Waarde lezer, weet ge, wien men een „greenhorn” noemt? Hij, die nog jong en onervaren, de wijde wereld ingaat en die langzaam en voorzichtig zijn voelhorens moet uitsteken, wil hij geen kans loopen, zich duchtig te stooten of uitgelachen te worden.
Een „greenhorn” is een mensch, die niet van zijn stoel opstaat, wanneer een dame daarop wil gaan zitten, die den heer des huizes groet, voor hij een buiging heeft gemaakt voor mevrouw en de dochter, die bij het laden van ’t geweer de patronen verkeerd in den loop doet, die een rancoon voor een oppossum aanziet, en een knappe mulattin voor een quadrone houdt. Een „greenhorn” rookt cigaretten en heeft een afschuw van tabakpruimers. Een „greenhorn” loopt, wanneer hij van iemand een oorvijg krijgt, onmiddellijk naar den vrederechter, in plaats van, zooals een echte Yankee zou doen, den kerel op de plaats neer te schieten. Een „greenhorn” ziet de sporen van een kalkoen voor berenklauwen aan en een sportjacht voor een Mississippisteamer.
Een „greenhorn” geneert zich niet, zijn vuile laarzen op de knieën van een medereiziger te leggen of zijn soep op te lepelen met een stuk van een buffelhoorn. Een „greenhorn” sleept, voor de zindelijkheid, een groote spons en tien pond zeep mee naar de prairie en neemt een kompas mee, dat na drie dagen alle andere richtingen aanwijst, behalve het noorden. Een „greenhorn” schrijft eenige honderden Indiaansche uitdrukkingen op en wanneer hij den eersten roodhuid ontmoet, bemerkt hij, dat hij de aanteekeningen heeft thuisgelaten. Een „greenhorn” koopt kruit en als hij het eerste schot wil doen, komt hij tot de ontdekking, dat men hem gemalen houtskool in de handen heeft gestopt. Een „greenhorn” heeft jarenlang sterrenkunde bestudeerd, maar kan even zoolang naar den sterrenhemel [6]staan kijken, zonder te kunnen zeggen hoe laat het is. Een „greenhorn” steekt het bowiemes zoo in den gordel, dat de kling hem, als hij zich bukt, in de kuit steekt. Een „greenhorn” maakt in ’t verre westen een legervuur, dat hoog opvlamt en verwondert er zich over, dat hij door de Indianen wordt ontdekt en doodgeschoten. Een „greenhorn” is nu eenmaal een „greenhorn” en zulk een „greenhorn” was ik destijds.
Men denke echter niet, dat ik mij bewust was, dat deze naam op mij van toepassing was, o neen, want dit is juist de grootste eigenaardigheid van alle „greenhorn”, dat zij eerder alle andere menschen, dan zichzelf voor „greenhorn” aanzien.
Ik meende integendeel een buitengewoon verstandig en ervaren mensch te zijn, ik had immers goed gestudeerd en had alle examens met glans afgelegd.
Dat het leven eigenlijk de eenige hoogeschool is, in welke de leerlingen dagelijks op de proef worden gesteld, daaraan had ik nooit gedacht. De omstandigheden en, laat ik er bij voegen, een onbedwingbare lust tot avonturen, hadden mij over den oceaan naar de Vereenigde Staten gedreven, waar destijds voor jonge werkzame menschen, een betere toekomst lag dan heden ten dage. Ik had ook in de oostelijke Staten een goed bestaan kunnen vinden, maar ik wilde liever naar het Westen.
Dan op deze, dan op gene wijze tijdelijk werkzaam, had ik zooveel verdiend, dat ik uiterlijk goed toegerust en innerlijk vol moed, in St. Louis aankwam. Daar kwam ik in kennis met een Duitsche familie, die mij als huisonderwijzer wilde aannemen. Bij deze familie ontmoette ik Mr. Henry, een buksenmaker, die zijn handwerk met de toewijding van een kunstenaar uitoefende en zich met zekeren trots Mr. Henry, the Gunsmith, liet noemen.
Deze man was een groot menschenvriend, hoewel hij het tegendeel scheen te zijn, want, behalve met de zooeven genoemde familie ging hij met niemand om, en hij behandelde zelfs zijn klanten zoo ruw en onbeleefd, dat men hem alleen begunstigde om de uitstekende waar, welke hij leverde. Hij had zijn vrouw en kinderen onder zeer treurige omstandigheden verloren, en hoewel hij er bijna nooit over sprak, maakte ik uit enkele gezegden op, dat zij bij een overval door Indianen vermoord waren geworden.
Hij was zichzelf niet bewust, dat hij uiterlijk zulk een lomperd was geworden, maar innerlijk was hij goed en zacht en dikwijls heb ik een traan zien blinken in zijn oogen, wanneer ik sprak van mijn familie en van mijn vaderland.
Waarom deze oude man zulk een voorliefde voor mij, den jongen [7]vreemdeling koesterde, heb ik niet geweten, voor hij ’t mij zelf eens vertelde. Sedert ik bij de familie inwoonde, kwam hij meer dan te voren, hoorde toe, wanneer ik les gaf en noodigde mij eindelijk uit, hem eens te komen bezoeken. Nog nooit was hij zoo beleefd tegenover anderen geweest en ik paste wel op geen misbruik te maken van zijn vriendelijkheid. Deze terughoudendheid scheen hem evenwel niet te bevallen, ik herinner mij nog heden zijn boos gezicht toen ik na in eenige dagen niet bij hem te zijn geweest, aan zijn deur klopte.
