Triëst, de hoofdplaats van Illyrië, wordt verdeeld in twee gedeelten, die zeer weinig gelijkenis met elkander hebben; het eene is nieuw en rijk, Theresienstadt genaamd, keurig netjes en regelmatig gebouwd langs de boorden van die fraaie baai, waarvoor een deel door den mensch aan de golven ontwoekerd werd; het andere gedeelte is eene oude en arme stad, die geheel onregelmatig opgetrokken werd en besloten ligt tusschen het Corso, waardoor zij van de Theresienstadt afgescheiden wordt, en de hellingen van den Karstberg, welks top bekroond is met eene citadel, die een schilderachtig uiterlijk heeft.
De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. Daar vormen zich gemakkelijk en soms in onrustbarend aantal, groepen van die straatslijpers, van die bohemers, zooals zij wel genoemd worden, van die kerels zonder dak, welker jassen, broeken en vesten waarachtig geen zakken noodig hebben, omdat hunne eigenaren nooit iets gehad hebben en nooit iets zullen hebben, om er in te bergen.
Evenwel op den dag, waarop dit verhaal begint—den 18den Mei 1867—zou men te midden van die landloopers twee personen opgemerkt hebben, die een weinig beter gekleed waren dan hunne omgeving. Of ze ooit veel last hadden of hebben zouden van de guldens of kreutzers, die zij bezaten, was weinig waarschijnlijk, tenzij de kansrekening ten hunnen gunste uitviel. Het is waar dat het een paar kerels waren, die in staat geacht moesten worden, alles te doen om de fortuin de hand te reiken en haar gunstig te stemmen.
De een heette Sarcany, die beweerde dat hij van Tripoli afkomstig was. De andere was op Sicilië geboren en heette Zirone. Beiden, na den havendam voor den tienden keer op en neer gedrenteld te hebben, waren op zijn uiteinde blijven stilstaan. Van dat punt onderzochten zij den gezichteinder op zee ten westen van de baai van [2]Triëst, alsof daar aan de kim een schip moest opduiken, hetwelk hun een vermogen zou aanbrengen!
„Hoe laat is het?” vroeg Zirone in het Italiaansch, dat zijn makker even vlug en vloeiend sprak als al de andere tongvallen, die rondom de Middellandsche Zee gesproken worden.
Sarcany antwoordde niet.
„Och, ben ik niet dom, met zoo’n vraag te doen!” riep de Siciliaan uit. „Men weet altijd hoe laat het is, wanneer men den honger gevoelt, als men niets te ontbijten heeft gehad!”
De Oostenrijksche, Italiaansche en Slavonische bestanddeelen der maatschappij zijn in dit gedeelte van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk zoodanig vermengd, dat de aanwezigheid van die twee personen, hoewel zij blijkbaar vreemdelingen in de stad waren, volstrekt niet de aandacht trok. En al hadden zij ook al leege zakken en al waren zij ook arm als Job, zoo kon dat niemand raden, daar zij onder den bruinen mantel, die hen tot op de hielen viel, een hooge borst zetten, alsof zij wonder veel in de melk te brokken hadden.
Sarcany, de jongste dier beide mannen, was van middelbare gestalte, maar evenredig gebouwd. Hij bezat aangename manieren en een bevalligen gang en was vijf en twintig jaren oud. Hij heette Sarcany, zonder meer. Geen voornaam, geen doopnaam. En inderdaad, hij was niet gedoopt, omdat hij zeer waarschijnlijk van Afrikaansche herkomst was, van Tripoli of Tunis. Maar hoewel zijne huid gebruind was, deden zijne regelmatige trekken hem eerder voor een blanke dan voor een neger doorgaan.
Wanneer ooit het uiterlijk bedriegelijk was, dan was het wel dat van Sarcany. Men moest wel een ervaren opmerker zijn om uit dat regelmatige gelaat, met die schoone zwarte oogen, met dien fijngevormden neus, met dien keurig geteekenden mond, die door een fijn kneveltje beschaduwd werd, de diepe sluwheid van dien jongen man op te maken. Geen nog zoo scherpziend oog zou op dat strakke, ijskoude gelaat die kenmerken van diepe verachting en van peilloozen afkeer hebben kunnen ontdekken, die uit een voortdurenden opstand en strijd tegen de maatschappij geboren worden. Wanneer de gelaatkundigen, en in zeer vele gevallen terecht, beweren, dat ieder bedrieger in weerwil van zijne behendigheid tegen zich zelven getuigt, zoo zou Sarcany die bewering volkomen gelogenstraft hebben. Niemand zou op het eerste gezicht van dien man hebben kunnen gissen, wie hij was of wat hij geweest was. Hij ontlokte dien onweerstaanbaren afkeer niet, die door schurken en bedriegers opgewekt wordt. Hij was er des te gevaarlijker door.
Hoe of wat was de kindsheid van Sarcany geweest? Dat wist niemand te vertellen. Ongetwijfeld die van een verlaten, verstooten [3]wezen. Hoe was hij opgevoed geworden? En door wien? In welk Tripolitaansch gat bracht hij zijne eerste kinderjaren door? Door welke zorgen ontsnapte hij aan de zoovele oorzaken van verdelging en vernietiging onder die noodlottige klimaatsinvloeden? Waarlijk niemand—hij zelf waarschijnlijk ook niet—zou op die vragen antwoord hebben kunnen geven. Het toeval had hem het aanzijn geschonken, het toeval sleepte hem voort en hij was bestemd afhankelijk van het toeval te leven! Toch had hij in zijne jeugd eenig practisch onderricht genoten, hetwelk hij daaraan waarschijnlijk verschuldigd was, dat hij door de wereld had moeten rondzwerven, dat hij met allerhande slag van menschen had moeten omgaan, en dat hij er steeds op bedacht had moeten zijn om kunstmiddel op kunstmiddel uit te denken, al ware het maar om zijn dagelijksch onderhoud machtig te worden. Daardoor en door nog verschillende andere omstandigheden was hij sedert eenige jaren in aanraking gekomen met een der rijkste huizen van Triëst, met het bankiershuis van Silas Toronthal, wiens naam innig samengeweven zal zijn met den draad dezer geschiedenis.
