De Hongaren, dat zijn de Magyaren, die het land kwamen bevolken zoo ongeveer in de negende eeuw van de Christelijke tijdrekening. Zij maken tegenwoordig het derde gedeelte van de geheele bevolking van Hongarije uit en tellen ongeveer iets meer dan vijf millioen zielen. Of zij van Spaanschen, of Egyptischen, of Tartaarschen oorsprong zijn, of zij van de Hunnen van Attala of van de Finnen uit het noorden afstammen, dat zijn alle twistvragen, die ons weinig kunnen schelen. Wat evenwel opgemerkt moet worden, is, dat het geene Slavoniërs, dat het geene Duitschers zijn, en dat het hun waarschijnlijk niet zou smaken, het te worden.
Die Hongaren hebben dan ook hun godsdienst ongeschonden behouden en zijn vurige Katholieken gebleven van de elfde eeuw af, het tijdstip waarop zij tot de nieuwe geloofsbelijdenis overgingen. Daarenboven spreken zij nog hunne taal van weleer, eene stamtaal, die zachtvloeiend en harmonisch klinkt, die zich geheel en al tot de bekoorlijkheid der dichterlijke wendingen leent, die minder rijk aan woorden dan het Duitsch, evenwel scherper begrensd van uitdrukking en krachtvoller is, eene taal, die van af de vijftiende [23]tot de zestiende eeuw bij het geven van wetten en het slaan van ordonnantiën het latijn verving, in afwachting dat zij tot de nationale taal verheven zoude worden.
Het was op den 21sten Januari 1699 dat het verdrag van Carlowitz het bezit van Hongarije en Transsylvanië aan de kroon van Oostenrijk verzekerde.
Twintig jaren later werd bij de pragmatieke sanctie solemneel vastgesteld, dat de staten, die het Oostenrijksch-Hongaarsch koninkrijk vormden, steeds onafscheidelijk aan elkander verbonden zouden zijn. Bij gebrek aan zonen, zou de dochter volgens rangschikking van het eerstgeboorterecht op den troon kunnen opvolgen. En dank zij die nieuwe bepalingen, erfde Maria Theresia de kroon van haren vader, Karel de Zesde, laatste mannelijke spruit uit het huis van Oostenrijk.
De Hongaren moesten voor de overmacht bukken, maar honderdvijftig jaar later werden nog mannen uit alle standen en van alle rangen aangetroffen, die noch van de pragmatieke sanctie, noch van het verdrag van Carlowitz iets wilden weten.
Op het tijdstip, waarop dit verhaal begint, leefde een Hongaar van hooge geboorte, wiens geheele leven zich in deze twee gevoelens oploste, namelijk: in den haat voor alles wat van Germaansche afkomst was en in de hoop nog eenmaal aan zijn land de zelfstandige regeering van vroeger weer te geven. In zijne jeugd had hij Kossuth gekend en hoewel door zijne geboorte en door zijne opvoeding een scheidsmuur tusschen hen opgetrokken moest zijn, zoo koesterde hij toch eene zekere bewondering voor het groote hart van dien vaderlander.
Graaf Mathias Sandorf bewoonde in een der comitaten van Transsylvanië in het district Fagaras, een oud kasteel van feodalen oorsprong. Het was gebouwd op de hellingen van de noordelijke uitloopers van het oostelijk Karpatisch gebergte, die de grens uitmaken tusschen Transsylvanië en Walachyë, en verhief dit kasteel zich in al zijne woeste fierheid op dien steilen bergketen, als een van die schuilplaatsen in den laatsten stond, waar samenzweerders tot hun laatsten snik aan hunne vijanden weerstand kunnen bieden.
Naburige mijnen, rijk aan ijzer- en kopererts, die zorgvuldig ontgind werden, verschaften aan den eigenaar van het kasteel Artenick een zeer aanzienlijk vermogen. Dat domein besloeg een groot gedeelte van het district Fagaras, hetwelk door eene bevolking bewoond werd, die niet minder dan honderd twee- en zestigduizend inwoners telde. Deze, hetzij zij stedelingen of landlieden waren, maakten er geen geheim van dat zij voor graaf Sandorf eene toewijding koesterden, die iedere proef doorstaan kon; dat zij hem eene onbegrensde erkentelijkheid toedroegen, voor al het goede dat hij in [24]het land teweeg bracht. Dat kasteel was dan ook het voorwerp van een bijzonder toezicht, dat door de kanselarij van Hongarije te Weenen, welke geheel en al van de overige administratiën van het Keizerrijk onafhankelijk bleef, in het leven geroepen was. Men kende in de hoogste kringen de denkbeelden van den gebieder van Artenick, en die denkbeelden baarden onrust, al gaf men ook voor omtrent den persoon van den graaf gerust te zijn.