—Waar zijt gij dan gisteren geweest, sir?—vroeg hij, zonder eerst mijn „good evening” te beantwoorden.
—Thuis.
—En eergisteren?
—Ook thuis.
—Maak mij dat niet wijs.
—Het is waar, Mr. Henry.
—Kom, kom, zulke groene vogels, als gij er een zijt, blijven niet in ’t nest zitten, die komen overal, behalve waar zij thuis hooren.
—En waar hoor ik dan thuis, als ik u vragen mag?
—Wel natuurlijk, hier bij mij! Ik heb u al zoolang iets willen vragen.
—Waarom hebt gij ’t niet gedaan?
—Omdat ik niet wilde, verstaat ge?
—En wanneer wilt gij het dan doen?
—Vandaag misschien.
—Vraag maar gerust op,—antwoordde ik, terwijl ik op de draaibank ging zitten, waaraan hij werkte.
—Gerust op! Alsof ik een „greenhorn”, zooals gij zijt, eerst verlof moet vragen, wanneer ik met hem wil spreken.
—Greenhorn?—vroeg ik, het voorhoofd fronsend, want ik voelde mij zeer beleedigd.—Ik veronderstel, dat gij dit woord uitspreekt, zonder er bij te denken.
—Verbeeld u dat maar niet, sir! Ik heb met opzet dit woord gebruikt, gij zijt een „greenhorn” en anders niet. De inhoud van uw boeken hebt gij in uw hoofd, dat is waar, het is verbazend, wat de jonge menschen daarginds moeten leeren. Gij weet nauwkeurig, hoever de sterren van hier verwijderd zijn, wat koning Nebukadnezar op tegelsteenen geschreven heeft en hoe zwaar de lucht weegt, welke men niet eens kan zien. En omdat ge dit weet, verbeeldt ge u, een knap man te zijn! Maar steek den neus eens in de wereld, zoo’n vijftig jaar lang, weet ge, dan zult ge eerst eens zien, waarin de rechte knapheid bestaat. Wat gij tot nu toe hebt geleerd, is niets—in ’t geheel niets.—En wat gij kunt, is nog veel minder. Gij kunt immers niet eens een geweer afschieten! [8]
Hij zeide dit op zulk een minachtenden toon en met zulk een beslistheid, alsof hij volkomen zeker van zijn zaak was.
—Ik geen geweer afschieten?—antwoordde ik glimlachend.—Is dat misschien de vraag, welke gij mij wildet doen?
—Ja, antwoord mij daarop.
—Geef mij een goed geweer, dan zal ik u antwoorden, eerder niet.
Toen legde hij den loop van de buks, waarmee hij bezig was neer, zag mij verbaasd aan en riep:
—Een geweer, u, sir? Geen sprake van, mijn geweren komen slechts in handen van hen, die ze waardig zijn.
—Probeer het eens!
Hij zag mij nog eenmaal van ter zijde aan, ging zitten en begon weer te werken, terwijl hij bromde:
—Zulk een „greenhorn”! Ik zou mij kwaad kunnen maken over zulk een brutaliteit.
Ik zeide niets meer, want ik kende hem, nam een sigaar uit mijn koker en stak die aan. Een kwartier lang was het stil. Langer kon hij het evenwel niet uithouden en terwijl hij den loop tegen het licht hield en er door keek, begon hij:
—Schieten is veel moeilijker, dan naar de sterren zien of oude tegelsteenen lezen, begrijpt ge? Hebt ge dan wel ooit een geweer in de hand gehad?
—Dat zou ik denken!
—Wanneer?
—Dikwijls.
—Ook aangelegd en afgeschoten?
—Ja.
—En geraakt?
—Natuurlijk!
Toen liet hij den loop, dien hij onderzocht had, zinken, zag mij weer aan en zeide:
—Nu ja, geraakt, natuurlijk, maar wat?
—Het doel, dat spreekt.
—Wat, wilt gij mij dat in ernst wijsmaken?
—Ik beweer het en het is een feit.
—Loop rond. Met u komt men nooit verder. Ik weet zeker, dat gij een muur, die twintig el hoog en vijftig el lang is, zoudt voorbijschieten en toch zet gij bij uw bewering zulk een ernstig gezicht, dat mijn bloed zou gaan koken. Ik ben geen kwajongen, dien ge les geeft! Zulk een boekenworm, als gij zijt, durft zeggen, dat hij goed kan schieten! Gij hebt immers geen tijd gehad om het te leeren. Neem dat oude geweer, dat daarginds aan den spijker hangt en [9]leg eens aan, alsof ge wildet schieten. Het is een echte berendooder, de beste, die ik ooit in mijn handen heb gehad.
Ik nam het geweer en legde aan.
—Hallo!—riep hij, terwijl hij opsprong.—Wat beteekent dat? Gij gaat met dat geweer om, alsof het een lichte wandelstok is en toch is het het zwaarste geweer, dat ik ken! Zijt gij zoo sterk?
In plaats van te antwoorden, nam ik hem bij zijn toegeknoopte jas en zijn broeksband en hief hem van den grond op.
—Wat drommel!—schreeuwde hij.—Laat mij los, gij zijt nog veel sterker dan mijn Bill!
—Uw Bill? Wie is dat?
—Hij is mijn zoon, die … maar laat ons daarover zwijgen. Hij is dood, evenals de anderen. Hij beloofde een flinke kerel te zullen worden, maar werd gedood terwijl ik afwezig was. Gij lijkt op hem, hebt dezelfde oogen en ook denzelfden trek om den mond, daarom mag ik u—maar dat gaat u ook niets aan!