Wat den makker van Sarcany, den Italiaan Zirone, betreft, och, men heeft in hem slechts te zien een dier mannen zonder god of gebod, een avonturier, in staat om alles te doen, om alles ter hand te nemen, iemand die ter beschikking is van den eerste den beste die goed betaalt, om dien te verraden ter wille van een ander, die nog beter afschuift. Hij was, zooals reeds gezegd is, op Sicilië geboren en ongeveer dertig jaar oud. Hij was er de man naar, om zoowel slechten raad te geven als dien te ontvangen. Vooral evenwel zorgde hij voor de uitvoering daarvan. In welke plaats was hij geboren? Misschien zou hij die vraag beantwoord hebben als hij het geweten had. Maar in ieder geval bekende hij ongaarne waar hij woonde, als hij wel te verstaan ergens woonde. Het was op Sicilië dat het toeval van zijn zwervend leven hem in aanraking met Sarcany gebracht had. En zoo gingen zij de wereld door en trachtten door alle geoorloofde en ongeoorloofde middelen uit hun beider slecht gesternte munt te slaan en de fortuin te beproeven. Zirone evenwel, een groote, gebaarde kerel, met zeer bruine huid en zeer zwart haar, zou eenige moeite hebben om zijne aangeborene schelmachtigheid te bemantelen, die uit zijne steeds half gesloten oogen straalde en door zijn voortdurend hoofdschudden aangeduid werd.
Alleen hij poogde zijne sluwheid achter eene luidruchtige babbelachtigheid te verbergen. Hij was daarenboven eerder vroolijk dan droevig van aard en veel meer mededeelzaam dan zijn makker.
Dien dag sprak Zirone evenwel met eene soort van omzichtigheid. Klaarblijkelijk verontrustte hem zijne hongerigheid. Den vorigen dag had hij een laatste partij gespeeld in een speelhol van [4]zeer laag allooi, waarbij de fortuin hem onbarmhartig stiefmoederlijk behandeld had, en hij de laatste hulpmiddelen van Sarcany verspeeld had. Geen hunner wist dan ook hoe aan eten te komen. Ze konden en mochten slechts op het toeval rekenen, en daar die bedelaars-voorzienigheid zich niet haastte om hun de hand te reiken daar op dien havendam van San Carlo, zoo besloten zij haar een eindje tegemoet te treden, door de nieuwe stad in te stappen.
Daar op de pleinen, op de kaden, op de wandelwegen, zoowel aan deze als aan gene zijde van de haven, langs het groote kanaal, dat geheel Triëst doorsnijdt, daar gaat, komt en verdringt zich, in den ijver om zaken te doen, eene bevolking van zeventig duizend zielen van Italiaanschen oorsprong, welker taaldialect, hetwelk dat van Venetië is, zich oplost in de kosmopolitische spraakverwarring van al die zeelieden, handelaren, geëmployeerden, beambten, die een mengelmoes doen hooren, dat uit Duitsch, Fransch, Engelsch en Slavonisch bestaat.
Hoewel beweerd kan worden, dat die nieuwe stad rijk is, zoo moet daaruit de gevolgtrekking niet gemaakt worden dat allen, die daar op de straten ronddrentelen, gelukkige stervelingen genoemd kunnen worden. Neen, waarachtig niet. De meest-vermogenden zouden onmogelijk hebben kunnen wedijveren met die Engelsche, Armenische, Grieksche en Joodsche handelaren, die te Triëst den baas spelen en welker weelderige huishouding de hoofdstad van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk overwaardig zou zijn. Maar die buiten rekening gelaten, hoeveel arme drommels, die van ’s morgens tot ’s avonds zwerven door die handelslanen, welke door hooge gebouwen omgeven zijn, die gesloten worden als geldkisten en waarin allerhande koopwaren, welke naar die vrijhaven, die zoo gunstig in dien uithoek van de Adriatische Zee gelegen is, gebracht worden, opgestapeld liggen. Hoeveel lieden drentelen daar niet, die niet ontbeten hebben, die misschien niet zullen middagmalen, opgehouden als zij zullen worden op de havenkaden, waar de schepen van de machtigste maritieme maatschappij van Europa, de Oostenrijksche Lloyd, zooveel rijkdom, van al de streken der aarde bijeengebracht, ontladen. Hoeveel rampzaligen eindelijk, zooals er bij honderden in Londen, Liverpool, Amsterdam, Rotterdam, Marseille, Havre, Antwerpen, Livorno, in één woord in alle handelssteden, tusschen rijke reeders en cargadoors rondkrioelen in de nabijheid dier pakhuizen, welker ingang voor hen gesloten is, op de beurspleinen dier steden, gebouwen aan Mercurius gewijd, die zich nimmer voor hen zullen ontsluiten, bewegen zich niet ook hier te Triëst beneden aan die trappen van dat Tergesteum, waar de Lloyd hare kantoren gevestigd heeft, hare leeszalen bezit, en in volmaakte overeenkomst met de Kamer van Koophandel leeft. [5]
De haven van Triëst wordt gedekt door den kaaidam San Carlo, in welks nabijheid de koopvaardijschepen bij voorkeur ankeren. (Bladz. I.)
