[Inhoud]

IV.

HET GEHEIMSCHRIFT.

Sarcany was inderdaad twee dagen later in het huis van graaf Ladislas Zathmar geïnstalleerd. Hij was door Silas Toronthal aanbevolen geworden bij graaf Sandorf, die met de plaatsing van dien man onmiddellijk genoegen had genomen.

Zoo was de medeplichtigheid van den bankier met zijn agent bij de kuiperijen, door hem op ’t getouw gezet, behoorlijk tot stand gekomen. Hun doel was: de ontdekking van een geheim, die het leven van de hoofden van de samenzwering kon kosten. Het resultaat dat verwacht werd, zou zijn: dat als prijs hunner aanbrenging een vermogen hun ten deel viel, voor de helft aan een gelukzoeker, die tot alles in staat was om zijn zak gevuld te krijgen; voor de andere helft aan een bankier, die zoover gekomen was, dat hij niet meer aan zijne verbintenissen kon voldoen.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat een verdrag tusschen Silas Toronthal en Sarcany gesloten was, waarbij de waarschijnlijk geachte winsten in twee gelijke portiën verdeeld werden. Bovendien zou Sarcany al het geld ontvangen, benoodigd om met zijn makker Zirone fatsoenlijk te Triëst te kunnen leven en om zijne onkosten te kunnen betalen, die zijne bemoeiingen in die zaak vereischen zouden. Daartegenover had hij als waarborg de copie van het briefje, dat het geheim der samenzwering bevatte, waaraan hij niet twijfelde, aan den bankier moeten overgeven. [56]

Men zal misschien geneigd zijn graaf Mathias Sandorf van onvoorzichtigheid te beschuldigen. En inderdaad, in zulke omstandigheden een vreemdeling binnen te leiden in dat huis, waarin zulke gewichtige belangen behandeld werden, in den vooravond van den dag waarop het sein tot uitbarsting van een komplot ieder oogenblik kon gegeven worden, kon niet anders dan onvoorzichtig genoemd worden. Maar het was slechts door de ijzeren noodzakelijkheid, dat de graaf zoo gehandeld had.

Vooreerst toch had hij er een dringend belang bij, dat zijne personeele zaken in orde gebracht werden, op een oogenblik dat hij zich in die gevaarlijke zaak stortte, waarin hij zijn leven, op zijn allerminst zijne verbanning waagde, wanneer hij bij nietslagen gevangen genomen of tot de vlucht genoodzaakt zou worden. Van een anderen kant meende hij door het opnemen van een vreemdeling in het huis van graaf Zathmar, juist de achterdocht, die mocht gerezen zijn, af te wenden. Hij had sedert eenige dagen meenen te zien—en de lezer weet dat het juist is—dat eenige spionnen in de Acquedottolaan rondslopen. Die spionnen waren niemand anders dan Sarcany en Zirone geweest. Maar de graaf vroeg zich af, of de politie hem en zijne vrienden gadesloeg en hunne handelingen nauwgezet naging? Mathias Sandorf moest het gelooven, ja vreezen. Wanneer de vergaderplaats der samenzweerders, die tot dien dag voor alle oningewijden hermetisch gesloten was gebleven, achterdocht opwekte, dan was er geen beter middel om de verdenking op een valsch spoor te brengen, dan door die afsluiting op te heffen, en het huis voor een commies te openen, die er zich inderdaad slechts met comptabiliteits-zaken onledig zou houden. Zou de tegenwoordigheid van dien commies een gevaar voor graaf Ladislas Zathmar en voor zijne makkers kunnen daarstellen? Neen, in geen geval. Er werden geene brieven in geheimschrift tusschen Triëst en de andere steden van het Hongaarsche koninkrijk gewisseld. Al de papieren, die op de ophanden zijnde beweging betrekking hadden, waren vernietigd. Er bleef geen enkel geschreven spoor van de samenzwering over. De maatregelen waren genomen, daaraan was niets meer te veranderen. Er behoefden geen nieuwe genomen te worden. Graaf Sandorf had slechts het sein te geven, wanneer het gunstige oogenblik daar zou zijn. Dus de aanneming van een nieuwen geëmployeerde in dat huis zou, wanneer het gouvernement achterdocht koesterde, iedere verdenking verwijderen.