Hij streek met de hand over het gezicht, en vervolgde toen op vroolijken toon:
—Maar het is jammer, dat gij met uw spierkracht altijd over de boeken hebt gezeten, in plaats van uw lichaam te oefenen!
—Maar dat heb ik toch ook gedaan?
—Werkelijk?
—Zeker.
—Kunt gij boksen?
—Dat wordt bij ons niet gedaan, maar in gymnastiseeren en worstelen ben ik zeer bedreven.
—Kunt gij paardrijden?
—Ja.
—Schermen?
—Daarin heb ik les gegeven.
—Ik houd niet van bluffen.
—Dat doe ik niet, wilt gij het eens met mij probeeren?
—Dank u zeer, ik heb genoeg van zooeven, en bovendien, ik moet werken, ga weer bij mij zitten!
Hij keerde naar zijn draaibank terug en ik volgde hem. Het nu volgend gesprek bepaalde zich tot korte vragen en antwoorden. Mr. Henry scheen zich in gedachten met iets zeer ernstigs bezig te houden.
Plotseling zag hij van zijn werk op en vroeg:
—Hebt gij aan wiskunde gedaan?
—Het was een van mijn lievelingsvakken.
—Rekenkunde en meetkunde?
—Natuurlijk. [10]
—Landmeten?
—Dat heb ik veel gedaan, dikwijls liep ik voor mijn plezier met de theodoliet in het veld rond.
—En kunt gij meten, werkelijk meten?
—Ja, ik heb dikwijls horizontaalmetingen en hoogtemetingen gedaan, hoewel ik niet wil beweren, dat ik een meester in dit vak ben.
—Goed, zeer goed!
—Waarom vraagt gij mij dat, Mr. Henry?
—Daar heb ik mijn reden voor, begrepen?—dat behoeft gij nu nog niet te weten, ’k moet echter eerst zeker weten, of gij kunt schieten.
—Stel mij dan op de proef!
—Dat zal ik doen, daarop kunt gij rekenen. Hoe laat hebt gij morgen vroeg les?
—Om acht uur.
—Kom dan om zes uur bij mij, wij zullen dan samen naar de schietbaan gaan, waar ik mijn geweren inschiet.
—Waarom zoo vroeg?
—Omdat ik niet langer wil wachten, ik ben zeer nieuwsgierig te weten wat gij kunt. En nu genoeg daarvan, ik heb wel wat anders te doen, dat veel gewichtiger is.
Hij scheen met zijn geweerloop gereed te zijn, en nam uit een kast een veelhoekig stuk ijzer, waarvan hij de kanten begon af te vijlen. Ik zag dat in elken kant een gat was.
Hij was zoo geheel met zijn gedachten bij zijn werk, dat hij mijn aanwezigheid geheel vergeten scheen te zijn. Zijn oogen fonkelden, en wanneer hij zijn werk van tijd tot tijd bezag, was het met een uitdrukking van trots. Ik was verlangend te weten, wat kunstvoorwerp dit wel zou worden en vroeg daarom:
—Wordt dit ook een stuk van een geweer, Mr. Henry?
—Ja,—antwoordde hij, alsof hij eerst nu bemerkte, dat ik er nog altijd was.
—Maar ik begrijp niet, waar dat in moet passen.
—Dat wil ik graag gelooven. Een nieuw systeem, systeem Henry.
—Zoo, dus een nieuwe uitvinding?
—Yes.
—Dan vraag ik verschooning voor mijn onbescheidenheid, het is natuurlijk een geheim!
Hij keek nauwkeurig in alle gaten, draaide het ijzer naar verschillende kanten, paste het eenige malen in den loop en zeide eindelijk:
—Ja, het is een geheim, maar ik vertrouw u, want ik weet dat gij kunt zwijgen, al zijt gij ook een „greenhorn”, daarom zal ik u [11]vertellen, wat dit moet worden. Het is een repeteergeweer met vijf en twintig schoten.
—Onmogelijk!
—Houd uw mond! Ik ben niet zoo dom, iets onmogelijks te willen!
—Maar dan moet gij immers kamers hebben, om de ammunitie te bergen.
—Die heb ik ook.
—Zij moeten echter zoo groot zijn en zullen ’t geweer lomp en zwaar maken.
—Ik heb slechts één kamer, dit ijzer.
—Hm! ik heb geen begrip van uw vak, maar zal de loop niet te heet worden?
—Geen sprake van, het materiaal en de bewerking van den loop, dat blijft mijn geheim. Bovendien is het dan altijd noodig, de vijf en twintig schoten alle achter elkaar af te vuren?
—Zeker niet.
—Dus, dit ijzer wordt een bol, welke ronddraait, de vijf en twintig gaten daarin bevatten vijf en twintig kogels. Bij ieder schot schuift de kogel een eindje verder en komt de volgende patroon voor den loop. Ik heb jarenlang met dit idee rondgeloopen, maar ’t wilde mij niet gelukken, het ten uitvoer te brengen, nu schijnt het te gaan. Ik heb reeds een goeden naam als geweermaker, maar dan zal ik beroemd worden, en veel, veel geld verdienen.
—En een kwaad geweten bovendien.
Hij zag mij een oogenblik verbaasd aan en vroeg toen:
—Een kwaad geweten, waarom?
—Meent gij, dat een moordenaar geen kwaad geweten behoeft te hebben?
—Gekheid! Wilt gij zeggen, dat ik een moordenaar ben?
—Nu nog niet.
—Of een moordenaar zal worden?
