[Inhoud]

VII.

DE BERGSTROOM VAN FOÏBA.

Het was ongeveer elf uren in den nacht. De onweerswolken begonnen zich in hevige stortregens op te lossen. De regen werd vermengd met dikke hagelsteenen, die de oppervlakte der Foïba mitrailleerden en op de naburige rotsen kletterden. [105]

Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen. (Bladz. 108.)

Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen. (Bladz. 108.)

[106]

De geweerschoten, die uit de schietgaten gelost werden, waren gestaakt. Waarom zooveel kogels, zooveel lood jegens de vluchtelingen te verspillen? De Foïba zou slechts lijken weergeven, wanneer zij althans iets weergaf!

Nauwelijks was graaf Mathias Sandorf in den bergstroom gestort en onder de oppervlakte geschoten, toen hij zich plotseling meegesleept gevoelde. Van uit het schitterende licht, waarmede de electrische losbarsting den afgrond vervuld had, was hij overgegaan in den zwartsten nacht. Het geloei der wateren had het geratel van den donder vervangen. De ondoordringbare spelonk liet van buiten, noch geluid, noch licht, noch iets bespeuren.

„Help.…”

Opeens werd die kreet vernomen! Het was Stephanus Bathory, die hem geslaakt had. De kilheid van het water had hem tot het leven teruggeroepen; maar hij kon zich niet aan de oppervlakte handhaven. Hij zou zeker verdronken zijn, wanneer hem niet een stevige hand gegrepen had op het oogenblik, dat hij ging verdwijnen.

„Ik ben hier.… Stephanus!.… Houd moed!”

Graaf Sandorf ondersteunde zijn makker met de eene hand, terwijl hij met de andere zwom.

De toestand was zeer kritiek. Stephanus Bathory kon ter nauwernood zijne ledematen bewegen, verlamd als zij waren door den doorgang van den electrischen stroom. Voelde hij ook al de brandwonden aan zijne handen in de koude wateren niet, toch kon hij door die verlamming er zich niet van bedienen. Als graaf Sandorf hem slechts een oogenblik losgelaten had, zou hij onmiddellijk gezonken zijn. En toch had de graaf genoeg met zich zelven te stellen.

Dan nog verkeerde men in volslagen onzekerheid omtrent de richting, die deze bergstroom volgde. In welke streek kwam hij uit? In welke rivier, of in welke zee zou hij uitmonden? Wanneer Mathias Sandorf ook al geweten had, dat die bergstroom de Foïba was, dan nog was zijn toestand even wanhopig geweest, dewijl niemand weet waar zijne wateren blijven, waarin hij zich uitstort. Men had gesloten flesschen bij den ingang van de spelonk in de Foïba geworpen, en nimmer waren zij ergens in een der wateren van het Istrische schiereiland te voorschijn getreden. Het kon zijn, dat zij onderweg gebroken waren bij dien onderaardschen doorgang, maar het kon ook zijn, dat die watermassa hen medegesleept had in de een of andere spleet van de aardkorst.

De vluchtelingen werden intusschen met groote snelheid medegevoerd. Dit was eene omstandigheid, die het hun gemakkelijk maakte om aan de oppervlakte te blijven. Stephanus Bathory had [107]zijn bewustzijn verloren. Hij was als een machteloos lichaam in de handen van graaf Sandorf. Deze kampte voor twee, maar hij gevoelde dat hij weldra uitgeput geraakte. Bij de gevaren om tegen de een of andere vooruitstekende rotspunt, hetzij van de wanden, hetzij hangende van het verwulf te stooten, kwam nog een ander, dat veel grooter genoemd moest worden. Dat was van in een dier draaikolken te geraken, die veroorzaakt werden door de veelvuldige tegenstroomingen, welke daar gevormd worden, waar een wand plotseling afbrak of een vooruitstekend stuk de regelmatige strooming verstoorde. Twintig malen voelde Mathias zich met zijn makker in een van die vloeibare zuigers opgenomen, die hem door hunne ronddraaiende beweging evenals een maalstroom tot zich trokken. Zij werden dan door een rondgaande beweging vervoerd en eindelijk naar den buitenrand van de kolk geworpen, zoo als met een steen uit een slinger zou geschieden, en konden er niet uitkomen dan door een tegenstroom geholpen.

Zoo verliep onder die omstandigheden een half uur, waarin de dood hen iedere minuut, iedere seconde aangrijnsde. Mathias Sandorf, met eene bovenmenschelijke geestkracht begaafd, had nog geen oogenblik van zwakte ondervonden. Het was, alles goed beschouwd, gelukkig, dat zijn makker nagenoeg bewusteloos was. Als het gevoel van zelfbehoud wakker ware geweest, dan zou hij gesparteld hebben. Dan zou er gestreden moeten worden om hem te bedwingen, om hem tot onmacht te noodzaken. En dan zou graaf Sandorf waarschijnlijk genoodzaakt zijn geweest, om hem aan zijn lot over te laten, om niet beiden te verdrinken.

Die toestand kon evenwel niet lang blijven duren. De krachten van Mathias Sandorf begonnen merkbaar af te nemen. In sommige oogenblikken dook zijn hoofd onder, wanneer hij dat van Stephanus Bathory boven de watervlakte ophief. Dan was de ademhaling plotseling verbroken. Dan hijgde hij, dan hoestte, dan kuchte hij, dan werd hij benauwd; want dan had hij te doen met een begin van verstikking.

Hij moest zelfs verscheidene malen zijn makker loslaten, wiens hoofd dan dadelijk onder water dook, maar steeds slaagde hij er in hem weer te vatten en dat te midden van dien zwaren stroom, die door de gezwollen wateren nog sterker dan gewoonlijk was en met afgrijselijk geluid rondom hem loeide.

Graaf Sandorf voelde dan ook weldra, dat hij verloren was. Het lichaam van Stephanus Bathory ontsnapte hem eindelijk geheel … Wel trachtte hij het, als laatste uiting van zijn wilskracht, nog te grijpen; maar hij vond het niet meer en zelf werd hij onder den waterspiegel medegesleept.

Een hevige schok kneusde hem pijnlijk den schouder. Hij stak [108]instinctmatig de hand uit. Zijne vingeren grepen en omsloten een bundel wortels, die in het water hingen.

Die wortels behoorden tot een boomstronk, die door den bergstroom medegevoerd werd. Mathias Sandorf klemde zich stevig aan dat wrakstuk vast en kwam toen aan de oppervlakte der Foïba terug. Hij hield zich vast met de eene hand, maar zocht zijn makker met de andere.

