Andreas Ferrato was Corsicaan van oorsprong en geboren te Santa Manza, eene kleine havenplaats in het arrondissement Sartène, die achter eene ombuiging van de zuidelijke punt van het eiland gelegen was.
De havenplaats met die van Bastia en die van Porto Vecchio waren de eenigen, die ettelijke duizenden jaren geleden toegang tot de oostkust van het eiland gaven, welks kustlijn daar toen zoo grillig en fantastisch ingesneden was, maar die nu meer effen geworden is door het voortdurend afknabbelen èn door de bergstroomen èn door de zeegolven, die allengs de voorgebergten en kapen hebben doen instorten en hen verzwolgen, waardoor zijne baaien en kreeken uitgewischt werden.
Het was daar te Santa Manza dat Andreas Ferrato, op dat gedeelte der Middellandsche zee, hetwelk zich tusschen Corsica en het Italiaansche vasteland uitstrekt, zijn visschersbedrijf uitoefende. Hij waagde zich soms te midden van de rotsen van de Straat van Bonifacio op de kusten van Sardinië.
Het visschersbedrijf is een ruw, moeitevol leven, vooral wanneer de koraalvisscherij aan de vischvangst gepaard gaat. De koralen [128]toch moeten op de onderzeesche banken op de slechtste plaatsen van de Straat of van de zeeëngten gezocht worden.
Maar Andreas Ferrato was een moedige kerel, die bovendien stevig gebouwd en onvermoeibaar was. Hij wist zich even behendig van zijne vischnetten te bedienen, als van zijne dreg. Zijne zaken bloeiden dan ook. En geen wonder! Zijne vrouw was arbeidzaam en schrander, en stond als eene ware heldin aan het hoofd van het kleine gezin van Santa Manza. Beiden konden lezen, schrijven en rekenen en waren bijgevolg betrekkelijk goed onderwezen, althans wanneer men hen vergeleek met de honderd vijftig duizend ongeletterden, die nog steeds door de statistiek opgegeven worden onder de twee honderd zestig duizend bewoners van het eiland.
Bovendien was Andreas Ferrato—misschien wel tengevolge van die meerdere kennis—in zijne denkbeelden en in zijn hart zeer Franschgezind, hoewel hij, zooals zijn naam reeds aanduidt en zooals trouwens alle Corsicanen zijn, van Italiaanschen oorsprong was. Die Franschgezindheid had hem op dat tijdstip menige vijandschap in het kanton op den hals gehaald.
Dat kanton, dat op het zuidelijk uiteinde van het eiland, ver van Bastia, ver van Ajaccio, ver van de administratieve en rechterlijke middelpunten gelegen is, moet inderdaad als zeer weerstrevend wegens ieder die niet Italiaansch of Sardinisch gezind is, beschouwd worden. Dit is eene betreurenswaardige staat van zaken, die niet eindigen zal dan tengevolge van eene betere opvoeding der latere geslachten.
Zooals gezegd is, bestond er steeds eene verborgen vijandschap jegens het gezin Ferrato. Nu is op Corsica de afstand tusschen vijandschap en haat niet groot en van haat tot gewelddadigheden is hij nog minder. Eenige omstandigheden verergerden dien toestand nog.
Op een dag dat Andreas Ferrato zijn geduld uitgeput gevoelde, had hij in eene opwelling van drift en toorn, eene „huid gesneden,” een „knoopsgat gemaakt.” Hij doodde een schavuit uit die streek, maar … was toen verplicht te vluchten.
Andreas Ferrato was er evenwel de man niet naar om zich in de bergen te verschuilen, om daar in dagelijkschen strijd te leven zoowel tegen de politie als tegen de verwanten, makkers en vrienden van den gedoodde, en daardoor de reeks wraaknemingen, die ook de zijnen zouden treffen, te vergrooten. Hij besloot dadelijk om zijn vaderland te verlaten. Hij vertrok heimelijk van Corsica, om eene schuilplaats op de Sardinische kust te zoeken. Toen zijne vrouw hunne geringe bezittingen had te gelde gemaakt, het huis overgedaan en de meubels, het vaartuig en vischnetten verkocht had, vertrok zij ook derwaarts met hare dochter. [129]
„Voor alles moet gij thans eten, nietwaar?” vroeg Andreas Ferrato. (Bladz. 132.)
[130]
Andreas Ferrato had het besluit genomen, om nooit meer in zijn vaderland terug te keeren.
Daarenboven drukte die moord, hoewel hij uit zelfverdediging geschied was, het geweten van Andreas Ferrato. Met zijn eenigszins bijgeloovig karakter, zijnen landaard zoo eigen, stelde hij zich tot taak die daad te vergoeden. Hij meende dat de moord van dien man hem niet zou vergeven worden, dan wanneer hij het leven van een ander mensch met gevaar van zijn eigen bestaan zou gered hebben. En hij was vast besloten dat te doen, wanneer de gelegenheid zich daartoe zou aanbieden.
Andreas Ferrato was evenwel, nadat hij Corsica verlaten had, slechts korten tijd in Sardinië gebleven, waar hij gemakkelijk ontdekt en herkend kon worden. Hij was een moedig en geestkrachtvol man. Hij beefde dan niet voor zijn persoon, maar wel voor de zijnen, die door de weerwraak van de verwanten van den verslagene getroffen konden worden.
Hij wachtte het oogenblik af, dat hij zich verwijderen kon, zonder achterdocht op te wekken, en trok toen Italië door. Toen hij te Ancona aangekomen was, deed zich eene gelegenheid voor om de Adriatische zee over te steken en de Istrische kust te bereiken. Hij nam haar gretig waar.
Ziedaar de redenen waarom en de omstandigheden waarin die Corsicaan zich bij de kleine havenplaats Rovigno gevestigd had. Hij woonde daar sedert zeventien jaren, en had er het visschersbedrijf hervat. Dat had tengevolge dat hij de vroeger genoten gegoedheid terug verdiende. Negen jaren na zijne aankomst was hem een zoon geboren, die Luigi genoemd werd, en wiens geboorte zijne moeder het leven kostte.