—Ja, want wanneer men iemand behulpzaam is bij een moord, is men even schuldig als de moordenaars zelf.
—Loop naar den duivel. Ik zal mij wel wachten hulp te verleenen bij een moord.
—Maar, gij geeft aanleiding tot moord in het groot.
—Hoe dan? ik begrijp u niet.
—Wanneer gij een geweer maakt, dat vijf en twintig schoten bevatten kan, en het in de handen van den eersten den besten schurk geeft, die het hebben wil, dan zullen daarginds in de prairiën, in de wouden en in de kloven van ’t gebergte gruwelijke moorden worden [12]gepleegd; men zal de arme Indianen neerschieten als honden, en binnen enkele jaren zal er geen Indiaan meer in leven zijn. Wilt gij dit op uw geweten hebben?
Hij staarde mij aan en antwoordde niet.
—En,—ging ik voort,—wanneer iedereen zich dit geweer voor geld kan aanschaffen, zoo zult gij zeker in korten tijd duizenden verkoopen, maar de mustangs en buffels zullen uitgeroeid worden en met hen, elk ander soort van wild, dat de roodhuid noodig heeft om te leven. Er zullen honderd en duizend jagers, met uw geweer bewapend, naar het Westen trekken, stroomen bloeds van menschen en dieren zullen vloeien en zeer spoedig zullen deze streken geheel ontvolkt zijn.
—Duizend bommen en granaten!—riep hij nu uit.—Zijt gij werkelijk eerst onlangs uit Duitschland hier gekomen?
—Ja.
—En zijt gij vroeger nooit hier geweest?
—Neen.
—En ook nooit in de Far-West?
—Neen.
—Dus gij zijt nog een echte „greenhorn”. En toch praat gij, als waart gij de overgrootvader van alle Indianen, als hadt gij reeds jaren en jaren hier gewoond en geleefd! Kereltje, verbeeld u maar niet mij warm te zullen maken. Zelfs al was alles, zooals gij het zegt, dan nog zou ’t mij nooit in het hoofd zijn gekomen, een geweerfabriek op te zetten. Ik ben een eenzaam man en wil eenzaam blijven, ik heb niet den minsten lust, mij met honderd of misschien nog meer werklieden in te laten.
—Maar gij kunt toch, om geld te verdienen, patent nemen op uw uitvinding en dat verkoopen?
—Wacht dat maar kalmpjes af, sir! Tot nog toe, heb ik alles kunnen krijgen, wat ik noodig had, en ik denk, dat ik ook in ’t vervolg, zonder patent, wel geen gebrek zal behoeven te lijden. En ga nu maar naar huis. Ik heb geen lust een vogel te hooren piepen, die pas uit zijn nest is gevlogen en nog niet fluiten of zingen kan.
Ik dacht er niet aan, hem deze woorden kwalijk te nemen, ik wist wel, dat hij ’t zoo kwaad niet meende. Hij had genegenheid voor mij opgevat en wilde alles doen, wat nuttig en dienstig voor mij was. Ik drukte hem dus de hand en verliet hem.
Weinig vermoedde ik, van welk een beteekenis deze avond voor mij zou worden en evenmin kon ik denken, dat deze berendooder, dien Mr. Henry een oud geweer noemde, zulk een groote rol in mijn later leven zou spelen. Ik verheugde mij alleen op den volgenden [13]morgen, want ik had reeds veel en dikwijls geschoten en was overtuigd, dat ik de proef glansrijk zou doorstaan.
Precies om zes uur klopte ik den volgenden morgen bij hem aan. Hij stond mij reeds op te wachten, stak mij de hand toe en zeide, terwijl een glimlach over zijn gelaat vloog:
—Welkom, jongeheer! Gij zet een gezicht, alsof gij zeker waart van de overwinning. Denkt gij, dat gij den muur, waarover wij gisteren spraken, kunt treffen?
—Ik hoop het.
—Welnu, wij zullen zien. Neem gij den berendooder, ik zal een lichter soort geweer meenemen, dat ding is mij te zwaar.
Op het schietterrein gekomen laadde hij beide geweren en schoot het zijne af. Toen kwam ik aan de beurt. Ik kende het geweer nog niet en trof bij het eerste schot slechts den buitenrand, de tweede kogel zat reeds meer naar het midden, de derde trof precies het middelpunt en de volgende kogels vlogen alle door het gat, dat de derde gemaakt had. Mr. Henry’s verbazing werd bij elk schot grooter, ik moest ook met zijn geweer probeeren en toen dit hetzelfde resultaat had, riep hij uit:
—Wel voor den duivel, gij zijt een geboren prairielooper!
Ik lachte.
—Werkelijk, het is uw plicht, naar het Westen te gaan, hebt gij daartoe geen lust?
—Waarom zou ik niet!
—Wij zullen zien wat wij van zulk een „greenhorn” kunnen maken. Dus, paardrijden kunt ge ook?
—Als ’t zijn moet, zeker!
—Dus gij hebt het in die kunst niet zoover gebracht, als in ’t schieten?
—Och, het opstijgen is bij ’t rijden het moeilijkste. Zit ik eerst in zadel, dan kan geen paard er mij afwerpen!
Hij zag mij uitvorschend aan, om te zien of ik in ernst of in scherts sprak, maar, daar ik een zeer gewoon gezicht zette, vervolgde hij:
—Meent gij dat? Wilt gij u misschien aan de manen vasthouden? Dat gaat toch niet? Gij hebt terecht gezegd, het opstijgen is het moeielijkste, want dat moet men zelf doen, het afkomen is veel gemakkelijker, daarvoor zorgt het paard wel.