Mathias Sandorf was toen vijf en dertig jaren oud. Het was een man van eene iets meer dan middelmatige gestalte, die eene groote spierkracht verried. Op zijne schouders rustte een edel en fier gedragen hoofd. Zijn gelaat, dat warm getint en een weinig vierkant van vorm was, vertoonde het Magyaarsche type in zijne volkomene zuiverheid. De levendigheid zijner bewegingen, de juist gekozen uitdrukkingen van zijn woord, de blik van zijn kalm en onverschrokken oog, de werkdadige bloedsomloop, die aan zijne neusvleugels en aan zijne mondhoeken eene lichte trilling verleende, de glimlach die gewoonlijk op zijne lippen zetelde en als onloochenbaar teeken zijner goedhartigheid kon gelden, een zekere losheid in zijne taal en gebaren, dat alles duidde op eene vrijmoedige natuur. Men meent opgemerkt te hebben, dat er eene groote overeenkomst bestaat tusschen het Fransche karakter en het Magyaarsche. Graaf Sandorf was daar het levende bewijs van.
Een van de meest te voorschijn tredende karaktertrekken van graaf Sandorf was, dat hij, hoewel vrij onverschillig voor al hetgeen hem zelf betrof en hij dus als de gelegenheid zich voordeed er licht over dacht, wanneer een of ander ongelijk hem alleen trof, nimmer eene beleediging zoude vergeven hebben, die zijne vrienden aangedaan was. Hij bezat in de hoogste mate den rechtvaardigheidszin en koesterde een innigen haat voor alles wat trouweloos kon heeten. Vandaar dat hij behebt was met eene impersoneele onverzoenlijkheid. Hij behoorde niet tot hen, die aan God alleen de zorg overlaten om op deze aarde te straffen.
Er moet hier bijgevoegd worden, dat graaf Mathias Sandorf eene zeer ernstige opvoeding had genoten. In plaats van het werkelooze leven te genieten, dat hem door zijn groot vermogen gewaarborgd was, had hij er behagen in gevonden, de physische wetenschappen en de geneeskundige studiën te beoefenen. Hij zou een beroemd geneesheer zijn geworden, een geneesheer van groot talent, wanneer de eischen des levens hem gedwongen hadden zich met de verzorging van lijders te belasten. Hij vergenoegde zich een scheikundige te zijn, die door de geleerde wereld zeer gezien was en gewaardeerd werd. De universiteit te Pest, de wetenschappelijke Academie te Presburg, de Koninklijke Mijnschool te Schemnitz, de normaalschool te Temeswar, hadden hem ieder op hare beurt onder [26]de meest vlijtige leerlingen geteld. Dat leerrijke bestaan vormde en bestendigde als het ware zijne natuurlijke eigenschappen. Het deed hem man worden in de volle beteekenis des woords. Hij werd dan ook voor zoodanig gehouden door allen, die hem kenden, maar voornamelijk door zijne professoren dier verschillende scholen en universiteiten van het koninkrijk, die zijne vrienden gebleven waren. [25]
En wachtten daar de terugkomst van graaf Mathias Sandorf af. (Bladz. 30.)
[26]
Vroeger heerschte er in het kasteel Artenick vroolijkheid, levendigheid, beweging. Op die ruwe nokken van de Karpathen, kwamen de Transsylvaansche jagers gaarne te zamen. Zij volvoerden dan groote en gevaarlijke klopjachten, waarin graaf Sandorf als het ware afleiding zocht voor zijne strijdlustige geaardheid, die hij op het staatkundig schaakbord niet kon botvieren. Want hij hield zich ter zijde en sloeg den gang van zaken van nabij gade. Hij scheen slechts te leven voor zijne studiën en voor de jacht, twee hartstochten, waaraan hij zich met zijn vermogen onbekrompen kon overgeven. Op dat tijdstip leefde de gravin Rena Sandorf nog. Zij was de ziel der bijeenkomsten in het kasteel Artenick. Vijftien maanden vóór het begin van deze geschiedenis had de dood weggerukt haar die gevierd was om hare jeugdige schoonheid, terwijl zij slechts een klein meisje achterliet, dat thans twee jaar oud was.
