[Inhoud]

V.

VOOR, GEDURENDE EN NA DE TERECHTZITTING.

Istrië, dat door de tractaten van 1815 aan het Oostenrijksch-Hongaarsche koninkrijk toegevoegd is geworden, is een driehoekig schiereiland, welks landengte het grondvlak over de grootste breedte van dien driehoek vormt. Dat schiereiland strekt zich van de golf van Triëst af tot de golf van Quarnero uit, en worden langs die kust vrij talrijke havenplaatsen aangetroffen. Onder deze kan als de voornaamste opgesomd worden, de haven van Pola, die aan de Zuiderpunt van bedoeld schiereiland gelegen is.

Die provincie Istrië, vooral wat hare westelijke kusten betreft, is zeer Italiaansch, zelfs Venetiaansch gebleven, zoowel door hare gebruiken en gewoonten, als door hare taal. Het is waar, dat er het Slavonisch element een soort tegenwicht vormt; maar wat zeker is, dat is dat het Duitsche element zich er met moeite tusschen die twee rassen kan handhaven.

Verscheidene belangrijke steden langs de kust of in het binnenland gelegen, schenken leven aan die streek, die door de wateren der Adriatische Zee bespoeld wordt. Zoo als daar zijn Capo d’Istria en Pirano, welker bevolking bijna uitsluitend de groote zoutaanmaakbeddingen bewerkt, die aan de monding der Risano en der Corna [74]Lunga gelegen zijn; verder Parenzo, de residentieplaats van de vertegenwoordiging van Istrië en van den bisschop; nog verder Rovigno, hetwelk zijne rijkdommen uit zijne olijfaanplantingen trekt; eindelijk Pola, waar de toeristen de prachtige monumenten van Romeinschen oorsprong gaan zien en die bestemd is de meest belangrijke oorlogshavenplaats van geheel de Adriatische zee te worden.

Maar geen dezer steden heeft het recht de hoofdplaats van Istrië genoemd te worden. Het is eigenlijk Pisino, dat in het midden van den bedoelden driehoek gelegen is, dat dien naam draagt, en het was daarheen dat de gevangenen na hunne geheime inhechtenisneming gebracht werden zonder dat zij er iets van wisten.

Voor de deur van het huis van graaf Ladislas Zathmar stond een postrijtuig te wachten. Alle vier stegen in en twee Oostenrijksche maréchaussées—van die lieden welke behoorlijk voor de veiligheid in de Istrische velden zorgen—namen bij hen plaats. Het was hun dus niet geraden om gedurende de geheele reis een enkel woord te wisselen, dat gevaarlijk kon zijn; of eenige overeenkomst van gemeenschappelijk handelen te bespreken, betreffende hun verschijnen voor den rechter.

Eene bedekking van twaalf maréchaussées te paard, die onder de bevelen van een luitenant stonden, reed voor, achter en bij de portieren van het rijtuig, dat tien minuten later de stad verlaten had. Wat Borik betreft, die was dadelijk naar de gevangenis van Triëst gebracht geworden en daar in eene cel, afgezonderd van een ieder opgesloten.

Waar bracht men de gevangenen heen? In welke vesting zou het Oostenrijksche gouvernement hen opsluiten, daar het kasteel van Triëst daartoe niet genoegzaam scheen? Dat was wel belangrijk voor graaf Sandorf en zijne vrienden; maar dat kregen zij niet te weten, welke moeite zij daartoe ook aanwendden.

De nacht was donker. Ternauwernood konden de lantaarns van het rijtuig den weg verlichten tot bij de eerste rij der ruiters van de bedekking. Men reed snel vooruit. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hielden zich stil en zwijgend in hunne hoeken. Ook Sarcany poogde dat stilzwijgen niet te verbreken, noch om tegen zijne inhechtenisneming te protesteeren, noch om te vragen, waarom deze geschied was.

Na Triëst verlaten te hebben, veranderde het postrijtuig zoodanig van richting, dat het in schuinsche strekking naar de zeekust teruggevoerd werd. Graaf Sandorf kon toch te midden van het leven, door de hoeven der paarden, door de wielen van het rijtuig, door het geklikklak der sabels veroorzaakt, in de verte het gedruisch van de branding op de rotsen van het strand vernemen. [75]Eenige lichten schitterden gedurende enkele oogenblikken in den nacht, maar verdwenen weer dadelijk. Het was een klein vlek, Muggia genaamd, hetwelk het postrijtuig doorgereden had zonder halt te houden. Daarna meende graaf Sandorf dat hun weg weer landwaarts in voerde.

Te elf uur in den avond, stond het rijtuig stil om te verspannen. Er was niets anders te zien dan eene soort hoeve, waar de paarden wachtten, geheel en al gereed om aangespannen te worden. Het was de gewone pleisterplaats voor de postrijtuigen niet. Men had vermeden, die van Capo d’Istria aan te doen.

De bedekking reed weer vooruit. Het rijtuig volgde thans een weg, die tusschen wijngaarden door liep, wiens slingerloten zich aan de takken der moerbeziënboomen als festoenen vasthechtten. Men bleef steeds in de vlakte, hetgeen veroorloofde zeer snel te rijden. De duisternis was des te zwarter, daar verscheidene dikke wolken, door een stevigen zuidwesten wind voortgejaagd, het geheele uitspansel innamen en bedekten. Hoewel de glasramen der portieren van tijd tot tijd neergelaten werden om de lucht in het rijtuig eenigszins te ververschen,—want de zomernachten zijn zoel in Istrië—zoo was het toch onmogelijk iets te kunnen onderscheiden, zelfs binnen zeer beperkten straal.

