de davids hingen. Dat alles deed een ontwikkelden smaak en eene volmaakte sierlijkheid uitkomen.
Het is noodig, dat wij het innerlijke van dat jacht zoowel als het uiterlijke leeren kennen, daar het toch het drijvende verblijf was van den geheimzinnigen persoon, die de held van het verhaal zal uitmaken. Het was evenwel niet toegankelijk voor bezoekers. Maar de romanschrijver is als het ware met een soort helderziendheid behebt, die hem veroorlooft zelfs datgene te beschrijven, wat hij nooit gezien heeft.
In het innerlijke van die goelet dong de weelde met de gemakzucht om den voorrang. De vertrekken en de hutten, de salons, de eetzaal, die allen waren kostbaar en zeer fraai geschilderd. De kleeden, de draperiën, in een woord alles wat tot het ameublement behoorde, was uiterst kunstvaardig tot die pleizierscheepvaart aangewend. De welbegrepen inrichting werd niet alleen in de vertrekken van den kapitein en der scheepsofficieren aangetroffen, maar ook in de bergplaats van het komaliewant, waarin het zilverwerk en het porceleinen tafelgoed tegen het slingeren en stampen van het vaartuig beveiligd lagen; ook in de keuken of kombuis, waarin eene Hollandsche reinheid heerschte, en in het vooruit, waar de hangmatten der bemanning ruimte genoeg hadden om ongehinderd heen en weer te wiegelen. De bemanning telde een twintigtal matrozen, die het bevallige kostuum van de Maltheser zeelieden droegen, korte broek met zeelaarzen, gestreept hemd, bruine gordel, roode muts en blauwe pijjakker, waarop de beginletters van den naam van de goelet en van haar eigenaar in het wit gekarteld waren.
Maar tot welke haven behoorde dat jacht? Waar was de monsterrol afgeteekend? In welke plaats van de Middellandsche zee werden [191]de winterkwartieren betrokken? Tot welke nationaliteit behoorde dat vaartuig ten slotte? Men wist daaromtrent evenmin iets als omtrent de nationaliteit van den dokter. Een groene vlag met rood kruis in den bovenhoek wapperde aan de gaffel. Men zou die vlag te vergeefs gezocht hebben onder de zoo talrijke vlaggen, die langs de zeeën van den geheelen aardbol zwerven.
In ieder geval, vóórdat dokter Antekirrt voet aan wal gezet had, waren de scheepspapieren aan den havenmeester overhandigd en door dezen ongetwijfeld in orde bevonden, daar de reiziger verlof gekregen had om, nadat de geneeskundige zeedienst zijn bezoek aan boord gebracht had, vrijelijk naar den wal te gaan.
Wat den naam van de goelet betrof, die prijkte in gulden letters op een schild aan den spiegel aangebracht. Die naam, die niets omtrent de haven van herkomst meldde, was Savarena.
Dat was het bewonderenswaardige pleiziervaartuig, dat men thans in de haven van Gravosa bewonderen kon. Pescadospunt en Kaap Matifou, die den volgenden morgen door dokter Antekirrt aan boord ontvangen zouden worden, bekeken het met de meeste nieuwsgierigheid, maar zelfs met meer ontroering dan de overige zeelieden van de havenplaats. In hunne hoedanigheid van inboorlingen van de Provence, waren zij uiterst gevoelig voor alles wat zeeaangelegenheden betrof. Pescadospunt vooral, die als kenner dat wonder van scheepsbouwkunst betrachtte, was verrukt. De beide vrienden brachten den geheelen avond na hunne voorstelling daarmede door.
„Ah,” zei Kaap Matifou.
„Ho!” antwoordde Pescadospunt.
„Hè! Wat zeg je er van, Pescadospunt?”
„Ik zeg er niets van, Kaap Matifou!”
„Maar je denkt er het jouwe van, niet waar?”
En dat gesprek, hetwelk meer op bewondering uitdrukkende tusschenwerpsels in den mond van die twee armoedige acrobaten geleek, had grooter beduidenis dan menige lange redevoering.
