De vesting Pisino is een van de meest merkwaardige van die stevige gebouwen, welke in de middeleeuwen verrezen. Zij ziet er zeer goed uit met haar feodaal uiterlijk. Er ontbreken slechts ridders in die gewelfde zalen, slechts edelvrouwen, met bonte japonnen gekleed en getooid met puntmutsen, aan de ogiefvormige vensterramen, slechts boogschutters op de transen van de gecreneleerde muren, in de schietgaten van de vooruitspringende gedeelten, bij de Spaansche ruiters, die de ophaalbruggen moeten verdedigen. Het kunstwerk van steen is nog onaangetast; maar de vestinggouverneur met zijn Oostenrijksch uniform, de soldaten met hunne moderne tenue, de gevangenbewaarders en de sleuteldragers, die niets meer vertoonen van dat costuum uit den ouden tijd, half [92]geel, half rood, die allen geven een valschen toon aan te midden van die prachtige overblijfselen van een ander tijdvak.
Het was uit den toren van die vesting, dat graaf Sandorf zich vermeette te willen ontvluchten en dat nog wel gedurende de laatste uren, die de terechtstelling voorafgingen. Dwaze poging voorzeker, daar de gevangenen niet eens wisten, welke vesting hen tot kerker diende, daar zij niets van het omgelegen land kenden, waardoor zij toch na hunne ontvluchting heen moesten trekken.
O, wellicht kon het voor een geluk gelden, dat zij niets van die omgeving wisten. Beter onderricht, zouden zij misschien voor de moeilijkheden, om niet te spreken van de onmogelijkheid van zulk eene onderneming teruggedeinsd zijn.
Niet dat deze Istrische provincie geene voordeelige kansen voor eene ontsnapping zou aanbieden, dewijl iedere richting, door de vluchtelingen genomen, naar een punt van hare kuststreek zou voeren en dat binnen weinige uren. Ook niet dat de straten van de stad Pisino zoo streng zouden bewaakt zijn, dat men bij de eerste stappen gevaar zou loopen gevat te worden. Neen; maar ontsnappen uit die vesting, voornamelijk uit den toren, door de gevangenen bewoond, dat was tot heden als volstrekt onmogelijk beschouwd geworden. Het denkbeeld daarvan kon zelfs niet opkomen.
Ziehier inderdaad de toestand en het uiterlijk voorkomen van dien toren in de vesting Pisino.
Die toren beslaat eene zijde van een bergplat, alwaar de stad plotseling als het ware eindigt. Wanneer men op den ringmuur van dat plat leunt, dan boort de blik in een breede en diepe kolk, waarvan de steile wanden niet eens bedekt zijn met lange afhangende lianen. Niets steekt van dien loodrechten rotsmuur uit. Geen enkele trede om naar boven te klimmen of om naar beneden te dalen. Geen portaal om er even halt te houden. Geen enkel standpunt, waar ook. Niets dan grillige uitschuringen, niets dan gladde onzekere streepen, die de schuinsche ligging der rotslagen aangeven. In één woord is het een afgrond, die aantrekt, die meesleept en niets teruggeeft van hetgeen er in mocht vallen.
Het was boven dezen afgrond dat een der zijmuren zich verhief. In dien muur waren eenige vensters ingesneden, die de cellen op de verschillende verdiepingen moesten verlichten. Wanneer een gevangene zich door een van die openingen voorover gebogen had, dan zou hij vol afgrijzen achteruit gedeinsd zijn, tenzij duizelingen hem in de diepte zouden hebben doen storten! En wanneer hij viel, wat dan? Of het lichaam zou op de rotsen van den bodem te pletter storten, òf het zou door den bergvloed medegevoerd worden, wiens stroom onweerstaanbaar is in het tijdperk van hoog water.