Welke aandacht graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory ook inspanden om zich de geringste aanwijzingen, die zich onderweg voordeden op te teekenen, zooals de richting van den wind, den verloopen tijd sedert hun vertrek, zoo gelukte het hun toch niet te weten in welke richting het postrijtuig reed. Men wilde ongetwijfeld dat het gerechtelijk onderzoek in deze zaak in het grootste geheim en op eene plaats die onbekend voor het volk moest blijven, zou geschieden.

Tegen twee uren in den morgen verspande men voor den tweeden keer. Evenals bij de eerste verspanning duurde zij ternauwernood vijf minuten.

Graaf Sandorf meende in het donker eenige huizen te bespeuren, die een groepje aan het uiteinde van een weg vormden en bijgevolg de uiterste huizen van een voorstad konden zijn.

Dat was Baja, de hoofdplaats van het district van dien naam, welke op ongeveer een twintigtal mijlen van Muggia gelegen is.

Zoodra de versche paarden aangespannen waren, fluisterde de luitenant der maréchaussées den postiljon iets in het oor, waarop het postrijtuig in galop vertrok.

Tegen half vier zou de dag aanbreken. De gevangenen zouden een uur later, door de opkomende zon, zich eenigermate rekenschap hebben kunnen geven van de hoofdrichting, die zij tot nu toe gevolgd hadden. Zij zouden ten minste kunnen bepalen of zij [76]noord- of zuid-, oost- of westwaarts gereden hadden. Maar toen sloten de maréchaussées de raamkleppen dicht, zoodat het innerlijke van het rijtuig in diepe duisternis gedompeld was.

Noch graaf Sandorf, noch zijne beide vrienden lieten zich eene enkele opmerking ontvallen. Er zou toch niet naar geluisterd zijn, dat was maar al te zeker. Beter was het dus maar volkomen te berusten en te wachten.

Een of een paar uur later—het zou moeilijk geweest zijn den tijd te schatten,—hield het rijtuig voor de laatste maal stil en verspande bij het vlek Visinada.

Alles wat men van dat punt af kon waarnemen, was dat de weg zeer moeilijk werd. Het geschreeuw van den postiljon, het klappen der zweep, moedigde de paarden aan, wier hoefijzers op den ongelijken steenachtigen bodem van die bergachtige landstreek weerklonken. Eenige heuvels, met kleine bosschen overdekt, die een grijsachtig voorkomen vertoonden, hadden den gezichtseinder zeer begrensd. De gevangenen hadden twee of drie maal de tonen eener fluit kunnen vernemen. Dat waren jeugdige herders, die hunne vreemdsoortige melodieën bliezen, terwijl zij hunne kudden zwarte geiten hoedden. Maar dat was wel eene onvoldoende aanduiding van de landstreek, die men doorreed, en men moest zich tevreden stellen met niets te zien.

Het kon zoo ongeveer negen uur in den morgen geweest zijn, toen het postrijtuig een geheel anderen gang aannam. Men kon zich daarin niet vergissen, het rolde toen snel langs eene helling naar beneden, na eerst het hoogste punt van den weg bereikt te hebben. Die snelheid was zeer groot, zoodat zelfs de wielen herhaaldelijk geremd moesten worden.

En inderdaad, na eerst in dat geaccidenteerde terrein, hetwelk door den berg Major beheerscht wordt, gestegen te zijn, daalde de weg schuins naar beneden, toen hij Pisino naderde. Hoewel die stad nog vrij hoog boven de oppervlakte der zee verheven is, zoo schijnt zij toch in een dal begraven te liggen, wanneer men omliggende hoogten in aanmerking neemt. Lang alvorens haar te bereiken, kan men reeds het torentje bespeuren, dat boven de groep harer huizen, welke schilderachtig amphitheatersgewijs gebouwd zijn, uitsteekt.

Pisino is de districtshoofdplaats en telt eene bevolking van ongeveer vijf en twintig duizend zielen. Zij is nagenoeg in het midden van dat driehoekig schiereiland gelegen, en de Morlakken, de Slavoniërs van verschillende stammen, zelfs de Tsiganen wemelen in die stad, vooral tegen het tijdstip der jaarmarkten, wanneer een aanzienlijke handel gedreven wordt. [77]

Voor een krijgsraad te brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen. (Bladz. 79.)

Voor een krijgsraad te brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen. (Bladz. 79.)

[76]

Als oude stad heeft de hoofdplaats van Istrië haar feodaal [78]karakter behouden. Dat komt vooral in haar versterkt kasteel uit, hetwelk eenige nieuwere militaire etablissementen, waarin de administratieve bureaux van het Oostenrijksche Gouvernement gevestigd zijn, beheerscht.

Het was op de binnenplaats van dat kasteel, dat het postrijtuig op den 9den Juni des voormiddags te tien uren ongeveer, na eene reis van ruim vijftien uren, stilstond. Graaf Sandorf met zijne beide makkers, alsook Sarcany moesten toen uitstijgen. Eenige oogenblikken later waren zij ieder afzonderlijk gekerkerd in de gewelfde vertrekken van dat gebouw, welke zij slechts konden bereiken, na een vijftigtal treden van een groote trap opgeklommen te zijn.