Alle de manoeuvres, die het ten anker gaan opvolgen, waren aan boord van de Savarena geëindigd: de zeilen waren geborgen en op de ra’s bevestigd, het tuig en touwwerk was op zijne plaats en met zorg strak gezet, de zonnetent was over het achterdek uitgestrekt enz. De goelet was in een hoek van de havenkom ten anker gebracht, hetgeen aanduidde, dat zij er op rekende het verblijf van eenigen duur te doen zijn.
Overigens vergenoegde dokter Antekirrt zich met het maken van eene eenvoudige wandeling in den omtrek van Gravosa. Terwijl Silas Toronthal met zijne dochter in hun rijtuig, dat hen op de kade gewacht had, naar Ragusa terugkeerde, en terwijl de jonkman, [192]waarvan hierboven sprake was, door de groote laan derwaarts wandelde, bezocht de dokter de haven. Dat is een der besten van de kust en op dat tijdstip bevond zich daarin een vrij groot aantal vaartuigen van verschillende nationaliteiten.
Na de stad verlaten te hebben, volgde hij de oevers van de baai van Ombla Fiumera, die een bocht vormt van twaalf mijlen uitgestrektheid, tot aan de monding van de kleine Ombla rivier, die diep genoeg is om vaartuigen zelfs van grooten diepgang te veroorlooven haar op te varen tot bij den voet van het Vlastizagebergte. Hij kwam tegen negen uren op den havendam terug en woonde de aankomst van een groote pakketboot van den Oostenrijkschen Lloyd bij, die van de Indische zee aankwam. Eindelijk keerde hij naar boord terug, begaf zich naar zijn vertrek, hetwelk door twee lampen verlicht was en bleef tot den volgenden ochtend alleen.
Dat was zoo zijne gewoonte en de kapitein van de Savarena—een zeeman van ongeveer veertig jaren oud, die Narsos heette—had order om den dokter nimmer in die uren van eenzaamheid te storen.
Hier moet bij verteld worden, dat noch de officieren noch de bemanning iets afwisten van het verleden van dien persoon. Toch waren zij hem met ziel en lichaam toegewijd. Al gedoogde dokter Antekirrt geen enkele inbreuk op den tucht aan boord, zoo was hij toch goed voor allen en verleende zijne hulp en gaf zijn geld uit zonder tellen. Ieder matroos trachtte dan ook in de rol van de Savarena opgenomen te worden. Nimmer viel er eene berisping uit te deelen, nimmer eene bestraffing op te leggen, nimmer eene verwijdering uit te voeren. Zij die deel uitmaakten van de bemanning der goelet, vormden als het ware één gezin.
Nadat de dokter aan boord teruggekeerd was, werden alle beschikkingen voor den nacht getroffen. De seinlichten werden voor en achter ontstoken, de manschappen der wacht betrokken hunne posten en weldra heerschte de diepste stilte.
Dokter Antekirrt had op een breeden divan plaats genomen, die in den hoek van het vertrek aangebracht was. Op eene tafel waren eenige dagbladen neergelegd, die zijn knecht te Gravosa was gaan koopen. De dokter doorliep ze met een verstrooiden blik en las eerder de gemengde berichten dan wel de hoofdartikelen. Vooral keek hij naar de aankomst en het vertrek der vaartuigen, naar het vertrek van de notabiliteiten der provincie tot het maken van een buitenlandsch reisje. Tegen elf uur ging hij, zonder de hulp van zijn kamerknecht ingeroepen te hebben, te bed; maar het duurde lang alvorens hij kon inslapen.
Indien iemand de gedachte had kunnen lezen, die hem het meest vervolgde, zou hij wellicht verwonderd zijn geweest te ontwaren, dat die de navolgende vraag inhield: [193]
„Vrienden”, zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot gevaar beveiligd.” (Bladz. 195.)
[194]
„Wie was die jonge man, die Silas Toronthal op de kade van Gravosa groette?”