Het gelukte hem een oogenblik later den arm van Stephanus Bathory te grijpen en werkte hem met veel inspanning op den boomstronk, waarna hij naast hem plaats nam. Beiden waren nu buiten dadelijk gevaar van te verdrinken, maar zij waren nu aan het lot van dat wrakstuk verbonden en aan de grillen van de stroomingen en versnellingen van den Buco overgeleverd.

Graaf Sandorf was gedurende een oogenblik buiten kennis geraakt. Zijn eerste zorg was, toen hij weer bijkwam, om maatregelen te nemen dat Stephanus Bathory niet van den boomstam kon glijden. Uit overmaat van voorzorg plaatste hij zich achter hem, zoodanig dat hij hem kon ondersteunen. Toen dat geschied was, keek hij rondom zich, om waar te nemen of niet eenig daglicht in de grot drong. Hij zou dan den toestand bij het verlaten van die spelonk kunnen overzien. Maar niets duidde aan, dat de uitgang van dat eindeloos kanaal nabij was.

Toch was de toestand der vluchtelingen eenigermate verbeterd. Die boomstronk was ongeveer tien voet lang en zijn wortels, die op de watervlakte rustten, moesten verhinderen dat hij zich onverwacht omkeerde. Wanneer zich geene geweldige schokken zouden voordoen, dan scheen zijne stabiliteit verzekerd, hoewel de watermassa met kracht als langs een hellend vlak schoot. Zijne snelheid kon dan ook gerekend worden op tien mijlen in het uur, en was gelijk aan die van den bergstroom, die hen meesleepte.

Mathias Sandorf had inmiddels zijne geheele koelbloedigheid teruggekregen. Hij poogde toen zijn makker, wiens hoofd op zijne knieën rustte, tot bewustzijn terug te brengen. Hij vergewiste zich dat zijn hart nog klopte, maar hij merkte daarbij op, dat hij ter nauwernood nog maar adem haalde. Hij bukte zich over hem heen, sloot zijne lippen op die van zijn vriend en blies zoo meerdere lucht in zijne longen. Misschien zou de eerste inwerking van de ondergane verstikking nog geen onherstelbare verwoestingen op de edele deelen aangericht hebben.

En inderdaad, Stephanus Bathory begon zich te bewegen. Diepere en langere ademhalingen verhieven zijne borstkas en openden zijne lippen. Eindelijk ontsnapten enkele woorden aan zijn mond.

„Mijne vrouw!.… Mijn zoon!.… Mathias!” [109]

Geheel zijn bestaan lag in die woorden opgesloten.

„Stephanus, hoort ge me?.… hoort ge me?” vroeg graaf Sandorf, die te midden van het geloei van den bergstroom, hetwelk de gewelven van den Buco vervulde, schreeuwen moest.

„Ja!.… Ja.…!”

„Stephanus!.… Stephanus!.… hoort ge mij?” herhaalde graaf Sandorf, die wellicht de twee woorden van zijn vriend niet verstaan had.

„Ja!.… Ja!.…” herhaalde deze. „Ik hoor u!.… Spreek!.… Mijne hand in de uwe!.…”

Nu had Mathias verstaan; want hij had zich voorovergebogen en zijn oor bij den mond van zijn vriend gebracht.

„Stephanus,” vervolgde hij, „wij zijn niet meer in onmiddellijk gevaar. Wij hebben een wrakstuk dat ons torscht.… Waarheen?… Dat kan ik niet zeggen. Maar dat stuk hout zal ons niet ontbreken!”

„Mathias.… en de vestingtoren?.…”

„Daar zijn wij reeds ver van daan! Men zal in de vesting gelooven, dat wij den dood in de wateren van deze kolk gevonden hebben en men zal er voorzeker niet aan denken om ons te achtervolgen! Waar die bergstroom ook zijne monding heeft, in zee of in eene rivier, zal hij ons toch eene uitkomst leveren en wij zullen dan levend aanlanden. Laat den moed dus niet zinken, Stephanus! Ik waak over je! Rust nog maar en herneem krachten, want die zult ge weldra noodig hebben. Binnen weinige uren zijn we gered!.…”

„Gered?.…”

„Ja gered!.… en vrij!”

„Gered en vrij?”

„Ja, voorzeker!”

„En Ladislas?”

Graaf Mathias Sandorf beantwoordde die vraag niet.

Wat zou hij er in Gods naam op hebben kunnen antwoorden?

Ladislas Zathmar had slechts tijd gehad om zijne makkers den alarmkreet, dien hij door het venster der cel geslaakt had, te doen hooren. Onmiddellijk daarop was hem de vlucht onmogelijk gemaakt. Hij was gegrepen geworden en werd van toen af streng bewaakt. Als zijne makkers voor hunnen persoon ook in de mogelijkheid daartoe geweest waren, zouden zij toch niets hebben kunnen uitrichten.

Stephanus Bathory had zijn hoofd achterover laten vallen. De physieke kracht ontbrak hem om de loomheid, die hem bevangen had, te overwinnen. Maar Mathias Sandorf waakte over hem en was op alles voorbereid, zelfs om het wrakhout te verlaten, wanneer [110]dat tegen een der hinderpalen, die te midden van de dikke duisternis, welke alom heerschte, niet te voorzien en niet te vermijden waren, mocht verbrijzeld worden.

Het kon ongeveer twee uur in den morgen zijn, toen de snelheid van den stroom en dus ook die van den boomstronk aanmerkelijk scheen te minderen. Ongetwijfeld werd dat onderaardsche kanaal gaandeweg breeder, waardoor de wateren een meer vrijen doortocht tusschen die rotswanden vonden. Hun gang was dan ook meer regelmatig. Men mocht daaruit wellicht de gevolgtrekking maken, dat het uiteinde van dat onderaardsche hol niet ver meer verwijderd kon zijn.

Maar weken de wanden terzijde uit, dan toonde het gewelf ter zelfder tijd eene neiging om te dalen. Wanneer graaf Mathias Sandorf de hand ophief, dan raakte die de onregelmatige krijtlagen en leisteenen, die boven zijn hoofd welfden. Soms hoorde hij een gedruisch als van eene wrijving … dat was de een of andere worteltak van den boom, die, loodrecht omhoog staande, met het uiteinde het gewelf aanraakte. Dan ontstonden hevige schokken, die aan den stam medegedeeld werden, waardoor deze schommelde en zwaaide en waardoor hij telkens van richting veranderde. Nu eens lag hij dwars in den stroom, dan weer draaide hij om zijn lengte-as, dan weer om zijne breedte-as, zoodat de vrees om er afgesleurd te worden niet ongegrond was.