Het was de geheime opsluiting in hare volle gestrengheid.

Hoewel zij hoegenaamd geene gemeenschap met elkander hadden en zij derhalve niet van gedachten wisselen konden, zoo hadden Mathias Sandorf, Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory slechts één denkbeeld, hetwelk hun brein martelde: Hoe was het geheim der samenzwering ontdekt geworden?

Was ’t het toeval, dat de politie op het spoor gebracht had?

Maar niets had naar buiten kunnen uitlekken! Geen briefwisseling had meer plaats tusschen Triëst en de voornaamste steden van Hongarije en Transsylvanië.

Was er dus verraad in het spel?

Maar wie was dan de verrader?

Nooit was eene vertrouwelijke mededeeling aan wien ook gedaan geworden!

Onmogelijk had eenig papier in de handen van een spion kunnen vallen!

Alle documenten waren steeds vernietigd. En al had men ook het huis in de Acquedottolaan in alle hoeken en gaten doorzocht, al had men het ook het onderste boven gekeerd, dan zou men niets verdachts gevonden hebben!

En dat was zelfs gebeurd. De politieagenten hadden gezocht, gezocht, maar niets anders gevonden dan den rooster, die door graaf Zathmar niet vernietigd was, want het kon toch mogelijk zijn, dat hij nog zou moeten dienen. Ongelukkiglijk zou die rooster als overtuigingsbewijs opgenomen worden, waarvan het gebruik onmogelijk anders verklaard kon worden, dan dat hij gebezigd werd voor eene geheime briefwisseling.

De lezer weet, wat de gevangenen nog niet wisten, dat alleen op het afschrift van het briefje, hetwelk Sarcany in medeplichtigheid met Silas Toronthal aan den gouverneur van Triëst ter hand gesteld had, na er eerst de duidelijke beteekenis bijgevoegd te hebben, de inhechtenisneming geschied was. Dat was evenwel voldoende om daarop eene beschuldiging van complot tegen de veiligheid [79]van den Staat te grondvesten. Meer was dus niet noodig om graaf Sandorf en zijne vrienden voor eene afzonderlijke rechtbank, voor een krijgsraad te brengen, die de militaire rechtspleging zou toepassen.

Er bestond evenwel een verrader en die was niet verre. Door zich, zonder een woord te zeggen, in hechtenis te laten nemen, door zich zelfs te laten veroordeelen, natuurlijk met de nevengedachte om later wel gratie te verwerven, ontkwam die verrader aan iedere achterdocht. Dat was Sarcany’s spel en hij speelde die komedie met al den ernst en de koelbloedigheid die hij bij alles aan den dag legde.

Daarenboven graaf Sandorf, die door dien schurk bedrogen was—en wie ter wereld zou het niet geweest zijn in zijne plaats?—was besloten om alles aan te wenden, om hem buiten het geding te houden. Het zou hem niet moeilijk vallen, zoo dacht hij, te bewijzen, dat Sarcany geen deel aan de samenzwering genomen had, dat hij slechts een eenvoudig comptabel was, die eerst kort geleden toegang tot het huis van Ladislas Zathmar verkregen had en slechts belast was geweest met de personeele zaken van den graaf, die in geen verband hoegenaamd met de samenzwering stonden. Als het noodig zou zijn, zou hij Silas Toronthal als getuige oproepen, om de onschuld van den jongen man te bewijzen. Hij twijfelde er dan ook niet aan, of Sarcany zou wel worden vrijgesproken, zoowel wat aangaat de hoofdbeschuldiging als van die der medeplichtigheid, in het geval dat men er toe geraken mocht eene ernstige beschuldiging in te stellen, hetgeen hem nog niet geloofbaar voorkwam.

Alles wel beschouwd, kon het Oostenrijksche gouvernement, behalve de complotmakers van Triëst, onmogelijk iets van de samenzwering weten. Hunne deelgenooten in Hongarije en Transsylvanië waren geheel onbekend. Er bestond geen enkel spoor van hunne medeplichtigheid. Mathias Sandorf, Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden dus dienaangaande geene zorgen te koesteren.

Wat hen betreft, zij waren vast besloten alles te loochenen, zoolang hun geen daadwerkelijk bewijs werd voorgehouden. In dat geval zouden zij weten hun leven op te offeren. Anderen zouden den een of anderen dag de mislukte beweging hervatten. De onafhankelijkheidszaak zou later wel weer nieuwe aanvoerders vinden. Zij zouden, wanneer zij overtuigd werden, hunne gevoelens en hun hoop belijden. Zij zouden het doel aanwijzen, hetwelk zij beoogden, een doel dat den een of anderen dag bereikt zou worden. Zij zouden zelfs de moeite niet nemen zich te verdedigen, zij zouden slechts de partij, die zij verloren hadden, ridderlijk en edelaardig betalen.

