De tijding der aankomst van dokter Antekirrt had zich spoedig, niet alleen te Ragusa, maar ook in de geheele Dalmatische provincie verbreid. De dagbladen wierpen zich als het ware op die prooi, die hen eene serie van pikante berichten in het vooruitzicht stelde, en begonnen met de aankomst van de goelet in de haven van Gravosa aan te kondigen. De eigenaar van de Savarena kon dus niet ontsnappen aan het eerbetoon, maar ook niet aan de bezwaren, aan dergelijke beroemdheid onvermijdelijk verbonden. Zijne persoonlijkheid lag als het ware op ieders lippen. De legende maakte zich van hem meester. Men wist niet wie hij was, vanwaar hij kwam en waarheen hij ging. Dat kon slechts de publieke nieuwsgierigheid te meer prikkelen. En, natuurlijk, wanneer men niets weet, dan is het veld der onderstellingen des te uitgebreider, de verbeelding benuttigt dat en dan.… dan schijnt het een wedren te zijn voor allen, die het best ingelicht meenen te zijn.
De reporters, bij hun streven om hunne lezers ter wille te zijn, waren met spoed naar Gravosa getrokken. Sommigen hunner begaven zich zelfs aan boord van de goelet. Zij kregen evenwel den persoon, die in de openbare meening zooveel opgang maakte, niet te zien. De bevelen daaromtrent waren stellig. De dokter ontving niemand. De antwoorden, die kapitein Narsos aan de bezoekers gaf, waren dan ook onveranderlijk dezelfde:
„Maar, vanwaar komt die dokter?”
„Vanwaar het hem gelieft.”
„En waarheen gaat hij?”
„Waarheen hem dat aanstaat.”
„Maar, wie is hij?” [205]
Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken. (Bladz. 212.)
[206]
„Dat weet niemand en hij wellicht nog minder dan zij, die het vragen.”
Hoe nu in Godsnaam een reporterartikel met dergelijke gegevens te schrijven?
Het gevolg daarvan was, dat de verbeelding vrij spel had en zich dan ook geen banden liet aanleggen om in volle fantasie op te gaan. Van dokter Antekirrt maakte men alles wat men maar verlangde. Hij was alles geweest wat die kroniekschrijvers maar geliefden te verzinnen. Voor den eenen was hij een zeeschuimers-hoofdman. Voor den anderen was hij de koning van een uitgestrekt Afrikaansch rijk, die incognito reisde met het doel om te leeren. Verder beweerde men, dat het een staatkundige banneling was; elders weer dat het een vorst was, die door eene omwenteling uit zijne staten verjaagd werd en nu als wijsgeerig toerist de wereld rondreisde. Men ziet, er was volledige keus. Wat den titel van dokter betrof, waarmede hij zich tooide, daaromtrent waren de meeningen van hen, die den titel voor echt aannamen, ook verdeeld. Volgens de meening van sommigen was hij een groot geneeskundige, die bewonderenswaardige genezingen in de meest wanhopige gevallen verricht had; en volgens die van anderen was hij de koning der kwakzalvers, die in moeilijkheid geraken zou, wanneer men zijn diploma opvorderde.
Maar in ieder geval, de geneeskundigen van Gravosa en van Ragusa konden geene vervolging tegen hem doen instellen wegens onwettige uitoefening van de geneeskunde. Dokter Antekirrt hield zich bescheiden buiten schot en was niet te spreken, wanneer men hem als geneesheer wilde raadplegen.
Daarenboven, de eigenaar van de Savarena nam zijn intrek niet aan den wal. Hij stapte zelfs niet in een der hôtels van de stad af. Ternauwernood begaf hij zich gedurende de twee dagen, welke hij te Gravosa doorbracht, tot dicht bij Ragusa. Hij bepaalde zijne uitstappen tot eenige wandelingen in den omtrek, waarbij hij twee of drie malen Pescadospunt meenam, wiens aangeboren schranderheid hij waardeerde.
Maar ging hijzelf niet naar Ragusa, dan ging Pescadospunt toch eens voor hem er heen. De brave jongen, wien een opdracht van vertrouwen gedaan was—wie weet, wellicht eene inlichting in te winnen!—beantwoordde de vragen, die hem bij zijn terugkeer gedaan werden, als volgt:
„Dus die woont in de Stradonalaan?”