Die afgrond, dat is de Buco, zoo als hij in dat land genoemd [93]wordt. Hij dient tot afleiding van het overtollige water van eene rivier, die Foïba heet. Die rivier erlangt slechts toegang door eene onderaardsche spelonk, die zij zich zelve langzamerhand door de rotsmassa’s uitgehold heeft, en waarin zij zich met de kracht van een waterval stort. Waar stroomt zij dan heen, terwijl zij onder de stad doorgaat? Dat weet men niet. Waar verschijnt zij weer? Dat weet men evenmin. Niemand kent de lengte noch de hoogte van die spelonk, die in de krijtsteen- en leisteenlagen uitgeschuurd is. Wie kan zeggen of de stroom daaronder zich niet met geweld breekt op scherpe kanten, op puntige hoeken, of hij niet gestuit wordt door een woud van pilaren, die het kolossale gevaarte der vesting en ook de geheele stad schragen? Koene onderzoekers hadden beproefd de Foïba af te zakken in een tijdperk, dat de middelbare waterstand gedoogde een licht vaartuig te gebruiken, maar de laagte van het rotsgewelf had hen een onoverkomelijke hinderpaal in den weg gesteld. In werkelijkheid wist men niets omtrent den toestand van die onderaardsche rivier. Misschien verloor zij zich wel in eene aardspleet, die onder de oppervlakte van de Adriatische zee uitkwam.
Dat was de Buco, welks bestaan graaf Sandorf zelfs niet giste. Daar nu eene ontsnapping niet anders kon geschieden dan door het eenige raam zijner cel, hetwelk boven de Buco openging, zoo was het voor hem even zeker den dood tegemoet te gaan, als wanneer hij zich was komen plaatsen voor het peloton soldaten, dat hem moest doodschieten.
Ladislas Zathmar en Stephanus Bathory wachtten slechts het gunstige oogenblik af om te handelen. Zij waren bereid te blijven, wanneer het noodig was; zij waren bereid zich op te offeren om graaf Sandorf te hulp te komen; zij waren bereid hem te volgen, wanneer hunne vlucht de zijne niet kon benadeelen.
„Alle drie zullen wij vluchten,” zei graaf Mathias Sandorf, „hoewel het wellicht noodig zal worden om ons te scheiden, wanneer wij eenmaal buiten gekomen zullen zijn.”
Het was reeds avond en op den kerktoren sloeg het reeds acht uur. De veroordeelden hadden nog slechts twaalf uren te leven.
De nacht viel in en zooals men opmerken kon, zou hij zeer donker zijn. Dikke wolken, die bijna onbewegelijk bleven, bedekten het uitspansel. De lucht was zwaar, zij maakte de ademhaling moeilijk en was met electriciteit bezwangerd. Een hevig onweder was in aantocht. Wel schoten de bliksemstralen nog niet door de ruimte, nog niet door die dikke dampen, die daar als zoovele accumulatoren aanwezig waren; maar het gerommel van den donder liet zich reeds heel in de verte vernemen en werd langs de bergtoppen van de hoogten, die Pisino omgeven, overgebracht.
Eene ontsnapping, onder die omstandigheden ondernomen, zou [94]dus eenige kansen van welslagen hebben kunnen aanbieden, wanneer niet een bedriegelijke afgrond onder de voeten der vluchtelingen geweest ware. De nacht zou zwart zijn, men zou derhalve niet gezien worden. Bij het geraas van den donder zou men niet gehoord worden.
Zooals graaf Sandorf reeds dadelijk erkend had, zou de vlucht mogelijk zijn door het venster van de cel. De deur open te breken, of die stevige bladen van eikenhout, die daarenboven geheel met ijzer beslagen waren, aan te tasten, daaraan kon zelfs niet gedacht worden. Buitendien, de stap van een schildwacht weerklonk op de vloersteenen van de gang. En gesteld dat men buiten de celdeur geraakte, hoe zou men den weg vinden in de doolgangen van de vesting? Hoe zou men de poort uit, de valbrug over komen? Die zouden toch wel door posten soldaten bewaakt zijn! Aan den kant van den Buco was ten minste geen schildwacht te bespeuren. Maar de Buco bewaakte die zijde van den vestingtoren beter dan een geheele keten schildwachten.
Graaf Sandorf onderzocht dus in de eerste plaats, of het venster ruimte genoeg aanbood, om hen doortocht te verleenen.
Dat raam meette ongeveer drie en een halve voet hoogte op twee voet breedte. Het verliep trechtersgewijze door den muur, welks dikte op dit punt op vier voet geschat kon worden. Een stevig kruis van ijzer verdedigde den toegang. Dat was in den steen dicht bij de binnenopening geklonken. Er waren geen houten schuttingen of koekoeken aangebracht, die het licht slechts van boven laten binnenvallen. Die zouden onnoodig geweest zijn, daar de schikking van de opening den blik belette in den afgrond van de Buco te dringen. Wanneer men er dus in slaagde dat ijzeren kruis uit te rukken of van zijne plaats te wringen, dan zou het gemakkelijk zijn zich door dat raam te laten glijden, dat veel geleek op een schietgat van de vesting.