Het was niet zonder reden, dat graaf Sandorf en zijne vrienden [80]vermeenden, dat de werkkring der politie in deze zaak zeer beperkt was. Te Buda, te Pest, te Klausenburg, in één woord: in al de steden waarin de beweging zou hebben kunnen losbarsten, wanneer het signaal daartoe van Triëst gegeven ware, hadden agenten de sporen van het complot opgezocht, maar te vergeefs. Daarom had het gouvernement de inhechtenisstelling der drie Triëster opperhoofden zoo geheimzinnig doen ten uitvoer leggen. Dat zij in de kasematten van het versterkt kasteel te Pisino gekerkerd waren, dat men niet wilde dat iets van die zaak ruchtbaar werd, vóórdat zij een eindbeslag had, had zijn grond daarin, dat men hoopte dat de een of andere omstandigheid de stellers van het briefje in geheimschrift, hetwelk naar de hoofdplaats van Istrië verzonden was, maar waarvan men de herkomst niet kende, aan het licht zoude brengen.

Die hoop werd niet verwezenlijkt. Het verwachte sein kwam niet, het zou niet komen. De beweging was geremd, voorshands althans. Het Oostenrijksch gouvernement moest zich vergenoegen met graaf Sandorf en zijne medeplichtigen onder de beschuldiging van hoogverraad jegens den Staat te doen terechtstaan.

Die nasporingen hadden evenwel verscheidene dagen gevorderd. Het was dan ook eerst tegen den 20en Juni, dat de instructie der zaak begon, door de beschuldigden te verhooren. Zij werden zelfs niet met elkander geconfronteerd en zij zouden elkander slechts voor hunne rechters weerzien.

Het gouvernement had aan een krijgsraad de opdracht gedaan, om de opperhoofden der Triëster samenzwering te berechten. Men weet hoe beknopt en oppervlakkig de instructie eener zaak gevoerd wordt, wanneer zij aan de beslissing van zulk een buitengewoon rechtslichaam onderworpen wordt; hoe snel de debatten geleid worden, met hoeveel overhaasting het vonnis uitgesproken en ten uitvoer gelegd wordt.

Zoo geschiedde het ook bij deze gelegenheid.

Den 25en Juni vergaderde de krijgsraad in een der lage zalen van het versterkt kasteel te Pisino en dienzelfden dag verschenen de beschuldigden voor die militaire rechtbank.

De debatten zouden noch lang, noch belangrijk wezen, want geen enkel voorval zou hen kenmerken.

De krijgsraad nam zitting tegen negen uur des morgens. Graaf Sandorf, graaf Zathmar, professor Bathory en Sarcany zagen elkander toen voor de eerste maal sedert hunne inhechtenisneming weer. De handdruk dien graaf Sandorf met zijne vrienden op de bank der beschuldigden wisselde, was als eene nieuwe betuiging, een nieuwe overeenkomst betreffende de gevoelens, die hen verbond. Een gebaar van graaf Ladislas Zathmar en van Stephanus [82]Bathory deed graaf Sandorf begrijpen, dat zij hem de taak overlieten om voor den raad het woord te voeren. Noch hij, noch de anderen hadden den dienst van een verdediger willen aannemen. Wat graaf Sandorf tot heden gedaan had, was wèl gedaan. Wat hij noodig oordeelde tot de rechters te zeggen, zou wèl gezegd zijn. [81]

Pisino en de afgrond der Foïba. (Bladz. 92.)

Pisino en de afgrond der Foïba. (Bladz. 92.)

[82]

De zitting was publiek, in dien zin opgenomen, dat de deuren van de raadkamer openstonden. Weinige personen evenwel waren tegenwoordig; want de zaak was niet naar buiten uitgelekt. Hoogstens waren een twintigtal personen aanwezig, die nog tot den dienst van het kasteel behoorden.

De identiteit der beschuldigden werd vooraf geconstateerd. Graaf Sandorf vroeg daarop aan den voorzitter van den krijgsraad den naam van de plaats, waarheen hij en zijne makkers gevoerd waren om terecht te staan; maar op die vraag kreeg hij geen antwoord.

De identiteit van Sarcany werd ook gesteld, maar deze sprak geen woord, waardoor hij te kennen kon geven, dat hij zijne zaak van die der andere beschuldigden wenschte af te scheiden.

Alsnu werd mededeeling van het afschrift van het briefje, dat zoo verraderlijk aan de politie overgeleverd werd, aan de beschuldigden gedaan.

Toen de auditeur militair hen deed afvragen of zij bekenden het origineele van dat briefje, waarvan het afschrift hun vertoond werd, ontvangen te hebben, antwoordden zij dat het de plicht der beschuldigers was daarvan het bewijs te leveren.

Na dat antwoord vertoonde men hen den rooster, die in de kamer van graaf Ladislas Zathmar gevonden was.

Noch graaf Sandorf noch zijne metgezellen konden ontkennen dat die rooster in hun bezit geweest was. Zij poogden dat zelfs niet. Er viel tegenover dat feitelijk bewijs niets te antwoorden. Daar de toepassing van dien rooster het lezen van dat briefje in geheimschrift mogelijk maakte, werd daaruit de gevolgtrekking gemaakt, dat dit briefje door de beschuldigden behoorlijk ontvangen was.

Toen vernamen dezen eerst hoe de samenzwering ontdekt was en op welken grondslag de beschuldiging rustte.

Van dit oogenblik af werden de vragen en antwoorden uiterst helder en duidelijk van weerskanten gedaan en gegeven.