Ja, de redeneering was juist en de voorzorg zou goed genomen moeten genoemd worden, wanneer die commies niet Sarcany en zijn borg niet Silas Toronthal geweest waren! [57]

In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren. (Bladz. 60.)

In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren. (Bladz. 60.)

[56]

Sarcany, die een meester in dubbelhartigheid was, genoot evenwel [58]de voordeelen van zijn uiterlijk. Hij had toch een openhartig en vrijmoedig gelaat, terwijl zijn geheele persoon eenvoudigheid en trouwhartigheid scheen te kenmerken. Graaf Sandorf en zijne vrienden werden er door bedrogen en beetgenomen. De jeugdige comptabel betoonde zich ijverig, dienstvaardig, vriendelijk en uiterst behendig bij het nazien van die rekeningen en nota’s, die hij moest in het reine brengen. Niets bovendien zou hem hebben kunnen doen gissen, wanneer hij het niet geweten had, dat hij zich in tegenwoordigheid van de hoofden eener samenzwering bevond, die gereed was het Hongaarsche ras tegen het Duitsche op te zweepen. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar schenen zich slechts bij hunne bijeenkomsten met wetenschappelijke vraagstukken of met kunstkwestiën bezig te houden. Geen geheime briefwisselingen meer, geen geheimzinnig heen en weer loopen rondom het huis. Dat alles was uit. Maar Sarcany wist waaraan zich te houden. De gelegenheid, die hij zocht, moest zich voordoen en hij wachtte diensvolgens geduldig.

Toen Sarcany het huis van Ladislas Zathmar betrad, had hij slechts ééne gedachte, namelijk den rooster machtig te worden, die diende om het geheimschrift te ontcijferen. Nu er evenwel geen dergelijke stukken meer te Triëst aankwamen, vroeg hij zich af of die rooster niet uit overmaat van voorzichtigheid kon vernietigd zijn. Dat denkbeeld verontrustte hem, want het geheele gebouw zijner kuiperijen berustte daarop, dat hij het briefje door de reisduif aangebracht, en waarvan hij afschrift genomen had, zou kunnen lezen.

Dus terwijl hij zich onledig hield met de zaken van Mathias Sandorf te regelen, keek hij rond, nam hij waar, bespiedde hij alles. De toegang tot het kantoorvertrek, waarin Ladislas Zathmar en zijne makkers te zamen kwamen, was voor hem niet afgesloten. Hij werkte er zelfs somtijds geheel alleen in. En dan waren zijne oogen en zijne handen met geheel iets anders bezig, dan met het onder elkander stellen van cijfers of met rekeningen uit te pluizen. Hij snuffelde dan in de papieren, hij opende de laden met een soort haak, dien Zirone hem als zaakkundige bij dergelijke bedrijven, ter hand had gesteld na dien zelf gemaakt te hebben. Hij nam toch intusschen zeer goed in acht, dat hij bij dien arbeid niet door Borik zoude bespeurd worden; want hij ontveinsde het zich niet, dat hij dezen niet de geringste sympathie inboezemde.

Gedurende de vijf eerste dagen waren Sarcany’s nasporingen volkomen vruchteloos. Hij trad iederen morgen dat huis binnen bezield met de hoop van te zullen slagen; en iederen avond keerde hij naar zijn hôtel terug met het bewustzijn, een vergeefschen dag doorgebracht te hebben. Hij begon aan het welslagen zijner onderneming [59]te wanhopen. En inderdaad, de omwenteling, wanneer het eene samenzwering gold,—en daaraan twijfelde hij geen oogenblik—kon iederen dag uitbreken, dat wil zeggen: alvorens hij haar ontdekt en bij gevolg aangebracht had.