Graaf Sandorf was door dien slag wreed getroffen en helaas! hij zou steeds ontroostbaar blijven. Het kasteel werd stil en eenzaam. Sedert dien dag leefde de eigenaar, onder den invloed van eene diepgevoelde smart, in dat prachtige gebouw als in een klooster. Zijn geheele leven drong zich op één punt samen, namelijk op zijn kind, dat aan de zorgen van Rosena Lendeck, de echtgenoote van des graven intendant, toevertrouwd werd. Die edelaardige vrouw, welke nog jong was, wijdde zich geheel en al aan de eenige erfdochter der Sandorfs en verzorgde haar alsof het haar eigen kind ware. De eigen moeder van de gravin had niet teerder kunnen wezen.
Graaf Sandorf verliet gedurende de eerste maanden van zijn weduwnaarschap het kasteel van Artenick niet. Hij leefde afgetrokken en als in zijne herinneringen aan het verleden verzonken. Daarna namen de denkbeelden omtrent zijn vaderland, dat in een soort van vernederenden toestand te midden van de Europeesche staten geplaatst was, weer de overhand.
En daar waren wel redenen voor! De Fransch-Italiaansche oorlog van 1859 had toch een schrikkelijken slag toegebracht aan de Oostenrijksche macht.
Die slag was zeven jaren later, in 1866, door een nog schrikkelijker gevolgd geworden, namelijk door dien van Sadowa. Het was niet alleen meer aan het Oostenrijk, dat van zijne Italiaansche bezittingen beroofd was geworden, dat Hongarije zich vastgekluisterd gevoelde, maar ook aan het Oostenrijk, dat aan twee kanten overwonnen [27]en aan Duitschland ondergeschikt gemaakt werd. De Hongaren gevoelden zich in hunnen trots vernederd, en dat gevoel laat zich niet wegredeneeren, wanneer het in het bloed zit. In hun oog konden de overwinningen te Custozza en te Lissa geene vergoeding voor de nederlaag te Sadowa bieden.
Graaf Sandorf had gedurende het geheele jaar, dat op die krijgsgebeurtenis gevolgd was, uiterst nauwgezet het staatkundig terrein bestudeerd en was tot de erkenning gekomen, dat eene beweging tot afscheiding van zijn vaderland goede kansen van slagen had.
Het oogenblik van handelen was dus volgens hem gekomen.
Den 3en Mei van het jaar 1867 vertrok graaf Sandorf, na zijn dochtertje, hetwelk hij onder de hoede van Rosena Lendeck goed verzorgd achterliet, van het kasteel Artenick naar Pest, waar hij zich in betrekking stelde met zijne vrienden en partijgenooten, en daar eenige voorloopige beschikkingen nam. Vervolgens reisde hij eenige dagen later af naar Triëst, om daar den loop der gebeurtenissen af te wachten.
Daar moest het voorname middelpunt van de samenzwering zijn. Vandaar zouden alle draden, die in de hand van graaf Sandorf te zamen kwamen, uitstralen. In die stad zouden de samenzweerders, aan minder achterdocht blootgesteld, met meer vrijheid en veiligheid kunnen handelen om hunne vaderlandslievende poging tot een goed einde te brengen.
Twee der meest innige vrienden van Mathias Sandorf woonden te Triëst. Zij waren bezield met denzelfden geest als hij, en vast besloten om hem bij die onderneming trouw te volgen. Graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory waren Magyaren en van adellijke geboorte. Beiden waren ongeveer een tiental jaren ouder dan Mathias Sandorf, maar bezaten hoegenaamd geen vermogen. De een genoot een gering inkomen van een klein landgoed, in het consulaat Lipte, aan de overzijde van den Donau gelegen. De andere gaf onderwijs in de natuurkundige wetenschappen te Triëst en kon met de opbrengst zijner lessen ter nauwernood rondkomen.