Toen dat gevaar, hetwelk zich herhaaldelijk voorgedaan had, voorbij was, bleef er een ander over, waarvan graaf Sandorf alle de gevolgen koelbloedig berekende. Dat was de waarschijnlijkheid, dat het gewelf der grot van den Buco bleef dalen. De drenkeling had reeds de aanraking met dat rotsgewelf niet anders kunnen ontwijken, dan door zich plotseling achterover uit te strekken, wanneer zijne hand eene uitstekende rots ontmoette. Zou men dus weer in den stroom moeten dompelen? Wat hem betrof, dat zou nog gaan, maar zou hij er in slagen om ook zijn makker boven water of hem zelfs onder de wateroppervlakte bij zich te houden? En als dat onderaardsche kanaal zonder bovenruimte zich over een langen afstand uitstrekte? Zou er dan mogelijkheid bestaan er levend uit te komen? Neen!… neen!… dat zou onherroepelijk het einde zijn, na zooveel doodstrijd reeds doorworsteld te hebben.

Hoe geestkrachtvol Mathias Sandorf ook was, hij voelde de doodsangst hem de keel dichtsnoeren. Hij begreep dat het kritiekste oogenblik, het uiteinde naderde. De wortels van den boomstam wreven krachtiger tegen de rotssteenen van het gewelf en soms werd hij met het vooreinde zoodanig onder water geduwd, dat zijne geheele oppervlakte overstroomd werd. [111]

„Toch kan de uitgang van die spelonk thans niet ver meer zijn!” mompelde graaf Sandorf in zich zelf.

En dan trachtte hij uit te kijken, of geene lichtstraal daar voor hem uit de dikke duisternis doorbrak. De nacht zou nu wel reeds zoo ver gevorderd zijn, dat de duisternis daarbuiten zoo sterk niet meer was. Misschien verlichtten de bliksemstralen nog het ruim daarbuiten den Buco. In dat geval zou wel een weinig licht in dit kanaal kunnen indringen, dat de afgevoerd wordende wateren der Foïba niet meer scheen te kunnen bevatten.

Maar niets! Steeds niets!

Steeds volkomen duisternis.

Steeds het geloei van den bergstroom, welks schuim nog altijd zwart bleef.

Plotseling werd een vreeselijke schok ondervonden. De boomstronk had met zijn vooreinde tegen een grooten steen, die van het gewelf afhing, gestooten. Onder dien stoot keerde de boom geheel en al om, maar graaf Sandorf liet hem niet los. Met de eene hand klemde hij zich wanhopig aan de wortels vast, met de andere hand had hij zijn makker gegrepen juist op het oogenblik, dat deze op het punt was om medegesleept te worden. Daarna liet hij zich in het water glijden, dat thans tegen het gewelf brak.

Zoo ging eene minuut voorbij. Mathias Sandorf had een gevoel alsof hij verloren was. Instinctmatig weerhield hij zijn adem, om het weinigje lucht, dat in zijne longen nog besloten was, zooveel mogelijk te sparen.

Plotseling ondervond hij te midden van de watermassa, hoewel hij de oogen gesloten hield, een gevoel, alsof een schel licht op zijne oogleden inwerkte. Een bliksemstraal had geschitterd en werd onmiddellijk daarop gevolgd door het geratel van den donder.

Eindelijk!.… daar was licht!

De Foïba had inderdaad dat sombere onderaardsche kanaal verlaten en stroomde thans onder den blooten hemel. Maar naar welk punt der kust stroomde zij? In welke zee zou hare monding uitkomen?

Dat was steeds het onoplosbare vraagstuk.

En toch was ’t het vraagstuk van leven en dood.

De boomstam was ook op de wateroppervlakte teruggekomen. Stephanus Bathory werd steeds stevig vastgehouden door Mathias Sandorf, die er eindelijk door eene buitengewone krachtsinspanning in slaagde om hem weer op het wrakstuk uit te strekken en achter hem plaats te nemen.

Daarna keek hij vooruit, rondom zich, boven zich.

Achter hem begon eene zwarte massa in de nevelen te verdwijnen, alsof zij uitgewischt werd. Dat was de kolossale rotsklomp, die den [112]Buco vormt en waardoor het onderaardsche hol liep, hetwelk doorgang aan de wateren der Foïba verleende. De dag werd reeds door een zwak licht aangekondigd, dat in het zenith waargenomen werd, en nog ijl was als die sterren-nevelvlekken, welke het oog ter nauwernood gedurende de helderste winternachten kan bespeuren. Van tijd tot tijd werden de achtergelegen vakken van den gezichteinder door bliksemstralen verlicht, terwijl de donder statig maar dof rolde. Het onweer verwijderde zich of was uitgeraasd, nadat het al de electrische stof, in het ruim voorhanden, verbruikt had.

Mathias Sandorf liet zijne blikken niet zonder angst rechts en links rondwaren. Hij kon toen bemerken, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen steile rotswanden voortstroomde.

Het was dus eene stroomversnelling, die de vluchtelingen te midden van stroomingen, tegenstroomingen en kolken medevoerde. Maar het uitspansel, het oneindige strekte zich boven hun hoofd uit en niet meer dat lage gewelf, hetwelk hen ieder oogenblik dreigde den schedel te verbrijzelen. Er was evenwel geen oever, geen strand, waarop zij vasten voet zouden kunnen verkrijgen, zelfs geen talud, geene helling, waarop zij aan land hadden kunnen gaan. De Foïba was als het ware tusschen twee steile muren ingekist. Het was een smal kanaal met loodrechte wanden, die door de wateren glad geschuurd waren.

De laatste indompeling had tot gevolg gehad, om Stephanus Bathory tot bewustzijn te doen terugkeeren. Zijne hand had die van Mathias Sandorf gezocht en natuurlijk gevonden.

Deze boog zich over zijn vriend en sprak hem toe:

„Gered!”

Maar.… had hij wel het recht dat woord uit te spreken?

Gered?.… Hij wist niet eens waarheen die bergstroom hen voerde!

Gered?.… Hij wist niet eens door welke landstreek zij dreven!

Gered?.… Hij kon niet weten, wanneer hij dat wrakhout zou kunnen verlaten!

En toch, de graaf was zoodanig door geestkracht bezield, dat hij, terwijl hij zich overeind op den boomstronk oprichtte, drie malen met krachtige stem dat woord herhaalde:

„Gered! Gered! Gered!” [113]

Hij kon toen ontwaren, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen de steile rotswanden voortstroomde. (Bladz. 112.)

Hij kon toen ontwaren, dat de rivier steeds met groote snelheid tusschen de steile rotswanden voortstroomde. (Bladz. 112.)