„Eerder dan het voordeel van die aanbrenging te verliezen,” zeide Zirone, „zal het verkieselijk zijn, al is het zonder bewijzen, de politie te waarschuwen en haar daarbij het afschrift in handen te spelen.”

„Ja,” antwoordde Sarcany, „dat zal ik doen, als het noodig wordt.”

Het zal wel overbodig zijn te vertellen, dat hij Silas Toronthal op de hoogte van zijne nasporingen hield, dat hij waarlijk veel moeite had om diens ongeduld te temperen.

Maar het toeval zou hem te hulp komen. Dat had hem een eerste maal gediend door hem het geheimzinnig briefje in handen te spelen; het zou hem andermaal dienen door hem in staat te stellen dat raadselschrift te ontcijferen.

Men was op het einde van de maand Mei gekomen, en het was ongeveer vier uren in den namiddag. Sarcany zou volgens gewoonte, tegen vijf uren het huis van graaf Ladislas Zathmar verlaten. Hij was te meer kregelig, daar hij niet verder gevorderd was dan op den eersten dag dat hij in dienst van graaf Sandorf trad, om diens comptabiliteit in orde te brengen, een arbeid dien hij bijna geëindigd had. Wanneer hij daaraan de laatste hand zou gelegd hebben, dan zou hij ongetwijfeld betaald en bedankt worden; waardoor hem de gelegenheid ontvallen zou om zich voortaan in dat huis te kunnen vertoonen.

In dat gegeven oogenblik bevonden zich Ladislas Zathmar en zijne beide vrienden buitenshuis. Er was niemand in de woning aanwezig dan Borik, die toen in een zaal op de eerste verdieping bezig was. Sarcany had volledige vrijheid tot handelen en besloot dan ook om de slaapkamer van graaf Zathmar binnen te dringen,—waarin hij nog nimmer geweest was—om daar zijne nasporingen op het nauwkeurigst voort te zetten.

De deur was gesloten, maar met zijn haak slaagde Sarcany haar te openen, waarna hij binnentrad.

Tusschen de beide vensters, die op de straat uitzagen, stond een secretair-bureau, waarvan de verjaarde vorm een liefhebber van oude meubelen verrukt zoude hebben. Het schuifblad van den cilinder was neergeslagen, zoodat van de innerlijke inrichting niets kon bespeurd worden.

Dat was wel de eerste maal, dat het Sarcany vergund was om dit meubelstuk te onderzoeken en hij was er de man niet naar, om die gelegenheid te laten ontsnappen, om de verschillende laden er van te kunnen doorsnuffelen, hetgeen hij met zijn haak ten uitvoer bracht, zonder dat daarvan eenig spoor op het slot zichtbaar was. [60]

In de vierde lade, die Sarcany doorzocht, vond hij onder een pak papieren, die voor hem waardeloos waren, een soort kaart, die onregelmatig van vierkante gaten voorzien was. Die kaart boeide dadelijk zijne aandacht.

„De rooster!” zei hij tot zichzelven.

Hij vergiste zich waarlijk niet.

De eerste gedachte, die hem inviel, was om die kaart mede te nemen. Maar na eenig beraad zei hij tot zichzelven, dat het verdwijnen van dien rooster achterdocht kon opwekken, wanneer graaf Ladislas Zathmar dit bespeurde.

„Kom,” sprak hij, „ik heb wel afschrift van het briefje genomen, waarom zou ik dien rooster niet kunnen namaken? Dan kunnen Toronthal en ik de dépêche geheel op ons gemak lezen.”