Graaf Sandorf kon niet meer ontkennen. Hij sprak dus in naam van zichzelven en van zijne beide vrienden. Eene beweging was door hen voorbereid, waardoor de scheiding tusschen Hongarije en Oostenrijk teweeg zou gebracht worden, waarna de zelfregeering van het koninkrijk der oude Magyaren hersteld zoude geworden zijn. Zonder hunne terechtstelling zou de beweging reeds uitgebroken zijn en Hongarije zou zijne onafhankelijkheid reeds herwonnen hebben. Mathias Sandorf maakte zich als opperhoofd der [83]samenzwering bekend en wees zijnen medebeschuldigden slechts eene ondergeschikte rol toe. Maar deze protesteerden tegen de woorden van den graaf en eischten met de eer ook het gevaar op èn van de medeplichtigheid in de samenzwering èn van het samengaan naar het schavot.

Het debat kon nu niet lang meer zijn. Toen daarenboven de voorzitter van den krijgsraad de beschuldigden over hunne medeplichtigen buiten Triëst ondervroeg, weigerden zij te antwoorden.

Geen naam werd genoemd en zou dat ook niet worden.

„Gij hebt onze drie hoofden in uw macht,” antwoordde graaf Mathias Sandorf op kalmen en eenvoudigen toon, „weest daarmede tevreden.”

Drie hoofden slechts.… want graaf Sandorf stelde zich toen tot taak om de onschuld van Sarcany aan het daglicht te doen treden. Hij verhaalde hoe hij den jongen man als comptabel op aanbeveling van den bankier Silas Toronthal ten huize van graaf Ladislas Zathmar had in dienst gesteld.

Sarcany kon dat beweren van graaf Sandorf slechts bevestigen. Hij wist niets van de samenzwering. Hij was wel het meeste verbaasd geweest, toen hij vernam dat daar in dat stille huis in de Acquedottolaan een complot tegen de veiligheid van den Staat gesmeed werd. Dat hij niet bij zijne inhechtenisneming geprotesteerd had, kwam alleen daarvandaan, dat hij niet begrepen had, wat er gaande was.

Noch graaf Sandorf, noch hij ondervonden moeilijkheden bij het vaststellen van dien staat van zaken, en het mag wel waarschijnlijk geacht worden, dat de krijgsraad dienaangaande reeds een vooraf gevestigde meening bezat. Op het advies van den auditeur militair werd dan ook de beschuldiging, tegen Sarcany ingebracht, ingetrokken en van verdere vervolging afgezien.

Tegen twee uren in den namiddag waren de debatten afgeloopen en werd in dezelfde zitting het vonnis geslagen.

Graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory werden, als overtuigd van hoogverraad jegens den Staat, ter dood veroordeeld.

De veroordeelden zouden op de binnenplaats van de vesting zelve doodgeschoten worden.

Het vonnis zou binnen twee maal vier en twintig uur voltrokken worden.

Sarcany werd vrijgesproken, maar hij zou naar de gevangenis teruggevoerd worden, tot de bekrachtiging van zijn vonnis van vrijlating, hetgeen denzelfden dag van de terechtstelling der drie schuldigen zou geschieden.

Hetzelfde vonnis sprak ook de verbeurdverklaring der goederen van de drie veroordeelden uit. [84]

Daarop werd bevel gegeven om graaf Mathias Sandorf, graaf Ladislas Zathmar en professor Stephanus Bathory naar hunnen kerker terug te voeren.

Sarcany werd in de cel teruggebracht, die hij betrokken had aan het uiteinde van een elliptische gang, die op de tweede verdieping van den vestingtoren gelegen was.

Graaf Sandorf en zijne beide vrienden werden gedurende de laatste uren, die zij nog te leven hadden, ingekerkerd in eene vrij ruime cel, die op dezelfde verdieping aan het uiteinde van de groote as van bedoelde ellips, welke door de gang beschreven werd, gelegen was. Ditmaal was het bevel tot afzondering opgeheven. De veroordeelden zouden bij elkander blijven totdat het oogenblik van sterven gekomen zou zijn.

Toen zij eindelijk alleen gelaten waren, was dat een troost, ja, zelfs een vreugde voor hen. Toen konden zij zich vrijelijk overgeven aan hunne gemoedsaandoeningen; toen konden zij hunne gevoelens vrij den teugel laten vieren. In tegenwoordigheid hunner rechters hadden zij zich weten te bedwingen; de terugwerking deed zich thans evenwel gelden en daar zonder getuigen openden zij de armen voor elkander en klemden elkander aan hunne mannelijke borst.

„Vrienden,” sprak graaf Sandorf, „ik zal de schuld van uwen dood zijn! Maar ik onthoud mij er u vergiffenis voor te vragen! Het gold Hongarije’s onafhankelijkheid! Onze zaak was eene rechtvaardige zaak! Het was onze plicht voor hare verdediging op te treden! Het zal eene eer zijn het leven voor haar te laten!”

„Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory, „wij bedanken u integendeel, dat ge ons deel hebt laten nemen aan dat vaderlandslievende werk, dat de kroon op geheel ons leven zal stellen …”

„Wij zullen elkanders deelgenooten tot in den dood zijn!” antwoordde graaf Zathmar koelbloedig.

Daarna bekeken de drie vrienden, na een poos van stilzwijgen, de akelig sombere cel, waarin zij hunne laatste levensuren zouden doorbrengen. Een smal venster, dat in de dikke muren van den vestingtoren op eene hoogte van vier of vijf voeten ingesneden was, verschafte ternauwernood genoegzaam daglicht. Zij bevatte drie ijzeren ledikanten, eenige stoelen, eene tafel en eenige muurtafeltjes, die aan de wanden vastgeklonken waren en waarop allerlei voorwerpen stonden.