Maar, als men eenmaal uit dat raam geklommen was, hoe zou men dan buiten naar omlaag dalen langs den loodrechten muur? Eene ladder? Ja, die bezaten de gevangenen niet; ook konden zij die niet vervaardigen. Hunne beddelakens gebruiken? Zij hadden niets dan dikke wollen dekens, die hunne matrassen op de ijzeren kribben dekten, welke laatsten daarenboven in de wanden van de cel vastgeklonken waren. Het zou dus bepaald onmogelijk zijn door het venster te ontsnappen, wanneer graaf Sandorf niet eene ketting of beter een ijzeren kabel opgemerkt had, die buiten hing en de ontsnapping kon vergemakkelijken.
Die kabel was de bliksemafleider, die op den daknok bevestigd was boven de zijflank van den vestingtoren, maar die zich boven den Buco loodrecht verhief.
„Gij ziet dien kabel,” zei graaf Sandorf tot zijne vrienden. [95]„Daarvan zullen wij ons bedienen om te ontsnappen. Maar daartoe behoort moed!”
„O, moed bezitten wij,” antwoordde graaf Ladislas Zathmar. „Maar zullen wij de kracht hebben?”
„Om het even!” sprak Stephanus Bathory. „Als de krachten te kort schieten, zullen wij slechts eenige uren vroeger sterven. Dat is alles!”
„Wij moeten niet sterven, Stephanus,” antwoordde graaf Sandorf. „Luister goed en gij ook, Ladislas, laat geen enkel mijner woorden u ontgaan. Wanneer wij een touw bezaten, dan zouden wij geen oogenblik aarzelen om het buiten het venster te hangen om ons daarlangs tot op den bodem te laten afglijden. Nu is die ijzeren kabel beter dan een touw; door zijne onbuigzaamheid zal hij de afdaling zeer vergemakkelijken. Evenals alle bliksemafleiders zal hij met ijzeren haken aan den gevelmuur bevestigd zijn. Die haken zullen steunpunten vormen, waarop onze voeten zullen kunnen rusten. Wij zullen geene slingeringen te vreezen hebben, daar de kabel aan den muur bevestigd is. Wij zullen geen duizelingen kunnen ondervinden, daar het nacht is en wij dus niets zullen kunnen zien. Derhalve, wanneer wij slechts buiten dat venster geraken, dan met koelbloedigheid en met moed kunnen wij de vrijheid herwinnen. Dat wij ons leven wagen, is zeer goed mogelijk. Maar al bestonden slechts tien kansen op honderd, dan nog … daar wij honderd kansen op honderd zullen hebben om te sterven, wanneer de gevangenbewaarders ons morgen ochtend in deze cel terugvinden.”
„Dat is zoo,” antwoordde Ladislas Zathmar.
„Waar komt die ketting terecht?” vroeg Stephanus Bathory.
„In den een of anderen put waarschijnlijk; maar zeker buiten den vestingtoren,” antwoordde graaf Sandorf. „En meer hebben wij niet noodig. Ik wil niets anders weten of begrijpen, dan dat daar aan het uiteinde van dien ketting de vrijheid voor ons waarschijnlijk te vinden is.”
Graaf Sandorf vergiste zich niet, toen hij beweerde, dat die bliksemafleider van afstand tot afstand met ijzeren haken aan den muur bevestigd was. Dat veroorzaakte eene groote gemakkelijkheid om af te dalen, daar de vluchtelingen die haken als de treden eener ladder konden bezigen, die hen tegen te snel afglijden behoeden moesten. Maar, wat zij niet wisten en ook niet weten konden, dat was dat die kabel, na den rand van het bergplat bereikt te hebben, langs den muur van den vestingtoren vrij en onbedwongen in de ruimte afdaalde en zijn uiteinde de wateren der Foïba beroerden, die toen door de laatste regens zeer gezwollen waren. Daar waar zij onder in dien afgrond rekenen konden den vasten bodem te bereiken, daar was slechts een bergstroom, die zich onstuimig [96]in de spelonk van den Buco stortte. Maar al hadden zij dat ook geweten, zouden zij dan nog wel teruggedeinsd hebben voor hunne poging tot ontsnapping?
