[Inhoud]

HOOFDSTUK II.

Joe Mascott.

De deur in een der korte wanden van de oefenzaal ging open, en er verschenen vier jonge mannen, allen in witte pantalons en hoog in den hals gesloten, wit wollen truien gekleed.

„Bill Stevens tegen George Malony!” schreeuwde de professor.

Dadelijk kropen de twee opgeroepenen onder de touwen door, stelden zich in positie en begonnen te sparren, maar het was dadelijk te zien, dat deze mannen het reeds ver in de edele kunst der zelfverdediging hadden gebracht, zooals de Britten het boksen noemen.

Zij droegen tamelijk lichte handschoenen, en de slagen hadden een helder kletsend geluid, als zij neerkwamen op nek en borst.

Er werd gebokst, als gold het een geregelde wedstrijd, in ronden van twee minuten elk en de knecht, dien Raffles en Charly zooeven reeds in functie van portier gezien hadden, trad nu op als helper van een der strijdenden, terwijl Stanley met handdoeken en water druk in de weer was, om den ander af te koelen, na iedere ronde.

Het bleek al spoedig, dat Bill Stevens verre de meerdere was van zijn tegenstander.

In de vierde ronde was deze reeds tamelijk vermoeid en ontweek traag de slagen, die op hem neder regenden.

In de zesde ronde liet Stanley hem ophouden.

Hij wendde zich tot Malony en zeide op strengen toon:

„Je hebt weer te veel gegeten, George—en je bemoeit je nog te veel met de vrouwtjes. Als je ooit een prijsbokser wilt worden, dan zal dat moeten veranderen—anders doe je beter, moeite te doen voor een baantje als kinderjuffrouw.”

Malony trok een nijdig gezicht en bromde iets tusschen de tanden, waarop hij zijn handschoenen uittrok en den ring verliet, om zich in het waschhok te gaan afspoelen.

„Joe Mascott tegen Mac O’Neill!” brulde Stanley opnieuw.

De twee jongelieden traden in den ring en Stanley, met het horloge in de hand, gaf het teeken.

De boksers vielen op elkander aan.

En aanstonds was de belangstelling van Charly en Raffles gewekt.

Want daar waren twee meesters in de kunst met elkander handgemeen geworden, dat was op het eerste gezicht te zien.

Zij brachten hun stooten bliksemsnel toe en ontweken elkander met onbegrijpelijke snelheid.

Maar voor kenners als Raffles en Charly kon er niet aan getwijfeld worden, of Joe Mascott was de meerdere.

Hij viel vliegensvlug uit en scheen zich toch niets te overhaasten, maar zijn stooten degelijk te overdenken.

Zijn beenwerk was onberispelijk en soms leek het, of hij op drie plaatsen tegelijk was.

In de derde ronde raakte Mac O’Neill hem vlak op de kaak.

Mascott wankelde slechts even, maar geen spier op zijn gelaat bewoog ofschoon de hevige slag een minder getraind man zeker bewusteloos zou hebben gemaakt.

In de vierde ronde moest hij nog twee krachtige slagen in ontvangst nemen van zijn tegenstander, die iets meer scheen te wegen en ook eenige centimeters grooter was.

Maar hij glimlachte slechts flauwtjes en Stanley schreeuwde opgetogen:

„Kijk mij dien kerel eens! Zou men niet zeggen, dat O’Neill hem onder de kin streelt?”

De vijfde en de zesde ronde waren zeer beslist voor Mascott, die zijn tegenstander drie malen hard tegen den kin trof.

Hij scheen nog volstrekt niet vermoeid te zijn, maar Mac O’Neill steunde en blies als een stoommachine en had na iedere ronde zijn minuut rust hard noodig.

De zesde ronde bracht in de eerste seconde eenig [6]voordeel voor Mac O’Neill en hij raakte Joe in de nierstreek, zoodat deze even wankelde.

Maar hij herstelde zich dadelijk weder en trof den ander onder het oor.

„Joe is van hout, bij Jove!” schreeuwde de professor vol geestdrift. „Daar zit een prijswinner in! Ik zeg.……”

Niemand vernam dien dag, wat Stanley had willen zeggen, want Joe was eensklaps uitgevallen, onder den gestrekten arm van Mac O’Neill door en het volgend oogenblik lag deze op den vloer uitgestrekt, trok nog even met de beenen en lag stil.