Ladislas Zathmar bewoonde het huis, hetwelk kort geleden door onze twee bekenden, Sarcany en Zirone, in de Acquedotto verkend was geworden. Dat huis, eene bescheiden woning, was door graaf Sandorf ter zijner beschikking gesteld, gedurende al den tijd dat deze buiten zijn kasteel Artenick zou verblijven, dat wil zeggen totdat de geprojecteerde beweging tot uitvoering gebracht zoude zijn, welke dan ook de uitslag er van zoude wezen. Een Hongaar, Borik genaamd, die ongeveer vijf en vijftig jaren oud was, vertegenwoordigde het geheele bediendenpersoneel van het huis. Het was een man, die zijn meester evenveel toewijding toedroeg als de intendant Lendeck voor graaf Sandorf koesterde. [28]
Stephanus Bathory betrok een niet minder bescheidene woning in de Corsia Stadionstraat, nagenoeg in hetzelfde stadskwartier gelegen als die van graaf Zathmar. Daar sleet hij zijn leven tusschen zijne vrouw en zijn zoon Piet, die toen ongeveer acht jaren oud was.
Stephanus Bathory behoorde onbetwistbaar en onloochenbaar, hoewel in verren graad, tot de nakomelingschap van die Magyaarsche vorsten, die in de zestiende eeuw den troon van Transsylvanië bestegen. De verwantschap had zich sedert dat tijdstip gesplitst en was in talrijke vertakkingen verloren gegaan; men zou ongetwijfeld verwonderd gestaan hebben, wanneer men vernomen had, dat een der nakomelingen dier machtige familie van weleer, in dien eenvoudigen professor bij de Rijks-Academie te Presburg weer te vinden was. Maar dat daargelaten, Stephanus Bathory was een geleerde van den eersten rang, een van diegenen, die teruggetrokken leven, maar die door hunne werken beroemd zijn. In clusum labor illustrat. „Zijn verborgen arbeid maakt hem beroemd”, dit devies van den zijdeworm zou het zijne kunnen genoemd worden. Op zekeren dag werd hij door zijn staatkundige gevoelens, die hij niet onder stoelen of banken verborg, genoodzaakt om zijn ontslag te nemen. Toen kwam hij als onafhankelijk leeraar te Triëst wonen met zijne gade, die hem moedig bij alle beproevingen ter zijde gestaan en geschraagd had.
Het was in de woning van graaf Ladislas Zathmar, dat de drie vrienden sedert de aankomst van graaf Mathias Sandorf te zamen kwamen; hoewel deze laatste er in het oog loopend op gestaan had een vertrek in het Palazzo Modello—thans het hôtel Delòrme—op de Piazza Grande te betrekken.
De politie was er dan ook ver van verwijderd eenige achterdocht te koesteren, dat dit huis op de Acquedotto het middelpunt was van eene samenzwering, die talrijke deelgenooten telde in de voornaamste steden des rijks.
Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory waren zonder eenige aarzeling de vurigste aanhangers van Mathias Sandorf geworden. Evenals hij hadden zij erkend, dat de tijdsomstandigheden zich er toe leenden om eene beweging mogelijk te maken, die Hongarije den rang onder de Europeesche staten kon doen hernemen, welke door dat rijk begeerd werd. Daarvoor brachten zij hun leven in gevaar, dat wisten zij, maar dat kon hen niet weerhouden.
Het huis op de Acquedotto werd dus de vergaderplaats van de voornaamste hoofden der samenzwering. Vele der deelgenooten, van de verschillende punten van het Koninkrijk opgeroepen, kwamen er maatregelen beramen en bespreken, of kwamen er bevelen ontvangen. Een postdienst van reisduiven, die briefjes overbrachten, stelde een snel en veilig verkeersmiddel daar tusschen Triëst en de [30]voornaamste steden van het Hongaarsche land en van Transsylvanië, wanneer het instructiën gold, die noch aan de posterijen, noch aan den telegraafdienst toevertrouwd konden worden. [29]
„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd”. (Bladz. 32.)
[30]
Om kort te gaan, alle voorzorgsmaatregelen waren zoo goed getroffen, dat de samenzweerders tot heden toe iedere achterdocht, hoe gering ook, ontgaan waren.
Men zag het: de briefwisseling daarenboven had slechts in geheimschrift plaats, dat door zijne moeilijke oplossing de geheimzinnigheid bevorderde en derhalve de veiligheid der samenzweerders zeer in de hand werkte.
