[Inhoud]

HOOFDSTUK IV.

Medeminnaars.

Raffles stond op en zeide:

„Als gij het goed vindt, zullen wij liever de buitenlucht opzoeken.”

„Zooals gij wilt, Mylord!”

De twee mannen verlieten het huis en liepen op straat eenigen tijd zwijgend voort.

Toen begon Joe eensklaps:

„Mylord, gij hebt door uwe vriendelijke bemiddeling meer gedaan, dan eenvoudig een jongen man, die hiertoe toevallig de hoedanigheden heeft, maar niet het geld, in de gelegenheid stellen, zich verder te bekwamen. Ik wil U zeggen, wat de zaak is—gij hebt daar nu recht op. Ik heb op de wereld niemand anders dan mijn lieve moeder en mijn zuster, die nauwelijks twintig jaar is. Mijn vader is in den strijd in Frankrijk gevallen—ik zelf heb ook nog een half jaar onder de wapens gestaan en deel uitgemaakt van het bezettingsleger in Duitschland. Wij hadden het vrij goed voor den oorlog, maar tengevolge van dien vreeselijken krijg hebben wij alles verloren—en met mijn vaders dood kwam de ontbering onze woning binnen! Gij kunt u niet voorstellen, wat ik daaronder geleden heb! Ik aanbid mijn moeder en ik zou niets liever willen dan haar in weelde te laten leven. Maar hoe kan ik dat, met mijn onnoozel salaris? Wij hebben nu juist genoeg, om niet van honger om te komen!”

„Aan welke bank zijt gij dan?” vroeg Raffles vol belangstelling.

„Bij Arthur Pinkerton, in de Sloan Street.”

„Nooit van gehoord! Zeker geen groote bank?”

„Neen, er is niet veel personeel, Mylord. Maar Pinkerton verdient toch veel geld.”

„Ik wil niet onbescheiden zijn, en gij behoeft mij volstrekt niet op mijn vraag te antwoorden—hoeveel betaalt hij U?”

„Drie pond in de week, Mylord.”

„Wat?” riep Raffles ongeloovig. „Betaalt men dat loon voor een week werkens op een bank? Maar dat is een hongerloon!”

Een bitter glimlachje gleed over het krachtige gelaat van den jongen man. „Het was juist genoeg, om niet van honger te sterven—maar lang niet voldoende om mijn lieve moeder slechts een gedeelte te kunnen geven van die kleine dingen die het leven voor oude menschen vooral veraangenamen. Wij wonen in een armoedige buurt, en wij moeten ons met veel, ja met alles behelpen. En daaronder heb ik zwaar geleden—want mijn goede vader had mijn moeder verwend—hij had haar afgodisch lief!”

„Ik kan het mij voorstellen,” zeide Raffles zacht.

„Natuurlijk heb ik alles aangepakt, om er wat bij te verdienen. Ik hield hier en daar de boeken bij, copieerde stukken, schreef rollen uit voor tooneelgezelschappen en zoo meer. Maar al werkte ik nog zoo hard—het was en bleef schipperen, tot ik, half en half bij toeval, mijn aanleg voor het boksen ontdekte. Ik had in de goede dagen van weleer veel voor die sport gevoeld, en er als amateur een weinig aan gedaan. Een half jaar geleden ongeveer zag ik op straat, hoe een zwaar gebouwde kerel een kleinen hond, die hij aan een touw vast had, meedoogenloos afroste, zoodat het arme dier van pijn kermde. Ik kwam tusschen beide, maar een oud vrouwtje, dat naar het scheen den dierenbeul kende, waarschuwde mij dat ik maar liever niets moest zeggen—de kerel was bokser. Maar ik was zoo woedend, dat ik mij niet had laten weerhouden, al was de schobbejak nog eens zoo groot en zwaar geweest.”

„Dat was flink van je, Joe,” zeide Raffles.

„Ik beval den man, dadelijk met slaan op te houden. Hij keek mij eens aan, met zijn valsche oogen, liet den hond los, balde zijn vuisten, en viel op mij aan. Een paar seconden later had ik hem neer geslagen.”