Die rooster was eenvoudig een vierkant van bordpapier van zes centimeters lang en even zoo breed, die in zes en dertig gelijke ruiten verdeeld was, welke ieder een vierkante centimeter groot waren. Van die zes en dertig ruiten of vakken, die op zes horizontale en zes verticale rijen geplaatst waren, evenals die van een tafel van Pythagoras, welke voor zes cijfers ingericht zoude zijn, waren zeven en twintig vol en negen leeg—dat wil zeggen, dat ter plaatse van die negen vakken de kaart op negen plaatsen uitgeknipt was.

Waarvan Sarcany zich het eerst moest vergewissen, dat was eerstens: van de nauwkeurige oppervlakte van dat blad bordpapier of rooster en tweedens van de juiste plaatsing daarop van de negen ledige vakken.

De oppervlakte bracht hij over, door met een potlood den omtrek op een vel wit papier na te trekken, waarbij hij zorg droeg op de plaat de plek te merken, waar een kruisje met inkt gemaakt was, hetgeen den bovenkant van den rooster scheen aan te duiden.

De plaats der negen vakken bracht hij over door het papier, waarop hij den omtrek nageteekend had, op de gewilde plekken, die zichtbaar waren, door te prikken. Dat waren op de eerste rij drie ledige plekken, die de vakken 2, 4 en 6 lieten ontwaren; op de tweede rij een ledige plek, die vak 5 innam; op de derde rij een ledige plek die vak 3 innam; op de vierde rij twee ledige plekken, die de vakken 2 en 5 innamen; op de vijfde rij een ledige plek, die vak 6 innam; en eindelijk op de zesde of laatste rij een ledige plek, die vak 4 liet zien.

Ziehier bovendien dien rooster, in natuurlijke grootte, waarvan Sarcany en zijn medeplichtige, de bankier Silas Toronthal, een zoo misdadig gebruik zouden maken. In dezen afdruk stellen de witte vakken de uitgeknipte en de zwarte de gevulde vakken voor. Dat is duidelijk, nietwaar? [61]

Overrompelde de politie het huis van graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. (Bladz. 74.)

Overrompelde de politie het huis van graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. (Bladz. 74.)

[62]

Eenige minuten waren voor Sarcany voldoende om het volgende figuur te verkrijgen.

Hij twijfelde er niet aan, dat met behulp van dien rooster, dien hij gemakkelijk uit een stuk bordpapier, dat hij uitknippen zou, vervaardigen kon, het hem zou gelukken nu het afschrift van het briefje, dat hij in handen van Silas Toronthal achtergelaten had, te ontraadselen. Hij plaatste dus den rooster weer in de lade onder de papieren, die hem bedekt hadden, en verliet daarna de slaapkamer van Ladislas Zathmar en vervolgens het huis. Hij had haast om in zijn hôtel weer te keeren.

Zirone zag hem een kwartieruur later hunne gemeenschappelijke kamer met zulk een zegevierend uiterlijk binnenstappen, dat hij niet nalaten kon luidkeels uit te roepen:

„Wat is er toch aan de hand, kameraad? Neem je in acht! Gij weet meer behendig een verdriet dan wel een vreugde te bemantelen, en men verraadt zich zelven even zoo goed door zich over te geven aan.…”

„Schei uit met je gezeur, Zirone,” antwoordde Sarcany, „en aan het werk zonder eene minuut verloren te laten gaan.

„Vóór ons avondmaal nog?

„Ja!”

Zirone zuchtte, maar Sarcany stoorde zich daaraan niet. Deze [63]nam een stuk bordpapier van geringe dikte. Hij sneed dat volgens zijne calque, zoodanig dat hij een vierkant verkreeg, die zuiver de afmeting had van den rooster en vergat daarbij niet het kruisje bij den bovenrand te plaatsen. Daarna nam hij eene liniaal en verdeelde zijn vierkant in zes en dertig vakken allen van gelijke grootte.