[6]
Het is onbetwistbaar dat in al de groote zeesteden van de oude en nieuwe wereld, een klasse van ongelukkigen rondkrioelt, die aan die groote handelscentra eigen zijn. Vanwaar zij komen, weet niemand. Hoe dat lot hun beschoren werd, evenmin. Waar zij het hoofd neerleggen zullen, weten zij zelven niet. Onder hen worden aangetroffen die van hooger standpunt weggedrongen werden. Het zijn meestal vreemdelingen bovendien. De spoortreinen en de koopvaardijschepen brachten hen aan en wierpen hen op het perron of op de kaden als colli’s vrachtgoederen zonder waarde, en zij vormen een ware belemmering op den openbaren weg, vanwaar de politie hen te vergeefs zoekt te verdrijven.
Sarcany en Zirone, na nog een blik over de baai tot aan den vuurtoren, die op de uiterste punt van Sint Theresia opgericht is, geworpen te hebben, verlieten alzoo den havendam en namen hun weg tusschen het Teatro Comunale en de kade door en bereikten zoo de Piazza Grande, waar zij gedurende een kwartieruur slenterden in de nabijheid van de fontein, die opgetrokken werd van steenen, welke uit den naburigen Karstberg gehaald waren, en in de nabijheid van het standbeeld van Karel VI.
Beiden sloegen toen links af. Intusschen bekeek Zirone de voorbijgangers met onderzoekenden blik, alsof hij van het onweerstaanbare plan zwanger ging te willen zakkenrollen. Daarna slenterden zij rondom het groote vierkant van Tergesteum, juist op het oogenblik dat de beurstijd eindigde.
„De beurs is nu leeg.… zooals de onze!” meende de Siciliaan met een glimlach te moeten opmerken, hoewel hij volstrekt geen trek in lachen had.
Maar de onverschillige Sarcany scheen zelfs het geestige woordenspel van zijn makker niet gehoord te hebben. Deze evenwel rekte zich de ledematen uit en geeuwde van honger.
Daarna stapten zij het driehoekige plein over, waarop zich het bronzen standbeeld van keizer Leopold I verheft. Een scherp gefluit van Zirone, die dat als een echte straatjongen kon, deed een vlucht blauwe duiven opvliegen, die onder de boogvormige afdaken van de oude Beurs koekeloeren, zooals de grijsachtige duiven doen tusschen de Procuraties van het Sint-Markusplein te Venetië. Niet ver van daar ontwikkelde zich het Corso, dat het nieuwe Triëst van het oude scheidt.
Dat Corso is een breede straat, die evenwel zonder bevalligheid is, waarin goedbeklante magazijnen aangetroffen worden, die evenwel smakeloos genoemd moeten worden. Die straat doet eerder denken aan de Regentstreet van Londen of de Broadway van New-York, dan aan de Boulevards des Italiens te Parijs. Een groot aantal voorbijgangers wordt er steeds aangetroffen. Ook het aantal [7]rijtuigen is er aanmerkelijk, die van de Piazza Grande naar de Piazza della Legna rijden.—Die namen duiden aan dat de stad haren Italiaanschen oorsprong nog niet vergeten is.
Wanneer Sarcany den schijn aannam ongevoelig te zijn voor iedere verzoeking, zoo ging Zirone toch die rijke winkels niet voorbij zonder er dien bijzonderen afgunstigen blik in te werpen, die van hen uitgaat, die de middelen missen naar binnen te kunnen gaan. Daar waren toch zaken in overvloed aanwezig, die zij wel zouden hebben kunnen gebruiken, vooral bij de kooplieden in eetwaren en in de „bièreries” waar het bier meer overvloedig stroomt dan in eenige andere stad van het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk.
„Ik gevoel nog meer honger dan dorst op dit Corso,” merkte de Siciliaan op, terwijl hij met de tong tusschen zijn verdroogde lippen smakte, alsof hij een kleppermansratel liet hooren.
Die opmerking werd door Sarcany met een eenvoudig schouderophalen beantwoord.
Beiden sloegen toen de eerste straat links in, en toen zij op de oevers van het kanaal waren aangekomen, op het punt waar de Ponto Rosso—eene fraaie draaibrug—overgang verleende, stapten zij die kaden langs, waar zelfs schepen van grooten diepgang kunnen vastmeeren. Daar werden zij veel minder verlokt en gepijnigd door de uitstalling van allerlei lekkernijen. Ter hoogte van de kerk Sant-Antonio gekomen, sloeg Sarcany plotseling rechtsom. Zijn makker volgde hem zonder eenige bemerking te maken. Daarna staken zij weer het Corso over en drentelden thans door de oude stad, welker straten zeer smal en onbruikbaar voor rijtuigen zijn, wanneer zij althans die eerste hellingen van den Karstberg bereiken en daartegen als het ware willen opklimmen. Die straten nemen in den regel zulke richting, dat zij niet door den schrikkelijken Borawind—zoo wordt een stevige noordoostelijke bries genoemd—bestreken kunnen worden. Hier in dat oude Triëst zouden Zirone en Sarcany als ware platzakken, zich meer te huis gevoelen dan in de rijke en prachtige kwartieren van de nieuwe stad.
Zij logeerden dan ook inderdaad achter in een zeer bescheiden passantenhuis, niet ver van de kerk van Santa Maria Magiore, en hadden daar reeds hun intrek genomen bij hunne aankomst in de hoofdplaats van Illyrië. Maar daar de logementhouder nog nooit eenig geldstuk van hen te zien had gekregen en steeds dringender werd om zijne rekening, die iederen dag al grooter en grooter werd, betaald te krijgen, vermeden zij die gevaarlijke kaap, staken het plein over en flaneerden gedurende eenigen tijd rondom de Arco di Riccardo.
Maar op den keper beschouwd, de studie van die overblijfselen van vermeende bouwkunst kon hen niet bevredigen. Daar dus het [8]toeval dezen keer blijkbaar zich niet haastte om hen te midden van die slecht befaamde straten te hulp te komen, begonnen zij, de een gevolgd door den ander, de steile stegen te beklimmen, die bijna tot op den top van den Karstberg, naar het plein der kathedraal voerden.