Voorzeker neen!
„Hier sterven of straks daar ginds!” sprak graaf Mathias Sandorf. „Als wij sterven moeten, dan zullen wij ten minste alles gedaan hebben om het leven te redden!”
Maar eerst moest men dat ijzeren kruis in de doorgang van het venster opruimen. Dat moest uitgebroken worden. Zou dit mogelijk zijn zonder breekijzer, zonder koevoet, zonder eenig gereedschap? De gevangenen bezaten zelfs geen mes.
„Het overige zal slechts moeilijk zijn,” zei graaf Mathias Sandorf, „maar dit is wellicht het onmogelijke! Kom, mede aan den arbeid!”
Toen hij dat gezegd had, heesch graaf Sandorf zich tot aan het venster, greep den ijzeren kruisrooster met de hand en voelde dat wellicht geen al te groote krachtsinspanning noodig zou zijn, om hem uit te rukken.
De ijzeren stangen, waaruit hij bestond, bewogen zich inderdaad eenigermate in hare sponningen. De steen was bij de hoeken gebarsten en kon dus slechts een middelmatigen tegenstand bieden. Zeer waarschijnlijk was de geleiding van den bliksemafleider, voordat hij zekere herstellingen ondergaan had, niet zeer volmaakt geweest. Mogelijk was het geweest dat vonken van het electrische vuur, door dien ijzeren rooster aangetrokken, den muur zelven aangetast hadden en men weet dat de kracht van dat vuur om zoo te zeggen onbegrensd is. Vandaar die barsten en breuken bij de sponningen, waarin het uiteinde der ijzeren staven rustte. De steen was daar verteerd, vergaan en in sponsachtigen staat, alsof hij door de electriciteit met millioenen gaatjes doorboord ware.
Professor Stephanus Bathory gaf in weinige woorden den uitleg van dat verschijnsel, onmiddellijk nadat hij het waargenomen had.
Maar het gold thans niet te oreeren, te doceeren of te leeraren; men moest zonder aarzelen aan het werk. Geen oogenblik mocht verloren worden. Wanneer men, na de hoeken van de sponningen te hebben uitgebroken, de uiteinden van die staven kon losmaken, dan zou het waarschijnlijk gemakkelijk zijn den rooster tot aan de buitenoppervlakte van den muur te dringen, dewijl de vensteropening van binnen naar buiten waaiersgewijze verliep. Men zou hem dan naar buiten in den afgrond kunnen laten vallen. Het geluid van dien val zou door het hevige geratel van den donder overstemd en bijgevolg niet gehoord worden. De onweerswolk was nader gekomen en reeds rolden de donderslagen en plantten zich onverpoosd en zonder ophouden in de lagere luchtlagen voort. [97]
Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen in dit oogenblik alle twee. (Bladz. 102.)
[98]
„Wij kunnen dien steen toch niet met onze handen verbrijzelen,” zei graaf Ladislas Zathmar.
„Neen!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij zouden een stuk ijzer, een lem of zoo iets moeten hebben …”
Dat was inderdaad noodig. Hoe vergaan de steen in de nabijheid der sponningen ook was, de nagels zouden toch daarbij te kort geschoten zijn, de vingers zouden, bij de poging om hem tot stof te wrijven, zich te vergeefs bloedig verwond hebben. Men zou niet slagen zonder werktuig, al ware het ook maar een spijker.
Graaf Sandorf keek rondom zich bij het zwakke schijnsel, hetwelk van uit de gang, die zelf spaarzaam verlicht was, in de cel door eene kleine opening, boven de deur aangebracht, drong. Hij betastte de muren met beide handen. Het kon toch zijn, dat men ergens een spijker ingeklopt had. Hij vond echter niets.
Toen kreeg hij een inval. Hij bedacht dat het wellicht niet onmogelijk was een der pooten van de ijzeren kribben, die in den wand vastgeklonken waren, los te wringen. Alle drie gingen aan het werk en weldra brak Stephanus Bathory den arbeid af en riep zijne makkers met zachte stem tot zich.