„Ja, heer dokter. Dat wil zeggen in de fraaiste straat der stad. Hij bewoont een hôtel, niet ver van de plaats, waar men de reizigers het paleis van den ouden doge aanwijst. Het is een prachtig hôtel met een talrijk bediendenpersoneel, met rijtuigen enz. In één woord: hij volgt de levenswijze van een millionnair!” [207]
„En de andere?”
„De andere of liever de anderen?” antwoordde Pescadospunt. „Die bewonen hetzelfde stadskwartier, maar hunne woning is moeilijk te vinden in een van die klimmende, smalle en slingerende stegen—ware ladders—die meer bescheiden woningen bevatten.”
„En hunne woning?”
„Hunne woning is nederig, klein, droefgeestig van uiterlijk aan de buitenzijde, hoewel ik mij verbeeld dat zij binnenshuis netjes gehouden moet zijn, heer dokter. Men gevoelt, dat zij bewoond is door arme maar hooghartige lieden.”
„Die dame?.…”
„Ik heb haar niet gezien. Men zeide, dat zij bijna nimmer de Marinella-straat verliet.”
„En haar zoon?.…”
„Dien heb ik gezien, heer dokter, op het oogenblik dat hij bij zijne moeder binnentrad.”
„Hoe zag hij er uit?.…”
„Hij scheen afgetrokken, onrustig zelfs. Men zou zeggen, dat die jeugdige man reeds veel geleden heeft!.… Dat kenmerkt zich trouwens genoegzaam!”
„Maar, ook gij Pescadospunt, hebt geleden, en dat kenmerkt zich niet.”
„Lichamelijk lijden is geen zedelijk lijden, heer dokter! Daarom kon ik het verhelen en er zelfs om lachen.”
Zooals men ziet, sprak dokter Antekirrt reeds gemeenzaam met Pescadospunt. Met Kaap Matifou ging dat nog niet; want inderdaad, die Hercules was van te indrukwekkend uiterlijk, om zich zoo gauw eenige gemeenzaamheid te mogen veroorloven.
Toen de dokter die vragen gedaan en die antwoorden bekomen had, staakte hij zijne wandelingen in de omstreken van Gravosa. Hij scheen iemand te verwachten, wiens ontmoeting hij door zijn gaan naar Ragusa niet had willen uitlokken, daar de tijding van de aankomst der Savarena genoegzaam bekend moest zijn. Hij bleef dus aan boord en hetgeen hij verwachtte, gebeurde.
Den 29en Mei gaf de dokter, na de kade van Gravosa met het gewapend oog geruimen tijd gadegeslagen te hebben, tegen elf uren in den voormiddag bevel om de sloepen klaar te maken; toen steeg hij er in en liet zich naar den havendam overbrengen, waar een man stond, die hem scheen te bespieden.
„Dat is hij,” mompelde de dokter binnensmonds.… „Hij is het wel degelijk!.… Ik herken hem, al is hij nog zoo veranderd.”
Die man was een grijsaard, door den ouderdom gebogen, hoewel hij slechts zeventig jaren telde. Zijne witte haren dekten spaarzaam het hoofd, dat ter aarde gebogen was. Zijn gelaat was ernstig, [208]droefgeestig en ternauwernood verlevendigd door een matten blik, die dikwijls door tranen geheel verduisterd moet geweest zijn. Hij stond onbewegelijk op de kade en verloor de sloep niet uit het oog, van het oogenblik dat van boord was afgestoken.
De dokter wilde den schijn niet geven dien grijsaard te bespeuren, nog minder hem te herkennen. Hij deed dus, alsof hij zijne tegenwoordigheid niet ontwaardde. Maar nauwelijks had hij eenige passen op den havendam afgelegd, toen de grijsaard op hem toetrad, nederig zijn hoed afnam en vroeg:
„Zijt gij dokter Antekirrt?”
„Ja, die ben ik,” antwoordde de dokter, die dien man aankeek, wiens oogleden zelfs niet trilden, toen hij den blik op hem wierp. Daarna vervolgde hij:
„Wie zijt gij vriend, en wat wilt gij van mij?”
„Ik heet Borik en ik ben in dienst van mevrouw Bathory. Ik kom u uit haar naam eene samenkomst verzoeken.…”
„Mevrouw Bathory?” herhaalde de dokter vragend. „Is dat de weduwe van dien Hongaar, die zijne vaderlandsliefde met zijn leven betaalde?”
„Dezelfde,” antwoordde de grijsaard. „En hoewel gij haar nimmer zaagt, is het toch onmogelijk, dat gij haar niet kent, juist omdat gij dokter Antekirrt zijt.”