[112]

Ja, die woorden klonken luid. Maar om het even, wie zou ze hier hooren? Niemand was op de naakte rotsen te ontdekken, waarop zelfs ietwat humus, ietwat teelaarde ontbrak, en waarop slechts rotssteenen, keien en leisteenen aangetroffen werden, waar zelfs niet zooveel grond aanwezig was, om eenige struikjes te voeden. De landstreek, die zich achter die hooge oevernokken uitstrekte, kon geen enkel menschelijk wezen lokken. Het was eene rampzalige [114]streek, waardoor de Foïba stroomde, die ingekerkerd was, zooals slechts een afwateringskanaal tusschen zijne granietmuren kan zijn. Geen enkel beekje kwam onderweg den stroom voeden. Geen vogel schoor over de watervlakte, zelfs geen enkele visch waagde zich in die te snelvlietende wateren. Hier en daar staken boven de oppervlakte groote rotsen uit, welker volkomen droge brokken genoegzaam aanduidden, dat het heerschende geweld van dien waterstroom slechts aan eene kortstondige rijzing te danken was, welke door de laatstgevallen regens veroorzaakt werd.

In gewone tijden kon de bedding der Foïba niets meer dan een diep ingesneden ravijn zijn.

Het was daarenboven niet te vreezen, dat de boomstronk op de rotstoppen geworpen werd. Hij vermeed ze uit zichzelven, door den stroomdraad te volgen, die er omheen voerde. Het zou ook onmogelijk geweest zijn het vervoermiddel der vluchtelingen uit dien stroomdraad te brengen, ook om zijne snelheid te remmen, om bijvoorbeeld eenig punt des oevers aan te doen, voor het geval dat de mogelijkheid bestond om aan wal te gaan.

Zoo ging in die omstandigheden nog een uur voorbij, zonder dat men zich om een onmiddellijk gevaar had te bekommeren. De laatste bliksemschichten waren van den hemel verdwenen. In de verte werd van het onweder niets anders vernomen, dan een dof gerommel, dat door de hoogere wolken, die boven aan het uitspansel lange vederachtige strepen vormden, afgestompt werd.

Het daagde reeds bij de kim en een wit licht bleekte het donkere azuur van de lucht, die door de nachtelijke buien geheel gezuiverd was.

Stephanus Bathory zat half overeind en rustte in de armen van graaf Sandorf, die voor hem waakte.

In dit oogenblik werd eene verwijderde losbranding in zuidwestelijke richting vernomen.

„Wat kan dat zijn?” vroeg Mathias Sandorf zich af. „Is het een kanonschot, dat de dageraad en de opening van de een of andere haven aankondigt?”

In dat geval zouden zij niet ver van de kust verwijderd zijn. Dat moest hij erkennen.

Welke haven kon dat wezen? Triëst?

Neen! want daar is het oosten, daar aan dien kant, waar de zon op het punt is te verschijnen.

Zou het Pola zijn, de haven, die op het zuidelijke uiteinde van Istrië gelegen is?

Maar … dan is …

Een tweede losbarsting weerklonk en werd dadelijk daarop door eene derde gevolgd. [115]

„Drie kanonschoten?” vroeg graaf Sandorf zich zelven af. „Zou dat het sein niet eerder zijn van een embargo voor de schepen, die uit zeilen willen?”

En na eenig nadenken, mompelde hij:

„Zou dat in verband staan met onze ontvluchting?”

Dat was inderdaad te vreezen.

De autoriteiten hadden voorzeker geen enkele voorzorg verwaarloosd om de vluchtelingen het verdere ontsnappen te beletten, wanneer het hun gelukken mocht een vaartuig te bereiken.

Dat God ons thans te hulp kome!” mompelde graaf Sandorf. „Hij alleen kan ons helpen!”

De hooge rotswanden, die de Foïba omgaven, begonnen langzamerhand lager te worden, terwijl zij zich verder van elkander verwijderden. Toch was er nog niets van het omliggende land te verkennen. Plotselinge buigingen, scherpe hoeken maskeerden den horizon en begrensden den gezichtskring tot eenige honderden voeten. Onder die omstandigheden was het oriënteeren totaal onmogelijk.

Het bed der rivier, dat thans zeer verbreed was, bleef steeds stil en eenzaam en veroorloofde de wateren met minder snelheid voort te stuwen. Eenige boomstammen, die bovenstrooms ontworteld waren, volgden den stroomdraad statig en bijna langzaam. Die Juni-ochtend was vrij frisch. De vluchtelingen klappertandden en bibberden onder hunne doornatte kleeding. Het werd hoog tijd dat zij eene schuilplaats vonden, waar de zon hunne vodden kon drogen.

Tegen vijf uur werden de laatste uitloopers van het gebergte vervangen door lage oevers, die zich in eene effen en kale landstreek ontwikkelden. De Foïba liep toen langs eene bedding, die zeker eene halve mijl breed was en ging weldra in eene groote uitgestrektheid water over, die den naam van meer of ten minste van meertje verdiend zou nebben. Geheel aan het uiteinde in het westen werden eenige visschersvaartuigen ontwaard, sommige nog voor anker liggende, andere bezig met zeil te zetten om van de lichte morgenbries gebruik te maken; zij schenen er op te wijzen dat dit meertje een havenkom was, die breed uitgesneden in de kust voorkwam.

De zee kon dus niet ver meer af zijn, het was dus onze vluchtelingen als aangewezen om haar op te zoeken. Het zou evenwel niet voorzichtig genoemd kunnen worden eene schuilplaats aan die visschers te gaan verzoeken. Zich aan hun toevertrouwen, zou, voor het geval zij van de ontvluchting kennis droegen, groot gevaar opleveren, om aan de Oostenrijksche maréchaussées, die toch de landstreek doorzoeken moesten, uitgeleverd te worden.

Graaf Mathias Sandorf wist waarachtig niet waartoe te besluiten, toen de boomstronk tegen een anderen stiet, die ternauwernood [116]met de wateroppervlakte gelijk bij den linkeroever van het meertje in de modder vastgeklonken lag en bewegingloos bleef liggen, alsof hij voor anker gekomen was. Zijne wortels verwarden zich zoo stevig in een boschje struikgewas, dat zij daarin vast bleven zitten en de boomstronk langs den oever gleed als eene sloep, die het touw, waarmede zij vastgelegd is, strak loopt.

Graaf Sandorf stapte op den oever over, evenwel niet zonder eenige voorzorgsmaatregelen genomen te hebben. Hij verzekerde zich, dat niemand hem kon bespeuren.

Zoo ver zijn blik ook droeg, zag hij geen enkel menschelijk wezen, visscher of iemand anders op of langs dit gedeelte van het meertje.