—Bij mij niet!
—Zoo? nu, dat zullen wij dan eens zien. Hebt gij lust, een proef te leveren?
—Gaarne.
—Kom dan mee, het is pas zeven uur, gij hebt dus nog een uur [14]tijd. Wij gaan naar Jim Körner, den paardenhandelaar, hij heeft een schimmel, die het u moeilijk genoeg kan maken.
Wij keerden naar de stad terug en zochten den paardenhandelaar op, bij wiens huis een flinke rijplaats was, rondom door stallen omgeven.
—Deze jongeheer beweert, dat hij zich door geen paard uit den zadel laat werpen,—zoo begon Mr. Henry,—wat denkt gij daarvan, Mr. Körner, wilt gij hem eens op uw schimmel laten rijden?
De paardenkoopman zag mij met een onderzoekenden blik aan, knikte toen tevreden en antwoordde:
—Het beenderengestel schijnt goed en elastisch te zijn, bovendien, jonge menschen breken den hals niet zoo licht als oudere lieden. Als de jongeheer den schimmel wil probeeren, dan heb ik er niets tegen.
Hij ging naar een stal en eenige oogenblikken later leidden twee knechts het gezadelde paard op de plaats. Het dier was zeer onrustig en trachtte zich los te trekken. Mr. Henry nu werd zoo beangst voor mij, dat hij mij dringend verzocht, af te zien van de poging om dit dier te berijden, maar in de eerste plaats was ik in ’t geheel niet bang, en in de tweede plaats beschouwde ik het nu als een zaak van eer. Ik liet mij een rijzweep geven en sporen aangespen, toen klom ik, wel is waar eerst na eenige vergeefsche pogingen, in den zadel. Nauwelijks zat ik, of de knechts snelden haastig weg en de schimmel deed een sprong in de lucht en een ter zijde. Ik bleef zitten, en haastte mij, de voeten in de stijgbeugels te zetten. Toen begon het dier te steigeren; toen dit niet hielp, ging hij naar den muur en trachtte mij af te schuiven, maar met een paar flinke zweepslagen dreef ik hem weer naar het midden. Hierop begon een voor mij gevaarlijke strijd tusschen ruiter en ros. Ik spande al mijn krachten in, drukte hem de schenkels stijf tegen de lendenen en bleef ten slotte overwinnaar. Toen ik afsteeg, beefde ik aan al mijn leden, mijn knieën knikten, maar het paard droop van zweet en groote vlokken schuim stonden hem op den bek, hij gehoorzaamde evenwel aan elken druk.
De paardenkoopman was in angst om zijn paard, belegde het zorgvuldig met dekens en liet het langzaam op en neer loopen. Eindelijk wendde hij zich tot mij:
—Dat had ik niet gedacht, jongmensch, gij hebt het er goed afgebracht. Natuurlijk behoeft gij niets te betalen, en ik zou wel gaarne willen, dat gij eens spoedig terugkwaamt, om het dier geheel te temmen. Het komt mij op tien dollars niet aan, want het is geen goedkoop paard, en wanneer het leert te gehoorzamen kan ik er goede zaken mee maken.
—Het zal mij een waar genoegen zijn, den schimmel nog eens te berijden,—antwoordde ik. [15]
Mr. Henry had sinds ik afgestegen was, nog geen woord gezegd, maar mij steeds hoofdschuddend aangezien. Nu echter riep hij uit:
—Deze „greenhorn” is werkelijk een buitengewone „greenhorn,” hij heeft het paard halfdood gedrukt, in plaats van zich in het zand te laten werpen. Wie heeft u dat geleerd, sir!
—Het toeval, dat mij een half wilden, Hongaarschen hengst, dien niemand op zijn rug duldde, deed dresseeren. Ik heb hem langzamerhand getemd, evenwel niet zonder mijn leven er bij te wagen.
—Ik heb respect voor zulke beesten, dan houd ik het met mijn leuningstoel, welke er niets tegen heeft, dat ik op hem ga zitten. Ik ben er duizelig van geworden, maar ik heb u niet voor niets zien rijden en schieten, dat verzeker ik u.
Wij gingen nu ieder naar zijn eigen woning en in de twee volgende dagen zag ik hem niet. Den daarop volgenden dag evenwel zocht hij mij op.
—Hebt gij lust, een eindje met mij te wandelen?—vroeg hij.
—Waarheen?
—Naar een heer, die u gaarne wil leeren kennen.
—Waarom?
—Wel, dat begrijpt ge, omdat hij nog nooit een „greenhorn” heeft gezien.
—Dan ga ik mee.
Ik zag aan zijn schrander gezicht, dat hij iets bijzonders met mij voorhad. Wij slenterden verschillende straten door, tot wij aan een kantoor kwamen, dat met groote glazen deuren van de straat was afgesloten. Hij ging zoo vlug binnen, dat ik geen tijd had de vergulde letters, die op de glasruiten stonden, te lezen, ik meende evenwel de woorden: „office” en „surveying” gezien te hebben en het bleek, dat ik mij niet had vergist.
In het kantoor bevonden zich drie heeren, die hem zeer vriendelijk en mij zeer beleefd ontvingen. Op de tafels lagen kaarten en teekeningen en verschillenden meetinstrumenten.
Welk doel mijn vriend met dit bezoek had, was mij niet duidelijk, hij had geen bijzondere boodschap, geen bestelling te doen, hij scheen alleen gekomen te zijn om een joviaal praatje te houden. Het gesprek vlotte nogal en natuurlijk had men het heel spoedig over de verschillende voorwerpen en instrumenten, die zich in het vertrek bevonden en daar deze mijn belangstelling wekten, gaf ook ik mijn op- en aanmerkingen ten beste.