Deze hoorde den ouden dienaar, wiens oogen steeds neergeslagen bleven, aandachtig aan. Hij vroeg zich af of onder deze woorden niet eene nevengedachte verscholen was. Daarop hernam hij:
„Wat kan mevrouw Bathory van mij willen?”
„Om redenen, die gij wel begrijpen zult, wenschte zij een onderhoud met u, heer dokter.”
„Ik zal haar een bezoek brengen.”
„Zij wenschte liever bij u aan boord te komen.”
„Waarom?”
„Het is noodzakelijk, dat haar onderhoud met u geheim blijft.”
„Geheim?.… Voor wien?”
„Voor haren zoon! Mijnheer Piet mag niet weten, dat mevrouw Bathory u bezocht heeft.”
Dit antwoord scheen den dokter te verrassen; hij liet er evenwel niets van aan Borik blijken.
„Ik geef de voorkeur aan een bezoek ten huize van mevrouw Bathory,” hernam hij. „Zou dat niet kunnen geschieden bij afwezigheid van haren zoon?”
„Dat kan, heer dokter, wanneer gij morgen wilt komen. Piet Bathory moet heden avond naar Zara afreizen en zal niet binnen vier en twintig uur terug zijn.”
„Wat voert Piet Bathory uit?” [209]
„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u.…” (Bladz. 217.)
[210]
„Hij is tot ingenieur gepromoveerd; maar tot heden heeft hij nog geene plaatsing kunnen vinden. O, het leven is zoo moeitevol voor hem en voor zijne moeder!”
„Moeitevol!.…” viel dokter Antekirrt in. „Bezit mevrouw Bathory dan geen middelen?”.…
Hij hield op. De grijsaard had het hoofd gebogen, terwijl zijn borst bewoog onder de snikken, die hij niet kon bedwingen.
„Heer dokter,” zei hij eindelijk, „ik kan en mag u niets meer zeggen. In het onderhoud, dat mevrouw Bathory van u verzoekt, zal zij u alles mededeelen, wat gij recht hebt te weten.”
De dokter moest wel meester over zijn gemoed zijn, om zijne aandoening te kunnen bedwingen.
„Waar woont mevrouw Bathory?” vroeg hij.
„Te Ragusa, in het Stradona-kwartier, op nummer 17 van de Marinella-straat.”
„Zal ik mevrouw Bathory morgen in den namiddag tusschen een en twee uur kunnen ontmoeten?”
„Voorzeker, heer dokter, en ik zal het zijn, die u zal aandienen.”
„Zeg dan aan mevrouw Bathory, dat zij op mijne nauwgezetheid kan rekenen.”
„Ik dank u in haren naam.”
En na eenige aarzeling:
„Gij zoudt kunnen meenen, dat het een dienst betreft, die mevrouw u vragen wil.…”
„En wanneer dat zoo was?” vroeg de dokter levendig.
„Toch is het niet zoo,” antwoordde Borik.
En na nederig gebogen te hebben, ging hij den weg op, die van Gravosa naar Ragusa voert.
Klaarblijkelijk hadden de laatste woorden van den ouden dienaar dokter Antekirrt eenigermate verwonderd. Hij bleef onbeweeglijk op de kade staan en tuurde Borik na. Toen hij aan boord teruggekomen was, schonk hij aan Pescadospunt en aan Kaap Matifou verlof om aan den wal te gaan. Daarna sloot hij zich in zijne kamer op. Hij wilde er de laatste uren van dien dag geheel alleen doorbrengen.
Pescadospunt en Kaap Matifou maakten zich dus als echte renteniers, die zij ook waren, dat verlof ten nutte. Zij veroorloofden zich zelfs het genoegen, op het kermisterrein eenige kramen binnen te treden. Wanneer wij beweren zouden, dat de lenige clown geen aanvechtingen gevoelde om den een of anderen onhandigen kunstenmaker terecht te zetten; dat de machtige voorvechter de zucht niet voelde opkomen om aan die athleetworstelingen deel te nemen, dan zouden wij der waarheid te kort doen. Maar beiden herinnerden zich ter rechter tijd, dat zij de eer hadden tot de bemanning van [211]de Savarena te behooren. Zij vergaten hun rol van toeschouwers niet en waren niet karig met hunne toejuichingen, wanneer die verdiend waren.