„Goed zoo,” riep Raffles uit. „En dat heeft u toen op het denkbeeld gebracht, uw vlugheid en moed in geldswaarde om te zetten.”

„Zoo is het, Mylord. Ik besteedde mijn weinige spaarpenningen, om de eerste lessen bij Stanley [15]te kunnen betalen, en ik had het al spoedig tot vrij groote hoogte gebracht. Toen kwam gij, en gij hebt mij pas het ware vertrouwen in mijn kracht en vaardigheid gegeven. Ik weet niet hoe ik u daar voor danken moet.”

„Heel eenvoudig—door er nooit meer over te spreken,” zeide Raffles. „Ik deed het als sportman, die vooral veel belang stelt in aankomende Boksers.”

Op dit oogenblik liepen de beide mannen langs een grooten bloemenwinkel, in een der voornaamste straten.

Voor de deur stond een groote, donkerrood gelakte limousine stil.

Joe Mascott stond eensklaps stil en liet zijn blikken van de auto naar de winkeldeur dwalen.

Met verbazing zag Raffles, dat er een diepe rimpel tusschen de fraai geteekende wenkbrauwen van den jongen man was gekomen.

Nu ging de winkeldeur open en een groom liet diepbuigend een heer uit, die een grooten, in vloeipapier gewikkelden ruiker in de hand hield.

Hij stapte op de auto toe, zonder rechts of links te zien.

Wanneer hij dat wel gedaan had, dan zou hij gezien hebben, hoe Joe Mascott hem met doodsbleek gelaat en gebalde vuisten stond aan te staren, onbewegelijk en alsof hij uit brons was gegoten.

Het volgend oogenblik was de auto weggereden.

Raffles keek Joe verwonderd aan, die nog op dezelfde plek stond en vergeten scheen te zijn, waar hij zich bevond.

Toen zuchtte hij diep en wreef zich met de vlakke hand over het voorhoofd.

„Neem mij niet kwalijk, Mylord!” zeide hij verward. „Dat was—die man was mijn patroon—Arthur Pinkerton.”

„En schrikt gij dan zoo van dien werkgever?” vroeg Raffles gekscherend.

„Hij kocht bloemen.……” stotterde Joe.

„Ja, dat schijnt zoo. Dat is toch zeker niet verboden?” hernam Raffles, die er nog niet veel van begreep.

„Neen—gij hebt gelijk.….. ik stel mij dwaas aan, dat weet ik,” ging Joe haastig voort. „Let er maar niet op, wat ik u verzoeken mag, het heeft niets te beteekenen.”

Raffles nam den jongen man, die snel voortliep, van terzijde eens scherp op.

Hij was zeer bleek geworden en de gezonde kleur was voor een oogenblik van zijn gelaat geweken.

Hij oogde de roode auto na, zoo lang hij het voertuig met een blik kon volgen en scheen geheel vergeten te zijn, dat er iemand naast hem liep.

Maar Raffles had dadelijk begrepen, dat er tusschen den bankier en zijn klerk iets moest bestaan, voor beiden van onaangenamen aard, daarop wees de geheele houding van Joe Mascott.

Geruimen tijd liepen de twee mannen naast elkander voort en toen begon Raffles:

„Luister eens, mijn waarde Joe. Ik denk er niet aan, mij met uw particuliere aangelegenheden te bemoeien, maar dit moet mij toch van het hart—als gij werkelijk een kans wilt hebben op de match om de beurs van 500 pond, dan zult gij u alle muizenissen uit het hoofd moeten zetten. Er is niets, wat zoo verslappend werkt, als geheim verdriet, een niet beantwoorde liefde, een stille wrok—alle sterke gemoedsaandoeningen zijn uit den booze. De beste trainer is niet bestand tegen een ziek hart, bedenk dat goed!”

„Ik geloof dat gij gelijk hebt, Mylord—maar ik kan er niets aan doen—ik verzet er mij vruchteloos tegen! Kom, gij hebt u een warm vriend van mij betoond en ik behoef er volstrekt geen geheim van te maken—ik heb een meisje lief—en mijn patroon is een medeminnaar! Gij ziet, het is zeer eenvoudig. Maar voor mij beteekent haar liefde het leven—haar te moeten missen, zou de dood zijn.”