En toch lag er een man op het zand op minder dan tweehonderd passen uitgestrekt, die vandaar de beide vluchtelingen zeer goed kon waarnemen.

Toen graaf Sandorf vermeende, dat hij veilig was, stapte hij weer op den boomstronk, tilde zijn makker in zijne armen op en lei hem zacht op den oever neer, steeds zonder iets te weten van de streek, waarin hij zich bevond, noch van de richting die men zou moeten inslaan.

De uitgestrektheid water, die de Foïba tot monding strekte, was noch een meertje, noch een meer, maar een haft. Men noemt haar daar ter plaatse het kanaal van Léma. Het heeft gemeenschap met de Adriatische zee door eene smalle insnijding, welke tusschen Orsera en Rovigno op de westkust van het Istrische schiereiland gelegen was. Maar men wist toen niet dat het de wateren der Foïba waren, die, na de spelonk van den Buco doorstroomd te hebben, dat haft kwamen voeden.

Op weinige passen van den oever stond eene jagershut. Graaf Sandorf en Stephanus Bathory traden er in, om eenige rust te genieten en om hunne krachten te herstellen. Daar ontdeden zij zich van hunne kleederen, die in de stralen van de warme Juni-zon spoedig zouden gedroogd zijn. Daarna wachtten zij.

De visschersvaartuigen hadden het kanaal van Léma verlaten en, zoover het oog peilen kon, was de kust eenzaam en stil.

In dit oogenblik stond de man, die dat schouwspel gadegeslagen had, op, naderde de hut, alsof hij er de ligging goed van wilde opnemen; daarna verdween hij in zuidelijke richting, terwijl hij een ietwat verheven kusthoek omsloeg.

Drie uren later hadden graaf Sandorf en zijn makker hunne kleederen weer kunnen aantrekken, die evenwel nog vochtig waren. Maar het werd tijd om te vertrekken.

„Wij kunnen niet langer in die hut blijven,” zei Stephanus Bathory.

„Voelt ge u sterk genoeg om de reis te aanvaarden?” vroeg Mathias Sandorf. [117]

„Ik ben flauw en uitgeput door den honger.”

„Laten wij de kuststrook volgen. Wellicht dat wij er in slagen ons eenig voedsel te verschaffen, ook om ons in te schepen! Kom, Stephanus!”

Beiden verlieten de hut, maar gevoelden zich klaarblijkelijk meer verzwakt door de ontbering dan door de vermoeienis.

Het plan van graaf Sandorf was, om den zuidelijken oever van het kanaal van Léma te volgen, teneinde de zeekust te bereiken.

Maar was ook al de landstreek eenzaam en verlaten, zoo krioelde zij toch van beken, die allen naar het haft stroomden. Onder den invloed van dat vochtige net, was dit gedeelte van den oever slechts een vast moeras, waarvan de papachtige bodem geen enkel steunpunt aanbood. Men moest dat dus omtrekken door zuidwaarts af te houden. Die richting was gemakkelijk waar te nemen bij de klimmende baan der zon. De vluchtelingen schreden zoo gedurende twee uren voort, zonder een enkel menschelijk wezen te ontmoeten, maar ook zonder den honger, die hen teisterde, te kunnen stillen.

Later werd het land langzamerhand minder schraal. Een weg vertoonde zich, die van het oosten naar het westen liep. De vluchtelingen bespeurden een mijlsteen, die niets omtrent de landstreek, waarin zich graaf Sandorf en Stephanus Bathory blindelings waagden, te kennen gaf. Evenwel eenige moerbeziënheggen en verder een sorgho-veld veroorloofde hen zoo niet hunnen honger te stillen, dan toch de behoefte van hun maag bedriegelijk tevreden te stellen. De rauwe sorgho, die zoo maar uit de vuist verorberd werd, de frissche moerbeien waren evenwel voldoende om te beletten van honger neer te vallen, vóórdat zij de kust bereikt hadden.

Maar nu die landstreek meer bewoonbaar werd, nu eenige akkers bewezen dat een menschenhand aan het werk geweest was, nu moest men ook verwachten bewoners te ontmoeten.

Dat gebeurde inderdaad zoo tegen het middaguur.

Vijf of zes voetgangers verschenen op den weg. Voorzichtigheidshalve wilde graaf Mathias Sandorf zich niet laten bemerken. Gelukkig ontwaarde hij eene heining om den bouwval van eene pachthoeve, die op ongeveer vijftig passen ter linkerzij van den weg gelegen was. Daar vonden hij en zijn makker, nog vóórdat zij ontdekt waren, eene schuilplaats in een donker vertrek. Er bestond veel kans, dat zij niet ontdekt werden wanneer de een of andere voorbijganger bij die pachthoeve stil hield, en zij konden er desnoods, tot de nacht ingevallen was, blijven.

Die voetgangers waren boeren en zoutvervaardigers. De meesten hunner dreven troepen ganzen naar de markt van eene stad of van een dorp, dat niet ver verwijderd van het kanaal van Léma lag. [118]Mannen en vrouwen waren volgens de Istrische mode gekleed met de juweelen, medailles, oorbellen, borstkruizen, horlogekettingen met aanhangselen, die de kleederdrachten der beide geslachten versierden. Wat de zoutvervaardigers betrof, zij waren eenvoudig gekleed; zij droegen een randsel op den rug, een knuppel in de hand, en begaven zich naar de naburige zoutpannen, wellicht naar de meer belangrijke te Stagnon of te Pirano, in het westen van de provincie gelegen.

Sommigen stonden, bij de pachthoeve aangekomen, een oogenblik stil, anderen zetten zich op den drempel neder en praatten niet zonder levendigheid met elkander, evenwel slechts over zaken, die op hunnen handel betrekking hadden.

De beide vluchtelingen, in hun hoek verscholen, luisterden.

Misschien droegen die lieden reeds kennis van hunne ontvluchting en zouden zij er over praten.

Misschien zouden zij zich ook woorden laten ontvallen, waaruit graaf Sandorf kon opmaken in welke landstreek van Istrië zijn makker en hij zich bevonden.

Geen enkel woord evenwel werd over dat onderwerp gewisseld en men moest zich dus steeds met gissingen tevreden stellen.

„Daar de lieden over onze ontvluchting niet spreken,” zei graaf Sandorf, „valt daaruit op te maken, dat zij nog niet ter hunner kennis gekomen is.”

„Dat zou als bewijs kunnen opgenomen worden, dat wij reeds ver van de vesting verwijderd zijn.”

„Ja, zeker!”