Sedert hij weduwnaar was, leefde Andreas Ferrato slechts voor zijne dochter en zijn zoon. Maria was toen achttien jaren oud en strekte den jongeren broeder, die toen zijn achtste jaar bereikte, tot moeder. En ware het de droefheid niet geweest, van zijne wakkere levensgezellin verloren te hebben, die zich steeds nijpend deed gevoelen, dan zou die visscher van Rovigno zoo gelukkig geweest zijn als iemand het kan zijn, die door zijn arbeid zijn brood verdient en die de genoegdoening gevoelt zijnen plicht gedaan te hebben.
De lezer weet dat hij ten rechte geroemd werd als zeer behendig in het uitoefenen van zijn handwerk. Te midden van die lange rijen rotsen, die de stranden van Istrië dekken, had hij zijne vischvangst in de baai Santa Manza of in de Straat van Bonifacio niet te betreuren. Daarenboven was hij goed bekend geworden in die streek, waar dezelfde taal als in Corsica gesproken werd. [131]
De voordeelen, welke hij behaalde door schepen te loodsen op de kust van Pola af tot Triëst, werden nog vermeerderd met de verdiensten van het visschersbedrijf in die vischrijke wateren. In zijn huis vonden de arme lieden dan ook altijd een onderkomen of een goede aalmoes, en in die liefdadigheidswerken werd hij zooveel slechts mogelijk was geholpen door zijne dochter Maria.
Maar de visscher van Santa Manza vergat daardoor de gelofte niet, die hij weleer afgelegd had: leven om leven! Hij had het leven aan een wezen ontnomen; hij zou het leven van anderen redden. Ziedaar de reden waarom hij zonder de minste aarzeling tot de vreemdelingen zei: „Komt binnen,” toen zij zich aan zijne deur vertoonden, hoewel hij raadde wie zij waren en hoewel hij wist aan welke straf hij zich blootstelde.
Ja, dat „komt binnen” had hij flinkweg uitgesproken; maar in zijn binnenste had hij er bijgevoegd:
„En dat God ons onder Zijne hoede neme!”
Intusschen was de bende politie-agenten de deur van het huis van Andreas Ferrato voorbijgestapt, zonder er op te houden. Graaf Mathias Sandorf en Stephanus Bathory konden dus meenen dat zij voor ettelijke nachtelijke uren in het huis van den Corsicaanschen visscher in betrekkelijke veiligheid waren.
Dat huis was niet in de stad gebouwd, maar op een afstand van ongeveer vijfhonderd passen van de stadsmuren en buiten de haven, op eene rotsbedding, die het strand beheerschte. Daar buiten die strook, waar, op minder dan eene kabellengte, de golven tegen de klippen van het kustland braken, strekte zich de onmetelijke gezichteinder der zee uit. Naar den kant van het zuidwesten werd het voorgebergte ontwaard, dat in een afgeronde en omgebogen punt eindigde en door welker kromming de kleine reede van Rovigno op de Adriatische Zee omsloten wordt.
Het geheele huis van Andreas Ferrato bevatte slechts eene gelijkvloers verdieping, die bestond uit vier kamers, twee aan de voorgevelzijde en twee aan den achterkant, en een getralied houten bijgebouwtje, waarin men de gereedschappen tot de vischvangst opborg.
Zijn visschersboot was een soort logger, slechts voorzien van één mast. Dat vaartuig was dertig voet lang, maar had een breeden bijna vierkanten voorsteven, hetgeen voor de koraalvisscherij met de dreg zeer gemakkelijk was. Wanneer het vaartuig niet gebezigd werd, lag het binnen en volkomen vrij van de rotsen geankerd, en werd de gemeenschap met den wal onderhouden door eene kleine jol, die thans aan het strand op het droge getrokken was.
Achter dat huis strekte zich een omheinde tuin van een halven bunder uit, waarin eenige groenten te midden van moerbeziënboomen, olijfboomen en van wijnstokken geteeld werden. Eene [132]dichte heg scheidde dien tuin van eene beek, die vijf of zes voeten breed was en de grens aan den kant van het veld vormde.
Ziedaar de nederige gastvrije woning, waarin de Voorzienigheid de vluchtelingen gevoerd had.
Ziedaar de gastheer, die zijne vrijheid waagde, om hun een toevluchtsoord te verschaffen.
Zoodra de deur achter hen dicht gesloten was, keken graaf Sandorf en Stephanus Bathory rond in de kamer, waarin de visscher hen ontvangen had.
Dat was wel het voornaamste vertrek van de geheele woning. Het was slechts spaarzaam gemeubeld; maar wat er in stond, was zindelijk onderhouden en duidde de hand en den smaak aan van eene degelijke en zorgzame huisvrouw.
„Vóór alles moet gij thans eten, niet waar?” vroeg Andreas Ferrato.
„Ja, wij sterven van honger,” antwoordde graaf Sandorf. „Wij hebben hoegenaamd geen voedsel in de laatste vier en twintig uren gehad.”
„Ge hoort het, Maria?” hernam de visscher.
„Ja, vader,” sprak het meisje.
En een oogenblik later had zij een stuk gezouten varkensvleesch, een schotel gekookte visch, eene flinke portie brood, een flesch landwijn met twee glazen, een schoteltje rozijnen, een helder wit tafellaken en twee borden met de noodige vorken en messen op de tafel geplaatst.
Een „reglione,” eene soort olielamp met drie pitten, verlichtte het vertrek.
Graaf Sandorf en Stephanus Bathory namen dadelijk aan tafel plaats. Zij waren waarlijk op het punt van in onmacht te vallen.
„En gij?” vroegen zij aan den visscher.
„Ik?”
„Ja, gij. Doet gij niet mede?”