Mr. Henry scheen vandaag bijzonder veel belang te stellen in de kunst van landmeten, hij wilde daarvan alles weten en onwillekeurig [16]verklaarde ik hem het gebruik van alle instrumenten en legde hem de kaarten en teekeningen uit. Ik was werkelijk nog een echte „greenhorn,” dat ik den geheimen aanslag, die tegen mij gesmeed werd, niet opmerkte. Eerst toen ik mij uitvoerig had uitgelaten over het verschil der opmetingen door coördinaten, over de pool en diagonaalmethode, over den perimeter, en de driehoeksmeting, zag ik, dat de drie heeren blikken van verstandhouding wisselden met mijn vriend, den geweermaker, en kreeg ik een vermoeden, dat men mij hier had laten komen, om mij een soort van examen te laten afleggen. Ik stond op en gaf Mr. Henry een wenk, dat ik wenschte heen te gaan. Hij was dadelijk gereed, de drie heeren lieten ons uit, en het afscheid was nog vriendelijker en beleefder dan de ontvangst was geweest.
Toen wij zoover van het kantoor waren verwijderd, dat men ons van daaruit niet meer kon zien, bleef Henry staan, legde mij de hand op den schouder en zeide, terwijl zijn gezicht van voldoening straalde:
—Man, mensch, jongeling, greenhorn. Wat heb ik daar een plezier aan u beleefd, ik ben werkelijk trotsch op u.
—Waarom?
—Omdat gij mijn verwachtingen nog hebt overtroffen!
—Verwachtingen? Ik begrijp u niet.
—Dat is ook niet noodig. De zaak is evenwel zeer eenvoudig. Gij beweerdet onlangs, dat gij iets van het landmeten kendet en om te weten, of het slechts bluf was, heb ik u naar deze heeren gebracht, goede bekenden van mij, die u eens aan den tand hebben gevoeld. Gij hebt u er uitstekend uit gered.
—Bluf? Mr. Henry, als gij mij tot zulke dingen in staat acht, kom ik nooit weer bij u.
—Kom, kom, geen dwaasheid, gij zult mij, oude man, toch niet van het genoegen berooven, u van tijd tot tijd te zien. Weet ge, gij doet mij zoo aan mijn zoon denken. Zijt ge al eens weer bij den paardenkoopman geweest?
—Zeker, alle dagen.
—En hebt gij den schimmel bereden?
—Ja.
—Komt er van dat paard iets terecht?
—Daar kunt ge op aan, maar ik betwijfel wel een beetje, of degene, die hem koopt, er evengoed mee overweg zal kunnen als ik. Het is nu aan mij gewend, maar zal ieder ander nog trachten af te werpen.
—Dat verheugt mij, hij wil dus, naar het schijnt, alleen „greenhorn” dragen. Ga deze zijstraat eens mee in. Ik weet daar een heerlijk [17]dining-house, waar men goed eet en nog beter drinkt. Wij moeten een glas ledigen op het succes van het examen, dat gij hebt afgelegd.
Ik wist niet recht, wat ik aan Mr. Henry had. Deze eenzame, teruggetrokken man wilde in een dining-house eten! Zijn gezicht had een geheel andere uitdrukking dan gewoonlijk en zijn stem klonk zoo bijzonder opgewekt.
Van dien dag af bezocht hij mij dagelijks en behandelde hij mij als een goede vriend, die men vreest spoedig te zullen verliezen. Maar hij zorgde er wel voor, dat ik niet trotsch kon worden op zijn vriendschap, want zoo nu en dan liet hij mij gevoelen, dat ik in zijn oog altijd nog een „greenhorn” bleef.
Vreemd genoeg, de verhouding tusschen mij en de familie, bij wie ik in dienst was, veranderde eveneens. De ouders behandelden mij met meer onderscheiding en de kinderen schenen meer eerbied voor mij te hebben. Ik zag dat zij onder elkander blikken wisselden, doch begreep niets van deze geheimzinnigheid.
Ongeveer drie weken na ons zonderling bezoek aan het kantoor, verzocht de vrouw des huizes mij op een avond niet uit te gaan, maar het avondeten met de familie te gebruiken. Als reden voor deze uitnoodiging gaf zij op, dat Mr. Henry zou komen, en dat zij buitendien nog twee andere gasten verwachtte, waarvan de een Sam Hawkins heette.
Daar ik huisgenoot was, behoefde ik niet precies tot klokke acht te wachten, maar ging ik eenige minuten eerder naar de dining-room. Daar zag ik tot mijn verbazing, dat de tafel als voor een feest was gedekt. De kleine, vijfjarige Emma was alleen in de kamer en maakte van deze gelegenheid gebruik om even te snoepen van de bessengelei, welke op tafel stond. Toen ik dreigend den vinger ophief, kwam zij ijlings naar mij toe huppelen en fluisterde mij eenige woorden in het oor.
Ik meende eerst verkeerd verstaan te hebben, maar toen zij op mijn verzoek de woorden herhaalde, hoorde ik duidelijk: „your farewell-feast!”
Mijn afscheidsmaal! Dat kon toch onmogelijk waar zijn! Wie weet door welk een misverstand het kind op dit dwaze denkbeeld was gekomen. Ik glimlachte, wilde verder vragen, maar hoorde stemmen in de kamer daarnaast. De gasten waren dus gekomen en ik ging er heen, om hen te begroeten. Mr. Henry kwam op mij toe en stelde mij aan de twee andere gasten voor, Mr. Black en Sam Hawkins, den jager uit de Far-West.