„Rekent men de snelheid van den bergstroom, die ons door zijn onderaardsche gang gedurende zes volle uren meesleurde, dan kunnen wij er niet verbaasd over zijn.”

„Neen zeker niet!” antwoordde graaf Sandorf.

„En het moet zoo zijn,” sprak Bathory.

Evenwel twee uren later hoorden zij eenige zoutvervaardigers, die de pachthoeve voorbij stapten, zonder zich op te houden, praten over eene brigade maréchaussées, die zij bij de poort van de stad ontmoet hadden.

Welke stad?.…

Die werd niet genoemd.

Dat bericht was volstrekt niet geschikt, om onze vluchtelingen gerust te stellen.

Wanneer maréchaussées de streek doorkruisten, dan was dat waarschijnlijk met het doel om hen op te sporen.

„En toch,” zei Stephanus Bathory, „naar de omstandigheden, waaronder wij ontsnapt zijn, moet men meenen dat wij dood zijn en van eene opsporing afzien.…” [119]

„Men zal slechts aan onzen dood gelooven, wanneer men onze lijken gevonden zal hebben,” antwoordde Mathias Sandorf.

Hoe het ook zij, dat was buiten kijf, dat de politie op de been was en de vluchtelingen zocht. Zij besloten dan ook om in de pachthoeve verscholen te blijven, totdat de nacht ingevallen zou zijn. De honger kwelde hen; maar zij durfden hunne schuilplaats niet verlaten en daar deden zij goed aan.

Dien avond tegen vijf uren, naderde inderdaad een kleine ruiterbende. Men kon den hoefslag op den weg hooren weerklinken.

Graaf Sandorf, die, over den grond kruipende, de deur van de omheining genaderd was, keerde haastig naar zijn makker weder en trok hem met zich voort tot in den donkersten hoek van het vertrek.

Daar schuilden beiden onder een hoop struiken weg en hielden zich zoo onbewegelijk mogelijk.

Een zestal maréchaussées, aangevoerd door een brigadier, reden langs den weg en richtten zich oostwaarts. „Zouden zij bij de pachthoeve stil houden?” vroeg graaf Sandorf zich niet zonder angst af. Wanneer de maréchaussées dien bouwval doorzochten, dan kon het niet missen, of zij moesten de verscholenen ontdekken.

Zij hielden bij die plaats stil. De brigadier commandeerde halt. Twee maréchaussées en hij stegen van het paard, terwijl de anderen in het zadel bleven.

Deze kregen bevel om de streek in de nabijheid van het kanaal van Léma te doorzoeken en daarna op de pachthoeve terug te trekken, waar men hen tot des avonds zeven uren wachten zou.

De vier maréchaussées verwijderden zich en reden den weg op. De brigadier en de twee anderen bonden hunne paarden aan de spijlen van een half vergane omheining vast, die de pachthoeve omgaf. Daarna gingen zij buiten het gebouw zitten en begonnen te praten. De vluchtelingen konden van uit het vertrek, waar zij verscholen waren, alles hooren.

„Ja, hedenavond moeten wij naar de stad terugkeeren,” antwoordde de brigadier op eene vraag, die door een zijner maréchaussées gedaan was. „Daar zullen wij instructies voor den nachtdienst erlangen. De telegraaf zal waarschijnlijk wel nieuws van Triëst aangebracht hebben.”

De besproken stad was dus Triëst niet. Dat was eene bijzonderheid, die graaf Sandorf niet ontging.

„Is het niet te vreezen, dat de vluchtelingen, terwijl wij hen hier zoeken, het kanaal van Quernaro bereikt hebben?” vroeg een der maréchaussées.

„Dat’s zeer goed mogelijk,” antwoordde de andere.

„Waarom?” vroeg de brigadier. [120]

„Omdat zij daar beter in veiligheid zijn dan hier.”

„Als zij daarheen getrokken zijn, loopen zij hetzelfde gevaar om ontdekt te worden als hier.”

„Meent ge, brigadier?”

„Voorzeker; want de geheele kust van het eene einde van de provincie tot het andere wordt bewaakt.”

Een tweede bijzonderheid, die niet vergeten mocht worden. Graaf Sandorf en zijn makker bevonden zich dus wel degelijk op de westkust van Istrië, dat wil zeggen bij den oever van de Adriatische zee en niet op den oever van het tegenovergelegen kanaal, dat tot Fiuma en waarschijnlijk verder reikt.

„Ik denk dat men ook wel nasporingen in de zoutpannen van Pirano en van Capo d’Istria zal verrichten,” hernam de brigadier. „Men kan zich daar gemakkelijker schuil houden, en een vaartuig bemachtigen om de Adriatische zee over te steken.”

„Ho, ho! brigadier!” riep een der maréchaussées uit.

„Rimini of Venetië zijn niet ver.”

„Zij hadden beter gedaan, stil den dood in hunne cel af te wachten,” antwoordde de andere maréchaussée wijsgeerig.

„Ja”, meende de andere, „vroeg of laat zal men hen toch wel snappen, als men hunne lijken niet uit den Buco opvischt! Dan was het uit. En dan hadden wij bij die hitte het land niet af te loopen, wat geen baantje is.”

„En wie zegt je dat het niet uit is?” hernam de brigadier. „De Foïba heeft zich waarschijnlijk belast met de terechtstelling, en de veroordeelden konden geen slechteren weg dan dien kiezen om uit den vestingtoren van de citatel van Pisino te geraken, dan toen de wateren zoo gezwollen waren!”

De Foïba, dat was dus de naam der rivier, die graaf Sandorf en zijn lotgenoot meêgesleurd had.

De citadel van Pisino, dat was de vesting waarin zij, na hunne gevangenneming, gekerkerd, verhoord en veroordeeld waren!

Daar was het, dat zij zouden zijn doodgeschoten.

Het was uit den vestingtoren van die citadel, dat zij ontsnapt waren!

Graaf Sandorf kende de stad Pisino goed. Hij was dus omtrent dit voor hen zoo belangrijke punt ingelicht en het zou alzoo aan het toeval overgelaten moeten worden, hoe en waarheen zij het Istrische schiereiland doortrekken zouden, wanneer namelijk de vlucht nog mogelijk geoordeeld werd.

Het gesprek der maréchaussées ging niet verder; maar door die weinige woorden hadden de vluchtelingen alles vernomen wat belangrijk voor hen was te weten. Alleen hadden zij nog niet [122]vernomen, welke stad het meest nabij het kanaal van Léma op de kust van de Adriatische zee gelegen was. [121]

Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen waren. (Bladz. 123.)

Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen waren. (Bladz. 123.)