„Wij hebben reeds geavondmaald,” antwoordde Andreas Ferrato.
Die twee uitgehongerden verslonden—ja, dat is het woord,—de spijzen, die hun met zooveel eenvoud en zoo goedhartig voorgezet waren.
Maar terwijl zij aten, sloegen zij voortdurend den visscher, zijne dochter en zijn zoon gade, welke laatste in een hoek gezeten was. Allen keken de vreemdelingen aan, zonder evenwel een woord te spreken.
Andreas Ferrato kon toen twee en veertig jaar oud zijn. Het was een man met een ernstig, ja zelfs eenigszins droevig gelaat. Hoewel zijn gezicht door de zon gebruind was, had hij gelaatstrekken vol uitdrukking, waarbij zwarte oogen met levendigen blik. Hij [133]droeg de kleeding der visschers van de Adriatische zee, waaronder een edele borst klopte, terwijl zich daarin eene flink ontwikkelde gestalte liet ontwaren.
Maria—welker gestalte en gelaat aan die harer moeder herinnerde—was groot van stuk, welgemaakt en zeer schoon. Zij had vurige zwarte oogen, bruine haren en eene huid, die door het Corsicaansche bloed, dat door hare aderen vloeide, warm getint was. Zij had een ernstig karakter, als gevolg van de verplichtingen, die zij van hare prilste jeugd op zich had voelen rusten. In hare houding, in hare bewegingen spreidde zij die kalmte ten toon, die eene bedachtzame geaardheid eigen is. Alles duidde bij dit jonge meisje op eene geestkracht, die haar nimmer in den steek zou laten, welke ook de omstandigheden zouden zijn, waarin zij zich zou kunnen bevinden.
Zij was herhaaldelijk door jeugdige visschers uit den omtrek ten huwelijk gevraagd, maar zij had daaraan nimmer het oor geleend. Behoorde haar leven niet aan haren vader toe, en aan dat kind, dat zij zoo innig, innig liefhad?
Wat Luigi betrof, dat was een flinke vastberaden jongen, een moedig en degelijk visscher. Hij was reeds volkomen met den werkkring van zeeman bekend. Hij vergezelde Andreas Ferrato, zijn vader, bij zijne visscherijen en bij zijne loodsdiensten en was daarbij steeds blootshoofds, onverschillig of het waaide en of het regende. Hij beloofde een stevige, gezonde kerel te zullen worden, die meer dan stoutmoedig, die koen ja roekeloos zou zijn. Hij was tegen alle guurheden van het weder gehard en had hoegenaamd geen oog voor eenig gevaar. Hij had zijn vader lief en aanbad zijne zuster.
Graaf Mathias Sandorf had die drie wezens, die door zoo innige banden aan elkander verbonden waren, nauwkeurig gadeslagen. Hij koesterde dan ook geen twijfel, dat hij zich bij eerlijke, brave lieden bevond, die hij volkomen vertrouwen kon.
Toen het maal afgeloopen en de honger verzadigd was, stond Andreas Ferrato op en naderde graaf Mathias Sandorf.
„Gaat nu slapen, heeren,” zei hij op eenvoudigen toon.
„Slapen?” vroegen de vluchtelingen.
„Ja, slapen, rusten,” hernam de visscher.
„Dat kunnen wij niet.”
„Niemand weet dat gij hier zijt.”
„Dat ’s waar; maar.…”
„Morgen zullen wij zien, wat ons verder te doen staat.”
„Neen, Andreas Ferrato, neen!” antwoordde graaf Sandorf.
„Dat kan niet.”
„Wat kan niet?”
„Dat wij heden nacht hier blijven.” [134]
„Ah bah!”
„Onze honger is gestild. Onze krachten zijn weergekeerd. Wij moeten nu dadelijk dit huis verlaten!”
„Daar valt niet aan te denken!”
„Onze tegenwoordigheid veroorzaakt voor u en de uwen te groot gevaar!” zei Mathias Sandorf.
„Ja, wij moeten vertrekken,” beaamde Stephanus Bathory. „En dat God u beloone voor hetgeen gij voor ons gedaan hebt.”
„Gaat slapen! Dat is voorshands het noodzakelijkste,” hernam de visscher.
„Wij kunnen niet,” antwoordde graaf Sandorf.
„De kust wordt heden avond bewaakt.”
„O, God!”
„Men heeft een embargo op alle schepen van al de havens van deze streek gelegd.”
„Onmogelijk!”
„Heden nacht is niets te beproeven, dat verzeker ik u.”
„Maar.…”
„Gaat slapen,” herhaalde Andreas Ferrato.
„Als gij het dan wilt. Het zij zoo,” antwoordde graaf Mathias Sandorf.
„Ja, ik wil het!”
„Een woord evenwel nog!”
„En dat is?”
„Wanneer is onze ontsnapping bekend geworden?.…”
„Sedert dezen morgen,” antwoordde Andreas Ferrato. „Maar …”
„Maar, wat?” vroeg graaf Sandorf, toen hij de aarzeling van den visscher bemerkte.
„Gij waart met uw vieren gevangen in den vestingtoren van Pisino?”
„Ja.”
„Gij zijt slechts met u beiden hier?”
„Helaas!”
„Men zegt,” ging Andreas Ferrato voort, „dat de derde in vrijheid gesteld zal worden.”
„Sarcany!” riep Mathias Sandorf toornig uit, vóórdat hij dat gevoel van woede, alleen door de gedachte aan dien verafschuwden man opgewekt, had kunnen bedwingen.
„En de vierde?”.… vroeg Stephanus Bathory aarzelend, zonder zijn volzin te durven eindigen.
„De vierde is nog in leven,” antwoordde Andreas Ferrato.
„In leven?” riep Stephanus Bathory uit.
„Ja, de terechtstelling is verdaagd,” zei de visscher.
„Nog in leven?” herhaalde Stephanus Bathory.
„Ja, ik herhaal.…” wilde Andreas Ferrato zeggen. [135]
Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. (Bladz. 139.)