„Een zonderling denkbeeld om daar naar boven te klimmen,” mompelde Zirone, terwijl hij onderwijl zijn mantel om zijn middel vaster aantrok.
Maar al pruttelde hij ook, hij verliet zijn makker niet, en van beneden gezien, had men kunnen waarnemen, hoe zij zich langs die trappen, die oneigenaardig straten genoemd worden en langs de hellingen van den Karstberg aangelegd zijn, opheschen. Tien minuten later hadden zij, hongeriger en dorstiger dan te voren, het plein daarboven bereikt.
Dat van dit hooge standpunt het vergezicht zich prachtig uitstrekte over de baai van Triëst tot aan de volle zee, over de zoo levendige haven door het heen en weer varen der visschersvaartuigen, door het in- en uitstevenen der oorlogs-stoomers en der koopvaardijschepen; dat de blik kon waren over de geheele stad, over hare voorsteden, over de laatste huizen, die op de hellingen gelegen waren, over de villa’s, die verspreid op de hoogten verrezen, neen, dat alles kon onze twee avonturiers volstrekt niet meer boeien. Zij hadden in hun leven wel wat anders gezien en bovendien, hoe dikwijls hadden zij niet op die hoogte met hunne ellende en met hunne verveling rondgewandeld? Zirone vooral had veel liever langs de rijke winkels van het Corso gedrenteld. Maar wat er aan te doen! Nu zij toch het toeval en zijne onvoorziene weldadigheden daar boven waren komen zoeken, moesten zij die zonder al te veel ongeduld afwachten.
Er stond daar bij het uiteinde van de trap, die toegang tot het terras, dicht bij de Byzantijnsche Kathedraal van Sint Justus verleende, eene omheinde ruimte, die vroeger een kerkhof was, maar thans als museum van oudheden te bezichtigen was. Het waren geen graven meer, die er aangetroffen werden, maar brokstukken van grafsteenen, die onder de lage takken van zeer fraaie boomen verscholen lagen, Romeinsche obeliskvormige monolithen, voetstukken uit de middeleeuwen, stukken van Dorische friezen en anderen, afkomstig uit den Renaissance-stijl, verglaasde cubussen, waarop nog steeds de sporen van vuur en asch te bespeuren waren. Dat alles lag daar door elkander in het gras.
De deur van die omheinde ruimte was niet gesloten. Sarcany had slechts de moeite te nemen haar open te duwen. Hij trad, gevolgd door Zirone, binnen, die evenwel deze meewarige opmerking niet kon onderdrukken: [9]
En gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm van eene Romaansche roos uitgebeiteld was. (Bladz. 10.)
[10]
„Wanneer wij het denkbeeld koesterden om een einde aan ons leven te maken, dan zou waarachtig de plek uitstekend gekozen zijn.”
„En als men u voorsloeg dat te doen?” vroeg Sarcany met spottende stem.
„Wel, daar zou ik hartelijk voor danken, kameraad! Als men mij slechts één gelukkigen dag op de tien verschaft, och, dan ben ik tevreden, ik vraag niet meer.”
„Dien gelukkigen dag zal men je verschaffen—en wellicht beter dan dat.”
„Dat je alle heiligen, die door de Italianen vereerd worden, verhooren. En toch weet God alleen dat die gelukzaligen bij honderden geteld worden.”
„Kom steeds voort!” hernam Sarcany.
„Waarheen?”
„Kom maar.”
Beiden volgden nu eene halfcirkelvormige laan, welke tusschen grafsteenen en eene dubbele rij urnen doorliep, en gingen zitten op een grooten steen, die in den vorm van een Romaansche roos uitgebeiteld en met den vloer gelijk was.
Eerst namen zij een diep stilzwijgen in acht, dat Sarcany scheen te bevallen, maar zijnen makker volstrekt niet beviel. Zirone sprak dan ook weldra, terwijl hij een paar krampachtige spiertrekkingen der kaakbeenderen niet kon onderdrukken:
„Hel en duivel, het toeval, waarop wij als echte dwazen rekenen, haast zich niet om ons te hulp te komen!”
Sarcany antwoordde niet.
„Maar welk denkbeeld dan ook,” ging Zirone voort, „om tot hier te midden van die bouwvallen te komen! Ik geloof, kameraad, dat wij een verkeerd pad ingeslagen hebben. Wie, duivel, zou hier het toeval de hand willen komen reiken, hier op dit oud kerkhof iemand komen verplichten? De zielen der overledenen kunnen het toeval best missen, die hebben niets meer noodig, sedert zij hun aardsch omhulsel verlieten. En wanneer ik zoover gekomen zal zijn, och, dan zal mij een vertraagd diner of een souper dat niet komt, bitter weinig kunnen schelen! Kom, laat ons heengaan!”
Sarcany was nog in zijne overdenkingen verdiept en had den blik als het ware in de ruimte verloren. Hij bewoog dan ook geen vin.
Zirone bleef nog een poos zonder verder te spreken. Daarop hernam zijne gewone babbelzucht weer hare rechten.
„Sarcany,” zei hij, „wilt gij weten onder welke gedaante ik thans dat toeval, hetwelk ons, zijn beste klanten, zoo liederlijk in den steek laat, zou willen zien verschijnen? In de gedaante van een der kassiersloopers van het huis Toronthal, die hier zou aankomen met [11]eene portefeuille opgepropt met bankbiljetten en die ons die portefeuille uit naam van den genoemden bankier zou toevertrouwen, onder bijvoeging van duizend verontschuldigingen, dat hij ons zoo lang heeft laten wachten.”
„Luister, Zirone,” sprak Sarcany, wiens wenkbrauwen geweldig fronsten. „Ik zeg je voor de laatste maal, dat wij niets meer van Silas Toronthal te hopen of te verwachten hebben.”