Den volgenden morgen kwam dokter Antekirrt tegen acht uren op het dek. Het weder liet zich heerlijk aanzien. De zon verguldde reeds de bergen, die den achtergrond van de baai vormden. Het nachtelijke duister verdween van de haven, alsof het over het watervlak heengleed. De Savarena bevond zich weldra in het volle licht.
Kapitein Narsos naderde den dokter, om zijne bevelen te vernemen, welke deze laatste in korte woorden gaf, evenwel niet dan na hem eerst goeden morgen gewenscht te hebben.
Een oogenblik later stak eene sloep, bemand met zes roeiers en een bootsman, van boord af, en voer naar de kade, waar Pescadospunt en Kaap Matifou, zooals overeengekomen was, zouden wachten.
Het was een groote dag, een gewichtig oogenblik in het zwervend bestaan van die twee eerlijke kerels, die zoo ver van hun vaderland gelokt waren en zich op eenige honderd mijlen van de Provence verwijderd bevonden, die zij zoo zeer wenschten terug te zien!
Beiden stonden op de kade te wachten. Zij hadden hun kunstenmakerskostuum uitgetrokken en waren nu in een armoedig en versleten maar toch proper pak gestoken. Zij bekeken het jacht, terwijl zij het evenals daags te voren bewonderden. Beiden bevonden zich in eene aangename stemming. Niet alleen hadden Kaap Matifou en Pescadospunt den vorigen dag heerlijk geavondmaald, maar zij hadden ook dienzelfden ochtend ontbeten. Eene overdaad, eene ware dwaasheid, die hare oorzaak vond in de omstandigheid, dat zij daags te voren eene buitengewoon groote ontvangst gehad hadden. Denk eens: twee en veertig gulden! Maar men moet niet gelooven, dat zij al dat geld verbrast hadden! Neen, Pescadospunt was voorzichtig, geregeld van levenswijs en zorgende voor den dag van morgen. Daardoor was hun bestaan voor minstens tien dagen verzekerd.
„En dat zijn wij u verschuldigd, Kaap Matifou!”
„Oh, Pescadospunt!”
„Ja, aan u, groot man!”
„Welnu, ja.… aan mij.… als je dat pleizier kan doen!” antwoordde Kaap Matifou.
In dat oogenblik landde de sloep bij de kade. Toen stond de bootsman op en berichtte hen met de muts in de hand, dat hij zich ter beschikking van „de heeren” stelde.
„Van de heeren!” riep Pescadospunt uit. „Van welke heeren?”
„Van uzelven,” antwoordde de bootsman. „Dokter Antekirrt wacht u bij hem aan boord.”
„Mooi! Wij zijn reeds heeren!” zei Pescadospunt. „Je zult zien, dat we nog graven en baronnen zullen worden!” [195]
Kaap Matifou zette vreeselijk groote oogen en verkreukte in zijne verlegenheid zijn hoed ergerlijk.
„Wanneer de heeren gelieven in te stappen!” zei de bootsman.
„Zeker, zeker, het gelieft ons!” zei Pescadospunt met een vriendelijk gebaar.
Een oogenblik later zaten onze beide vrienden zoo gemakkelijk mogelijk op het donkere tapijt met rood geboord, dat de bank der sloep bedekte, terwijl de bootsman achter hen plaats nam.
Het behoeft, dunkt ons, niet vermeld te worden, dat het vaartuigje onder het gewicht van den Hercules, die aan boord stapte, twee of drie duimen onder hare waterlijn zonk. Men moest zelfs de hoeken van het tapijt opnemen, opdat zij niet in het water sleurden.
Op een schellen fluitstoot van den bootsman, vielen zes riemen tegelijkertijd te water en schoot de sloep vooruit in de richting van de Savarena.
Het mag erkend worden, daar het de waarheid is, dat die twee arme drommels zich eenigermate aangedaan, om niet te zeggen verlegen of beschaamd gevoelden. Zoo veel eer voor kunstenmakers! Kaap Matifou durfde zich niet bewegen. Pescadospunt kon, in weerwil van zijne verlegenheid, een goedhartigen glimlach, die zijn fijn en schrander gelaat verhelderde, niet verbergen.