[136]
„Is het mogelijk?” riep Bathory steeds ontzet uit.
„Wel zeker,” hernam graaf Sandorf spottend. „Men wil wachten tot dat men ons opgespoord en gesnapt zal hebben, om ons de vreugde te bereiden te zamen te sterven.”
„Mathias!” kreet Stephanus Bathory.
„Maria,” zei Andreas Ferrato bedaard, „wijs onze gasten hunne kamer. Ge weet wel die aan de achterzijde, die op het bijgebouwtje uitgang verleent.”
„Ja, vader,” antwoordde het jonge meisje.
„Maar geen licht opsteken, hoor,” ging hij voort.
„Goed, vader.”
„Heden avond moet dat raam niet verlicht wezen.”
„Ja, vader.”
„Dat zou achterdocht kunnen opwekken.”
„Kom, heeren,” sprak het jonge meisje.
Een oogenblik later wisselden graaf Sandorf en zijn makker een hartelijken handdruk met den visscher. Daarna traden zij hunne kamer binnen, waar hun twee goede matrassen of beter stroozakken met maïsbladeren gevuld, wachtten, waarop zij van hunne vermoeienissen, die zij zoo ruimschoots verduurd hadden, konden uitrusten.
Maar Andreas Ferrato en zijn zoon Luigi hadden reeds het huis verlaten. Zij wilden zich overtuigen dat niemand in den omtrek rondzwierf, noch op het strand, noch in het veld aan de overzijde van de beek. De vluchtelingen konden dus gerust tot het aanbreken van den dag slapen.
De nacht ging zonder bijzondere voorvallen voorbij. De visscher was herhaaldelijk naar buiten getreden. Hij had evenwel niets verdachts bespeurd.
Den volgenden morgen, den 18en Juni, ging Andreas Ferrato, terwijl zijne gasten nog sliepen, op kondschap uit tot in het midden der stad, als ook op de kaden van de haven. Op verscheidene punten trof hij samenscholingen aan van nieuwsgierigen en leegloopers. Een aanplakbiljet, sedert den vorigen dag reeds op de daarvoor bestemde plaatsen bevestigd, gaf kennis van de ontsnapping, van de straffen, die op het verleenen van hulp aan de vluchtelingen stond, van de premie die uitgeloofd was. Dat maakte natuurlijk het onderwerp uit van alle gesprekken. Men babbelde, men vertelde nieuwtjes, men herhaalde het gehoorde niet altijd nauwkeurig, soms zeer onjuist en men wist het juiste evenmin als tevoren.
Niets duidde aan dat graaf Sandorf en zijn lotgenoot in den omtrek gezien waren, of dat men zelfs hunne aanwezigheid in de provincie vermoedde. Toch verspreidde zich tegen tien uren in den morgen, toen de brigadier der maréchaussées met zijne manschappen na hunne nachtelijke ronde te Rovigno waren teruggekeerd, het [137]gerucht, dat twee vreemdelingen vier en twintig uren te voren gezien waren op de oevers van het kanaal van Léma. Men had de geheele landstreek tot aan de zee doorzocht, om hun spoor terug te vinden, maar zonder gevolg. Er was niets op te merken van hunnen doortocht.
Hadden zij dus de kuststreek kunnen bereiken en een vaartuig bemachtigd?
Of hadden zij zich naar een ander punt van Istrië begeven?
Of wel, hadden zij de Oostenrijksche grens overschreden?
Alles was mogelijk.
„Mooi!” werd gezegd. „Dat zullen al vast vijf duizend gulden zijn, die voor de schatkist bewaard blijven.”
„Een geld dat beter besteed kan worden dan om hatelijke verklikkerijen te beloonen!”
„Ja zeker!
„God geve dat de arme vluchtelingen mogen ontsnappen!”
„Ontsnappen!.…”
„Ik hoop het!”
„Och, dat zal wel reeds geschied zijn!”
„Zij zullen wel reeds in veiligheid aan de andere zijde van de Adriatische zee zijn!”
Afgaande op dat gepraat, dat in het meerendeel der groepen van boeren, burgers en arbeiders, die voor de aanplakbiljetten stilstonden, gehouden werd, was de openbare meening, zooals men ziet, zeer ten gunste van de veroordeelden, ten minste onder de bewoners van Istrië, schier allen Slavoniërs en Italianen van geboorte. De Oostenrijksche beambten konden dus niet op eene verklikking van dien kant rekenen. Niets werd dan ook nagelaten of verzuimd om de vluchtelingen weer te vinden. Al de benden politie-agenten, al de brigades maréchaussées waren sedert den vorigen dag op de been en er werden onophoudelijk telegrammen tusschen Rovigno, Pisino en Triëst gewisseld.
Toen Andreas Ferrato tegen elf uur tehuis kwam, deelde hij die berichten, die eerder goed dan slecht waren, mede.
Graaf Sandorf en Stephanus Bathory, die door Maria in de kamer, waarin zij overnacht hadden, bediend werden, hadden juist in dat oogenblik hun ontbijt verorberd.
Die eenige uren rust, dat heerlijke maal, die goede verpleging had hen geheel en al van hunne uitputting hersteld.
„Welnu, vriend?” vroeg graaf Sandorf, zoodra de deur achter Andreas Ferrato gesloten was.
„Ik geloof niet, heeren,” antwoordde de visscher, „dat gij voor het oogenblik iets te vreezen hebt.”
„Maar wat wordt er in de stad verteld?” vroeg Stephanus Bathory. [138]
„Ja, wat wordt er verteld? Zeg ons dat,” herhaalde ook graaf Sandorf.
„Men spreekt wel van twee vreemdelingen, die gisterenochtend gezien zijn, op het oogenblik, dat.…”
„Ga voort, wat ik u bidden mag,” zei graaf Sandorf bij de aarzeling van den visscher.