Den volgenden ochtend liet de dokter zich even vóór het middaguur aan wal zetten. Na zijne sloep naar boord teruggezonden te hebben, ging hij den weg op, die het verbindingsmiddel daarstelt tusschen de haven van Gravosa en de stad Ragusa. Dat is eene fraaie laan, die kornisvormig aangelegd, met twee rijen villa’s omzoomd en over eene lengte van twee kilometers heerlijk beschaduwd was.
Die laan was nog niet levendig, zooals zij het weinige uren later zou zijn, door het heen en weer rijden der equipages, door de menigte wandelaars, zoowel te paard als te voet.
De dokter volgde, terwijl hij aan die samenkomst met mevrouw Bathory dacht, eene nevenlaan en was weldra bij Borgo Pillo, een soort steenen uitwas, die zich buiten de drievoudige omwalling der versterkingen van Ragusa uitstrekt. De poort was open en verleende dwars door dien drievoudigen band toegang tot het binnenste der stad.
De Stradona is eene prachtige flink bestrate hartader der stad, die zich van Borgo Pillo af tot de voorstad Plocca uitstrekt en de geheele stad doorsnijdt. Zij ontwikkelt zich aan den voet van een heuvel, die met een geheel gevaarte van huizen, amphitheatersgewijze gebouwd, overdekt is. Aan het einde verheft zich het paleis der oude doges, een fraai monument uit de XVde eeuw, met eene ruime binnenplaats, met een portiek in renaissance-stijl, met boogvensters, welker slanke zuiltjes aan het beste tijdperk herinneren van Toskaansche bouwkunst.
De dokter behoefde niet tot bij dat paleis voort te gaan. De Marinella-straat, die Borik hem daags te voren opgegeven had, komt zoowat op de helft van de Stradonalaan uit. Hij vertraagde evenwel zijn gang een weinig op het oogenblik, dat hij een vluchtigen blik op eene groote woning wierp, die in graniet opgetrokken was en welker rijke voorgevel met de daaraan rechthoekig aansluitende bijgebouwen zich statig verhief. De poort van de binnenplaats stond open en liet een uiterst fraai eigen rijtuig ontwaren met een paar prachtige paarden bespannen. De koetsier zat deftig op den bok en de lakkei wachtte voor het perron, dat door eene bevallige veranda overkapt was.
Juist in dit oogenblik steeg een man in dat rijtuig. De paarden vlogen de plaats over en de poort door, waarna de deuren dichtsloegen.
Die persoon was dezelfde, die drie dagen te voren dokter Antekirrt op de kade van Gravosa aangesproken had. Het was de vroegere bankier Silas Toronthal. [212]
De dokter, eene ontmoeting wenschende te vermijden, was ijlings achteruitgetreden en schreed eerst voort, toen het vlugge rijtuig bij het uiteinde der Stradonalaan uit het oog verdwenen was.
„Beiden in dezelfde stad!” mompelde hij. „O, dat is zuiver het toeval! Daaraan heb ik geen part of deel.”
De stegen, ter linkerzijde op de Stradonalaan uitkomende, die hij door te gaan had, waren smal, stil en slecht bestraat.
Dat de lezer zich een breeden stroom verbeelde, die aan eenen kant slechts bergstroomen als schatplichtige rivieren zou hebben. Om een weinig lucht te kunnen bemachtigen, kruipen de huizen als het ware rakelings de eene op de anderen. Zij kijken inderdaad elkaar in de oogen, als men zoo mag spreken van de vensters en tochtgaten, die in hunne voorgevels aangebracht zijn. Zij stijgen zoo op den nok van een der twee heuvelen, welker toppen door de forten van Mincetto en San Lorenzo bekroond zijn. Onmogelijk zou er een rijtuig kunnen doorkomen. Al ontbreekt, behalve bij gelegenheid van zware regens, de bergstroom, zoo moet zoo’n steeg toch een ravijn genoemd worden, en alle die hellingen en al die terrassen heeft men moeten stutten met keerdammen en bokken, en moet men door middel van trappen bestijgen. Een scherp contrast bestaat tusschen die minder dan bescheiden woningen en de prachtige huizen en paleizen op de Stradonalaan.
De dokter bereikte den ingang van de Marinella-steeg en begon de oneindige trap, die tot straat dient, te bestijgen. Zoo moest hij meer dan zestig treden opklimmen, alvorens nummer 17 te kunnen bereiken.
Daar werd dadelijk eene deur geopend. De oude Borik wachtte den dokter. Hij geleidde hem naar binnen zonder een woord te spreken en bracht hem in een vertrek, dat uiterst zindelijk maar armoedig gemeubeld was.