[122]

De brigadier was intusschen opgestaan. Hij stapte langs de omheining van de pachthoeve op en neer en keek of de uitgezonden manschappen nog niet terugkwamen. Hij trad twee of drie malen in de bouwvallige woning en bezocht er al de kamers van, eer uit gewoonte aan zijn vak eigen, dan uit achterdocht. Hij kwam zelfs tot bij de deur van het vertrek, waarin de vluchtelingen zaten, en zij zouden zeker ontdekt zijn, wanneer er geen dikke duisternis geheerscht had. De brigadier trad zelfs binnen en raakte met het benedeneinde van zijn sabelschede lichtelijk den hoop struiken aan, waaronder zij verscholen waren. In dit oogenblik ondervonden graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory eene afwisselende reeks van angstige gevoelens, die onmogelijk te beschrijven zijn.

Zij waren evenwel vast besloten om hun leven zoo nadrukkelijk mogelijk te verdedigen, wanneer zij zouden ontdekt worden. O, in dat geval zouden zij voor niets terugdeinzen. Zij zouden zich dan op den brigadier werpen, zij zouden dan van zijne verrassing en schrik gebruik maken om hem zijne wapens te ontrukken, zij zouden hem en zijne manschappen aanvallen, hen dooden of zelf vallen. Dat alles dwarrelde door hun brein.

De brigadier werd evenwel een oogenblik later naar buiten geroepen, zoodat hij het vertrek verliet, zonder er iets verdachts bespeurd te hebben. De vier maréchaussées, die op verkenning uitgezonden werden, waren op de pachthoeve teruggekeerd. In weerwil van hunnen ijver, hadden zij van de vluchtelingen geen spoor ontdekt in die geheele streek, besloten tusschen de kust en het kanaal van Léma. Zij kwamen evenwel niet alleen terug. Een man vergezelde hen.

Dat was een Spanjool, die dagelijks in de zoutpannen in den omtrek arbeidde. Hij was op weg om naar de stad terug te keeren, toen de maréchaussées hem ontmoet hadden. Daar hij hen vertelde dat hij de landstreek tusschen de stad en de zoutpannen doorgetrokken was, besloten zij hem bij hunnen brigadier te brengen, opdat deze hem zou kunnen ondervragen.

Die man weigerde volstrekt niet om hen te volgen.

Toen hij in de tegenwoordigheid van den brigadier gekomen was, vroeg deze hem of hij of andere zoutmakers de aanwezigheid van twee vreemde personen opgemerkt hadden.

„Neen, brigadier,” antwoordde de man, „maar heden ochtend, een uur nadat ik de stad verlaten had, heb ik twee mannen waargenomen, die bij de punt van het kanaal van Léma aan wal kwamen.

„Twee mannen, zegt ge?” vroeg de brigadier. [123]

„Ja; maar daar men in den omtrek meende dat de terechtstelling hedenochtend in de vesting van Pisino had plaats gehad en daar men van de ontsnapping nog niets wist, heb ik geene aandacht aan die mannen gewijd. Nu ik weet wat er van aan is, zou het mij niet verwonderen, wanneer dat de vluchtelingen waren.”

Graaf Sandorf en Stephanus, steeds in hun donker vertrek verscholen, hoorden woord voor woord dat gesprek, hetwelk zoo belangrijk voor hen was. Dus op het oogenblik, dat zij op den oever van het kanaal Léma voet aan wal zetten, waren zij bespeurd geworden.

„Hoe heet ge?” vroeg de brigadier.

„Ik?”

„Ja, gij.”

„Wat hebt ge met mijn naam te maken? Ik ben niet ontvlucht.”

„Om het even. Ik moet dien weten.”

„Welnu, ik heet Carpena.”

„En uw beroep?”

„Mijn beroep?” vroeg Carpena aarzelend.

„Ja, uw beroep. Kom, maak voort.”

„Ik ben arbeider in de zoutpannen van dit land.”

„Uw geboorteland?”

„Wat hebt ge daar toch mee te maken?”

„Antwoord slechts, het waarom gaat u niet aan.”

„Welnu, ik ben Spanjaard.”

„Waar geboren?”

„Te Catana, eene plaats aan de Middellandsche Zee.”

De brigadier, die schrijfgereedschap voor den dag gehaald had, teekende dat alles op.

„Zoudt gij die mannen herkennen?” ging hij voort met vragen.

„Welke mannen?”

„Houd je nu niet dom. Die mannen, die ge hedenochtend op den oever van het kanaal van Léma gezien hebt?”

„Herkennen?.… Dat is maar zoo wat.”

„Herinner je goed.”

„Ik heb hen zoo niet gadegeslagen.”

„Kom, met wat goeden wil.”

„Nu, ik meen ja.”

„Ja, wat?”

„Dat ik ze herkennen zou.”

„Welnu, dan moet ge naar de stad gaan en daar uwe verklaring bij de politie afleggen en u ter harer beschikking stellen.

„Maar.…”

„Doe wat ik je beveel.”

„Ik zal het doen.” [124]

„Weet ge dat er vijfduizend gulden belooning uitgeloofd zijn …”

„Vijfduizend guldens,” vroeg Carpena verbaasd.

„Ja, vijfduizend gulden, voor hem die de vluchtelingen opspoort”.

„Het is een mooie som,” sprak de Spanjaard met hebzuchtige stem.

„En de galeien voor hem, die hen eene schuilplaats verleent.”

„Drommels, dat is geen gekheid.”

„Neen, zeker niet.”

„Het is goed dat ik het weet.”

„Ga nu,” zei de brigadier.

„Maar die vijfduizend guldens.…”

„Kom, geen praatjes,” zei de vertegenwoordiger der openbare macht, „ga nu dadelijk naar de stad.”

De mededeeling door den Spanjaard gedaan, had tot dadelijk gevolg dat de maréchaussées zich verwijderden.

De brigadier gelastte zijne manschappen om op te stijgen. Daarna vertrok hij, in weerwil dat de nacht reeds ingevallen was, om de boorden van het kanaal van Léma meer nauwgezet te gaan doorzoeken.

Wat Carpena betrof, deze ging dadelijk den weg naar de stad op, terwijl hij in zichzelven mompelde, dat met een beetje geluk, de gevangenneming van de vluchtelingen hem een aardige som geld kon opbrengen, die wel op den inboedel van graaf Sandorf gevonden zou worden.

Mathias Sandorf en Stephanus Bathory bleven evenwel nog een geruimen tijd verscholen en verlieten het donkere vertrek niet, dat hun tot schuilplaats gestrekt had.