„Op het oogenblik,” vervolgde deze, „dat zij op den oever van het kanaal van Léma voet aan wal zetten.… En.…”
„En wat?” vroeg Stephanus Bathory ongeduldig.
„En als gij het zijt.… heeren.…”
„Ga voort. Wij zijn het inderdaad,” zei Stephanus Bathory. „Een man, een zoutarbeider van den omtrek, heeft ons gezien en aangebracht.”
Toen werd Andreas Ferrato op de hoogte gebracht van hetgeen in den bouwval der pachthoeve voorgevallen was, terwijl de vluchtelingen er verscholen waren.
„En weet gij niet, wie die verklikker is?” vroeg de visscher met aandrang.
„Neen,” antwoordde Bathory.
„Wij hebben hem niet kunnen zien,” vulde graaf Sandorf verder aan; „wij hebben slechts zijne stem kunnen vernemen.”
„Dat is een betreurenswaardige omstandigheid,” hernam Andreas Ferrato. „Het voornaamste en gewichtigste evenwel is, dat men uw spoor verloren heeft. Bovendien al ware het dat men omtrent uwe aanwezigheid in mijne woning achterdocht had, dan geloof ik niet dat er eene verklikking te vreezen is.”
„Zoo?” vroeg Stephanus Bathory verbaasd. „Waarom niet?”
„Omdat alle menschen hier in Rovigno ten uwen voordeele zijn!”
„Ja, daarover verwonder ik mij niet,” hernam graaf Sandorf. „Het is eene moedige en eerlijke bevolking in deze provinciën! Toch moet het oog op de Oostenrijksche autoriteiten gehouden worden. Zij zullen voor niets terugdeinzen om ons weer in hunne macht te krijgen.”
„Wat u geruststellen moet, heeren,” sprak de visscher, „dat is dat de meening, waarin men verkeert, luidt, dat gij reeds de overzijde van de Adriatische zee hebt kunnen bereiken.”
„Och, God gave dat het zoo ware!” zuchtte Maria, die de handen gevouwen en de oogen ten hemel geslagen had, alsof zij een gebed slaakte.
„Het zal zoo worden, lief kind,” antwoordde graaf Sandorf op den toon der vurigste overtuiging. „Ja, met Gods hulp zullen wij ontsnappen.…”
„En met de mijne, heer graaf!” hernam Andreas Ferrato. „Ik ga nu aan mijne bezigheden. Men is gewoon ons, Luigi en mij, [139]bezig te zien met het herstel onzer netten op het strand, of met het schoonmaken van ons vaartuig. Wij moeten niets aan den gewonen gang van zaken veranderen.”
„Voorzeker niet,” zei Stephanus Bathory.
„Ik heb bovendien noodig om mij omtrent den toestand van het weer te vergewissen, alvorens een besluit te nemen. Blijft dus in deze kamer. Verlaat haar onder geen voorwendsel. Doet, om alle achterdocht te vermijden, het venster open, dat op onzen tuin uitzicht verleent, maar blijft in het achterste gedeelte van het vertrek en vooral vertoont u niet.”
„Neen, neen, wees gerust!”
„Ik ben over een paar uren terug.”
Daarop verliet Andreas Ferrato met zijn zoon Luigi het huis, terwijl Maria zich voor de deur met hare gewone bezigheden onledig hield.
Eenige visschers drentelden op het strand heen en weer. Andreas Ferrato trachtte bij wijze van voorzorg een praatje met hen te maken, alvorens hij zijne netten op het zandige strand uitstrekte.
„De westewind is goed doorgekomen,” zei een hunner.
„Ja, antwoordde Andreas Ferrato, „het onweder van eergisteren heeft de lucht flink gezuiverd.”
„Ongetwijfeld,” hernam een ander. „Toch zou het kunnen gebeuren dat de wind meer en meer opstak bij het vallen van den avond, en tot buien overging, wanneer de „bora” zich er bij voegt.”
„Och, het zal steeds een landwind zijn en de zee kan dan niet onstuimig tusschen de rotsen wezen.”
„Dat staat te bezien.”
„Gaat gij dezen nacht visschen, Andreas?”
„Ongetwijfeld.”
„Als het weer het toelaat, niet waar?”
„Dat spreekt van zelf.”
„Maar het embargo.”.…
„Het embargo?”.…
„Ja.”
„Dat is slechts op de groote schepen gelegd en niet op de visschersvaartuigen, die zich niet van de kust verwijderen.”
„Zijt gij daar zeker van?”
„Ja, zeer zeker.”
„Welnu, des te beter; want men heeft scholen tonijnen geseind, die uit het zuiden komen. Wij mogen niet dralen om onze fuiken te stellen.”
„Mooi!” zei Andreas Ferrato. „Maar er is nog geen tijd verloren.”
„Misschien. Wie weet?”
„Neen, geloof mij. Als ik heden nacht uitzeil, dan ga ik de tonijnen opwachten bij Orsera of naar de kust van Parenzo.” [140]
„Dat moet gij weten; maar wij zullen onze fuiken aan den voet der rotsen stellen
„Dat is uwe zaak!”
Toen gingen Andreas Ferrato en Luigi hunne netten uit het bijgebouwtje halen, spreidden ze op het mulle zand uit, om ze in de zon te laten drogen. Twee uren later keerde de visscher naar zijne woning terug, na zijn zoon aanbevolen te hebben, de haken klaar te houden, die dienen om de visschen te dooden.
Nadat hij gedurende ongeveer tien minuten zijne pijp op den drempel zijner deur gerookt had, begaf zij zich naar de kamer zijner gasten, terwijl Maria met haar werk voor de deur voortging.