Een klinknagel van een der ijzeren strooken, die, onderling behoorlijk gekruist en verbonden, de kriblagen vormden, was losgemaakt. Het was nu voldoende die strook bij het uiteinde, dat thans vrij was, te grijpen en haar herhaalde malen heen en weer te buigen om den anderen klinknagel te doen losspringen.
Dat was in een ommezien geschied. Graaf Sandorf bezat toen een ijzeren band van vijf duim lang en een duim breed, dien hij bij het uiteinde met zijn halsdas omwikkelde. Daarna kwam hij bij het venster terug en begon den steen bij de sponningen los te breken.
Dat kon niet geheel en al zonder gedruisch geschieden. Gelukkig werd dat overstemd door het geratel van den donder. Hield dat soms bij tusschenpoozen op, dan staakte graaf Sandorf zijn arbeid om hem daarna dadelijk weer te hervatten. Het werk vorderde flink. Stephanus Bathory en Ladislas Zathmar hadden bij de deur post gevat, teneinde graaf Sandorf te waarschuwen om den arbeid te staken, wanneer de schildwacht de deur der cel naderbij trad.
Plotseling ontsnapte een zacht „chut”… aan de lippen van Ladislas Zathmar, waarop de arbeid dadelijk ophield.
„Wat is er?” vroeg Stephanus Bathory.
„Luister,” antwoordde Ladislas.
Hij had juist het oor bij den rand van de ellipsoïdale helling gehouden en andermaal werd het acoustieke verschijnsel vernomen, dat den gevangenen bekend had gemaakt met het geheime verraad, ten hunnen opzichte gepleegd. [99]
Ziehier de afgebroken volzinnen, die bij korte tusschenpoozen nog opgevangen konden worden:
„Morgen … in vrijheid … gesteld …”
.….….….….….….….….….….….….…
„Ja … wanneer het bevel tot invrijheidstelling zal ontvangen zijn …”
.….….….….….….….….….….….….…
„… Na de terechtstelling … Daarna … ga ik mijn makker Zirone opzoeken, die mij op Sicilië wacht …”
.….….….….….….….….….….….….…
„Gij zult niet lang gezeten hebben in den vestingtoren van …”
.….….….….….….….….….….….….…
Het was klaarblijkelijk Sarcany, die met een gevangenbewaarder praatte. Eene bijzonderheid: Sarcany had den naam van een zekeren Zirone genoemd, die in deze geheele zaak gemengd moest zijn. Graaf Mathias Sandorf onthield dien naam.
Ongelukkig bereikte het laatste woord, waarvan de kennisname voor de gevangenen zoo nuttig ware geweest, hun oor niet. Bij het einde van den volzin, kraakte een geweldige donderslag en terwijl de electrische stroom de geleiding van den bliksemafleider volgde ontsnapten vuurstralen en vuurpluimen uit den ijzeren band, die graaf Sandorf in de hand hield. Zonder den zijden halsdas, die het metaal omwikkelde, zou de graaf door den stroom getroffen zijn.
Het laatste woord alzoo, de naam van die vesting, was door het ontzaglijk geraas van den donder verloren gegaan. De gevangenen hadden dien naam niet kunnen vernemen. En toch, wat zou de kennis in welke vesting zij opgesloten zaten, door welke streek zij vluchten moesten, de kansen hunner ontsnapping, die onder zoo moeilijke omstandigheden ondernomen moest worden, niet hebben vermeerderd!
Graaf Sandorf had den arbeid ijverig hervat. Van de vier sponningen waren er reeds drie zoodanig uitgebroken, dat de uiteinden der ijzeren staven uitgelicht konden worden. De vierde werd door het vuur der bliksemstralen, die het hemelruim onophoudelijk verlichtten aangetast.
De arbeid was tegen half elf uur geëindigd.
De ijzeren vensterrooster was geheel en al uit de sponningen losgemaakt en kon door de vensterruimte in den muur naar buiten geschoven worden. Men had thans slechts te duwen, om hem te doen vallen. Dit werd verricht, toen Ladislas Zathmar waargenomen had, dat de schildwacht zich bij zijn heen en weer wandelen naar het uiteinde van de gang begeven had.
Door een forschen stoot bewogen, buitelde de rooster en verdween.