Terwijl Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory zich natuurlijk genoeg aan hunne sombere overpeinzingen overgaven, wandelde graaf Mathias Sandorf de cel op en neer.

Ladislas Zathmar, die zich alleen ter wereld bevond, had niet veel te beweenen. Slechts één persoon op deze aarde zou om hem treuren en dat was zijn knecht Borik. [85]

Zoo was het niet met Stephanus Bathory gesteld. Zijn dood trof niet hem slechts. Hij had eene vrouw en een zoon, die door dien slag ook getroffen zouden worden. Die dierbare wezens zouden er door geschokt worden, konden er van sterven! En … wanneer zij hem overleefden, welk bestaan wachtte hen dan! Welke toekomst voor die onbemiddelde vrouw met een kind van ternauwernood acht jaren oud! Wanneer bovendien Stephanus Bathory eenig vermogen bezeten had, wat zou daarvan dan nog aan haar, na een vonnis, hetwelk de verbeurdverklaring van al de goederen der drie ter dood veroordeelden uitsprak, verbleven zijn?

Wat graaf Sandorf betrof, het was zijn geheel verleden, hetwelk hem voor den geest trad! Het was zijne vrouw, wier beeld hij steeds in zijn hart omdroeg! Het was zijn dochtertje, een kind van twee jaren, hetwelk aan de goede zorgen van den intendant achtergelaten was, en wien thans de taak toeviel om haar op te voeden! Het waren zijne vrienden, die hij in het ongeluk gesleept had! Hij vroeg zich af, of hij wel goed gehandeld had, of hij niet verder gegaan was dan de plicht jegens het vaderland gebood, nu de straf verder reikte, nu zij onschuldigen trof!

„Neen!… neen!… ik heb mijn plicht slechts gedaan!” herhaalde hij voortdurend bij zich zelven. „Neen!… het vaderland voor alles, boven alles!”

Een gevangenbewaarder trad tegen vijf uren de cel binnen, zette het eten voor de drie veroordeelden op de tafel neer en ging weer heen zonder een enkel woord gesproken te hebben. Mathias Sandorf evenwel had wel willen weten, waar hij zich bevond, hoe de vesting heette, waarin hij opgesloten was. Maar op de vraag, die hij daaromtrent aan den voorzitter van den krijgsraad gedaan had, had deze gemeend niet te moeten antwoorden en voorzeker zou de gevangenbewaarder, daartoe door een bevel genoodzaakt, wel evenmin geantwoord hebben.

De drie veroordeelden raakten het eten, dat hun voorgediend was, ternauwernood aan. Zij brachten den dag door met over allerhande zaken te praten, over de hoop dat de verijdelde omwenteling den een of anderen tijd hervat zoude worden. Toen kwamen zij herhaaldelijk op de bijzonderheden der zaak terug.

„Wij weten thans,” zei graaf Ladislas Zathmar, „waarom wij gevangen genomen zijn en hoe de politie alles door dat briefje, hetwelk haar in handen is gevallen, te weten is gekomen”.

„Ongetwijfeld, Ladislas,” antwoordde graaf Sandorf, maar in wiens handen is dat briefje, een der laatsten, die wij ontvangen hebben, toch gevallen en door wien is er afschrift van genomen?”

„En hoe is, nadat het briefje bemachtigd was, de rooster gevonden, [86]om dat briefje te kunnen ontraadselen?” sprak Stephanus Bathory op zijne beurt.

„Die rooster moet ons dus, al was het maar voor een oogenblik, ontstolen zijn,” zei graaf Sandorf.

„Ontstolen!… Door wien?” vroeg Ladislas Zathmar. „Op den dag onzer gevangenneming lag hij nog in de lade van de schrijflessenaar op mijne slaapkamer. Daar hebben hem toch de politieagenten gevonden, niet waar?”

Het was inderdaad onverklaarbaar. Dat het briefje aan den hals van de reisduif, die het overbracht, gevonden was, dat er nauwkeurig afschrift van was gemaakt, alvorens naar zijne bestemming doorgezonden te zijn, dat het huis van bestemming ontdekt was, dat alles kon en moest aangenomen worden. Maar dat de letters van het geheimschrift op hunne ware plaats hadden kunnen hersteld worden, zonder het instrumentje waarmede het tot stand gebracht was, dat was onverklaarbaar, dat was onbegrijpelijk.

„En toch is dat briefje ontraadseld en gelezen geworden,” hernam graaf Sandorf, „daaromtrent zijn wij zeker, niet waar? En het is niet zonder den rooster kunnen ontcijferd worden! Het is dat briefje, hetwelk de politie op het spoor van het complot gebracht heeft en het is op dat briefje alleen, dat de geheele beschuldiging gegrondvest is!”

„Och, wat kan het ons toch schelen!” antwoordde Stephanus Bathory.

„O! het kan ons integendeel veel schelen!” riep graaf Sandorf uit. „Wij zijn misschien verraden geworden! En als er een verrader in het spel is, dan.… is het zaak.… te.…”

Graaf Sandorf stokte. Sarcany’s naam kwam hem voor den geest. Maar hij verbande die gedachte ver, zeer ver, zonder haar zelfs aan zijne vrienden mede te deelen.