Ik wil graag gelooven, dat ik op dit oogenblik een zeer onnoozel [18]gezicht heb gezet, maar zoo’n eigenaardige persoonlijkheid, als thans voor mij stond, had ik toen ook nog nooit gezien. Zelfs op straat zou men den man niet voorbij zijn gegaan zonder even om te zien; welk een zonderlingen indruk moest hij dus maken, hier in de deftige ontvangkamer van een welgestelde familie. Hij stond daar in ’t zelfde kostuum, dat hij in de wildernis droeg, met zijn hoed stijf op zijn hoofd en zijn geweer in zijn hand.
Onder den neerhangenden rand van dezen grooten vilten hoed, die zeker reeds eenige jaren dienst had gedaan, kwam, tusschen een bosch verwarde zwarte haren, een neus te voorschijn van zulk een ongehoorde afmeting, als men zelden heeft gezien. Ten gevolge van den ontzettenden baardgroei, was, behalve het reukorgaan, van de overige gezichtsdeelen weinig anders meer te zien, dan twee kleine, verstandige oogjes, die snel heen en weer gingen en eindelijk met een schalksche uitdrukking op mij bleven rusten.
Hij zag mij even opmerkzaam aan als ik hem; later vernam ik de reden waarom hij zooveel belang in mij stelde.
Het hoofd rustte op een lichaam, dat tot aan de knieën gehuld was in een oud, lederen jachthemd, naar ’t mij toescheen oorspronkelijk voor iemand van meerdere lengte bestemd. Het gaf den kleinen man het uitzien van een kind, dat voor de grap de chamber-cloak van zijn grootvader heeft aangetrokken. Een paar magere kromme beenen, omgeven door uitgerafelde kniestukken, staken in een paar kolossale jachtlaarzen, die desnoods het geheele mannetje hadden kunnen bergen.
Deze beroemde prairiejager had een geweer in de hand, dat ik slechts met de grootste voorzichtigheid zou hebben aangepakt, want het geleek meer op een knuppel, dan op een geweer. Ik kon mij op dit oogenblik geen grootere caricatuur van een prairiejager denken, en toch zou het niet lang duren, of ik zou dit origineele mannetje naar waarde leeren schatten.
Nadat hij mij eenige minuten goed had aangezien, vroeg hij aan den geweermaker met een stem, als die van een kind:
—Is dit dus de „greenhorn” van wien gij mij hebt verteld, Mr. Henry?
—Yes,—knikte deze.
—Well, lijkt niet zoo kwaad! Ik hoop, dat Sam Hawkins ook nogal in zijn smaak valt, hihihihi!
Met dezen eigenaardigen lach, dien ik later nog duizendmaal van hem heb gehoord, wendde hij zich naar de deur, die juist openging. De gastheer en gastvrouw traden binnen en begroetten den jager, op een wijze, die deed vermoeden, dat hij geen vreemde in dit huis was. Toen noodigden zij ons uit, naar de eetkamer te gaan. [19]
Zelfs nu nog hield Sam Hawkins zijn hoed en zijn geweer bij zich en eerst toen ons de plaatsen aan tafel waren gewezen, zeide hij, terwijl hij op zijn vuurwapen wees:
—Een echte prairie jager geeft zijn geweer nooit af en ik mijn Liddy ook niet. Ik zal ze daar aan den knop van ’t gordijn hangen.
Dus, Liddy noemde hij zijn geweer. Later vernam ik, dat vele prairiejagers de gewoonte hebben, hun geweer als een levend wezen te behandelen en het een naam te geven.
Hij hing het dus aan de bepaalde plaats en nam nu ook zijn hoed af, maar tot mijn ontsteltenis bleef zijn hoofdhaar aan den hoed hangen. Het was werkelijk een gezicht om van te schrikken, die naakte, bloedroode schedel, en de gastvrouw en de kinderen konden dan ook niet nalaten, een kreet van afschuw te uiten. De kleine man keerde zich echter bedaard om en zeide kalm:
—Schrik niet, dames en heeren, het is immers niets. Ik heb mijn eigen haar van kind af met eere gedragen, tot een paar dozijn roodhuiden kwamen en het mij, met huid en al, van het hoofd nam. ’t Was een verduiveld raar gevoel, dat zeg ik u, maar ik ben er weer boven opgekomen, hihihihi! Toen ben ik naar Tekama gegaan, en heb mij een nieuwe scalp gekocht, die men pruik noemt, als ik mij niet vergis, zij was kostbaar, ik heb er vele bevervellen voor moeten geven. Dat doet er echter niet toe, want de nieuwe huid is ook veel practischer dan de oude, vooral in den zomer, ik kan ze afnemen, als ’t warm is, hihihihi!
Hij hing nu den hoed bij ’t geweer en zette de pruik weer op. Toen trok hij zijn jachtrok uit en legde dien op een stoel. Deze rok was verscheidene keeren versteld en opgelapt en was daardoor zoo dik en stijf geworden, dat de pijl van een Indiaan moeite zou hebben er door te gaan. Wij konden nu zijn magere, kromme beenen beter zien. Toen hij eindelijk op zijn stoel zat, zag hij eerst mij en daarna de gastvrouw aan en zeide:
—Zou ’t niet het beste zijn, dat mevrouw, voor wij gaan eten, aan dezen „greenhorn” vertelde, wat eigenlijk onze plannen zijn?