De sloep schoot achter den spiegel om en legde bij de stuurboordsvalreep aan. Dat was de eerezijde!
De beide vrienden stegen de bewegelijke trap, wiens krammen onder het gewicht van Kaap Matifou doorbogen, omhoog en waren weldra op het dek aangekomen. Daar werden zij dadelijk naar den dokter gebracht, die hen op het achterschip wachtte.
Na een hartelijken groet waren er nog wel eenige plichtplegingen noodig, alvorens Pescadospunt en Kaap Matifou besluiten konden te gaan zitten. Maar eindelijk geschiedde dat toch.
De dokter keek hen een oogenblik aan zonder te spreken. Zijn koel maar schoon gelaat maakte indruk op hen. Maar, en daarin kon men zich niet vergissen, was er ook al geen glimlach op zijne lippen, die glimlach zetelde toch in zijn hart.
„Vrienden,” zei hij, „gij hebt gisteren mij en mijne bemanning voor een groot gevaar beveiligd. Ik heb u daarvoor nogmaals willen bedanken en daarom heb ik u verzocht om aan boord te komen.”
„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, die een weinig van zijne vrijmoedigheid terugkreeg, „gij zijt zeer goed; maar het gebeurde is de moeite niet waard. Mijn makker heeft niets anders gedaan dan ieder ander in zijne plaats en met zijne kracht verricht zoude hebben. Niet waar, Kaap Matifou?”
Deze knikte bevestigend, door zijn dik hoofd op en neer te bewegen.
„Dat moge zoo zijn,” antwoordde de dokter, „maar uw makker [196]en niet ieder ander heeft zijn leven gewaagd en ik ben hem daarvoor veel verplicht!”
„O heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „gij zult mijn ouden Kaap doen blozen en volbloedig als hij reeds is, is het nadeelig voor hem, wanneer hem het bloed naar het hoofd stijgt.…”
„Alles wel, vrienden,” hernam de dokter. „Ik zie dat gijlieden niet van complimenten houdt. Ik zal dus ook niet verder aandringen. Maar, daar iedere dienst beloond.…”
„Heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „vergeef mij dat ik u in de rede val. Maar, iedere goede daad draagt hare belooning in zichzelve, ten minste zooals de zedeboeken leeren; en.… reeds zijn wij beloond!”
„Reeds! Hoe?” vroeg de dokter, die vreesde, dat iemand hem voor was.
„Zeker!” hernam Pescadospunt. „Na dit buitengewone bewijs van spierkracht van mijn Hercules, heeft het publiek hem verder in andere kunstvaardige oefeningen willen beoordeelen. In groote menigte is men naar ons Provençaalsche worstelperk gedrongen. Kaap Matifou heeft een half dozijn van de sterkste bergbewoners en van de stevigste pakkendragers van Gravosa van de been gelicht en wij hebben eene overgroote ontvangst gemaakt.”
„Overgroote?”
„Ja, zonder voorbeeld gedurende onze acrobatische omzwervingen!”
„En hoeveel hebt gij wel ontvangen?”
„Twee en veertig gulden!”
„Ah! Waarlijk!.… Maar ik wist niet”.… antwoordde dokter Antekirrt met goedige stem. „Als ik geweten had, dat gij voorstellingen gaaft, dan zou ik het mij niet alleen tot plicht gesteld hebben, maar het zou mij ook een waar genoegen geweest zijn een daarvan bij te wonen. Gij zult mij dus veroorloven mijne plaats te betalen.…”
„Hedenavond, heer dokter, hedenavond,” antwoordde Pescadospunt, „wanneer gij onze voorstelling met uwe tegenwoordigheid zult willen vereeren.”
Kaap Matifou boog beleefd en deed daarbij zijne breede schouders zwaaien, die, zooals Pescadospunt steeds luide verkondigde, nimmer den grond aangeraakt hadden.