Mathias Sandorf en zijne twee vrienden gingen zoo voort met praten over dat onverklaarbare in die zaak en zoo werd het langzamerhand laat in den nacht.

Zij werden den volgenden morgen uit een vrij diepen slaap gewekt, door het binnenkomen van den gevangenbewaarder. Het was de morgen van hun voorlaatsten dag. De terechtstelling was op vier en twintig uren later bepaald.

Stephanus Bathory vroeg aan den gevangenbewaarder of het hem geoorloofd zoude zijn, zijn gezin te zien.

De gevangenbewaarder antwoordde, dat hij dienaangaande geene bevelen had. Het was evenwel niet waarschijnlijk, dat het Oostenrijksch gouvernement den veroordeelden die laatste vertroosting zou toestaan. De geheele zaak was toch tot op den dag van het vonnis zoo geheim mogelijk gehouden geworden. Zelfs de naam van de [87]vesting, die den veroordeelden tot gevangenis diende, was geheim gebleven.

„Kunnen wij ten minste schrijven, en zullen onze brieven hunne bestemming bereiken?” vroeg graaf Sandorf.

„Ik zal u papier, pen en inkt geven,” antwoordde de gevangenbewaarder, „en ik beloof u, uwe brieven aan den gouverneur ter hand te zullen stellen.”

„Wij danken u, vriend,” antwoordde graaf Sandorf, „voor hetgeen gij doen wilt en wat gij alleen doen kunt! Wij kunnen u niet voor uwe moeite beloonen; maar.…”

„Uw dank is voor mij genoeg, heeren,” hernam de gevangenbewaarder, die zijne ontroering niet kon verbergen.

Die brave man bracht dadelijk het noodige schrijfgereedschap. De veroordeelden brachten een gedeelte van den dag door met het nemen hunner laatste beschikkingen. Van den kant van graaf Sandorf waren het de meest gemoedelijke raadgevingen voor zijn dochtertje, dat als wees zou achterblijven, welke uit het hart eens vaders konden opwellen. Van den kant van Stephanus Bathory waren het de vurigste liefdesbetuigingen, die deze in zijn laatst vaarwel aan zijne echtgenoote en aan zijn zoon deed vernemen. Van den kant van Ladislas Zathmar waren het innige aanhankelijkheidsbewijzen, die een heer voor zijn ouden knecht, voor zijn laatsten vriend kon koesteren.

Maar hoe afgetrokken waren zij niet dien dag, hoe herhaaldelijk hadden de gevangenen de ooren niet gespitst! Hoe menigmaal poogden zij niet te ontwaren, of er geen ver gedruisch door de lange gangen van den vestingtoren tot hen doordrong. Hoe menigmaal scheen het hun niet, dat de deur van die cel zou opengaan en dat het hun veroorloofd zou zijn voor de laatste maal eene gade, eene dochter, een zoon te omarmen! Dat zou eene vertroosting geweest zijn. Maar, in waarheid, was het niet beter dat een wreed onvermurwbaar verbod, dat laatste vaarwel, hetgeen zoo hartverscheurend zoude zijn, belette?

De deur ging niet open. Ongetwijfeld wisten noch mevrouw Bathory, noch haar zoon, noch de intendant Lendek, aan wien het dochtertje van graaf Mathias Sandorf toevertrouwd was, waarheen de gevangenen na hunne inhechtenisneming overgebracht waren, evenmin als Borik, die nog steeds in de gevangenis te Triëst opgesloten zat. Allen wisten ongetwijfeld ook niet, welk vonnis over de hoofden der samenzwering uitgesproken was. De veroordeelden, zoo was bepaald, zouden hunne dierbaren vóór de ten uitvoerlegging van het vonnis niet wederzien.

De eerste uren van dien dag snelden zoo voorbij. Soms praatten Mathias Sandorf en zijne beide vrienden te zamen. Soms ook vervielen [88]zij in een langdurig stilzwijgen en waren zij in zichzelven gekeerd. In die oogenblikken gleed alles met eene schrikkelijke, bovennatuurlijke nauwkeurigheid in het geheugen voorbij. Het was alsdan niet in het verledene dat zij terugtraden. Alles wat de herinnering in het brein terugriep, ontplooide zich in den vorm van het tegenwoordige. Was dat als een voorgevoel van de eeuwigheid, die zich opende van dien onbegrijpelijken en onmetelijken toestand, dien men het oneindige noemt?

Intusschen, terwijl Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar zich zoo zonder stoornis aan hunne overpeinzingen overgaven, werd het brein van Mathias Sandorf onweerstaanbaar beheerscht door eene gedachte, die er als het ware post in had gevat. Hij twijfelde er niet aan, of in die geheimzinnige zaak had het verraad zijne treurige rol vervuld. Nu was voor een man van zijn karakter, sterven zonder den verrader, wie hij ook zijn mocht, gestraft te hebben, zonder zelfs te weten wie de verrader was, als het ware tweemaal sterven. Wie had dat briefje, waaraan de politie de ontdekking van de samenzwering en de inhechtenisneming der hoofdschuldigen te danken had, bemachtigd? Wie had de middelen ontdekt om het te kunnen lezen? Wie had het aan de politie overgeleverd, verkocht wellicht?.… Tegenover dat onoplosbaar vraagstuk waren de opgewonden hersenen van graaf Sandorf ten prooi aan eene soort koorts.