Toen werden van die zes en dertig vakken negen gemerkt ter plaatse, welke zij op de calque innamen. Daarna werden die met de punt van een pennemes zoodanig uitgesneden, dat zij in hunne ontstane ledige plekken de letters of teekens lieten bespeuren van het een of andere briefje of stuk, waarop de zoo verkregen rooster neergelegd werd.

Zirone stond voor Sarcany en keek met groote verwonderde oogen toe, terwijl hij van nieuwsgierigheid trilde. Hij stelde te meer belang in dien arbeid, daar hij zeer goed het stelsel van geheimschrift begrepen had, waarop de onderhavige briefwisseling berustte. Alleen hij bezat den sleutel niet.

„Het is vernuftig,” zei hij, „uiterst vernuftig en zoo iets kan mij dienen! Als ik bedenk, dat de waarde van ieder van die vakken een millioen kan bedragen.…”

„En meer!” antwoordde Sarcany.

Toen het werk beëindigd was, stond Sarcany op, na het uitgesneden stuk bordpapier in zijn brieventasch opgeborgen te hebben.

„Morgen ochtend zal ik zoo vroeg mogelijk bij Toronthal zijn,” zei hij.

„Hij moge oppassen voor zijn kas!”

„Als hij het briefje heeft, dan heb ik den rooster!”

„Dat is waar, maar.…”

„Geen maren; dat is ontegenzeggelijk!”

„En ditmaal zal hij wel moeten afschuiven!”

„Ja, dat zal hij moeten!”

„Kunnen wij dus thans avondmalen?”

„Ja, dat kunnen wij.”

„Welnu, aan den gang!”

En Zirone, die steeds eetlust had, deed het heerlijke maal, dat hij met zorg besteld had, alle eer aan.

Den volgenden morgen, den 1sten Juni, vertoonde Sarcany zich reeds te acht uren aan het bankiershuis. Hoe vroeg het ook nog was, toch gaf Silas Toronthal bevel om hem dadelijk bij zich in zijn kabinet toe te laten.

„Daar is de rooster,” vergenoegde zich Sarcany slechts te zeggen, terwijl hij het stuk bordpapier overreikte, dat hij te voren uitgesneden had.

De bankier nam het aan, draaide en keerde het, terwijl hij het hoofd schudde, hetgeen te kennen moest geven, dat hij het vertrouwen van zijn deelgenoot niet erg deelde. [64]

„Laten wij maar probeeren! zei Sarcany.

„Dat kunnen wij altijd doen.”

Silas Toronthal nam het afschrift van het briefje, dat in een der laden van zijn schrijftafel opgesloten lag, en plaatste het op de tafel.

Dat briefje—de lezer zal zich nog wel herinneren—bevatte achttien woorden, ieder bestaande uit zes letters, woorden die evenwel volmaakt onverstaanbaar waren. Het was boven alles waarschijnlijk, dat iedere letter van de woorden overeen moest komen met de zes ledige of gevulde vakken, die iedere rij van den rooster vormden. Men kon bijgevolg vooreerst al vast aannemen, dat de zes eerste woorden van het briefje, samengesteld uit zes en dertig letters, achtereenvolgens verkregen waren door middel van die zes en dertig vakken.

Het was inderdaad gemakkelijk in te zien, dat de schikking der ledige vakken zoo vernuftig bij de vervaardiging van dien rooster uitgedacht was, dat wanneer men hem vier malen een kwart toer liet keeren, die ledige vakken opvolgend de plaats der volle innamen zonder ooit tweemalen dezelfde letter te laten ontwaren.

Men ziet dadelijk in, dat het zoo zijn moet. Bij voorbeeld, wanneer men bij eene eerste toepassing van den rooster op een stuk wit papier de cijfers van 1 tot 9 in ieder leeg vak invult, vervolgens den rooster een kwart omwenteling laat maken en op gelijke wijze handelt en de getallen van af 10 tot en met 18 invult; daarna een tweede kwart omwenteling volbrengt en de getallen van af 19 tot en met 27 inschrijft; vervolgens den rooster een derde kwart omwenteling doet maken en de getallen van af 28 tot en met 36 ter neer te schrijven, zoodat men eindelijk op het papier de getallen van 1 tot 36 zal bevinden, in de zes en dertig vakken geplaatst die den rooster vormen.