Dokter Antekirrt zag wel in, dat hij de beide acrobaten er niet toe zou kunnen brengen om eene belooning, ten minste eene geldelijke, aan te nemen. Hij besloot dus anders te werk te gaan. Daarenboven had hij sedert den vorigen dag een vastgesteld plan met betrekking tot die twee mannen in het hoofd. Inlichtingen, die hij den vorigen avond had doen inwinnen, hadden tot uitslag [198]gehad, dat de twee kunstenmakers eerlijke menschen waren, die ten volle vertrouwen verdienden. [197]
Toch stond Pescadospunt er op om zijne pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet te bewaren. (Bladz. 203.)
[198]
„Hoe heet gij?” vroeg hij.
„De eenige naam, dien ik ken, heer dokter, is Pescadospunt.”
„En gij?”
„Ik heet Matifou,” antwoordde de Hercules.
„Dat wil zeggen Kaap Matifou,” vulde Pescadospunt aan, niet weinig hoogmoedig dien naam, die zoo beroemd in al de worstelperken van Zuidelijk Frankrijk was, te kunnen noemen.
„Maar dat zijn bijnamen,”.… merkte de dokter op.
„Wij hebben geen anderen,” antwoordde Pescadospunt, „of, hebben wij er ooit een gehad, dan hebben wij hem onderweg verloren, wat niet te verwonderen is: onze zakken zijn slecht en versleten.”
„En.… uwe bloedverwanten?”
„Bloedverwanten, heer dokter?.… Onze middelen hebben ons nooit dat weelde-artikel veroorloofd! Maar mochten wij ooit rijk worden, dan zullen er wel gevonden worden, die erven willen.”
„Gij zijt Franschen? Van welk gedeelte van Frankrijk zijt gij afkomstig?”
„Wij zijn Provençalen!” antwoordde Pescadospunt fier. „Dat wil zeggen, dat wij tweemalen Franschen zijn!”
„Gij hebt een opgeruimd humeur, mijnheer Pescadospunt.”
„Het ambacht brengt dat mede. Stelt u voor, heer dokter, een paljas, een roodstaart, een kermisgrappenmaker, die een droefgeestig humeur had! Hij zou meer gebakken appelen in een uur om de ooren krijgen, dan hij zijn geheele leven zou kunnen verorberen! Ja, ik ben opgeruimd, vroolijk zelfs, zeer vroolijk, dat beken ik!”
„En Kaap Matifou?”
„O, die is meer ernstig, meer nadenkend, meer in zich zelf gekeerd!” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zijn makker een hartelijken vriendschappelijken klap op den schouder gaf, zooals een ander den hals van een paard zou streelen. „Dat ’s ook het ambacht hetwelk dat medebrengt. Wanneer men toeren maakt met gewichten van vijftig, dan moet men zeer ernstig wezen. Wanneer men worstelt, dan doet men dat niet alleen met de armen, maar ook en vooral met het hoofd! En Kaap Matifou heeft steeds geworsteld.… zelfs tegen de ellende! En die heeft hem nog niet van de been kunnen brengen!”
Dokter Antekirrt hoorde met belangstelling dat braaf klein wezen, waarvoor het noodlot tot heden zoo hard was geweest, en dat toch niet verbitterd was. Hij gevoelde dat in dat teedere omhulsel evenveel hart als geest schuilde, en dacht er over na wat van hem had kunnen worden, wanneer aan de materieele eischen van het leven niet dadelijk na zijn geboorte was te kort geschoten. [199]
„En waarheen trekt gij thans?”
„Waarheen? Recht voor ons uit! Op goed geluk af,” antwoordde Pescadospunt. „Het toeval is niet altijd een slechte gids en over het algemeen kent het den weg. Alleen, ik vrees dat wij ditmaal te ver van ons land af gedwaald zijn! Maar.… alles wel beschouwd, is dat onze schuld! Wij hadden het toeval moeten vragen waarheen het ons leiden wilde.”