Dit geschiedde in een oogenblik, toen de donder en het windgehuil [100]zwegen. Graaf Sandorf luisterde om het geluid te vernemen, dat dit zware lichaam bij zijn val en zijn neerkomen op den grond zou maken.
Maar hij hoorde niets.
„De vestingtoren zal waarschijnlijk op een hooge rots gebouwd zijn, die het dal beheerscht,” merkte Stephanus Bathory op.
„Och, wat kan ons de hoogte schelen!” antwoordde graaf Sandorf. „Ongetwijfeld reikt de ketting van den bliksemafleider tot aan den grond. Langs dien zullen wij den bodem wel bereiken, zonder gevaar te loopen van te vallen.”
Dat was in het algemeen gesproken eene volkomen juiste redeneering, die evenwel in het gegeven geval valsch was; want het uiteinde van den bliksemafleider bereikte niet den bodem, maar de wateren van de Foïba.
Toen men met het venster klaar was, was het oogenblik om te vluchten daar.
„Vrienden,” zei Mathias Sandorf. „Ziehier hoe wij het moeten aanleggen. Ik ben de jongste en ik geloof de krachtigste. Ik moet dus het eerst pogen langs dien kabel naar beneden te komen. Voor het geval dat zich een of andere hinderpaal voordoet, dan zal ik wellicht de kracht hebben om mij weer naar boven tot bij het venster te hijschen. Twee minuten later laat gij, Stephanus, u naar beneden glijden om u bij mij te voegen. Weer twee minuten later moet gij, Ladislas, denzelfden weg volgen. Als wij alle drie aan den voet van den vestingtoren vereenigd zijn, zullen wij naar omstandigheden moeten handelen.”
„Wij gehoorzamen u, Mathias,” antwoordde Stephanus Bathory. „Wij zullen uitvoeren wat gij bevelen zult; wij zullen gaan waarheen gij ons zeggen zult onze schreden te wenden. Maar wij willen niet dat uw deel van het gevaar groot er zal zijn dan het onze.…”
„Ons leven is het uwe niet waard!” vulde graaf Ladislas Zathmar aan.
„Voor de rechtspleging, die wij te voltrekken hebben, heeft ons leven gelijke waarde!” antwoordde graaf Sandorf. „Wanneer een onzer ontsnapt, dan moet die de uitvoerder van de gerechtigheid zijn. Kom vrienden, vrienden, laten wij elkander omhelzen.”
De drie mannen omarmden elkander innig en het scheen dat zij eene groote geestkracht uit die omhelzing geput hadden.
Toen kroop graaf Sandorf, terwijl Ladislas Zathmar bij de deur der cel op post stond om tegen onraad te waarschuwen, door de vensteropening die in den muur uitgesneden was. Een oogenblik later was hij buiten en hing hij in het ijle. Toen liet hij zich zakken, terwijl hij met de knieën den ketting van den bliksemafleider omklemde. Hij verplaatste daarbij beurtelings de eene hand onder de [101]andere, terwijl hij met de voeten de haken zocht, waarmede de geleider vastgemaakt was, om daarop te steunen.
Het onweder woedde toen in zijn volle kracht. Het regende niet, maar de wind stormde met ongehoord geweld. De eene bliksemstraal wachtte niet totdat de voorgaande in het hemelruim verdwenen was. Hare zigzaggen kruisten elkander boven den vestingtoren, die haar door zijne eenzame ligging op die hoogte aantrok. De punt van den bliksemafleider schitterde met een witachtig licht, dat er door den electrischen stroom als eene pluim opgehoopt werd, terwijl de stang schudde onder het geweld van den wind.
Men begrijpt welk gevaar er in gelegen was, aan dien geleidketting te hangen, waarlangs de electrische stroom voortdurend afvloeide om zich in de wateren van den Buco te verliezen. Wanneer het toestel in goeden staat geweest ware, dan was er geen gevaar om getroffen te worden; want de volmaakte geleidbaarheid van het metaal vergeleken met die van het menschelijk lichaam, die veel minder is, zou den koenen waaghals, die aan den kabel hing, beveiligen; maar was de punt van den bliksemafleider hoe gering ook afgestompt, was er eene breuk hoe klein ook in den kabel, waardoor de stroom verbroken werd, dan was een ongeluk mogelijk, dan kwamen de twee stroomingen, de negatieve en de positieve te zamen, zelfs zonder dat de bliksem op den geleider insloeg, alleen door de spanning van den stroom, die in het gebrekkige toestel opgehoopt werd.