De dokter nam plaats. Niets kon de meening doen ontstaan, dat hij eenige aandoening in dat huis ondervond—zelfs niet toen mevrouw Bathory binnentrad en tot hem zeide:
„Heer dokter Antekirrt.”
„Die ben ik, mevrouw,” antwoordde de dokter, terwijl hij opstond.
„Ik had u de moeite willen sparen,” hernam mevrouw Bathory, „om zoover te komen en zoo hoog te stijgen!”
„Ik stond er op om u een bezoek te brengen, mevrouw; en ik bid u mij als geheel ter uwer beschikking te beschouwen.”
„Mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „gisteren eerst vernam ik uwe aankomst te Gravosa en ik heb dadelijk Borik gezonden, ten einde u tot een onderhoud uit te noodigen.”
„Mevrouw, ik stel mij ter uwer beschikking.” [213]
„Ik zal heengaan,” zei de grijsaard.
„Neen, Borik, blijf!” antwoordde mevrouw Bathory. „Gij zijt de eenige vriend der familie. Gij weet alles, wat ik dokter Antekirrt te zeggen heb.”
Mevrouw Bathory ging zitten, de dokter nam vlak voor haar plaats, terwijl Borik bij het venster staan bleef.
De weduwe van professor Stephanus Bathory was toen zestig jaren oud. Maar richtte zich ook al hare gestalte, in weerwil van den last der jaren, recht op, zoo verraadde toch haar sneeuwwit hoofd, haar met rimpels gegroeid gelaat genoegzaam den strijd, dien zij tegen het verdriet en tegen de ellende gevoerd had. Maar men gevoelde het, zij was nog even geestkrachtvol als vroeger. O, in haar school nog immer de moedige levensgezellin, de innige vertrouwelinge van dien man, die alles opgeofferd had aan hetgeen hij zijnen plicht meende te zijn; in haar school nog immer zijn medeplichtige, toen hij tot de samenzwering met Mathias Sandorf en Ladislas Zathmar toetrad.
„Mijnheer,” zeide zij met eene stem, waarvan zij de aandoening te vergeefs zou hebben pogen te bemantelen, „daar gij dokter Antekirrt zijt, ben ik u veel verplicht, en ben ik u het verhaal verschuldigd van hetgeen vijftien jaren geleden te Triëst voorgevallen is.…”
„Mevrouw, juist omdat ik dokter Antekirrt ben, verzoek ik u, om u en mij een verhaal te besparen, dat voor u te treurig moet zijn! Dat verhaal ken ik en ik voeg er bij—juist alweer omdat ik dokter Antekirrt ben—dat ik uw geheel bestaan ken sedert dien onvergeetbaren datum van den 30en Juni 1867.”
„Mag ik u dan vragen, mijnheer,” hernam mevrouw Bathory, „aan welke motieven gij de belangstelling ontleent, die gij in mijn levensloop gesteld hebt?”
„Die belangstelling, mevrouw, is die, welke ieder gevoelig en rechtschapen mensch verschuldigd is aan de weduwe van den vaderlandslievenden Magyaar, die niet geaarzeld heeft alles voor de onafhankelijkheid van zijn vaderland ten offer te brengen!”
„Hebt gij professor Stephanus Bathory gekend?” vroeg de weduwe met ietwat bevende stem.
„Ja, mevrouw, ik heb hem gekend en ik vereer allen welke dien naam dragen!”
„Behoort gij ook tot dat vaderland, waarvoor hij zijn bloed gestort heeft?”
„Ik, ik heb geen vaderland, mevrouw!”
„Maar wie zijt gij dan?”
„Een overledene, die nog geen graf heeft kunnen vinden!” antwoordde dokter Antekirrt koel. [214]
Mevrouw Bathory en Borik ijsden bij dat zoo onverwachte antwoord; maar de dokter haastte zich te vervolgen:
„Evenwel, mevrouw, dat verhaal, hetwelk ik u verzocht niet uit te spreken, moet ik leveren, want al weet gij ook sommige bijzonderheden, zoo zijn er toch anderen, die u onbekend zijn, en die onkunde mag niet langer blijven bestaan.”
„Ik luister, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory.