„Zijt gij er zeker van?”
„Ja, het geheele krediet dat ik bij hem hebben kon, is thans uitgeput en op mijne laatste aanvragen heeft hij met een formeele en afdoende weigering geantwoord.”
„Te drommmel, dat ’s gek!”
„Zeer gek, maar het is niet anders!”
„Maar.… als uw krediet uitgeput is,” hernam Zirone, „dan is dat toch het bewijs dat ge krediet gehad hebt. Wat was er de grondslag van? Waarop berustte het? Daarop, nietwaar, dat ge herhaaldelijk uwe verstandelijke vermogens en uw ijver ten dienste van het bankiershuis bij het behandelen van sommige teergevoelige zaken gesteld hebt.… Daarom is Toronthal gedurende de eerste maanden van ons verblijf te Triëst niet al te weerstrevend geweest op het gebied van geldverstrekken! Maar ik acht het voor onmogelijk dat ge hem niet meer op de een of andere wijze in uwe macht zoudt hebben, en door hem te bedreigen.…”
„Geloof mij, als dat mogelijk ware, zou het reeds geschied zijn,” antwoordde Sarcany, terwijl hij de schouders optrok, „en zoudt ge thans niet verplicht zijn rond te loopen om een diner te zoeken. Neen, bij God! ik heb dien Toronthal niet in mijne macht! Maar wat niet is, kan nog wel gebeuren, en dien dag dan zal hij mij èn kapitaal, èn interessen èn interessen van interessen van al hetgeen hij mij nu weigert, uitbetalen! Ik verbeeld mij, en misschien niet zonder reden, dat de zaken van zijn kantoor voor het tegenwoordige eenigszins in de war zijn en dat hij fondsen in wankelende zaken gestoken heeft, die erg gevaar loopen. De weeromstuit van verscheidene faillissementen in Duitschland, te Berlijn en te Munchen, heeft zich tot hier in Triëst doen gevoelen, en wat hij ook heeft mogen beweren, zoo scheen mij Silas Toronthal zeer onrustig, toen ik hem den laatsten keer bezocht! Kom, laten wij het water troebel laten worden.… en als dat gebeurd zal zijn.…”
„Welnu, ja,” riep Zirone uit, „dat ’s goed! Maar intusschen hebben wij nog slechts water om te drinken. Ziet ge, Sarcany, ik ben van meening dat gij nog een poging bij Toronthal moest wagen. Gij moest nog een keer bij zijne kas aankloppen om te trachten, al was het maar zooveel te verkrijgen, ten einde naar Sicilië via Malta terug te kunnen keeren.…” [12]
„Maar wat wilt ge in Sicilië uitvoeren?”
„Dat is mijn zaak. Dat land ken ik en ik zou een troepje Maltezers, flinke kerels, zonder vooroordeelen, waar wat van te maken zoude zijn, er heen kunnen voeren. Welnu, voor den drommel! als hier niets meer te beproeven valt, laten wij dan heengaan, maar laten wij alvorens dien verwenschten bankier noodzaken ons reisgeld te verschaffen. Hoe weinig gij ook van hem schijnt te weten, zal dat toch wel voldoende zijn om hem te doen inzien, dat het voor hem veiliger zal wezen, dat gij u overal elders dan te Triëst zult bevinden!”
Sarcany schudde het hoofd.
„Kom, vooruit! Het kan onmogelijk lang meer duren,” hernam Zirone. „Wij zijn geheel blut!”
Hij was opgestaan, en stampte met den voet op den grond, zooals hij eene stiefmoeder zou gedaan hebben die hem stiefmoederlijk zoude behandeld hebben.
In dit oogenblik werd zijn blik geboeid door een vogel, die buiten de omheinde ruimte slechts met moeite scheen te kunnen vliegen. Het was eene duif, wier vermoeide vleugelen ternauwernood nog klapwieken konden en die naar den grond streek.
Zirone had, zonder zich af te vragen, tot welke der honderd zeven en zeventig soorten van duiven, thans in de ornithologische naamlijst opgenomen, die vogel behoorde, slechts ééne zaak voor oogen, namelijk dat hij tot de eetbare soorten behoorde. Hij wees hem dan ook met den vinger aan zijn makker en verslond hem met den blik.
De vogel was klaarblijkelijk uitgeput en het einde zijner krachten nabij. Hij poogde zich vast te klemmen aan de uitstekende gedeelten van de kathedraal, welker voorgevel geflankeerd is door een vierkanten toren, die van oude dagteekening is. Toen hij zich niet meer kon houden en op het punt was naar beneden te vallen, kwam hij zich eerst neerzetten op het dakwerk van eene kleine nis, waaronder het beeld van den heiligen Justus prijkte; maar de vermoeide pootjes van de duif weigerden hun dienst; zij kon zich niet vastklemmen en liet zich glijden tot op het kapiteelwerk van eene oude zuil, die in den hoek stond, welke door dien toren en dien voorgevel gevormd werd.
Al volgde Sarcany, die steeds onbeweeglijk en stilzwijgend daar neer zat, de duif in hare vlucht niet, zoo verloor haar Zirone daarentegen niet uit het oog. Zij was uit noordelijke richting gekomen. Een lange tocht had haar geheel en al uitgeput. Klaarblijkelijk zette haar instinct haar aan om een nog verder gelegen doel te bereiken. Zij hernam dan ook bijna dadelijk hare vlucht en volgde eene gebogen richtingslijn, die haar noodzaakte tot eene [14]nieuwe halt, juist op de benedentakken van een der boomen van het oude kerkhof. [13]
Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen. (Bladz. 14.)