„Heer graaf,” sprak de visscher, „de wind waait van de landzijde, zoodat volgens mijne meening de zee dezen nacht niet hol zal staan. Nu zal het ’t meest eenvoudige middel zijn om te vluchten, zonder eenig spoor na te laten, om u met mij in te schepen. Wanneer gij daartoe besluit, dan zal het ’t beste zijn, heden avond tegen tien uren te vertrekken. Alsdan zult gij tusschen de rotsen tot aan den rand der branding moeten voortsluipen. Niemand zal u zien. Mijne jol zal u tot bij mijn vaartuig brengen, waarna wij dadelijk zee zullen kiezen zonder de opmerkzaamheid op te wekken, daar men weet, dat ik dezen nacht zal uitzeilen. Als de wind te zeer mocht opsteken, dan zal ik langs de kust houden en u aan de andere zijde van de Oostenrijksche grens buiten de mondingen van den Cattaro ontschepen.”
„Maar als de wind niet opsteekt, wat zijt gij dan voornemens te doen?” vroeg graaf Sandorf.
„Dan zullen wij volle zee halen,” antwoordde de visscher. „Dan zullen wij de Adriatische zee oversteken en dan zal ik u hetzij te Rimini, hetzij bij de uitwatering van de Po aan land zetten.”
„Is uw vaartuig bestand voor zulk een overtocht,” vroeg Stephanus Bathory.
„Ja, zeker. Het is een flinke boot, die een half dek heeft en waarmede mijn zoon en ik zeer slecht weder getrotseerd hebben. Daarenboven, wij moeten wel wat wagen, nietwaar?”
„Dat wij gevaar loopen,” antwoordde graaf Sandorf, „wij wier leven op het spel staat, dat is niet meer dan natuurlijk. Maar dat gij, gij, mijn vriend, uw leven waagt.…”
„Dat is mijn zaak, heer graaf,” hernam Andreas Ferrato. „Ik doe slechts mijn plicht door u te redden.”
„Uw plicht?.…”
„Ja!”
Andreas Ferrato verhaalde daarop dat gedeelte van zijne levensgeschiedenis, tengevolge waarvan hij Santa Manza en zelfs Corsica had moeten verlaten, en hoe het goede, hetwelk hij op het punt [142]stond te doen, slechts de vergelding was van het kwaad, dat hij bedreven had. [141]
Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato hield hem tegen. (Bladz. 144.)
[142]
„Edel hart!” riep graaf Sandorf uit, die door dat verhaal bewogen was.
Daarop hernam hij:
„Maar, hetzij wij naar de mondingen van den Cattaro stevenen, hetzij wij naar de Italiaansche kust gaan, zoo zal toch zulk eene reis eene vrij langdurige afwezigheid van uwe zijde veroorzaken, die de bewoners van Rovigno verwonderen moet. Het mag niet gebeuren, dat gij, na ons in veiligheid gebracht te hebben, bij uwen terugkeer gevangen genomen wordt.…”
„Vrees niets, heer graaf,” antwoordde Andreas Ferrato. „Ik blijf somtijds tegen het tijdstip der groote visscherijen vijf of zes dagen op zee. Ik herhaal het bovendien: dat zijn mijne zaken. Zoo moet gehandeld worden en zoo zullen wij handelen.”
Er viel na die beslissing van den visscher niet meer te twisten. Het plan van Andreas Ferrato was klaarblijkelijk het beste en daarenboven het meest gemakkelijke om uitgevoerd te worden, daar het visschersvaartuig—zooals ten minste gehoopt werd—niets van de stormachtigheid der zee zou te vreezen hebben. Er waren geene voorzorgsmaatregelen te treffen dan op het oogenblik van inscheping. De nacht zou evenwel somber en zonder maan zijn. Zeer waarschijnlijk zou bij het vallen van den avond daarenboven een van die dikke nevels opstijgen, die de kust bedekken, maar in volle zee niet waargenomen worden. Op dat uur zou het strand eenzaam en verlaten zijn. Behalve een paar grensbeambten, die hun kustgebied afliepen, zou men niemand ontmoeten. Wat de overige visschers, de buren van Andreas Ferrato betreft, zij zouden, zooals zij zelf verteld hadden, zich onledig houden om hunne fuiken op de piketten te spannen, buiten de rotsengroep, dat wil zeggen op twee of drie mijlen ten zuiden van Rovigno. Wanneer die het visschersvaartuig van Andreas Ferrato zouden ontwaren, gesteld dat dit gebeurde, dan zou het reeds te ver in zee zijn om iemand aan boord te kunnen herkennen. Daarenboven zouden de vluchtelingen zich onder het halfdek verscholen houden.
„Op hoeveel afstand rekent gij de haven van Rovigno van het naastbijgelegen punt van de Italiaansche kust?” vroeg toen Stephanus Bathory.
„Op vijftig mijlen ongeveer.”
„Hoeveel tijd is er benoodigd om dien afstand af te leggen?”
„Dat ’s moeilijk te zeggen,” antwoordde de visscher voorzichtig.
„Maar er is toch wel eene gissing, een raming te maken, niet waar?”
„Ja, als deze wind blijft doorstaan, dan kunnen wij in een twaalftal uren overkomen. Maar.…” [143]
„Gij aarzelt, vriend?” vroeg graaf Sandorf.
„Gij zijt zonder geld, niet waar?”
„Ja, helaas!” antwoordde Stephanus Bathory met een zucht.
„En toch is dat onmisbaar!”
„Dat valt niet te ontkennen.”
„Welnu,” vervolgde Andreas Ferrato, „neemt dezen gordel, daarin zitten drie honderd gulden. Doet hem zoo.… kijk zoo, om het lijf.”
„Vriend!.…” zei Mathias Sandorf.
„Gij zult mij dat later teruggeven,” hernam de visscher.
„Teruggeven? Later? Wanneer?” vroeg graaf Sandorf met aarzeling in zijne stem.
„Wanneer gij in veiligheid zijt. Zoodra het u schikt. Kom, dat is afgesproken, niet waar? Wacht mij nu slechts.”