Sarcany werd dus natuurlijk er toegebracht om de eerste zes woorden van het briefje te behandelen met de vier opvolgende toepassingen van den rooster. Hij had daarbij het voornemen om diezelfde bewerking te herhalen met de twee volgende zes woorden en eindelijk een derde maal met de laatste zes woorden, hetgeen in het geheel de achttien woorden zou bedragen, waaruit het geheimschrift bestond.

Het zal wel niet behoeven gezegd te worden, dat de hierboven vermelde redeneeringen door Sarcany tegenover den bankier Silas Toronthal gehouden werden en dat deze hare volmaakte nauwkeurigheid erkend en zeer gewaardeerd had.

Zou nu de praktijk de geuite theorie bevestigen? Daarin bestond toch de geheele belangrijkheid van de bewerking. [65]

Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard reed voor, achter en bij de portieren van het rijtuig. (Bladz. 74.)

Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard reed voor, achter en bij de portieren van het rijtuig. (Bladz. 74.)

[64]

Ziehier welke de achttien woorden van het briefje waren. Het [66]zal voorzeker noodig zijn ze andermaal onder de oogen van den lezer te brengen:

ghfhna dalant ltenka
aohhzk aenzse tsnivi
znrijoo tnpees seijehe
lxosde soelnl sglpte
veknni ilarna lotasa
ijareah nezmtl rradae

Het kwam er vooreerst op aan, de eerste zes woorden te ontraadselen. Om daartoe te geraken, schreef Sarcany ze op een vel papier, daarbij zorg dragende de letters zoodanig van elkander te schrijven, dat ieder hunner overeenkwam met een der vakken van den rooster.

Dat gaf de volgende uitkomst:

g h f h n a
a o h h z k
z n r ij o o
l x o s d e
v e k n n i
ij a r e a h

Daarna werd de rooster zoodanig op dat samenstel geplaatst, dat de zijde met het kruisje gemerkt bovenaan stond. Toen lieten de leege vakken de volgende negen letters zien, terwijl de zeven en twintig anderen door de volle vakken van het bordpapier bedekt bleven. Zoo [67]

Sarcany liet daarna den rooster een kwart omwenteling volbrengen van de linker- naar de rechterzijde, zoodanig dat de bovenkant ditmaal de rechterkant werd. Bij die tweede toepassing waren het de navolgende letters, die in de ledige vakken te voorschijn traden:

[68]

Bij de derde toepassing werden de navolgende letters zichtbaar, die evenals de vorigen net zorg opgeteekend werden:

Wat Silas Toronthal en ook Sarcany al dadelijk uitermate verbaasd had, was dat de woorden, zooals zij zich achtereenvolgens vormden, geen zin hadden. Zij hadden verwacht hen vloeiend te hebben kunnen lezen, dewijl zij door de opeenvolgende toepassingen van den rooster verkregen waren, en toch waren die woorden even raadselachtig als die van het geheimzinnige briefje. Zou dat lorrige vod onoplosbaar blijven?

De vierde toepassing van den rooster leverde het navolgende resultaat op:

[69]

Ook dat was even duister, even raadselachtig.

En waarlijk, de vier woorden, die verkregen waren door de vier verschillende toepassingen van den rooster, waren de navolgende:

hhazrxdie,
hkijleknah,
fanoseijra,
gnohroovn,

waaruit volstrekt niets te maken was.

Sarcany kon zijn toorn niet verbergen, door die teleurstelling teweeggebracht. De bankier vergenoegde zich met het hoofd te schudden en niet zonder spotternij te zeggen:

„Misschien is het die rooster niet, welken de samenzweerders bij hunne briefwisseling gebruikt hebben!”