Drie dagen na de aankomst van de reisduif, wier briefje door Sarcany en Zirone onderschept was, dus op den 21sten Mei, bevonden zich graaf Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory tegen acht uur des avonds bij elkander in het werkvertrek en wachtten daar de terugkomst van graaf Mathias Sandorf af. De eigen zaken van laatstgenoemde hadden hem genoodzaakt naar zijn kasteel Artenick in Transsylvanië weer te keeren; maar hij had die reis kunnen dienstbaar maken, om met zijne vrienden te Klausenburg, hoofdplaats der rijksprovincie, te beraadslagen en hij moest dienzelfden dag terugkomen, na aan de deelgenooten den inhoud van die dépêche, waarvan Sarcany afschrift genomen had, medegedeeld te hebben.
Sedert het vertrek van Mathias Sandorf, waren andere correspondentiën gewisseld geworden tusschen Triëst en Buda-Pest en verscheidene briefjes in geheimschrift waren door duiven aangebracht. In hetzelfde oogenblik zelfs hield graaf Ladislas Zathmar zich onledig om het raadselachtig schrift daarvan in verstaanbaren tekst door middel van een toestel, onder den naam van „rooster” bekend, over te brengen.
Die dépêches waren inderdaad volgens een zeer eenvoudig stelsel, namelijk dat der verplaatsing van de letters, samengesteld. In dat stelsel behoudt iedere letter hare eigene alphabetische waarde, dat wil zeggen dat bijvoorbeeld een b een b, een o een o blijft beteekenen enz. Maar de letters worden achtereenvolgens verplaatst volgens de open of de gesloten vakken van een rooster, die op de dépêche gelegd, slechts die letters laat ontwaren, welke gelezen moeten worden, terwijl anderen bedekt en dus onzichtbaar blijven.
Dat roostersysteem, vroeger veel in zwang, was zeer gebrekkig, maar is sedert veel verbeterd door den kolonel Fleissner. Het is nu nog de allerbeste manier en de veiligste ook, wanneer het geldt een onoplosbaar geheimschrift te erlangen. Bij alle andere stelsels, hetzij met een onveranderlijken grondslag of met enkelen sleutel, waarbij iedere letter van het alphabet steeds door een en hetzelfde [31]teeken voorgesteld wordt,—hetzij met veranderlijken grondslag of met dubbelen sleutel, waarbij men bij iedere letter als het ware van alphabet verandert, is de veiligheid niet volkomen. Verscheidene lieden toch, die zich op het ontraadselen van geheimschrift toeleggen, zijn in staat wonderen bij die soort van nasporingen te verrichten, hetzij door eene berekening van waarschijnlijkheden, hetzij door een ijverigen arbeid van tasten en beproeven. Slechts door zich te gronden op de letters, die het meest voorkomen in zulk een geheimschrift—als de e in de Fransche, Engelsche, Duitsche en Nederlandsche, de o in de Spaansche, de a in de Russische, de e en i in de Italiaansche talen—geraken zij er toe de letters van den tekst uit het geheimschrift hare ware beteekenis in den verklaarden tekst weer te geven. Er bestaan dan ook weinig dépêches, volgens die stelsels vervaardigd, die aan de scherpzinnige gevolgtrekkingen van die naspoorders ontsnappen.
Het schijnt dus dat de roosters of de sleutelwoordenboeken—dat wil zeggen diegene, waarin zekere vaak gebruikelijke woorden, geheele volzinnen beteekenende, door getallen aangegeven zijn—de meest volkomen waarborgen moeten geven van onoplosbaarheid. Maar die beide stelsels hebben eene ernstige schaduwzijde: zij vereischen eene volkomene geheimhouding, of beter, zij vorderen de noodzakelijkheid van nimmer de toestellen of boeken, die dienen om hen te vormen, in handen van oningewijden te laten vallen. Want inderdaad, is het zonder dien rooster of zonder dat woordenboek onmogelijk die dépêches te lezen, zoo is dat daarentegen gemakkelijk voor hen in wier handen die rooster of dat woordenboek zich bevindt.
Het was dus door middel van een rooster, dat wil zeggen een vierkant van bordpapier, schaakvormig in ruiten verdeeld, waarvan sommige vakken weggeknipt waren, dat de brieven, tusschen graaf Sandorf en zijne partijgangers gewisseld, opgelost werden. Maar uit overmaat van voorzorg werden alle stukken, na gelezen te zijn, van weerszijden verbrand en vernietigd. Gebeurde het dus dat die rooster, dien hij en zijn vrienden gebruikten, verloren geraakte of gestolen werd, dan kon daaruit geen nadeel voortvloeien. Er zou dan nimmer eenig spoor van dat komplot overblijven, waarin de edelste heeren, de aanzienlijkste magnaten van Hongarije, gemeenschappelijk verbonden met de voornaamste vertegenwoordigers der burgerij en van het volk, betrokken waren en hun hoofd waagden.