Het was zoo vlug gegaan, dat Stanley zelfs vergat te tellen en stokstijf met het horloge in de hand naar het beweginglooze lichaam bleef kijken.

Toen nam Charly zijn taak maar over en telde luid:

„Een—twee—drie—vier—vijf—zes— —”

Bij de zevende tel deed Mac O’Neill een krampachtige beweging om op te staan.

„Acht—negen—tien!”

De tien seconden waren verloopen, en Mac O’Neill had zich nog niet kunnen oprichten.

Stanley vloog op Joe toe, en schreeuwde:

„Als je zoo doorgaat—voorspel ik je een groote toekomst, Joe! Jij bent de trots van mijn instituut! Tien minuten wachten en dan de twee winnende tegen elkaar!”

De twee boksers verdwenen in hun kleedkamertjes en de leerlingen begonnen weer aan hun oefeningen.

Raffles trad op Stanley toe en zeide op zachten toon iets tegen hem.

De ex-kampioen knikte levendig, liep naar een der deuren en schreeuwde naar binnen:

„In wedstrijdcostuum, heeren, op vereerend verzoek van onzen gast!”

De tien minuten waren juist verloopen, toen de deur weder openging en de twee boksers, Joe Mascott en Bill Stevans, binnen traden.

Zij droegen thans niets anders dan een kort broekje van wit linnen en linnen laarzen.

Zoo betraden zij het strijdperk.

Stanley regelde zijn stopwatch en riep:

„Vooruit!”

De strijd nam een aanvang.

Raffles hield strak het oog op Joe gevestigd.

Hij was zelf een uitstekend bokser, en hij kende de werking der spieren als weinig anderen.

En wat hij daar voor zich zag was eenvoudig volmaakt.

Nog nimmer had hij een man gezien, zoo bij uitstek geschikt voor de beoefening van de bokskunst.

Joe Mascott kon omstreeks 73 tot 75 kilo wegen.

Zijn ledematen waren voortreffelijk geproportioneerd, geen millimeter te lang of te kort.

De armen, waarvan het vel van louter gezondheid glansde als zijde, hadden die lange spieren welke den goeden bokser kenmerken.

De borst was breed en licht gewelfd, de hals rond en gespierd, de schouders waren klassiek gevormd en helden een weinig af, eveneens een kenmerk van den bokser zooals hij zijn moet.

De beenen hadden een onberispelijken vorm, met lange, langzaam naar de knie smaller wordende dijen, gespierde kuiten en een hooge wreef.

Op den rug, blank als die eener vrouw, lagen de spieren vlak onder de huid, en zij werkten bij iedere beweging, welke de jonge man maakte.

Joe Mascott had in het geheel niet het typische boksergezicht, het lage voorhoofd, de diepliggende oogen en de dikke wenkbrauwen, die als luifels de oogen beschermen.

Integendeel—hij had een fijn, regelmatig gevormd gelaat, bijna meisjesachtig, en waarin groote, lichtgrijze oogen schitterden.

Zooals hij daar stond, bijna naakt, was hij een toonbeeld van gezondheid en lenige kracht, waardig om als model voor een beeldhouwer te dienen.

Reeds waren er eenige slagen gevallen, die luid op de naakte huid kletsten.

De beide boksers droegen handschoenen van slechts drie ons en de slagen kwamen dus duchtig aan.

De taktiek van Bill Stevans kwam dadelijk aan het licht.

Hij wist, dat zijn tegenstander van buitengewone taaiheid was en het daarom op den duur zou moeten winnen—tenminste als hij hem niet binnen vier ronden had neergeslagen.

Hij viel daarom aanstonds woedend aan en trachtte Joe telkens den gevaarlijken kaakslag toe te brengen, die, goed aankomend, meestal degeen, die hem ontvangt, den vloer doet meten.

Maar Joe scheen dien toeleg te hebben doorzien en hij bepaalde er zich aanvankelijk toe, de snelle slagen van zijn tegenstander te ontwijken, door zeer [7]snel te duiken, of een paar passen terug te springen.

De ronde van twee minuten waren reeds verstreken en reeds begon Stevans kenteekenen van vermoeidheid te geven, terwijl Joe zoo frisch was, alsof hij zooeven uit zijn kleedkamer was gekomen.

Stanley schreeuwde in de tusschenpoozen zijn raadgevingen onpartijdig tot de beide boksers, terwijl hij druk doende was met handdoeken en water, met azijn aangelengd.