Zoo werd in 1793 Richeman door eene electrische vonk van de dikte eener vuist gedood, hoewel hij zich op eenigen afstand van den bliksemafleider bevond, waarvan hij het geleidvermogen verbroken had.
Graaf Sandorf was zeer goed bekend met het gevaar, waaraan hij zich blootstelde, maar een gevoel krachtiger dan dat van zelfbehoud deed hem alles trotseeren. Hij daalde langzaam en voorzichtig te midden van de electrische afstrooming, die hem geheel en al omgaf. Zijn voet zocht langs den muur iederen haak en rustte daarop een poos. Dan poogde hij, wanneer een bliksemstraal den afgrond, die onder hem gaapte, verlichtte, er de diepte van te peilen. Maar steeds te vergeefs.
Toen Mathias Sandorf zoo een zestig voeten, sedert hij het venster der cel verlaten had, gedaald was, voelde hij een veiliger steunpunt onder den voet. Dat was een soort banket, slechts weinige duimen breed, hetwelk buiten den voet van den muur uitstak. De bliksemafleider eindigde daar ter plaatse niet, hij daalde lager, en in waarheid,—wat de vluchteling nog niet weten kon,—van dat punt af golfde de ketting in de lucht, nu eens langs den loodrechten rotswand, dan weer slingerde hij in het ijle en klotste daarbij [102]tegen eenige der uitstekende deelen, die boven den afgrond hingen.
Graaf Sandorf hield halt om even adem te scheppen. Zijne beide voeten steunden op het smalle boord van het banket; met zijne handen hield hij steeds den ijzeren kabel vast. Hij begreep dat hij de bovenlaag van het fondament van den vestingtoren bereikt had. Maar van welke hoogte beheerschte dit het beneden-dal? Dat was door hem niet te schatten.
„Dat moet diep zijn,” dacht hij.
Inderdaad, groote vogels, verschrikt en verblind door de schelheid der bliksemstralen, vlogen met angstigen wiekslag rondom hem en doken in de diepte, in stede van hare vlucht opwaarts te richten. De gevolgtrekking daarvan was duidelijk. Er was daar een afgrond onder zijne voeten.
In dit oogenblik vernam hij eenig gerucht aan het boveneinde van den ijzeren kabel. Bij de vluchtige verlichting door eene bliksemstraal, zag graaf Sandorf eene onduidelijke massa, die zich van den muur afscheidde.
Het was Stephanus Bathory, die het venster der cel uitschoof en zich langzaam liet afglijden, om zich bij Mathias Sandorf te voegen. Deze wachtte hem af, terwijl hij de voeten stevig op het steenen uitsteeksel gesteund hield. Daar moest Stephanus Bathory op zijn beurt halt houden, terwijl zijn makker de reis naar beneden verder zou vervolgen.
Binnen weinige oogenblikken waren zij bij elkander, waarbij zij op het banket rustten.
Zoodra het gerommel van den donder een poos ophield, konden zij spreken en elkander verstaan.
„En Ladislas?” vroeg graaf Sandorf.
„Die zal over eene minuut hier zijn.”
„Is er geen onraad boven?”
„Neen.”
„Goed. Ik ga plaats voor Ladislas maken. En gij, Stephanus, gij zult hier wachten tot dat hij u bereikt heeft.”
„Dat ’s afgesproken.”
Eene schitterende bliksemstraal omgaf hen beiden in dit oogenblik. Zij gevoelden zich alsof de electrische stroom, langs het ijzer vloeiende, tot in hunne spieren gedrongen was en meenden door den bliksem getroffen te zijn.
„Mathias!.… Mathias!.…” riep Stephanus onder den indruk van een onnoemelijken en onoverwinnelijken angst uit.
„Kalmte en koelbloedigheid!” antwoordde graaf Sandorf.… „Ik ga verder afdalen.… en gij moet mij volgen!”
Reeds had hij den kabel gegrepen, om zich tot aan den eersten [103]haak naar onderen te laten afglijden. Daar wilde hij wachten tot dat zijn makker ook de reis aanvaard had.
Plotseling werden kreten boven in den vestingtoren vernomen. Zij schenen van den kant van het venster der cel te komen. Duidelijk weerklonken de woorden:
„Vlucht! Redt u!”