[14]
Toen besloot Zirone de duif te bemachtigen. Hij sloop dan ook zachtkens en langs den grond kruipende naar den boom. Weldra had hij den geknoesten stam bereikt, die gelegenheid te over aanbood om de vorkvormige vertakking van de kruin te kunnen bereiken. Daar bleef hij onbewegelijk en stom in de houding van een speurhond, die eenig wild bespiedt, dat boven zijn hoofd gezeten is.
De duif, die hem niet bemerkt had, wilde toen hare vlucht hervatten, maar hare krachten verlieten haar andermaal, zoodat zij op weinige passen verder op den grond viel.
Met een sprong vooruitsnellen, de armen uitstrekken, den vogel met de hand grijpen, dat was voor den Siciliaan het werk van een ondeelbaar oogenblik. En hij was heel natuurlijk op het punt om de arme duif te verworgen, toen hij zich plotseling weerhield, een kreet van verwondering uitstiet en in allerijl bij Sarcany terugkwam.
„Eene reisduif!” zei hij.
„Waarlijk, dat is dan een reiziger, die zijn laatste reis afgelegd heeft!” antwoordde Sarcany.
„Ongetwijfeld” hernam Zirone, „en des te erger voor hen, aan wie het briefje is gericht, dat onder den vleugel der duif vastgemaakt zit.”
„Een briefje!” riep Sarcany uit. „Wacht Zirone, wacht! Zoo iets dwingt tot uitstel van executie!”
Hij weerhield de hand van zijn makker, die reeds den hals van de arme duif omkneld hield. Daarna nam hij het zakje dat Zirone reeds losgemaakt had, opende het en haalde er een briefje uit dat een raadselschrift vertoonde:
| ghfhna | dalant | ltenka |
| aohhzk | aenzse | lsnivi |
| rnryoo | tnpees | seyehe |
| lxosde | soelnl | sglpte |
| veknni | ilarna | lotasa |
| yareah | uezmtl | rradae |
Omtrent de plaats van vertrek en omtrent de bestemmingsplaats van het briefje geen enkel woord. Wat die achttien woorden betreft, die ieder uit een gelijk aantal letters samengesteld waren, zoude het mogelijk zijn, de beteekenis daarvan te weten te komen zonder den sleutel te kennen? Dat was al zeer onwaarschijnlijk, tenzij een hunner een behendig oplosser van raadsels mocht heeten en dan moest nog het geval bestaan dat het schrift ontraadselbaar was. [15]
Tegenover dat geheimschrift, dat voor hen niets beteekende, bleef Sarcany eerst teleurgesteld, daarna zeer beteuterd in gedachten verzonken staan. Zou dat briefje een belangrijk, maar vooral een compromitteerend bericht behelzen? Dat kon, dat moest aangenomen worden. Dat duidden de voorzorgen genoegzaam aan, die genomen waren, dat het, wanneer het bij ongeluk in verkeerde handen viel, door niemand anders kon gelezen worden dan door hen, voor wie het bestemd was. Ook gaf het vervoermiddel achterdocht. Door toch noch van den postdienst, noch van de telegraaf gebruik te maken, maar integendeel het wonderlijke instinct van de reisduif te bezigen, was het duidelijk, dat het eene zaak gold, die zeer geheimzinnig behandeld moest worden.
„Wellicht,” zei Sarcany, „schuilt er in die regels een geheim, dat ons een vermogen zou kunnen bezorgen!”
„Dan zou die duif,” hernam Zirone, „de vertegenwoordigster van het toeval zijn, dat wij sedert heden ochtend zoo opgespoord hebben. Duivels! ik die het arme dier wilde worgen!.… Maar alles goed en wel beschouwd, is het briefje toch het meest belangwekkende, zoodat er zich niets tegen verzet om den briefbesteller te braden.”
„Haast je maar niet, Zirone,” antwoordde Sarcany, die dezen keer andermaal het leven der duif redde. „Misschien kunnen wij door middel dier duif te weten komen, aan wien dat briefje gericht is, wel te verstaan, wanneer die te Triëst woont.”
„En daarna? Dat zal je toch het middel niet aan de hand doen om te kunnen lezen wat in dat briefje staat, Sarcany!”
„Neen, Zirone.”
„Ook niet om te weten, van waar dat briefje komt!”
„Ook dat niet! Maar als het mij lukt van twee correspondenten een te leeren kennen, dan verbeeld ik mij, dat dat wel eene vingerwijzing zou kunnen wezen om ook achter den ander te komen, nietwaar?”
„Ja.… zoo beschouwd.…”
„In plaats dan van die duif te dooden en te braden, moeten wij er ons integendeel op toeleggen haar hare krachten terug te bezorgen, opdat zij hare bestemming bereiken kunne!”
„Met het briefje?” vroeg Zirone.
„Met het briefje, waarvan ik evenwel alvorens een nauwkeurig afschrift zal maken, dat ik bewaren zal, tot het oogenblik zal gekomen zijn om er gebruik van te maken!”
Sarcany haalde vervolgens een aanteekeningsboekje uit zijn zak te voorschijn en nam met het daarin aanwezige potlood een afschrift van het briefje. Daar hij wist dat bij de meeste raadselschriften niets verwaarloosd mag worden omtrent hunne daadwerkelijke rangschikking, zoo zorgde hij dat de stand der woorden onderling [16]onaangetast bleef. Toen hij daarmee klaar was, borg hij dit afschrift in zijn notitieboekje op, herplaatste het briefje in het zakje en het zakje onder den vleugel der duif.
Zirone keek aandachtig toe, zonder evenwel bijster veel hoop te koesteren omtrent een vermogen, dat door dit toeval verworven zou moeten worden.
„En thans?” vroeg hij.
„Thans,” antwoordde Sarcany, „is het zaak om den brievenbesteller goed te verzorgen.”