Juist had Ladislas Zathmar de laatst ontvangen berichten verbrand, toen iemand bescheiden op de deur van het vertrek klopte.
Het was Borik, die graaf Mathias Sandorf aanmeldde, welk zoo even te voet van het naburige station aangekomen was.
Ladislas Zathmar trad dadelijk op hem toe. [32]
„Uwe reis, Mathias?.…” vroeg hij met de haast van iemand die vóór alles gerust gesteld wil zijn.
„Is volkomen geslaagd, Zathmar,” antwoordde graaf Sandorf. „Ik kan niet twijfelen aan de gevoelens onzer vrienden in Transsylvanië en hunne medewerking is ons thans verzekerd.”
„Hebt gij hen dat bericht, hetwelk ons drie dagen geleden van Pest toegezonden werd, medegedeeld?” vroeg Stephanus Bathory, voor wien Sandorf groote vriendschap koesterde.
„Ja, Stephanus,” antwoordde Mathias Sandorf, „ja, zij zijn gewaarschuwd. Ook zijn zij gereed! Zij zullen op het eerste sein opstaan. In twee uren zullen wij meester van Buda en van Pest zijn, in een halven dag van de voornaamste comitaten aan deze en gene zijde van de Theiss, en in een geheelen dag van Transsylvanië en van het gouvernement der Militaire Grenzen. En dan zullen acht millioen Hongaren hunne onafhankelijkheid herwonnen hebben!”
„En de rijksraad?”
„Onze partijgenooten hebben er de meerderheid in,” antwoordde Mathias Sandorf. „Zij zullen dadelijk het nieuwe gouvernement samenstellen, hetwelk de teugels van het bestuur in handen moet nemen. Alles zal regelmatig en gemakkelijk gaan, daar de comitaten, wat hunne administratie betreft, nauwelijks van de Kroon van Oostenrijk afhankelijk zijn en dat hunne hoofden hunne eigene politie hebben.”
„Maar de raad van het Vice-Koningschap van het rijk, die door den prins palatijn te Buda voorgezeten wordt?.…” vroeg Ladislas Zathmar.
„De palatijn en de raad zullen onmiddellijk bij het uitbreken der beweging in de onmogelijkheid gesteld worden om te handelen.…”
„En ook in de onmogelijkheid om met de kanselarij van Hongarije te Weenen te correspondeeren?”
„Ja, alle onze maatregelen zijn zoodanig getroffen, dat de eenparigheid hunner uitvoering den goeden uitslag waarborgt.”
„Den goeden uitslag?” zei Stephanus Bathory.
„Ja, den goeden uitslag!” antwoordde graaf Sandorf. „In het leger behooren allen ons, wien ons bloed, dat wil zeggen het Hongaarsche bloed door de aderen vloeit. Waar is de nakomeling der oude Magyaren, wiens hart niet klopt bij het zien van de vlag der Rodolphen en der Corvijnen!”
En Mathias sprak die woorden met al de geestdrift van een vurig vaderlander uit.
„Maar in afwachting dat dit uur komen zal,” ging hij voort, „laat ons geen enkelen maatregel verzuimen om iedere achterdocht te ontgaan. Laat ons voorzichtig zijn, wij zullen er slechts te sterker door zijn!—Hebt gij niets verdachts te Triëst vernomen?” [33]
Om te Pola uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten. (Bladz. 34.)
[34]
„Neen,” antwoordde Ladislas Zathmar. „Men heeft hier slechts ooren en oogen voor de werken, die de Staat te Pola doet uitvoeren en waarvoor het grootste gedeelte der werklieden aangenomen zijn.”
En werkelijk, sedert een vijftiental jaren had het Oostenrijksch gouvernement, in het vooruitzicht van Venetië mogelijk te moeten verliezen—hetgeen inderdaad gebeurd is—het plan opgevat om te Pola, aan het uiteinde van het Istrische schiereiland, uitgestrekte arsenalen en eene oorlogshaven te stichten, om dat punt van de Adriatische zee te kunnen beheerschen. In weerwil van het protest van Triëst, wier maritieme belangrijkheid daardoor verminderd werd, waren de werken met koortsachtigen ijver vervolgd geworden. Mathias Sandorf en zijne vrienden konden dus denken, dat de bewoners van Triëst geneigd zouden zijn hen te volgen, in geval de afscheidingsbeweging zich tot daar zoude uitbreiden.