Het was de stem van Ladislas Zathmar.
Terstond daarop spoot als het ware een helder licht uit den muur en werd gevolgd door eene kort afgebroken losbranding zonder echo. Het was ditmaal niet de gehakkelde lijn van eene bliksemschicht, die zich op het zwart kleed van den nacht voordeed. Het was geen electrische vonk, die geknetterd had. Het was een geweerschot, dat ongetwijfeld op goed geluk af door het eene of andere schietgat van den vestingtoren gelost was. Of het een signaal voor de gevangenbewaarders of wel een kogel, bestemd voor de vluchtelingen was, om het even, de vlucht was thans ontdekt.
Een schildwacht, die eenig gerucht meende te hooren, had inderdaad om hulp geroepen, waarop vijf of zes gevangenbewaarders de cel binnengestormd waren. Het ontbreken van twee gevangenen was natuurlijk dadelijk ontdekt. De toestand van het venster duidde genoegzaam aan, dat zij slechts langs dien weg hadden kunnen ontsnappen. Het was toen dat Ladislas Zathmar vóórdat men dit had kunnen beletten, zich buiten de vensteropening voorover gebogen en den alarmkreet uitgestooten had.
„De ongelukkige!” riep Stephanus Bathory uit. „Moeten wij hem achterlaten?.… Mathias!.… Zeg.… achterlaten?”
Een tweede geweerschot werd gelost en ditmaal vermengde zich de losbranding met het rollen van den donder.
„God zij hem genadig!” antwoordde graaf Sandorf. „Wij moeten vluchten.… al ware het maar om hem te wreken!.… Kom Stephanus, kom!”
Het was meer dan tijd. Ook andere vensters van de benedenverdieping van den vestingtoren werden geopend. Nieuwe losbrandingen verlichtten hen. Ook hoorde men luidruchtige stemmen. Het waren misschien gevangenbewaarders, die langs het banket, hetwelk den voet van den vestingtoren omgaf, voortschrijdende, den weg voor de vluchtelingen konden afsnijden! Zij konden ook waarschijnlijk getroffen worden door geweerschoten, die uit andere gedeelten der vesting gelost werden!
„Kom!” riep graaf Sandorf voor de laatste maal.
En hij liet zich afglijden langs den kabel, die daarop dadelijk door Stephanus Bathory gegrepen werd.
Toen eerst bemerkten beiden, dat die kabel onder het banket in het ledige, in het ijle slingerde. Er bestonden geen rustpunten, geen [104]haken meer, die den kabel vasthechtten. Beiden slingerden met dien ketting mede, die hun de handen verwondde. Zij daalden, zij omklemden den kabel met de knieën, maar waren onmachtig hunne snelheid te temperen, terwijl in dat vreeselijke oogenblik hun de geweerkogels langs de ooren floten.
Zoo daalden, neen stortten zij binnen een minuut ruim tachtig voeten naar beneden. Zij vroegen zich af, of die afgrond, waarin zij als het ware vielen, bodemloos was. Het geloei van stormachtig opgezweepte wateren bereikte hun gehoor. Toen begrepen zij dat de geleidketting van den bliksemafleider in den een of anderen bergstroom eindigde. Maar.… om het even.… de dood daar boven, de dood hier beneden.… dan was de laatste voor de rampzaligen het meest verkieselijk.
Een vreeselijke bliksemstraal verscheurde in dit oogenblik te midden van eene machtige electrische verlichting de wolken. Hoewel de stang boven op den vestingtoren niet middellijk door den electrischen stroom getroffen was, zoo was de spanning van dien stroom, die zich voortdurend langs den ketting ontlastte, zoodanig, dat zij de schalmen bij haren overgang wit gloeiend maakte, zooals met een platina draad geschiedt onder de ontlading van eene electrische batterij.
Stephanus Bathory stiet een kreet van smart uit en liet de handen los.
Mathias Sandorf zag hem voorbij zich vallen, waarbij zij elkander schier aanraakten. De ongelukkige had de armen uitgestrekt.
Op zijn beurt moest ook hij den kabel, die hem de handen verschroeide, loslaten. Hij viel van eene hoogte van ruim veertig voeten in den bergstroom van Foïba, in dien onbekenden afgrond van den Buco.