Dokter Antekirrt sloeg hen beiden gedurende een poos gade. Toen hernam hij met aandrang:
„Wat zou ik voor ulieden kunnen doen?”
„Maar niets, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, „niets.… dat verzeker ik u.…”
„Koestert gij het verlangen niet om in uwe Provence weer te keeren?”
De oogen der beide acrobaten glinsterden tegelijkertijd.
„Ik zou er u kunnen brengen,” hernam de dokter.
„Dat, dat zou merkwaardig wezen!” zei Pescadospunt.
En zich tot zijn makker wendende:
„Kaap Matifou, zou je naar ginds willen terugkeeren?”
„Ja.… als ge meegaat, Pescadospunt.”
„Maar, wat zullen wij er uitvoeren? Waarvan zullen wij leven?”
Kaap Matifou krabde zich achter het oor. Dat deed hij bij ieder lastig geval.
„Wij zullen.… wij zullen.…” mompelde hij.
„Je weet er niets van.… en ik ook niet!.… Maar, het is ons vaderland! Is het niet zonderling, heer dokter, dat arme drommels, zooals wij zijn, een vaderland hebben; dat arme ellendigen, die geen ouders hebben, ergens geboren zijn! Ziet, dat is voor mij steeds onverklaarbaar geweest.”
„Zoudt gij beiden kunnen besluiten steeds bij mij te blijven?” vroeg dokter Antekirrt.
Op dat onverwachte voorstel was Pescadospunt vlug opgesprongen, terwijl de Hercules hem verbaasd aankeek, niet wetende of hij ook zou moeten opstaan.
„Bij u blijven, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt eindelijk. „Maar waartoe zouden wij te gebruiken zijn? Kunststukken uitvoeren, toeren van kracht en behendigheid.… dat alles is, wat wij in ons leven gedaan hebben. En tenzij het was om u gedurende uwe zeetochten of in uw land te verstrooien.…”
„Luistert naar mij,” hernam dokter Antekirrt. „Ik heb moedige, behendige en schrandere mannen noodig, mannen vol toewijding, die genegen zijn het bereiken van mijne plannen te bevorderen. Er is niets, wat u hier terughoudt, niets wat u daar ginder roept. Wilt gij tot die mannen behooren?” [200]
„Maar wanneer uwe plannen bereikt zijn?”.… vroeg Pescadospunt.
„Als het u bij mij bevalt, zult gij mij niet meer verlaten”, antwoordde de dokter glimlachend, „dan kunt gij bij mij aan boord blijven. En kijk, gij zult aan mijne bemanning les op het slappe koord kunnen geven! En wanneer het u integendeel zou lijken naar uw vaderland weer te keeren, dan zal ik er u brengen en zorgen dat u een zekere gegoedheid voor uw geheele leven verzekerd is.”
„Oh! heer dokter!” riep Pescadospunt uit. „Maar het is toch uwe meening niet, ons niets te laten uitvoeren. Tot niets goed te zijn, zou ons niemendal lijken!”
„Ik beloof u arbeid, en van dusdanigen aard, dat hij u tevreden zal stellen.”
„Waarlijk,” zei Pescadospunt, „dan is het aanbod zeer verleidelijk.”
„Hebt gij nog tegenwerpingen te maken?”.
„Nog eene enkele. Gij ziet ons beiden, Kaap Matifou en mij! Wij zijn afkomstig van hetzelfde vaderland en wij zouden ongetwijfeld tot dezelfde familie behooren, wanneer wij eene familie bezaten. Wij zijn broeders volgens het hart! Kaap Matifou zou niet zonder Pescadospunt en Pescadospunt niet zonder Kaap Matifou kunnen leven! Verbeeld u de Siameesche tweelingen! Men heeft hen nimmer kunnen scheiden, niet waar, omdat eene scheiding hun het leven zou gekost hebben. Welnu, wij zijn als die Siameezen. Wij hebben elkander lief, heer dokter.”