Die bemerking deed Sarcany opspringen.

„Laat mij voortgaan!” riep hij uit.

„Ga voort!” antwoordde Silas Toronthal.

Toen het Sarcany gelukt was de zenuwachtige beweging, die hem bevangen had, te boven te komen en te bedwingen, hervatte hij de bewerking met de volgende zes woorden, die de tweede kolom van het briefje vormden. Vier malen paste hij den rooster op de woorden toe, door hem telkenmale een kwart omwenteling te laten maken, en verkreeg daardoor die verzameling van letters, die ook volstrekt geen zin hadden:

aatsponam,
neeslanel,
lanelluzt,
dneztseir.

Sarcany wierp ditmaal den rooster verwoed op tafel en vloekte als een koopvaardijmatroos.

Als zonderlinge tegenstelling had Silas Toronthal zijne koelbloedigheid geheel en al bewaard. Hij bestudeerde die zoo verkregen woorden sedert het begin der roosterbewerking en bleef stil peinzend zitten.

„Naar den drommel dien rooster en zij die er gebruik van maken!” riep Sarcany uit, terwijl hij van zijn stoel opvloog.

„Hoe dwaas!” zei Silas Toronthal.

„Dwaas?” vroeg Sarcany verwoed.

„Ga weer zitten,zei de bankier kalm.

„Gaan zitten?.…

„Ja, ga zitten en ga voort!”

Sarcany keek Silas Toronthal aan. Daarna hernam hij plaats en greep weer den rooster, om hem op de zes laatste woorden van het briefje toe te passen. Maar hij deed dat geheel werktuigelijk als iemand, die geen bewustzijn heeft van hetgeen hij verricht. [70]

Ziehier de woorden, die door die vier laatste toepassingen van den rooster verkregen werden:

tnavijgtad,
niesetsre,
etehporaa,
lksisella.

Maar die vier laatste woorden beteekenden evenmin iets als de vorige acht.

Sarcany was uitermate verwoed. Hij greep het vel papier, waarop die zotklinkende woorden geschreven stonden en die door den rooster achtereenvolgens te voorschijn waren gebracht, om het te verscheuren.

Silas Toronthal weerhield hem.

„Kalmte,” zei hij.

„Och,” riep Sarcany uit, „wat is er uit te voeren met dat prul?”

„Schrijf eens al die woorden aan elkander gehecht ter neer,” antwoordde de bankier bedaard.

„Waarom?”

„Om te zien.”

Sarcany gehoorzaamde en hij kreeg de aaneenschakeling van de navolgende letters:

h h a z r x d i e h k ij l e k n a h f a n o s e ij r a g n o h r o o v n a a t s p o n a m n e e s l a n e l l a n e l l u z t d n e z t s e i r t n a v ij g t a d n i e s e t s r e e t e h p o r a a l k s i s e l l a.

Nauwelijks waren die letters ter neer geschreven, of Silas Toronthal rukte het papier onder de handen van Sarcany weg. Hij bekeek het en stiet een kreet uit. Hij was het thans, die op zijne beurt de kalmte verloor.

Sarcany vroeg zich waarachtig af of de bankier niet plotseling krankzinnig was geworden.

„Man, lees dan toch!” riep Silas Toronthal uit, terwijl hij het papier aan Sarcany overreikte. „Lees dan toch!”

„Lezen?”

„Ja, lezen!”

„Maar wat dan?”

„Wel, ziet gij dan niet, dat de correspondenten van graaf Mathias Sandorf, alvorens hunne woorden met behulp van den rooster saam te stellen, den volzin het achterste voor geschreven hebben.”

Sarcany greep ijlings het papier en ziehier wat hij las, toen hij die letters, met de laatste te beginnen, ontraadselde.

Alles is klaar. Op het eerste sein dat gij van Triëst zendt, zullen allen als een man opstaan voor Hongarijes onafhankelijkheid. X r z a h h.

