Het was omstreeks half drie in den middag, toen twee deftig gekleede heeren met haastige schreden door de Dickens Street te Londen liepen.
Zij scheelde vrij veel in leeftijd, want de een kon omstreeks 40 jaar zijn, tenminste te oordeelen naar zijn haar dat aan de slapen was begonnen te grijzen, terwijl zijn metgezel niet veel ouder kon zijn dan een jaar of 25, en een vol, blozend jongensgelaat met helder blauwe oogen.
Vele Londenaren, vooral onder de armere klasse, kende hen als Lord William Aberdeen en zijn secretaris Charly Brand—maar inderdaad was de oudere der beide mannen niemand anders dan de lang gezochte Gentleman-Inbreker John Raffles alias Lord Edward Lister.
Zij hadden juist eenige boodschappen verricht in deze buurt, zoover afgelegen van de Regentstreet, waar zich het prachtige heerenhuis van Lord Aberdeen bevond, en zij maakten zulk een haast omdat er een regenbui dreigde.
Het was dien geheelen Zaterdag buitengewoon drukkend geweest, en alles voorspelde een hevige onweersbui.
En eensklaps, nog voor de beide vrienden een auto hadden kunnen aanroepen, begon het zoo vervaarlijk te plasregenen, dat zij, om het einde van deze hevige bui af te wachten, haastig een schuilplaats zochten in den ingang van een groot huis, waar een portier met de handen op den rug heen en weer liep.
Maar het zag er volstrekt niet naar uit, dat de bui voorloopig zou bedaren, integendeel, het leek hoe langer hoe erger te worden.
Nu de sluizen des hemels eenmaal geopend waren, kwam het regenwater in dikke stralen omlaag gutsen, en in een oogwenk waren de straten geheel verlaten.
Onwillekeurig, om zich het wachten een weinig te bekorten, liet Charly zijn blikken dwalen over het groote, koperen bord, dat tegen de wanden van den ingang was bevestigd, en waarop de namen der firma’s vermeld stonden, die op de verschillende [2]verdiepingen van het gebouw hun zaken dreven. Eindelijk bleef zijn oog rusten op een dier namen.
Daar stond als huurder van een deel der vierde verdieping vermeld:
„Prof. J. Stanley, Ex-Kampioen van Engeland.”
„Zeker een biljard-matador,” zeide Charly half voor zich heen.
„Wie—Stanley?” vroeg Raffles. „Maar Charly, heeft de regen je hersens een weinig verweekt, mijn jongen? Hoe is het—weet je niet eens wie Jimmy Stanley, wie „Black Jimmy” is?”
„Mijn hemel, hoe kon ik zoo dom zijn,” riep Charly uit. „De Engelsche bokskampioen van 1912, maar wij leven ook zoo snel—ik was het al vergeten, zoo, zoo, woont hij nu hier?”
„Dat schijnt zoo, ik denk, dat hij nu anderen inwijdt in de kunst, waarin hij zeker gedurende vele jaren zoozeer heeft uitgeblonken.”
Hij wierp een blik naar buiten, overtuigde zich, dat de regen nog altijd in den vorm van pijpenstelen omlaag kwam en vervolgde:
„Kom, laten wij maar eens een kijkje bij hem gaan nemen. Er is toch geen sprake van verder gaan, en dan verdrijven wij ons tenminste den tijd.”
„Een goed plan,” zeide Charly. „Ik ben wel benieuwd, hoe onze Jimmy zich als „Professor” houdt.”
De twee vrienden namen in de lift plaats en noemden den liftboy den naam van den voormaligen Bokskampioen.
De lift hield stil op de 4de verdieping en de twee vrienden stapten uit en moesten nu eenigen tijd rond zoeken, voor zij een deur ontdekt hadden, waarop met witte letters de naam en het beroep van Jim Stanley geschilderd stond.
Zij klopten aan en de deur werd geopend door wat men met eenigen goeden wil een bediende zou kunnen noemen, maar de man zag er tamelijk verwilderd uit, zijn haar, nat van het zweet, hing in slierten langs zijn wangen, zijn eene oog was half dicht, hij droeg een morsige trui, die oorspronkelijk wit was geweest en linnen gymnastiekschoenen, die met touwtjes waren vastgebonden.
Zijn linkerhand was in een bokshandschoen gestoken, terwijl hij de andere waarvan hij zich waarschijnlijk zooeven ontdaan had om de deur te kunnen openen, onder den arm gekneld hield.
De man opende de deur dadelijk bij het zien van de beide chique gekleede vreemdelingen, en liet, misschien van vreugde over het buitenkansje, in een grijns al zijn tanden zien, niet veel meer tusschen haakjes, want de meesten waren hem reeds uitgeslagen, maar met het treurige overschot lachte hij dan ook allerbeminnelijkst.
„De heeren komen om den Professor te spreken?” vroeg hij, terwijl hij gedienstig een stoel aanschoof, „nog een kwartiertje mijne heeren, dan is die satansche schobbej.…… ik wil zeggen—na een kwartiertje is Professor Stanley gereed.”