En in de vierde ronde werd Stevans uitgeslagen …

Het geschiedde reeds na de eerste verkenningen.

Stevans was op Joe toe gesprongen, en het scheen, of zijn vuist den jongen man juist tegen de punt van de kin zou treffen.

Maar op het allerlaatste oogenblik weerde Joe den zwaren slag met de rechterhand af, en het volgend oogenblik zat zijn linkervuist op de kaak van den tegenstander, die als een blok neerviel, om en om rolde, en toen bleef liggen half onder de touwen.

Stanley telde hem uit, zonder dat hij zich verroerde.

Toen trad Joe op den verslagen tegenstander toe, en rolde hem om, zoodat hij hem in het gelaat kon zien.

„Ik heb hem toch niet te erg geraakt, mijnheer?” vroeg hij op zachten toon aan Stanley, die zich reeds met iemand anders bezig hield.

„Welneen,” riep de professor luidruchtig. „Hij kan wel tegen een stootje. Kijk maar, hij komt al weer boven water.”

Stevans had zich inderdaad half opgericht, en keek verward om zich heen.

Toen herkende hij het gelaat van Joe, en stak hem glimlachend de hand toe.

„Je hebt mij geklopt, Joe—en eerlijk,” zeide hij nog wat zwak. „Man, we zullen nader van je hooren.”

„Zou je denken, George?” vroeg Joe gretig, terwijl zijn oogen begonnen te schitteren.

„Wel, ik ben er even zeker van, als dat ik nog nooit te voren klop heb gehad van een leerling van Stanley—en ook niet van den baas zelf.”

Hij krabbelde overeind, waarbij Joe hem hielp, en strompelde naar het waschhok, om zich daar door een koude douche weder te herstellen van de inspanning.

Joe, die een handdoek om zijn hals had geslagen, wilde zich eveneens verwijderen, toen hij een hand op zijn schouders voelde.

Raffles stond voor hem en keek hem vol belangstelling aan.

„Ik wilde u even zeggen, dat ik groote bewondering koester voor uw wijze van boksen, mijnheer Mascott,” zeide hij. „Ik mag zeggen dat ik er verstand van heb.”

„Het doet mij genoegen, dat gij er zoo over denkt, mijnheer,” zeide Joe, terwijl hij bloosde van genoegen bij het hooren van die lofspraak.

Raffles liet zijn stem nu tot een zacht gefluister dalen en voegde er aan toe:

„Alleen zou ik U den raad willen geven—tenminste als het u ernst is, om ooit iets te beteekenen tusschen de witte touwen—om u van een anderen, beteren leermeester te voorzien. Ik wil niets afdingen op de hoedanigheden van Stanley als bokser—maar als coach deugt hij niet. Er is veel meer uit u te halen, neem dat van mij aan, mijn waarde Joe. Wanneer gij U onder de leiding stelt van een eerste rangs trainer, dan voorspel ik u een schitterende toekomst—tenminste wanneer het u ernst is met de bokskunst.”

Raffles haalde zijn opschrijfboekje te voorschijn, scheurde er een der geperforeerde bladzijden uit, schreef er een paar woorden op, stak het den jongen athleet toe, terwijl hij zeide:

„Dat is het adres van een voortreffelijken bokser die tevens een uitstekend leermeester en trainer is. Laat Stanley schieten, die nog van de oude school is, en op een ouderwetsche wijze les geeft, terwijl hij zich volstrekt niet schijnt te bekommeren om de algemeene ontwikkeling van zijn leerlingen.”

Raffles legde de hand op den bovenarm van Joe Mascott, en vervolgde:

„Deze strekspier is nog niet voldoende ontwikkeld, en dat zal zij ook nooit worden, als gij hier blijft door gaan. Die spier moet in het bijzonder behandeld worden—evenals eenige spieren van buik en rug, welke gij nog niet geheel en al in uw macht hebt. Maar zijn ook die goed geoefend, dan wil ik er wat onder verwedden, dat gij binnen een paar maanden in staat zult zijn, Bombardier Wells, Johnson, ja zelfs Carpentier te kloppen.”

Mascott vatte de hand van Raffles, en zijn oogen schitterden toen hij op gedempten toon zeide:

„Gelooft gij dat werkelijk, mijnheer? O, het is [8]sedert eenigen tijd mijn ideaal om mij in een openbaren wedstrijd met de beste Engelsche en Amerikaansche boksers te meten—maar over George Carpentier, den Franschen Kampioen, heb ik nimmer durven denken.”