„Mevrouw,” hernam de dokter, „het is nu vijftien jaren geleden, dat drie edele harten, zich aan het hoofd stelden van eene samenzwering, die tot doel had aan Hongarije zijne onafhankelijkheid weer te geven. Dat waren graaf Mathias Sandorf, professor Stephanus Bathory en graaf Ladislas Zathmar, drie vrienden, die sedert lang dezelfde hoop koesterden, drie verschillende wezens met slechts één hart.
„Den 8en Juni 1867, daags vóórdat het sein zou gegeven worden voor den opstand, die zich over geheel Hongarije en tot in Transsylvanië zou uitstrekken, werd het huis van graaf Zathmar te Triëst, waarin de hoofden der samenzwering vergaderd waren, door de Oostenrijksche politie overvallen. Graaf Sandorf werd met zijne beide makkers gevat en dienzelfden nacht nog in den vestingtoren van Pisino gekerkerd. Weinige weken later waren zij ter dood veroordeeld.
„Een jeugdig boekhouder, Sarcany genaamd, die terzelfder tijd in het huis van graaf Zathmar gevangen genomen werd, maar geheel vreemd aan de samenzwering was, werd weldra buiten alle vervolging en na de beëindiging der zaak, op vrije voeten gesteld.
„Daags vóórdat het vonnis zou voltrokken worden, poogden de gevangenen, die in dezelfde cel opgesloten waren, te ontsnappen. Graaf Sandorf en Stephanus Bathory slaagden er in, langs de staven van een bliksemafleider uit den vestingtoren van Pisino te ontvluchten en vielen in den Foïba-bergstroom, op hetzelfde oogenblik dat Ladislas Zathmar, door den gevangenbewaarder gegrepen, in de onmogelijkheid gesteld werd om zijne makkers te volgen.
„Hoewel er weinig kansen bestonden, dat de vluchtelingen aan den dood ontsnappen zouden, daar een onderaardsche stroom hen medesleepte, te midden van eene landstreek, die hen geheel onbekend was, zoo slaagden zij er toch in, den oever van het kanaal van Léma en daarna de stad Rovigno te bereiken, waar zij eene toevlucht vonden in het huis van den visscher Andreas Ferrato.
„Die visscher—een braaf en eerlijk hart—had alles klaargemaakt om hen aan de overzijde van de Adriatische zee te brengen, toen een Spanjaard, Carpena genaamd, die de schuilplaats der vluchtelingen ontdekt had, uit persoonlijke wraakzucht de arme [215]ellendigen bij de politie van Rovigno aangaf. Andermaal poogden zij te ontsnappen; maar Stephanus Bathory viel in handen der agenten. Wat Mathias Sandorf betreft, hij werd tot aan den zeeoever vervolgd en viel onder een kogelregen. De Adriatische zee heeft zijn lijk niet weergegeven.
„Twee dagen later werden Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar in de citadel van Pisino doodgeschoten. De visscher Andreas Ferrato werd, ter zake van huisvesting aan de vluchtelingen verleend te hebben, tot levenslange galeistraf veroordeeld en naar het bagno van Stein gezonden.”
Mevrouw Bathory zat daar met diepgebogen hoofd. Zij had het verhaal van den dokter met een beklemd hart, maar zonder hem een enkele maal in de rede te vallen, aangehoord.
„Hadt gij die bijzonderheden vernomen, mevrouw?” vroeg hij.
„Ja, mijnheer, door de dagbladen, zooals gij ze waarschijnlijk ook vernomen hebt.”
„Ja, mevrouw, door de dagbladen,” antwoordde de dokter, „maar wat de dagbladen niet konden mededeelen, daar de instructie dier zaak in het grootste geheim geschiedde, heb ik, dank zij de babbelzucht van een gevangenbewaarder van de citadel, vernomen en dat zal ik u mededeelen.”
„Spreek, mijnheer,” zei mevrouw Bathory.
„Dat graaf Sandorf en Bathory ontdekt en gevat werden in de woning van den visscher Ferrato, werd veroorzaakt door het verraad van den Spanjaard Carpena. Maar dat zij drie weken te voren te Triëst in de woning van graaf Zathmar gevat werden, was het werk van verraders, die hen aan de agenten der Oostenrijksche politie verklikt hadden.”
„Verraders!” mompelde mevrouw Bathory.