Toen dat alles afdoende geregeld was, ging Andreas Ferrato heen en hernam zijne gewone bezigheden met nu eens op het strand te arbeiden en zich dan weer eens in huis onledig te houden. Het gelukte Luigi om, zonder dat dit opgemerkt werd, eenige levensmiddelen, genoeg voor verscheidene dagen, aan boord van het visschersvaartuig te brengen. Hij had ze eenvoudig in een reserve-zeil gewikkeld en zoo overgevoerd. Geen enkele achterdochtige gedachte kon de plannen van Andreas Ferrato komen dwarsboomen. Hij dreef de voorzorgsmaatregelen zoo ver, dat hij zijne gasten gedurende het overige gedeelte van den dag niet meer wilde terugzien. Graaf Mathias Sandorf en professor Stephanus Bathory bleven in de kleine kamer verscholen, waarvan het venster evenwel geopend bleef. Wanneer het tijd zou zijn om die gastvrije woning te verlaten, zou de visscher hen waarschuwen.
In den namiddag kwamen ettelijke buren met hem over visscherijzaken praten, voornamelijk over de verschijning der tonijnen langs de kusten van Istrië. Andreas Ferrato ontving hen in zijne huishoudkamer en bood hen volgens gewoonte een ververschingsdronk aan.
Zoo ging het grootste gedeelte van den dag met heen en weer te drentelen en in verschillende gesprekken voorbij. Soms liep het gesprek over de vluchtelingen. Het gerucht was toch verspreid, dat zij in de nabijheid van het kanaal van Quarnero op de tegenovergestelde kust van Istrië gevat waren geworden. Dat gerucht werd evenwel kort daarop weersproken.
Alles scheen dus zoo goed mogelijk te gaan. Dat de kuststrook met meer nauwkeurigheid dan vroeger, hetzij door de ambtenaren der in- en uitgaande rechten, hetzij door de politie-agenten, hetzij door de maréchaussées, zou gadegeslagen worden, kon als zeker aangenomen worden. Maar het zou zoo moeilijk niet zijn die waakzaamheid te verschalken, wanneer het nacht geworden zou zijn. [144]
Het embargo was, zooals de lezer zich herinneren zal, slechts op de groote schepen of op de kustvaarders van de Adriatische en Middellandsche zeeën gelegd, niet op de visschersschuiten die bij den oever blijven. Het uitzeilen van het vaartuig van Andreas Ferrato kon dus geschieden zonder achterdocht op te wekken.
Andreas Ferrato had evenwel op het bezoek niet gerekend, dat hem zoo tegen zes uren des avonds gebracht werd. Dat bezoek verwonderde hem, hoewel het hem nog niet verontrustte. Hij zou er de dreigende beteekenis eerst van begrijpen, toen de bezoeker weer vertrokken was.
Acht uren waren geslagen. Maria hield zich onledig met het gereed maken van het avondmaal en de tafels waren reeds gedekt in de huishoudkamer, toen tweemalen op de huisdeur geklopt werd. Andreas Ferrato aarzelde geen oogenblik om te openen. Hij was zeer verbaasd toen hij zich tegenover den Spanjaard Carpena bevond.
Die Carpena was geboren te Almavate, eene kleine stad in de provincie Malaga. Hij had waarschijnlijk Spanje om eene zelfde reden verlaten, waarom Andreas Ferrato Corsica vaarwel had gezegd, en had zich in Istrië gevestigd. Daar had hij het zoutwerkers-ambacht ter hand genomen en hield zich voornamelijk onledig met de opbrengst der zoutpannen op de westkust naar het binnenland te vervoeren. Dat was een ondankbare arbeid, waarmede hij ter nauwernood zooveel verdienen kon om zijn ellendig bestaan te rekken.
Carpena was een stevige kerel en nog jong, daar hij nog niet ten volle vijf en twintig jaren telde. Hij was klein van gestalte, maar breed van schouders, had een dik hoofd, met gekroesd grof zwart haar bedekt, en een gelaat als een bulhond, dat volstrekt niets geruststellends had. Hij was niet gezellig van aard, doch haatdragend, wraakzuchtig en daarenboven nog lafhartig. Met zulke hoedanigheden begaafd, kon het niet vreemd heeten, dat hij in de buurt geenszins bemind was. Niemand wist, waarom hij zijn vaderland verlaten had. Hij had meermalen twist met zijne makkers, zoutarbeiders, gehad, waarbij bedreigingen geuit waren, waarbij zelfs vechtpartijen voorgevallen waren, en dat alles had hem volstrekt geen goeden naam bezorgd. Men liet hem volgaarne ter zijde.
Toch koesterde Carpena geen ongunstige meening over zijn eigen persoon. Verre van daar. Dat kan voldoende verklaring geven en men zal vernemen waarom hij gepoogd had met Andreas Ferrato in aanraking te komen. Het is waar, reeds bij het begin van die relatiën had hij vanwege den visscher geen aanlokkend onthaal ondervonden. Dat zal genoegzaam begrepen worden, wanneer de pretentiën van dien man in het volgende gesprek ontsluierd zullen zijn.
Nauwelijks had Carpena eene schrede in het vertrek gedaan, of Andreas Ferrato hield hem tegen, terwijl hij vroeg: [145]
„Neen, Stephanus, neen! Wij zullen te zamen sterven”, antwoordde graaf Sandorf. (Bladz. 150.)
[146]
„Wat komt gij hier doen?”
„Ik drentelde voorbij. Daar ik licht zag, heb ik aangeklopt.”
„Waarom?”
„Wel, om u als buurman een bezoek te brengen.”
„Uwe bezoeken mishagen mij, dat weet ge wel.”
„Gewoonlijk,” antwoordde de Spanjaard, „is dat zoo; maar heden.… Dat zal wel anders zijn.”
Andreas Ferrato begreep dat niet en kon ook de beteekenis van die raadselachtige woorden niet gissen. In den mond van Carpena waren zij evenwel onrustwekkend. Een vluchtige trilling kon de huisheer dan ook niet bemantelen en die ontging den bezoeker niet. Deze had de deur gesloten.