Raffles en Charly bevonden zich in een klein vertrek, hetwelk waarschijnlijk als wachtkamer bedoeld was, want er stonden een half dozijn stoelen, en een klein rond tafeltje, dat bedekt was met sportbladen, terwijl er aan de wanden talrijke foto’s van beroemde boksers met punaises waren vastgestoken.
Het pronkstuk evenwel was een groote foto in een eikenhouten lijst, waarop Black Jimmy stond afgebeeld, naast een ezel, die een groot fluweelen schild droeg, waarop de verschillende medailles waren bevestigd, die hij in den loop van zijn veelbewogen leven had verdiend.
De heer Jimmy stond daar, alleen gekleed in zijn kort wit boksbroekje, en zijn linnen schoenen, in een zelfbewuste houding als van een veldheer die een zwaren slag gewonnen heeft.
De man met het half dichtgeslagen oog wilde zich weder verwijderen, maar Raffles riep hem terug en zeide:
„Wij zouden gaarne een les van den Professor bijwonen. Daar zullen toch geen bezwaren tegen zijn?”
„Volstrekt niet mijne heeren, ik zal U even aandienen. Mag ik uw namen weten?”
„O, dat is van later zorg,” antwoordde Raffles kortaf. „Zeg maar—twee heeren uit het West End.”
De man met de vuile trui verdween door een andere deur, en keerde een oogenblik later terug, met den Professor in hoogst eigen persoon.
Charly keek hem verbaasd aan en vroeg zich af, of dit dezelfde lenige goed geproportionneerde bokser kon zijn, die hij nog in 1912 met zooveel gemak het Engelsche kampioenschap had zien winnen.
Black Jimmy was een weinig corpulent geworden, en het gitzwarte haar, waaraan hij zijn bijnaam had te danken gehad, was alleen nog maar terzijde van [3]zijn hoofd en in zijn nek zichtbaar, en niet meer zwart maar grijs doorspikkeld.
Zijn kruin echter was zoo kaal en zoo glad als een billardbal.
Een vervaarlijke stoot, opgeloopen in 1914, had zijn neus uit de loodlijn geslagen, en aan dit lichaamsdeel een kromming gegeven, welke het niet direct ten goede was gekomen uit schoonheidsoogpunt.
Zijn wangen waren slap geworden, en hij zag er uit als een goedige jachthond, met zijn lichtblauwe oogen, en zijn laag, gerimpeld voorhoofd.
Hij was gekleed in een wit linnen pantalon, linnen schoenen met zoolen van touw, en een trui van grijze wol, met opstaanden kraag.
Zijn handen waren in bokshandschoenen gestoken, en Raffles had met een kennersoog dadelijk gezien, dat het wedstrijdhandschoenen van 6 ons waren.
Black Jimmy ontving de beide deftig gekleede heeren met veel strijkages en hield de deur voor hen open die naar het allerheiligste voerde—de Gymnastiekzaal.
Raffles en Charly stonden in een ruime zaal, met wit geschuurde planken bevloerd, en die zijn licht uit drie groote vensters ontving, welke op een ruime binnenplaats uitzagen.
Hier en daar lagen op den vloer matrassen van verschillende dikten.
Maar in het midden was een groot stuk vilt neergelegd, waarover een kleed van grauw linnen was bevestigd, dat aan de vier hoeken door touwen was uitgespannen.
Deze „ring”, zooals het in de vaktaal heet, was omgeven door een dik wit koord, aan vier witte palen bevestigd, die eveneens door touwen in den juisten stand werden gehouden.
Ook deze ring had de voorgeschreven afmetingen, zooals die voor iedere groote match gelden, namelijk 5 bij 5 meter.
Ter weerzijden van de beide gewitte muren stonden eenvoudige schoolbanken voor de toeschouwers en leerlingen bestemd.
Dicht bij een der ramen was in de zoldering een verticale stang bevestigd die, omstreeks 2 meter van den vloer, een groote, ronde schijf van eikenhout droeg, omstreeks anderhalve meter in doorsnede.
In het midden daarvan was, aan een sterken riem een peervormige, zwarte lederen bal opgehangen, en tegen dezen bal was een jonge, magere kerel woedend aan het slaan, en telkens als hij den bal niet op de goede wijze raakte, trof deze hem van de eikenhouten schijf terugspringend midden op den neus of tegen de wang.
Iederen keer dat dit geschiedde—ongeveer 4 van de tien malen—uitte het jonge mensch een hartigen vloek en schold zichzelf uit voor alles wat leelijk was, waarna hij met vollen moed weder begon.
In een anderen hoek bevond zich een dergelijk werktuig, maar hier was de bal bevestigd aan het uiteinde van een sterke, vernikkelde spiraal veer, waarvan het andere einde in den vloer was bevestigd en die de onhebbelijkheid scheen te hebben, diegeen die er met den vuist tegen sloeg op de meest onverwachte oogenblikken tegen de minst verwachte plekken van zijn lichaam te raken.