„Ja, mevrouw, en het bewijs van het verraad bleek uit de debatten van het proces. Eerst hadden die snoodaards een briefje in geheimschrift, aan den hals eener postduif gebonden, ontdekt, dat aan graaf Sandorf gezonden was en waarvan zij een afschrift namen. Een andere maal slaagden zij er in, in het huis van graaf Zathmar zelve een afdruk van den rooster te verkrijgen, die diende om dat geheimschrift te ontraadselen. Daarna, toen zij kennis van den inhoud van het briefje genomen hadden, hebben zij het geheim aan den gouverneur van Triëst bekend gemaakt. Ongetwijfeld zou een gedeelte der verbeurdverklaarde goederen van graaf Sandorf dienen om hun verraad te beloonen.”
„En kent men die ellendelingen?” vroeg mevrouw Bathory, wier stem van aandoening beefde.
„Neen, mevrouw,” antwoordde de dokter; „maar wellicht kenden hen de drie veroordeelden, en zouden zij hunne namen [216]bekend gemaakt hebben, wanneer zij hun gezin voor de laatste maal alvorens te sterven hadden kunnen weerzien.”
Inderdaad, noch mevrouw Bathory, die toen met haren zoon afwezig was, noch Borik, die in de gevangenis van Triëst opgesloten zat, hadden de veroordeelden in hunne laatste oogenblikken kunnen bijstaan.
„Zal men nooit de namen van die ellendelingen te weten komen?” vroeg mevrouw Bathory.
„Mevrouw,” antwoordde dokter Antekirrt, „de verraders eindigen steeds met zichzelven te verraden! Ziehier wat ik ten slotte nog bij dat verhaal te voegen heb: Gij bleeft als weduwe met een kindje van acht jaren nagenoeg zonder middelen achter. Borik, de bediende van graaf Zathmar, wilde u na den dood van zijn meester niet verlaten; maar hij was arm en bezat niets anders dan zijne toewijding.
„Toen, mevrouw, hebt gij Triëst verlaten, om deze nederige woning te Ragusa te betrekken. Gij hebt handenarbeid verricht om zoowel in de behoeften van het materieele als van het zieleleven te voorzien. Gij verlangdet toch dat uw zoon het pad der wetenschap, dat zoo roemrijk door zijn vader betreden was, zoude volgen. Maar, welken strijd hebt gij daarbij te voeren gehad! Welke ellende moest daarbij moedig het hoofd geboden worden! O, ik buig met eerbied het hoofd voor de edelaardige vrouw, die zooveel geestkracht getoond heeft, voor de moeder, door wiens zorgen haar zoon een man geworden is!”
Terwijl de dokter die woorden sprak, was hij van zijn stoel opgestaan en werd zijne ontroering, in weerwil van zijne gewone koelheid, duidelijk merkbaar.
Mevrouw Bathory antwoordde niet. Zij wachtte in het onzekere of de dokter zijn verhaal geëindigd had of het zou voortzetten. Het kon toch zijn, dat hij feiten, die hem persoonlijk betroffen, wilde mededeelen en dat dit de beweegreden was, waarom hij een onderhoud verlangd had.
„Intusschen, mevrouw,” hernam de dokter, die hare gedachten raadde, „hebben de menschelijke krachten hare grenzen, en, hoewel ziek en uitgeput door zooveel beproevingen, zoudt gij bij uwe taak bezweken zijn, wanneer een onbekende, neen, een vriend van professor Bathory, u niet ter hulp gesneld ware. Nimmer zou ik u daarover gesproken hebben, wanneer uw oude dienaar mij uwen wensch niet had geopenbaard om mij te willen ontmoeten.”
„Inderdaad, mijnheer,” antwoordde mevrouw Bathory, „ben ik dan dokter Antekirrt niet veel dank schuldig?”
„Waarom, mevrouw? Omdat dokter Antekirrt vijf of zes jaren geleden, bij de herinnering aan de vriendschap, die hem aan graaf [217]Sandorf en aan zijne beide makkers verbond, en, om u bij uwe taak behulpzaam te zijn, u eene som van honderd duizend gulden heeft doen toekomen? Gevoelde hij zich niet zeer gelukkig, dat geld ter uwer beschikking te kunnen stellen?
„Neen, mevrouw, ik ben het integendeel, die u dank schuldig ben, omdat gij dat geld wel hebt willen aannemen, omdat gij mij veroorloofd hebt de weduwe en den zoon van Stephanus Bathory ter hulp te komen.”
De weduwe had het hoofd gebogen en antwoordde:
„Hoe het ook zij, mijnheer, ik voelde behoefte om u mijne dankbaarheid te betuigen. Dat was de eerste beweegreden van dat bezoek, hetwelk ik u brengen wilde. Maar er was eene tweede.…”
„En die is, mevrouw?”