Pescadospunt had, terwijl hij zoo sprak, de hand aan Kaap Matifou toegestoken, die hem naar zich toetrok en hem aan zijne borst drukte, zooals hij met een kind gedaan zou hebben.
„Vrienden,” zei dokter Antekirrt, „er is geen quaestie van ulieden te scheiden en het zal steeds mijn wensch zijn, dat gij mij niet zult verlaten!”
„Dan zou het kunnen gaan, heer dokter, als.…”
„Als?”
„Als Kaap Matifou zijne toestemming geeft.”
„Zeg ja, Pescadospunt,” mompelde de Hercules, „dan hebt gij voor ons beiden geantwoord!”
„Welnu,” zei de dokter, „dat is dan afgesproken en gij zult geen berouw over uw besluit ondervinden. Bekommert u van heden af om niets meer!”
„O, heer dokter, pas op!” hernam Pescadospunt. „Gij verbindt u daar tot meer dan gij wel denkt!”
„Hoezoo?”
„Ziet, wij zullen dure gasten zijn, vooral Kaap Matifou. Dat is een groote eter en gij zoudt hem in uwen dienst zijne spierkracht niet willen laten verliezen, al was dat nog zoo weinig maar.” [201]
De poort was open en verleende dwars door dien drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad. (Bladz. 211.)
[202]
„Ik beoog integendeel, dat hij die krachten verdubbelen zal.”
„Dan zal hij u te gronde richten!”
„Men richt mij niet te grande, Pescadospunt.”
„Evenwel.… twee.… drie maaltijden per dag.…”
„Vijf, zes, tien, als hij zulks verkiezen zal,” antwoordde dokter Antekirrt glimlachend. „Er zal steeds open tafel voor hem zijn!”
„Hè, Kaap, wat zeg je er van?” riep Pescadospunt guitig uit. „Ge zult dan steeds volop kunnen eten!”
„En gij ook, Pescadospunt!”
„O, ik! Een vogel!—Maar zou ik u mogen vragen, of wij ter zee zullen varen?”
„Dikwijls, vriend. Ik zal thans aan de vier hoeken van de Middellandsche zee te doen krijgen. Mijn praktijk zal zoo wat overal langs de kusten bestaan. Ik hoop de geneeskunde te kunnen uitoefenen op eene internationale wijze. Wanneer een zieke mij naar Tanger, of naar de Balearische eilanden roept, wanneer ik mij te Suez of te Smyrna bevind, zal ik hem dan niet moeten gaan bezoeken? Wat een geneesheer in eene groote stad van het eene kwartier tot het andere uitvoert, zal ik van de Straat van Gibraltar naar den Griekschen Archipel, van de Adriatische zee naar de Leeuwengolf, van de Jonische zee naar de baai van Gabés verrichten! Ik bezit nog andere vaartuigen, tien malen vlugger dan die goelet en.… bij die tochten zult gijlieden mij meestal vergezellen.”
„Dat lijkt ons, heer dokter,” antwoordde Pescadospunt, terwijl hij zich in de handen wreef.
„Zijt gijlieden niet bang voor de zee?”
„Neen!” riep Pescadospunt uit. „Wij bang? Wij kinderen van de Provence! Als straatjongens speelden en rolden wij in de sloepen op het strand! Neen, wij zijn niet bang voor de zee, ook niet voor de zoogenaamde zeeziekte! Door de gewoonte, die wij hebben, om met het hoofd omlaag en de beenen omhoog te loopen, zijn wij tegen die ongesteldheid gevrijwaard. Wanneer de heeren en dames, alvorens zich in te schepen, slechts eenige maanden lang die lichaamsoefening betrachtten, dan zouden zij nimmer noodig hebben hunnen neus gedurende den overtocht boven hunne lampetkom te houden! Komt binnen, heeren en dames! Komt binnen! Volgt slechts de menigte!”
Men ziet het, de goedhartige Pescadospunt verviel weer bij zijne blijdschap in zijne gewone kwinkslagen, net alsof hij zich nog op de verhevenheid zijner kermistent bevond.