„Als gij u ijverig blijft oefenen en niet in deze omgeving blijft, dan zou het mij niets verwonderen, als gij binnen enkele maanden in staat zoudt zijn, den jongen Franschman te ontmoeten. Maar zeg mij eens—wat zijt gij eigenlijk van uw beroep?”

„Bankbeambte, mijnheer!”

„Dan hebt gij zeker niet veel tijd om u te oefenen?”

„Alleen des Zaterdagsmiddags, Zondags en enkele avonden van de week als ik geen boeken bijhoud voor kleine neringdoenden.”

„Wilt gij mij uw adres niet opgeven? Ik stel zeer veel belang in uw vorderingen en ik zou gaarne wat naders van u vernemen.”

„Ik woon met mijn moeder en mijn zuster in de Black Friar street 37, mijnheer,” antwoordde de jeugdige bokser.

„Nu dan hoop ik je nog wel eens terug te zien,” zeide Raffles vriendelijk. „Uw beenwerk is onberispelijk—daaraan behoeft gij niets meer te doen, behalve misschien nu en dan eens een honderd ellen zoo snel mogelijk loopen. Als gij uw rug- en armspieren alles laat doen wat zij vermogen, dan slaat gij alle personen die gij hier in de zaal gezien hebt, in de eerste helft van de eerste ronde tegen den grond.”

„Ik dank u hartelijk voor uw goeden raad, mijnheer, en ik zal niet nalaten hem op te volgen. Alleen.……”

Hij voltooide den zin niet, maar aarzelde en trok bedremmeld den handdoek over zijn schouders heen en weer.

„Ik geloof, dat ik weet wat je zeggen wilt,” zei Raffles glimlachend. „De voorwaarden van den man wiens naam op dit papiertje staat zijn zeer schappelijk; wat zij steeds zijn, als hij ziet, dat hij met een buitenklassigen bokser te doen heeft.”

Op dit oogenblik kwam Stanley op het drietal toe en om den voormaligen kampioen niet te kwetsen, werd het gesprek beëindigd en verdween Joe Mascott in de badkamer om zich met een koude douche te verfrisschen.

Raffles en Charly spraken nog eenigen tijd met den professor en daarop namen zij afscheid, met de belofte, dat zij nog wel eens terug zouden komen.

Toen de beide vrienden op straat kwamen was de bui geheel overgedreven en de zon scheen opnieuw aan den hemel van het zuiverste blauw.

De twee mannen besloten naar huis te loopen en dadelijk begon Raffles:

„Wel, wat zeg jij van Joe Mascott?”

„Ik geloof ook, dat hij groote capaciteiten heeft, die thans nog sluimeren,” antwoordde Charly. „Hij is gebouwd als een athleet uit het oude Griekenland, hij heeft een verbazend groot uithoudingsvermogen en hij schijnt ook goed tegen harde slagen bestand te zijn.”

„Hij is gemaakt van hout, waaruit men de beroemdheden snijdt, mijn waarde,” riep Raffles uit. „Ik heb nog nimmer zulk een bliksemsnelle actie gezien en nog nooit zag ik een bokser, die zoo voortreffelijk zijn voeten weet te gebruiken. Als die jongen van den aanvang al zich onder de leiding had gesteld van een 1ste rang’s trainer, dan zou hij nu reeds de meest bekende Engelsche en ook buitenlandsche boksers kunnen staan.”

„Naar wien heb je hem heengezonden?”

„Naar Fred Simons. Hij is naar je je wel zult herinneren, eenige jaren geleden Kampioen van Australië geweest en hij behoorde zeker tot de beste boksers van zijn klasse. Maar als trainer en opleider van boksers, zoekt hij vruchteloos zijn weerga! Hij ziet met een oogwenk, waar de zwakke punten van zijn leerlingen zijn, en hij weet de middelen, en hij past ze ook toe, om die te verbeteren. Als hij Joe Mascott een paar maanden onder handen heeft gehad, dan zal die jonge man eenvoudig niet te kloppen zijn in ons land!”

De beide vrienden spraken nog eenigen tijd over de zaak door, totdat zij het fraaie heerenhuis in de Regentstreet binnentraden, hetwelk Raffles bewoonde onder den naam van Lord William Aberdeen. [9]