Wat er ook van aan zij, het geheim van die samenzwering ten voordeele van de Hongaarsche onafhankelijkheid was goed bewaard geworden. Niets had aanleiding gegeven, dat de politie zou hebben kunnen gissen dat de voornaamste samenzweerders toen in dat bescheiden huis van de Acquedottolaan vereenigd waren.
Zoo scheen tot het welslagen van die onderneming alles voorzien te zijn en had men niets anders te doen dan het juiste oogenblik af te wachten om handelend te kunnen optreden.
De correspondentie in geheimschrift, tusschen Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en van Transsylvanië, werd al meer zeldzaam en zou zelfs geheel ophouden, tenzij gewichtige gebeurtenissen voorvielen. De reisduiven hadden voortaan geene dépêches meer over te brengen, daar de laatste maatregelen vastgesteld waren. Uit overmaat van voorzichtigheid dus had men de voorzorg genomen, hun toevluchtsoord op het huis van Ladislas Zathmar te sluiten.
Er moet hier bijgevoegd worden, dat wanneer het geld de zenuw des oorlogs is, het dat ook is voor de samenzweringen. Het is van zeer groot belang, dat het den komplotmakers niet ontbreekt. En bij deze gelegenheid zou het inderdaad niet ontbreken.
Men weet het, dat al konden graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory hun leven voor de onafhankelijkheid van hun vaderland opofferen, zij evenwel geen vermogen hadden om ten offer te brengen; want het is den lezer bekend: zij bezaten slechts zeer beperkte middelen. Maar graaf Mathias Sandorf was rijk, zelfs onmetelijk rijk, en met zijn leven was hij gereed ook geheel zijn vermogen op het spel te zetten voor die zaak. Sedert verscheidene maanden dan ook had hij, door tusschenkomst van zijn intendant Lendeck, groote sommen op zijne landerijen opgenomen, meer dan twee en een half millioen gulden. [35]
Maar het was noodig dat die som steeds ter zijner beschikking gehouden werd en dat hij haar ieder oogenblik kon ontvangen. Te dien einde was zij gedeponeerd geworden bij een bankiershuis te Triëst, waarvan de goede naam onbesproken, en de soliditeit tegen iedere gebeurlijkheid bestand was. Dat was het huis Toronthal, waarover Sarcany en Zirone juist gesproken hadden, terwijl zij op het kerkhof der bovenstad vertoefden.
Welnu, die buiten alle berekening vallende gebeurtenis, zou de gewichtigste gevolgen na zich slepen, zooals men zien zal uit den loop van deze geschiedenis.
Bij de vermelding van dat geld, waarvan een oogenblik sprake was geweest gedurende hun laatste gesprek, zei graaf Sandorf tot graaf Zathmar en tot Stephanus Bathory, dat het zijn voornemen was om eerstdaags een bezoek aan den bankier Silas Toronthal te brengen, om hem te verwittigen, dat hij het geld binnen den kortst mogelijken tijd te zijner beschikking te stellen had.
En waarlijk, de gebeurtenissen zouden weldra graaf Sandorf er toe aanzetten om het van Triëst verwachte signaal te geven, te meer nog nu hij dien eigen avond meende bespeurd te hebben, dat het huis van graaf Ladislas Zathmar meer dan gewoonlijk gadegeslagen werd. En dat verontrustte hem.
Toen graaf Sandorf en Stephanus Bathory tegen tien uur naar buiten traden, de een om zich naar zijne woning in de Corsia Stadionstraat te begeven, de andere om naar het hôtel Delòrme weer te keeren, meenden zij twee mannen te ontwaren, die hen in het donker bespiedden, hen op eenigen afstand volgden en alle moeite deden om niet gezien te worden.
Mathias Sandorf en zijn metgezel, vast besloten om te weten te komen wat er gaande was, aarzelden geen oogenblik om op die zoo verdachte personen toe te treden. Maar toen dezen hen bespeurden, verdwenen zij bij den hoek van de Sint Antonius-kerk, bij het uiteinde van het groote kanaal, vóór dat het mogelijk geweest was hen in te halen. [36]