„Ik wilde.… u die som teruggeven.…”
„Hoe mevrouw?” zei de dokter, „gij hebt die som niet willen aannemen?”
„Mijnheer, ik meende het recht niet te hebben over die som te beschikken. Ik kende dokter Antekirrt niet. Ik had nimmer zijn naam hooren noemen. Die som kon een soort aalmoes zijn, komende van hen, die mijn man bestreden hadden en wier erbarmen mij hatelijk toescheen! Ik heb die som dus niet gebezigd, zelfs voor het doel niet, waarvoor dokter Antekirrt haar bestemd had.”
„Dus.… dat geld.…?”
„Is onaangeroerd.”
„En uw zoon?”
„Zal aan niemand anders verplichting hebben dan aan zichzelven.…”
„En aan zijne moeder!” vulde de dokter aan, die door zooveel grootheid van ziel, door zooveel karakter, zooveel geestkracht niet anders dan tot bewondering gestemd kon worden en dan ook vol eerbied voor de waardige vrouw stond.
Ook mevrouw Bathory was opgestaan en op een kistje toegetreden, dat gesloten was. Zij nam er een bundel bankbiljetten uit, die zij den dokter overreikte.
„Mijnheer,” zeide zij, „neem dat geld terug, want het behoort u, en ontvang den dank eener moeder, die verplichting aan u heeft, alsof zij er gebruik van gemaakt had, om haar zoon op te voeden!”
„Dat geld behoort mij niet meer toe, mevrouw!” antwoordde dokter Antekirrt, terwijl hij de bankbiljetten met een gebaar afwees.
„Ik herhaal, dat het mij nimmer had moeten toebehooren!”
„Maar als Piet Bathory het zou willen gebruiken.…”
„Mijn zoon zal eindigen met de betrekking te vinden, die hij waardig zal zijn. Ik zal dan op hem kunnen rekenen, zooals hij op mij heeft kunnen vertrouwen!” [218]
„Hij zal niet weigeren, hetgeen een vriend van zijn vader aandringt dat hij zal aannemen!
„Jawel, hij zal weigeren!”
„Laat mij dan ten minste beproeven, mevrouw.…”
„Ik bid u die proef niet te nemen, heer dokter,” antwoordde mevrouw Bathory, „mijn zoon weet zelfs niet dat ik dat geld ontvangen heb, en ik verlang, dat hij daaromtrent steeds onkundig blijve!”
„Het zij zoo, mevrouw!.… Ik begrijp de gevoelens, die u zoo doen handelen, daar ik slechts een onbekende voor u was en ben!.… Ja, ik begrijp en bewonder ze!.… Maar ik herhaal het, als dat geld uw eigendom niet is, dan is het het mijne ook niet!”
Dokter Antekirrt was op het punt om heen te gaan. De weigering van mevrouw Bathory kon hem niet kwetsen. Hare kieschheid wekte slechts een gevoel van diepen eerbied bij hem op. Hij groette de weduwe en wilde heengaan, toen eene laatste vraag hem weerhield.
„Mijnheer,” zei mevrouw Bathory, „gij hebt gesproken over onwaardige handelingen, die den dood van Ladislas Zathmar, van Stephanus Bathory en van den graaf Sandorf veroorzaakt hebben?”
„Ik heb verhaald, wat er gebeurd is, mevrouw.”
„Maar kent niemand die onmenschen?”
„Ja, mevrouw!”
„Wie dan?”
„God!”
Na dat woord boog dokter Antekirrt voor den laatsten keer voor de weduwe en verliet hare woning.
Mevrouw Bathory bleef in gedachten verzonken. Zij voelde zich door eene geheime sympathie, waarvan zij zich geen rekenschap wist te geven tot dien geheimzinnigen persoon, die zoo ingewijd was in de meest verborgen gebeurtenissen van haar leven, aangetrokken. Zou zij hem ooit terugzien? En wanneer hij met de Savarena te Ragusa aangekomen was alleen met het doel om haar dat bezoek te brengen, zou hij dan niet zeewaarts gaan om niet meer terug te keeren?
Den volgenden morgen deelden de dagbladen mede, dat een onbekende eene gift van honderd duizend gulden aan de gasthuizen van de stad vermaakt had.
Dat was de gift van dokter Antekirrt. Maar was het ook niet de aalmoes der weduwe, die zij zoowel voor haar als voor haren zoon van de hand gewezen had?
EINDE VAN DOKTER ANTEKIRRT.
[219]