Terwijl zijne vrienden dan ook schreven of daar stilzwijgend ter neer zaten en zich onbeweeglijk hielden, liep hij onrustig langs de muren der cel als een wild dier in zijne kooi op en neer.

Een zonderling maar volkomen door de wetten der geluidsleer verklaarbaar natuurverschijnsel, zou hem het geheim mededeelen, juist toen hij wanhopen moest het ooit te vernemen.

Verscheidene malen had graaf Sandorf stilgestaan bij den hoek van het vertrek, die door den binnenmuur gevormd werd met den buitenmuur van de gang, waarop de verschillende cellen van deze verdieping van den vestingtoren uitkwamen. In dien hoek, in welks nabijheid de deur aangebracht was, meende hij een gemurmel gehoord te hebben als van verwijderde stemmen, dat nog niet verstaanbaar was. Eerst sloeg hij er geen acht op, maar.… plotseling hoorde hij een naam uitspreken.… den zijnen.… en dat deed hem het oor spitsen. [89]

Graaf Sandorf onderzocht dus of het venster ruimte genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen. (Bladz. 94.)

Graaf Sandorf onderzocht dus of het venster ruimte genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen. (Bladz. 94.)

[88]

Klaarblijkelijk werd daar hetzelfde natuurverschijnsel te voorschijn geroepen, gelijk aan dat, hetwelk onder boogvormige gangen of onder gewelven met ellipsvormige constructie waargenomen wordt. De stem, die van een der zijden van de ellips uitgaat, doet zich na den omtrek der muren gevolgd te hebben in het andere brandpunt vernemen, zonder op hare baan ergens waarneembaar [90]te zijn geweest. Zulk een natuurverschijnsel wordt in de onderaardsche gewelven van het Panthéon te Parijs, in de binnenruimte van den koepel van de Sint Pieterskerk te Rome, in de „whispering gallery” de weerklinkende galerij van de Sint Paulskerk te Londen waargenomen. Onder dergelijke omstandigheden wordt het geringste woord, zelfs wanneer het fluisterend uitgesproken wordt, duidelijk verstaan in het tegenovergestelde brandpunt.

Er viel hier niet aan te twijfelen. Twee of meer personen praatten, hetzij in de gang, hetzij in een der cellen aan het einde van zijn doorsnede gelegen, en het brandpunt bevond zich bij de deur van de cel, waarin Mathias Sandorf opgesloten was.

Met een enkel gebaar riep hij zijne makkers tot zich. En daar stonden zij alle drie met gespitste ooren te luisteren.

Brokstukken van volzinnen bereikten hun oor zeer duidelijk. De volzinnen werden afgebroken, wanneer de sprekers zich, al was het ook nog maar zoo weinig, van het brandpunt verwijderden, dat wil zeggen van dat punt, waarvan de ligging het natuurverschijnsel deed geboren worden.

En ziehier de woorden, die zij met herhaalde tusschenpoozen opvingen:

.….….….….….….….….….….….….…

„Morgen na de terechtstelling zult ge vrij zijn.……

.….….….….….….….….….….….….…

„En dan zullen de goederen van graaf Sandorf, eerlijk verdeeld.

.….….….….….….….….….….….….…

„Zonder mij zoudt ge dat briefje niet hebben kunnen ontraadselen.

.….….….….….….….….….….….….…

„En zonder mij, die het aan den hals van de postduif gevonden heb, zoudt gij het nooit in handen gekregen hebben.…..

.….….….….….….….….….….….….…

„Hoe het ook zij, niemand kan eenige verdenking koesteren, dat wij de politie.….….….……

.….….….….….….….….….….….….…

„En als de veroordeelden nu ook al eenige achterdocht.…

.….….….….….….….….….….….….…

„Noch bloedverwanten, noch vrienden kunnen meer tot hen doordringen.….….….……

.….….….….….….….….….….….….…

„Tot morgen, Sarcany”.….….…..

„Tot morgen, Silas Toronthal!”.….……

.….….….….….….….….….….….….…

Daarna zwegen de stemmen en het geluid eener deur die toesloeg, werd vernomen. [91]

„Sarcany!.… Silas Toronthal!.…” riep graaf Sandorf uit. „Zij!.… Zij zijn het!”

Hij werd doodsbleek en keek zijne vrienden met een van verbijstering glinsterend oog aan. Zijn hart had een oogenblik opgehouden met kloppen. Zijne oogleden stonden wijd opengespalkt, zijn hals was stijf en zijn hoofd was tusschen zijne schouders teruggedrongen. Alles duidde er op, dat die geestkrachtvolle natuur door een schrikkelijken toorn beroerd werd.

„Zij!.… De ellendelingen!.…” herhaalde hij woest brullende.

Hij richtte eindelijk zijne gebogen gestalte op en keek rond, terwijl hij de cel met groote passen op en neer liep.

„Vluchten!.… Vluchten!” riep hij uit. „Wij moeten vluchten!”

En die man, die enkele minuten vroeger gereed was om weinige uren later den dood manmoedig tegemoet te treden, die man, die er zelfs niet aan gedacht had om den beul zijn hoofd te betwisten, die man had thans slechts ééne gedachte: leven, om die twee verraders Silas Toronthal en Sarcany te straffen!

„Ja, ons wreken!” riepen Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar uit.

„Ons wreken? Neen!.… Gerechtigheid uitoefenen!”

Het geheele karakter van graaf Sandorf lag in die woorden opgesloten.