„Ik moet u spreken,” zei hij.
„Neen!”
„Jawel!”
„Gij hebt mij niets te zeggen.”
„Jawel.… Ik moet u afzonderlijk spreken,” vervolgde de Spanjaard, terwijl hij fluisterend sprak.
„Och kom!”
„Geloof me.”
„Nu, kom dan,” antwoordde de visscher, die dien dag goede redenen had om niemand den toegang tot zijn huis te weigeren. Op een teeken van Andreas Ferrato stapte Carpena de huishoudkamer door en volgde hem in zijne slaapkamer.
Die kamer was slechts door een zeer dun beschot van het vertrek gescheiden, waarin graaf Sandorf en zijn lotgenoot Stephanus Bathory verscholen waren. De eene kamer had uitzicht op de straat, de andere op het omheinde erf achter de woning. Toen zij alleen waren, vroeg de visscher:
„Wat wilt ge van mij?”
„Buurman,” antwoordde Carpena, „ik kom nog een beroep op uw goede vriendschap doen.”
„Vriendschap?.….” vroeg Andreas Ferrato smalend.
„Ja, vriendschap!”
„En ter zake van wat?”
„Ter zake van uwe dochter.”
„Daarover geen woord meer!”
„Maar hoor dan toch!.…”
„Geen woord! geen enkel woord!”
„Gij weet dat ik Maria bemin, en.…”
„Zwijg!”
„En dat het mijn vurigste wensch is, dat zij mijne vrouw wordt.”
Ja, dat was het droombeeld van Carpena.
Sedert verscheidene maanden vervolgde hij het jonge meisje met [147]zijne oplettendheden. Zooals de lezer wel begrijpen zal, werd hij daarbij eerder door baatzucht dan door liefde gedreven. Andreas Ferrato kon welgesteld heeten en was dat ook in den kring der visschers, waarin hij verkeerde. Hij mocht rijk genoemd worden in vergelijking met den Spanjaard, die niets ter wereld bezat.
Niets was dus natuurlijker dan dat Carpena de gedachte gekoesterd had, om de schoonzoon te worden van dien bemiddelde; maar niets was daartegenover ook natuurlijker, dan dat de visscher hem steeds en onveranderlijk afgescheept had. Een zoodanig sujet kon hem niet behagen.
„Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato koeltjes, „gij hebt u eerst tot mijne dochter gewend en die heeft „neen” gezegd. Daarop zijt gij tot mij gekomen en ik heb eveneens „neen” geantwoord. Gij komt heden andermaal op uw verzoek terug; ik antwoord u „neen!” voor de laatste maal.”
Het gelaat van den Spanjaard verwrong vreeselijk. Zijn lippen krulden om en lieten zijne tanden zien. Zijne oogen rolden woest en schoten vuurstralen. Maar de kamer, waarin de beide mannen zich bevonden, was slecht verlicht, zoodat Andreas Ferrato dat onheilspellend gelaat niet kon zien.
„Is dat uw laatste woord?” vroeg Carpena.
„Ja!”
„Onherroepelijk?
„Ja, onherroepelijk mijn laatste woord, wanneer het de laatste maal zal zijn, dat gij uw aanzoek herhaalt,” antwoordde de visscher. „Komt gij er evenwel op terug, dan zult gij steeds hetzelfde antwoord ontvangen.”
„Ik zal er op terugkomen!.…”
„Dat is volmaakt noodeloos!”
„Ja, ik zal er op terugkomen, wanneer Maria mij zeggen zal om het te doen.”
„Zij?.…”
„Ja, zij!”
„Zij!.…” riep Andreas Ferrato uit. „Zij! Gij weet wel dat mijne dochter noch vriendschap, noch achting voor u koestert!”
„Hare gevoelens kunnen veranderen, wanneer.…”
„Kom, loop heen.”
„Wanneer ik een onderhoud met haar gehad zal hebben.”
„Een onderhoud?”
„Ja, Ferrato, ik wensch haar te spreken.”
„Wanneer?”
„Dadelijk!.… Hoort ge?.… Ik moet haar dadelijk spreken …”
„Moet?” vroeg de visscher toornig.
„Ja, ik moet. En dat nog wel heden avond.” [148]
„Ik weiger voor haar!”
„Pas op!”
„Geen bedreigingen!”
„Pas op!” herhaalde Carpena, die thans luider sprak. „Pas op!”
„Waarop?”
„Ik zal mij wreken!”
„Ha, ha, ha!”
„Ja, ik zal mij wreken!”
„Welnu, wreek je, als ge kunt en als ge durft, Carpena,” antwoordde Andreas Ferrato, die nog meer toornig werd.
„Sar me niet!”
„Wreek je; je bedreigingen jagen mij geen angst aan, dat weet je wel!”
De Spanjaard knarsetandde.
„En nu de deur uit!” ging Andreas Ferrato voort. „Of ik smijt je naar buiten!”
Het bloed steeg Carpena naar het hoofd. Hij was op het punt om geweld tegen den visscher te begaan; maar het gelukte hem zich te bedwingen, en na de deur met kracht opengesmeten te hebben, vloog hij de huiskamer door en het huis uit zonder een woord gesproken te hebben.
Nauwelijks was hij buiten, toen de deur der naburige kamer, waarin de vluchtelingen verborgen waren, openging. Graaf Sandorf, wien niets van dat onderhoud ontgaan was, verscheen op den drempel, en op Andreas Ferrato toetredende, zei hij op fluisterenden toon:
„Dat is de man, die ons aan den brigadier der maréchaussées verraden heeft. Hij kent ons. Hij heeft ons gezien, toen wij op den oever van het kanaal van Léma voet aan wal zetten. Hij heeft ons tot Rovigno gevolgd. Hij weet blijkbaar, dat gij ons eene schuilplaats in uw huis verleend hebt. Laat ons dan dadelijk vluchten, anders zijn wij verloren, en.… gij met ons!”