En dat was inderdaad noodig; want de duif was meer uitgeput door den honger dan door de vermoeienis. Hare vleugels waren ongeschonden, zonder een enkele beleediging of breuk, en bewezen dan ook ten volle, dat de kortstondige flauwte, die het dier overvallen had, noch aan eenige hagelkorrels van den een of anderen jager, noch aan een steenworp van den een of anderen boosaardigen straatjongen te wijten was. De vogel had honger, maar vooral dorst.
Zirone zocht dus en vond op den grond eenige zaadkorrels, die de duif met gretigheid oppikte. Eindelijk leschte hij haren dorst bij een plasje water, dat van den laatst gevallen regen in een scherf van een antieke vaas van gebakken steen achtergebleven was, zoodat een half uur, nadat de duif gevangen was geworden, zij, zoo gekoesterd, geheel hersteld, in staat was haar onderbroken reis te hervatten.
„Als zij nog ver moet vliegen, als zij verder dan Triëst moet zijn, dan kan het ons minder schelen of die duif onderweg omkomt,” zei Sarcany, „daar wij haar alsdan uit het oog zullen verliezen en wij haar onmogelijk zullen kunnen volgen. Wanneer zij evenwel in een der huizen van Triëst verwacht wordt en daar de eindpaal harer reis is, dan zullen haar de krachten niet ontbreken om dat te bereiken, want zij heeft dan nog maar een paar minuten te vliegen.”
„Ge hebt volkomen gelijk,” antwoordde de Siciliaan, „maar zullen wij haar met onzen blik kunnen volgen tot de plek waar haar duivenslag staat, al zou het ook zijn, dat die te Triëst aangetroffen werd?”
„Wij zullen in ieder geval ons best daarvoor doen en onze maatregelen daartoe nemen,” antwoordde Sarcany leuk. [17]
Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid waar. (Bladz. 19.)
[16]
En ziehier wat hij deed:
De kathedraal, welke uit twee oude Romaansche kerken bestond, die de eene aan de H. Maagd en de andere aan Sint Justus, den beschermheilige van Triëst, gewijd waren, wordt gesteund door een hoogen toren, die zich op den vleugel verhief van dien frontgevel, waarin eene groote, roosvormige versiering prijkte, welke boven de hoofddeur van het gebouw aangebracht was. Die toren beheerschte [18]de geheele topvlakte van den Karstberg, en de stad ontwikkelt zich daar beneden als een uitermate fraaie reliëfkaart. Van dit verheven punt ontwaart men al de vierkante vlakken, gevormd door de daken der huizen van de stad, van de heuvelhellingen af tot aan den oever der baai toe. Het zou dus niet onmogelijk zijn de duif in hare vlucht te volgen, wanneer men haar op den top van den toren losliet. Ongetwijfeld zou dan het huis te herkennen zijn, waarop zij zou neerstrijken, wanneer zij namelijk Triëst en geen andere stad of dorp van Illyrië tot bestemming had.
Die poging kon slagen en zij was wel waard om beproefd te worden. Men had slechts de duif in vrijheid te stellen.
Sarcany en Zirone verlieten dan ook dit oude kerkhof, staken het kleine plein, vóór de kerk gelegen, over en stapten op den toren toe. Een der ogiefvormige deuren, juist dezelfde, die onder het voetstuk van de nis van den Heiligen Justus aangebracht was, stond open. Beiden traden binnen en begonnen met de ruwe treden van de wenteltrap, die naar boven leidde, te bestijgen.
Zij hadden vier of vijf minuten noodig om den top des torens, die in een spits dak eindigt en dus geen plat heeft, te bereiken. Maar daar aangekomen, bemerkten zij twee vensters op ieder front van het hooge gebouw, die veroorloofden den blik langs den geheelen gezichteinder, zoowel langs de heuvelen als langs de zee, te laten waren.
Sarcany en Zirone namen plaats aan dat venster, hetwelk direct uitzicht op Triëst in noordwestelijke richting verleende.
Het sloeg toen vier uren op de torenklok van het kasteel, dat in de zestiende eeuw gebouwd werd op het hoogste punt van den Karstberg, vlak achter de kathedraal. Het was nog volle dag. De zon daalde langzaam te midden van een uiterst zuiveren dampkring naar de wateren van de Adriatische Zee, en het meerendeel der huizen ontving hare stralen op de voorgevels, die naar den kant van den toren gekeerd waren.
De omstandigheden waren dus zeer gunstig.
Sarcany nam de duif tusschen zijne beide handen, streelde haar nog een poos en gaf haar toen de vrijheid.
De vogel klapwiekte, daalde eerst snel genoeg om te doen vreezen, dat hij met een ongelukkigen val zijne loopbaan als luchtbrievenbesteller zou eindigen.
Vandaar dan ook dat de Siciliaan een waren kreet van teleurstelling uitstiet. Hij was zeer opgewonden en stond te trappelen van ongeduld.
„Zij valt, zij valt!” riep hij uit.
„Neen, zij hervat zich,” antwoordde Sarcany.
En inderdaad, de duif had haar evenwicht in de lagere luchtlagen [19]hernomen; daarna maakte zij een scherpen hoek en wendde zich in schuinsche richting naar het noordwestelijke gedeelte der stad.
Sarcany en Zirone volgden haar met de oogen.
Er werd bij de vlucht van den vogel, die door een bewonderenswaardig instinct geleid werd, geene enkele aarzeling waargenomen. Men gevoelde dat hij recht afvloog op het doel waar hij wezen moest, op het doel waar hij reeds sedert een uur had moeten aangekomen zijn, zonder dat ongewenschte oponthoud onder de boomen van het oude kerkhof.
Sarcany en zijn makker namen den bode met de meest nauwkeurige oplettendheid waar. Zij vroegen zich af of de duif de muren der stad niet zou overschrijden, hetgeen hunne vooruitzichten verijdelen zou.
Neen, dat gebeurde niet.