De gastvrouw knikte, wendde zich tot mij, wees naar den jongeren gast en zeide:
—Gij zult misschien nog niet weten, dat Mr. Black uw opvolger is, sir?
—Mijn opvolger?—stamelde ik.
—Ja, daar wij vandaag uw afscheidsfeest vieren, waren wij wel genoodzaakt, naar een anderen leeraar om te zien.
—Mijn … afscheid …?
Ik ben nog heden blij, dat er op dat oogenblik geen portret van [20]mij is genomen, want ik moet er hebben uitgezien, als de verbaasdheid in persoon.
—Ja, uw afscheid, sir,—knikte zij met een welwillenden glimlach, die mij evenwel niet erg van pas scheen te zijn, want ik was volstrekt niet in een stemming om te glimlachen.—Ziet ge, uw ontslag had eigenlijk vooraf moeten worden aangevraagd, maar wij wilden het geluk van een persoon, die ons lief was geworden, niet in den weg staan. Het doet ons werkelijk innig leed, dat wij u moeten missen, maar onze beste wenschen vergezellen u. Ga dus morgen gerust mee!
—Morgen? Moet ik morgen vertrekken, en waarheen?—bracht ik met moeite uit.
Toen legde Sam Hawkins, die naast mij zat, de hand op mijn schouder en antwoordde lachend:
—Waarheen, naar het Westen en met mij. Gij hebt uw examen met glans afgelegd, hihihihi! De andere Surveyors vertrekken morgen en kunnen niet op u wachten, gij moet dus mee. Ik en Dick Stone en Willy Parker zijn als gidsen aangenomen, wij gaan aldoor langs de Canadian-rivier, tot aan Nieuw-Mexico. Gij zoudt toch niet altijd een „greenhorn” willen blijven, wel?
Nu ging mij een licht op. Dit alles was een afgesproken zaakje. Opzichter, landmeter zou ik worden, misschien voor een van de groote spoorwegen, welke zouden worden aangelegd. Welk een heerlijk vooruitzicht! Ik behoefde niets meer te vragen, want mijn goede, brave Mr. Henry kwam op mij toe, nam mijn hand en zeide:
—’k Heb ’t u al eens gezegd waarom ik zooveel van u houd. Gij zijt hier bij brave menschen, maar huisonderwijzer is niets voor u. Gij zijt voor iets beters bestemd. Daarom heb ik mij tot de Atlantic en Pacific Company gewend en heb u laten examineeren, zonder dat gij ’t wist. Gij zijt geslaagd, hier is uw aanstelling.
Hij gaf mij het stuk. Toen ik dat inzag, en het inkomen zag, dat ik jaarlijks zou verdienen, was ik een en al verbazing. Henry liet mij echter geen tijd, maar vervolgde:
—Gij moet een goed paard hebben, daarom heb ik den schimmel voor u gekocht, gij krijgt dien van mij ten geschenke. En wapens moet gij ook hebben, daarom zal ik u den berendooder meegeven, dat oude ding, dat ik toch niet kan gebruiken en waarmee gij, met elk schot, het doel treft, wat zegt gij daar wel van?
Ik zeide eerst niets, en toen ik weer kon spreken, wilde ik bezwaar maken deze gaven aan te nemen, tevergeefs. Deze brave menschen hadden besloten mij gelukkig te maken en het zou hen diep hebben gekrenkt wanneer ik bij mijn weigering was gebleven. Om aan verdere [21]praatjes een einde te maken ging de gastvrouw aan tafel zitten en wij waren genoodzaakt haar voorbeeld te volgen, er werd gegeten en het onderwerp mocht dus niet dadelijk weer worden aangeroerd. Eerst na tafel vernam ik wat ik wilde weten. Er zou een spoorweg worden aangelegd van St. Louis door het Indianengebied Nieuw-Mexico, Arizona en Californië naar de kust en men had plan dezen weg in secties te laten onderzoeken en uit te meten. De sectie welke mij en drie andere opzichters met een hoofdingenieur was toegewezen, lag tusschen het brongebied van den Rio Pecos en de zuidelijke Canadian-rivier.
De drie vertrouwde gidsen, Sam Hawkins, Dick Stone en Willy Parker zouden ons tot aan dit gebied brengen en daar zouden wij een aantal dappere jagers vinden die verder voor onze veiligheid moesten zorgen. Om mij te verrassen was dit plan tot op heden voor mij geheim gebleven. Tot mijn geruststelling werd mij medegedeeld, dat voor mijn volledige uitrusting tot in alle bijzonderheden was gezorgd. Er bleef mij zelf niet anders te doen, dan mij te laten voorstellen aan mijn collega’s, die in de woning van den hoofdingenieur op mij wachtten. Mr. Henry en Sam Hawkins vergezelden mij daarheen en ik werd zeer vriendelijk ontvangen.
Toen ik den volgenden morgen afscheid had genomen van de Duitsche familie, begaf ik mij naar de woning van Mr. Henry. Hij liet mij geen tijd mijn dankbaarheid in woorden te brengen, want dadelijk viel hij mij in de rede:
—Houd toch uw mond, sir,—zeide hij—ik heb u immers daar maar heengezonden om mijn oud geweer weer eens te laten gebruiken. Als gij terugkomt, vertel mij dan maar, wat gij alzoo beleefd en ondervonden hebt. Dan zullen wij zien, of gij nog dezelfde „greenhorn” zijt, als op dit oogenblik!
Hij schoof mij zachtjes de deur uit, maar voor hij haar sloot, zag ik toch, dat er tranen in zijn oogen stonden … [22]