„Goed zoo, Pescadospunt!” zei de dokter. „Wij zullen elkander uitmuntend verstaan. Bovenal beveel ik u aan, niets van uwe opgeruimdheid te verliezen. Lacht, mijn jongen, lacht en zingt, zooveel ge verkiest. De toekomst zal wellicht genoeg droefgeestige gebeurtenissen [203]opleveren, om uwe vroolijkheid onderweg te doen waardeeren.”
Terwijl hij die laatste woorden sprak, was dokter Antekirrt zeer ernstig geworden. Pescadospunt, die hem gadesloeg, had als een voorgevoel, dat die man in vroegere dagen veel geleden had en dat zij de oorzaak daarvan wel eens zouden vernemen.
„Heer dokter,” zei hij toen, „van heden af behooren wij u met ziel en lichaam toe.”
„En van heden af,” antwoordde de dokter, „kunt gij u in uwe hutten inrichten. Waarschijnlijk zal ik eenige dagen te Gravosa en te Ragusa blijven; maar het zal goed zijn, dat gij de gewoonte aanneemt om aan boord van de Savarena te leven.”
„Tot het oogenblik, dat gij ons in uw vaderland zult gevoerd hebben!” liet Pescadospunt volgen.
„Ik heb geen vaderland,” antwoordde de dokter, „of beter, ik heb, als gij wilt, een vaderland van eigen maaksel, dat ook het uwe zal worden!”
„Kom, Kaap Matifou,” riep Pescadospunt uit. „Kom laten wij ons handelshuis gaan liquideeren. Wees gerust, wij zijn niemand iets schuldig en zullen niet failliet gaan!”
Daarop daalden de twee vrienden, na afscheid van dokter Antekirrt genomen te hebben, in de sloep af, die hen wachtte en waarmede zij naar de kade van Gravosa teruggevoerd werden.
Daar hadden zij in nog geen twee volle uren, hunnen inventaris opgemaakt en hunne kermistent, hunne geschilderde kunststukken, hunne groote en kleine trom, die hunne geheele bezitting daarstelden, aan een confrater overgedaan. Dat duurde niet lang en leverde ook geene moeilijkheid op. Ook zouden hunne zakken niet overmatig bezwaard worden door de weinige guldens, die zij daarin opbergden.
Toch stond Pescadospunt er op om zijn kunstenmakerspak en zijne pistoncornet, en Kaap Matifou zijne schuiftrompet en zijn worstelaarspak te bewaren. Zij zouden anders te veel verdriet gehad hebben, door het scheiden van die werktuigen en die vodden, die hen aan zoovele uren van succes en zegepraal herinnerden. Die kleedingstukken werden op den bodem van eene kist geborgen, welke hun ameublement, hunne garderobe en geheel hun materieel bevatte.
Tegen een uur in den namiddag waren Pescadospunt en Kaap Matifou aan boord van de Savarena terug.
Een groote hut in het vooronder werd ter hunner beschikking gesteld. Het was eene gemakkelijke en ruime hut die van alles voorzien was, „ook om te kunnen schrijven,” zei de snaak.
De bemanning ontving de nieuwe kameraden, wien zij te danken hadden, aan een groot ongeluk ontsnapt te zijn, recht hartelijk.
Reeds bij hunne aankomst konden Pescadospunt en Kaap Matifou [204]proeven, dat de kombuisproducten aan boord hen de keukens der Provençaalsche kermistenten niet zouden doen betreuren.
„Zie je, Kaap Matifou,” zei en herhaalde Pescadospunt, terwijl hij een glas heerlijken Asti-wijn slurpte, „zie je, met goed gedrag komt men tot alles! Maar, dat moet er zijn!”
Kaap Matifou, wiens mond toen met een flink stuk ham gevuld was, dat met twee gebakken eieren in de onpeilbare diepte van zijne maagholte verdween, antwoordde slechts met een hoofdknik.
„Welke ontvangst wel te maken zou zijn, wanneer het publiek je kon zien eten, Kaap Matifou!”