Zij dachten na. En daarvoor bestonden waarlijk alle redenen. De maréchaussées zaten hen achterna, zij waren gezien geworden en konden herkend worden. De Istrische provinciën boden hun dus geene veiligheid aan. Zij moesten derhalve dit land binnen den kortst mogelijken tijd verlaten, hetzij door de Adriatische zee over te steken om zich naar Italië te begeven, hetzij door Dalmatië en de militaire grenzen door te trekken, om zoo buiten de landpalen van Oostenrijk te geraken.

Het eerste plan bood veel meer kansen van welslagen aan, wanneer namelijk de vluchtelingen zich van een vaartuig konden meester maken, of dat zij den een of anderen visscher konden overreden om hen naar de Italiaansche kust over te zetten.

Dat plan werd dan ook aangenomen en tot die poging besloten.

Om dat ten uitvoer te brengen, richtten graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory zich, nadat zij tegen half acht ongeveer, toen de duisternis dik genoeg was, den bouwval van de pachthoeve verlaten hadden, westwaarts, met het doel om de kust van de [125]Adriatische zee te bereiken. Zij waren reeds dadelijk verplicht om den weg te volgen, ten einde niet in de moerassen van de Léma te geraken.

Wanneer zij evenwel die hun onbekende baan volgden, zouden zij dan niet in de stad terecht komen, die natuurlijk in verbinding stond met het binnenland van Istrië?

Gingen zij daardoor niet het grootste gevaar tegemoet?

Zeker, was het dat. Maar hoe konden zij anders handelen?

Het was omstreeks negen uur, toen de zwarte omtrekken eener stad zich ongeveer op een kwartmijl afstand in het donker voordeden. Het zou moeilijk geweest zijn dat niet te ontwaren.

Het was eene opeenhooping van huizen, die zich lomp verhieven op eene rotsmassa, die de zee beheerschte als ook een havenkom, die diep in de kust ingesneden was. Het geheel werd beheerscht door een soort vlot, dat zich, in somberen stijl gebouwd, vertoonde en waaraan de duisternis onmogelijke afmetingen verleende.

Mathias Sandorf was vast besloten om die stad niet binnen te treden, waar de aankomst van beide vreemdelingen dadelijk bekend zoude worden.

Het kwam er dus op aan om haar om te trekken, om zoo mogelijk een der kustpunten te bereiken.

Maar dat kon niet uitgevoerd worden, zonder dat de beide vluchtelingen buiten hun medeweten gevolgd werden door dienzelfden man, die hen reeds op den oever van het kanaal van Léma bespied had, toen zij voet aan wal zetten. Dat was dezelfde Carpena, wiens verklaring aan den brigadier van de maréchaussées zij hadden hooren afleggen. Inderdaad had de Spanjaard, verlekkerd door de uitgeloofde premie, zich ter zijde opgesteld, toen hij naar huis wilde terugkeeren, om zoo den weg beter waar te nemen. Het toeval was hem gunstig, voor de arme vluchtelingen echter ongunstig geweest; want het lot had hem op het spoor der rampzaligen gebracht.

In hetzelfde oogenblik bijna dreigde een bende politie-agenten, die door een der stadspoorten naar buiten stapten, de vluchtelingen den weg af te snijden. Zij hadden ternauwernood den tijd om zich ter zijde te werpen. Daarna richtten zij zich ijlings naar het strand, daarbij den buitenmuur der buitenhaven volgende.

Daar stond eene bescheiden visschershut met hare kleine vensters, waardoor het licht scheen. De deur stond op een kier open.

Wanneer Mathias Sandorf en Stephanus Bathory daar geene schuilplaats vonden, wanneer men weigerde hen op te nemen, dan waren zij reddeloos verloren.

Daarin eene toevlucht zoeken, was waarlijk alles op één worp wagen! [126]

Maar konden zij, mochten zij in de omstandigheden, waarin zij zich bevonden, aarzelen?

Graaf Sandorf en zijn lotgenoot liepen naar de deur toe en bleven op den drempel stil staan.

In het binnenvertrek hield een man zich onledig bij het scherpe licht eener lantaarn, met het herstellen van netten. Hij scheen bij zijn werk te mijmeren; want hij schrikte als het ware op toen eene stem zich liet hooren:

„Vriend.…” sprak graaf Sandorf.

„Wat.… wat is er?”

„Vriend, hoe heet deze stad?”

„Deze stad?”

„Ja.”

„Dat is Rovigno.”

„In wiens huis zijn wij hier?”

„Waarom wilt gij dat weten?”

„Zeg het ons maar.”

Als ik u daarmede genoegen kan doen?.…”

„Voorzeker, doet ge dat.”

„Wel, ik heet Andreas Ferrato.”

„Wat is uw beroep?”

„Ik ben visscher en dit huis is het mijne.”

Dat werd met eene onnavolgbare kalmte en fierheid gezegd. Een vorst zou met niet meer waardigheid het: ik ben koning hebben kunnen uitspreken. Toch geschiedde het met den meesten eenvoud en natuurlijkheid.

„Zou de visscher Andreas Ferrato ons voor dezen nacht een onderdak willen verleenen?”

Andreas Ferrato keek hen met een doordringenden blik aan. Daarna stond hij op, stapte, naar de deur en keek naar buiten. In dat ondeelbare oogenblik bespeurde hij de bende politie-agenten, die den hoek van den havenmuur omsloegen. Toen raadde, toen begreep hij ongetwijfeld alles. Hij zag in wie zij waren, die hem gastvrijheid afsmeekten. Hij zag met een oogopslag, dat wanneer hij eene seconde draalde met hun te antwoorden, die mannen verloren waren.

„Komt binnen,” sprak hij.

De twee vluchtelingen haastten zich intusschen niet om dien deurdrempel te overschrijden.

„Vriend,” zei graaf Sandorf.…

„Wat is er? Ik zeg u om binnen te komen.”

„Vriend, er zijn vijfduizend gulden belooning uitgeloofd aan hem, die de gevangenen, welke den vestingtoren van Pisino ontvlucht zijn, uitlevert.” [127]

„Ik weet dit.”

„De galeien staan er op, voor hem die hun eene toevlucht verleent.”

„De galeien?”

„Ja, vriend, de galeien!”

„Ik weet dit.”

„Gij kunt ons overleveren.…”

„Ik?.…”

„De som is niet gering.…”

„Ik!.… een verrader!.…”

„En het gevaar is groot!.…”

„Ik heb u gezegd: komt binnen, ik herhaal die uitnoodiging!” antwoordde de visscher.

Beiden traden binnen.

Andreas Ferrato sloot juist zijne deur dicht, toen de bende politiedienaren zijn huis voorbijtrokken.