„Ik zie haar nog!.… Ik zie haar steeds!” riep Zirone, wiens gezichtsvermogen buitengewoon sterk was.
„Waar?.… Waar?.… vroeg Sarcany, die haar scheen uit het oog verloren te hebben.
„Daar!.… daar!” antwoordde Zirone, de richting met den vinger aanwijzend. „Daar!.…”
„O ja, ik zie haar weer,” hernam Sarcany met voldoening. „Wat vooral goed opgemerkt moet worden, is de plek waar de duif gaat neerstrijken. Wij moeten er de juiste ligging goed van opnemen.”
Eenige minuten na haar vertrek streek de duif op een huis neer, welks scherpe nok al de anderen beheerschte en zich te midden van een groep boomen verhief. Dat huis was in het stadsgedeelte gelegen, hetwelk aan den kant van het gasthuis en van den openbaren tuin aangetroffen wordt. Daar verdween zij door een dakvenster, hetwelk toen uitermate zichtbaar was, daar het door een ijzeren windwijzer, die kunstig à jour bewerkt was, aangeduid werd. Dat ijzeren kunstwerk was zoo sierlijk vervaardigd, dat het aan Quentijn Matsys had kunnen toegeschreven worden, wanneer Triëst eene Vlaamsche stad ware geweest.
De algemeene richting van dat huis vastgesteld zijnde, moest het niet zeer moeilijk zijn, wanneer men dien windwijzer als baken in het oog hield, om de nok weer te vinden, waaronder het bedoelde dakvenster was aangebracht en derhalve ook het huis, door den persoon bewoond, voor wien het briefje bestemd was.
Sarcany en Zirone daalden dadelijk de trappen des torens af en na ook de hellingen van den Karstberg verlaten te hebben, volgden zij eene aaneenschakeling van kleine nauwe straten, die hen eindelijk toegang tot de Piazza della Legna verleenden. Daar waren zij verplicht zich te oriënteeren, om de huizengroep te verkennen, die het oosterkwartier van de stad uitmaakte. [20]
Toen zij aan de samenvloeiing van de twee groote gemeenschapsaderen, de Corso Stadion, die naar den openbaren wandeltuin voert, en de Acquedotto, een fraaie laan van geboomte, die naar de groote brouwerij van Boschetto leidt, aangekomen waren, ondervonden de beide avonturiers eenige aarzeling omtrent de verder te volgen richting. Moest men rechts of links inslaan? Instinctmatig kozen zij rechts, met het doel om al de huizen der laan nauwkeurig gade te slaan, waarboven zij den windwijzer, dien zij opgemerkt hadden, zouden kunnen bespeuren.
Zij schreden dus voort en namen de verscheidene daknokken van de Acquedotto in oogenschouw, zonder evenwel die te ontdekken, welke zij zochten. Eindelijk waren zij aan het einde van de laan aangekomen.
„Daar is hij!” riep eindelijk Zirone uit.
En hij wees op een windwijzer, dien de zeewind op zijne ijzeren as deed knarsen, die boven een dakvenster geplaatst was, waar rondom juist eenige duiven vlogen.
Er was dus geene vergissing mogelijk. Daar was wel degelijk de duif neergestreken.
Het huis had een bescheiden uiterlijk, onderscheidde zich in niets van de overige die tot hetzelfde blok behoorden, en was even als die langs de Acquedotto gelegen.
Sarcany verschafte zich inlichtingen in een paar naburige winkels en wist al spoedig hetgeen hij voorshands wenschte te weten.
Dat huis behoorde sinds lange jaren aan den graaf Ladislas Zathmar en strekte hem tot woning.
„Wie is graaf Zathmar?” vroeg Zirone, wien die naam geheel vreemd was.
„Wel, dat is graaf Zathmar,” antwoordde Sarcany kortweg.
„Ja, maar zouden wij geen inlichtingen omtrent hem kunnen vragen?.…”
„Later, Zirone, laten wij niet overijld handelen. Laten wij kalmte betrachten en de zaak overdenken. Kom, wij keeren thans naar onze herberg terug.”
„Ja wel!.… Het is etenstijd en de table d’hôte staat gedekt voor hen, die het recht koopen kunnen er plaats aan te nemen,” merkte Zirone schamper op.
„Als wij heden niet dineeren,” antwoordde Sarcany, „dan is het toch mogelijk dat wij morgen zullen smullen.”
„Bij wien?”
„Bij wien, vraagt gij?” zei Sarcany schier gedachteloos.
„Ja, dat vraag ik.”
„Wel, waarschijnlijk bij graaf Zathmar.” [21]
Eindelijk waren zij aan het einde der laan aangekomen. (Bladz. 20.)
[20]
Beiden drentelden langzaam voort. Waarom zich ook te haasten? [22]Toch hadden zij al te spoedig hun bescheiden hôtel bereikt, dat helaas! nog te weelderig voor hen was, daar zij hun verblijf onmogelijk konden betalen.
Maar welke verrassing was hun daar bereid?.… Een brief, die aan Sarcany gericht was, was aangekomen.
Die brief bevatte een bankbiljet van twee honderd gulden, met de woorden, die kort maar beteekenisvol waren:
„Hierbij ingesloten het laatste geld, dat gij van mij ontvangen zult. Het zal voldoende zijn om naar Sicilië weer te keeren. Vertrek en dat ik nimmermeer iets van u hoore.”
„Silas Toronthal.”
„Duivels!” riep Zirone uit, „de bankier komt juist van pas op zijn besluit terug. Waarachtig, men moet de finantie-luidjes in waarde houden en nimmer omtrent hen wanhopen.”
„Dat ’s ook mijne meening,” betuigde Sarcany.
„En dat geld zal ons dienen om Triëst te verlaten?.…”
„God beware! Het zal ons integendeel dienen om er te blijven!”