„En die laatste zes letters?” riep hij uit. [71]

Welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een groote trap opgeklommen te zijn. (Bladz. 78.)

Welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een groote trap opgeklommen te zijn. (Bladz. 78.)

[72]

„Dat is eene vooraf overeengekomen onderteekening,” antwoordde Silas Toronthal.

„Nu hebben wij hen te pakken!.…”

„Maar dat kan de politie nog niet zeggen.”

„Dat’s mijne zaak.”

„Zoo?”

„Ja!”

„Maar gij zult zoo geheimzinnig mogelijk te werk gaan?”

„Dat’s mijne zaak,” herhaalde Sarcany voor den tweeden keer. „De gouverneur van Triëst alleen zal de namen der twee eerlijke vaderlandslievende mannen vernemen, die eene samenzwering tegen Oostenrijk in hare geboorte gesmoord zullen hebben!”

Terwijl hij zoo sprak, liet die ellendeling door toon en gebaar genoegzaam de bijtende scherts ontwaren, die hem bij het uitbrengen dier woorden bezielde.

„Dan zal ik mij dus met niets te bemoeien hebben?” vroeg de bankier koel.

„Met niets anders,” antwoordde Sarcany, „dan met het opstrijken van de helft der winsten in die zaak.”

„Wanneer?

„Hoe, wanneer?

„Wanneer die verdeeling van winsten?”

„Wel wanneer onder de bijl drie hoofden gevallen zullen zijn, die ons ieder meer dan een millioen zullen opbrengen.”

Silas Toronthal en Sarcany scheidden. Als zij voordeel wilden trekken uit het geheim, hetwelk het toeval hen in handen gespeeld had, door de samenzweerders te verraden vóórdat de omwenteling uitgebarsten was, dan moesten zij zich haasten.

Sarcany evenwel ging, zooals hij gewoon was te doen, naar de woning van Ladislas Zathmar terug. Hij had zijn comptabiliteits-arbeid hervat en was daarmede bijna ten einde. Graaf Sandorf zelf zeide hem, terwijl hij hem voor zijne betoonde vlijt bedankte, dat hij over acht dagen zijne diensten niet meer noodig had.

Volgens Sarcany’s opvatting beduidde dat klaarblijkelijk, dat het sein, hetwelk van Triëst verwacht werd, op dat tijdstip aan de voornaamste steden van Hongarije zou gegeven worden.

Sarcany ging dus voort om alles, wat in het huis van graaf Ladislas Zathmar voorviel, ten nauwkeurigste waar te nemen, zonder evenwel de geringste achterdocht op te wekken. Hij was daarenboven gebleken zoo vernuftig, zoo met de vrijzinnige denkbeelden ingenomen te zijn, hij had een zoo onbewimpelden afkeer aan den dag gelegd, dien hij voor het Duitsche ras koesterde, in één woord: hij had zijne komedie zoo goed gespeeld, dat graaf Sandorf het voornemen had opgevat hem later, wanneer de omwenteling [73]Hongarije vrij zou hebben gemaakt, aan zich te verbinden. Tot zelfs Borik was door hem gewonnen en had de vooringenomenheid afgelegd, die hij eerst voor dien jongman gekoesterd had.

Sarcany was dus zijn doel nabij.

Graaf Sandorf was met zijne twee vrienden overeengekomen, dat het sein tot den opstand op den 8sten Juni zou gegeven worden, en die dag was daar.

Maar toen was ook het aanbrengingsplan volbracht.

Dien avond overrompelde de politie van Triëst plotseling het huis van graaf Ladislas Zathmar. Tegenstand bieden was onmogelijk. Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Bathory, Sarcany zelfs, die geen enkel woord van protest liet hooren, en Borik werden gevangen genomen, zonder dat iemand iets van het bevel tot inhechtenisneming vernomen had.