Op een andere plek weer was een gewone aardappelzak opgehangen gevuld met nat zand, en tegen dit voorwerp ging een ander jongmensch, buitengewoon corpulent, als een razende te keer, terwijl het zweet hem in straaltjes langs het gelaat liep.
Nu en dan bewoog de zandzak heel eventjes, en dan liet de jonge man een kreet van zegepraal hooren.
In een ander kleiner strijdperk waren twee mannen, tot het middel naakt, aan het „sparren”, het boksen voor oefening, met dikke handschoenen, waarmede zij elkander geen pijn konden doen.
Op de banken zaten een zevental jonge mannen, allen in trui, en met de handschoenen op den schoot, die toekeken en hun voordeel trachtten te doen met de opmerkingen, welke de Professor ten beste gaf.
„Black Jimmy” geleidde de beide bezoekers naar een der nog onbezette banken, en zeide:
„Doe alsof gij thuis waart, mijne heeren, ik ga nu voort, en gij kunt zien, dat ik mijn leerlingen niet laat stilzitten.”
Hij ging nu naar de beide jonge mannen toe, die in het kleine perk bezig waren, en schreeuwde met luider stem zijn opmerkingen, opdat de toekijkende leerlingen hem goed zouden hooren.
„Vlugger duiken, Jack! Je hebt op die manier den slag beet, voor je weet waar hij vandaan komt, dek je, Tom, maar voor den duivel—dek je dan, denk je, dat je tegenpartij met je vecht om je te masseeren? Die hook was goed. Niet op het achterhoofd slaan—gentleman blijven, Jack! Voor zoo’n slag zou de [4]referee je uit den ring hebben gestuurd. Zeg Tom, sinds wanneer raak je de lui onder den gordel. Als je het in de ribben zoekt, sla hem dan liever dadelijk een blauw eksteroog!”
De Professor scheen deze aardigheid zelf zoo goed geslaagd te vinden, dat hij in een bulderend gelach uitbarstte.
En daarop vervolgde hij:
„Je voetenwerk is nog niet veel zaaks, Jack! Meer tippelen, man, meer tippelen. Ik zal je straks nog een kwartiertje touwtje laten springen, hoor boy! Pang! Die uppercut zat! Kijk, Tom zwaait. En ik zie rood. Nou, dat hindert niet—aan bloed zullen jullie nog moeten wennen. Hallo daar. Niet vastgrijpen! Los! Los, zeg ik! Wil je wel loslaten, Jack?”
In het vuur van den strijd scheen Jack niet naar het bevel te luisteren.
Vlugger dan men van hem verwacht zou hebben, was Stanley over het koord gewipt en nu gaf hij den ongehoorzamen leerling een slag tegen de borst, die hem achteruit deed tuimelen, zoodat alleen de touwen hem voor een val behoeden.
„Dat zal je leeren, man! Je komt hier om te boksen, niet om te worstelen. Ik heb vijftien jaar tusschen de touwen gestaan, mijnheer—en ik heb nog nooit mijn man vastgegrepen, mijnheer. Alles met de vuisten mijnheer! En nu ingerukt. Ga je gezicht wasschen Tom. Je neus bloedt, vadertje.”
Inderdaad was de neus van Tom deerlijk geraakt, ondanks de dikke handschoenen en hij haastte zich naar het waschvertrek, om zich te verkleeden, en zijn neus te betten, die vervaarlijk was opgezwollen.
Intusschen was de professor op den jongen man toegetreden, die met den oefenbal doende was.
Hij keek met de handen in de zijde gesteund even toe, en viel toen uit:
„Ziet U niet, dat die bal kwaad op u is, mijnheer Drebble? Sla terug, anders mept hij u nog knocked out!”
Hij zette zijn rondgang voort en bereikte nu den corpulenten heer, die den zandzak bewerkte.
Stanley grijnsde vriendelijk, en klopte den dikzak op den schouder.
„Well, mijnheer Bristol—kriebelt u dien zandzak een beetje? Aardige tijdpasseering. Pas op of u zult hem nog aan het lachen maken. Kom, voor den duivel mijnheer—sla er op! Wees niet bang, dat u eelt op uw handen krijgt! Dat is juist goed! Zoo mijnheer—zóó!”
En Stanley trad op den zandzak toe, en gaf er met de bloote hand een slag tegen, die den zak geheel uit de loodlijn sloeg.
Charly maakte bij zich zelf de opmerking, dat de professor dan wellicht in de ring niet meer de oude mocht zijn, maar dat hij nog altijd een geweldige kracht in armen en handen had.
Nu klapte Stanley in de groote handen, en riep met een stentorstem:
„Allen op uw plaatsen, mijne heeren! De vergevorderden zijn nu aan de beurt.”
Dadelijk gehoorzaamden de leerlingen het bevel en lieten ring, bal, zandzak, en halters in den steek, om op de banken plaats te nemen. [5]