Joe had dit laatste op zulk een smartelijken toon gezegd, dat Raffles geen oogenblik kon twijfelen aan de diepte en de oprechtheid zijner gevoelens.

Hij begreep nu veel, zoo niet alles!

Pinkerton was veel ouder dan Joe—maar hij was schatrijk—hij kon het meisje bloemen geven, iederen dag, zooveel zij er slechts verlangde—Joe kon haar ternauwernood des Zondags een kleinen ruiker bij een straatventer koopen.

Hij nam Joe onder den arm en vroeg op warmen toon:

„Gelooft gij, dat het meisje aan dien man den voorkeur zal geven, alleen omdat hij rijk is—neem dan mijn welgemeenden raad aan en laat haar loopen, want dan is zij de liefde van een eerlijk man niet waard!”

„Ik weet zeker, dat zij dat niet doet, Mylord!” riep Joe vol vuur uit. „Als het alleen van haar afhing, [16]zou alles goed zijn—wij zijn beiden jong en kunnen wachten. Maar zoo eenvoudig is de zaak helaas niet. Haar vader is handelaar. Hij heeft onlangs zijn zaken een weinig uitgebreid—en daarvoor geld geleend—juist van dien Pinkerton. Met den vrede gingen zijn zaken achteruit, want hij moest als zooveel anderen zijn winst maken tijdens en van den oorlog. Hij stond en staat dus nog in schuld bij Pinkerton—en die zou zeker wel een mouw aan de zaak passen—als Daisy naar hem wilde luisteren!”

„Heeft hij dat aan haar vader gezegd?”

„Neen, dat niet, hij zeide het alleen maar aan haar!”

„Dan heeft de kerel ook geen eerlijke bedoelingen met haar!” zeide Raffles op vasten toon.

„Dat heb ik immers al dadelijk wel vermoed, Mylord!” hernam Joe op smartelijken toon. „Hij heeft haar duidelijk te verstaan gegeven, dat het slechts van haar afhing, of haar vader failliet zou gaan of niet. De oude man echter denkt in zijn onnoozelheid, dat Pinkerton trouwplannen jegens zijn dochter koestert en hij dringt er voortdurend bij haar op aan, hem toch het jawoord te geven, omdat hij hoopt, daardoor niet alleen van zijn schuld af te komen, maar ook een nieuwe leening bij zijn schoonzoon te kunnen sluiten!”

„Ja, dan verkeert zij in een treurigen toestand,” mompelde Raffles. „Veronderstel eens, dat haar vader morgen dat bedrag, zou kunnen terugbetalen—zou dan alles in orde zijn?”

„Ik vrees van niet, Mylord!” antwoordde Joe treurig. „Pinkerton heeft voor een groot bedrag aan aandeelen in de zaak van den ouden Chairman—zoo heet de vader van Daisy—en die zal hij zoo spoedig niet verkoopen, aan wien dan ook, uit vrees, dat hij zoodoende een scherp wapen uit handen geeft. En dan—mijn kansen bij Chairman staan al heel laag,” voegde de jonge man er met een bitteren glimlach aan toe. „Hij noemt mij een armen kerkrat en hij maakt natuurlijk vergelijkingen tusschen den patroon en den klerk.”

„Hoe oud is die Pinkerton?”

„Een jaar of vijf en veertig.”

„En Daisy—uw klein vriendinnetje?”

„Negentien.”

„Nu, dan kan ik u maar een raad geven, mijn waarde Joe, denk in den eersten tijd niet al te zeer over deze zaak en wijdt u liever uit alle macht aan uw taak, het winnen van den wedstrijd om de beurs. Als gij dien match maar eenmaal gewonnen hebt, dan zullen u de aanbiedingen dadelijk in den schoot vallen. Binnen een jaar kunt gij Kampioen van Engeland zijn, als gij het slechts ernstig wilt.”

„Gelooft gij dat werkelijk, Mylord?” riep Joe met schitterende oogen uit.

„Ik ben er zeker van.”

„O, dan beloof ik u, dat ik al mijn vermogens zal aanwenden, om dien wedstrijd te winnen. Dan zet ik al het andere zoo lang uit mijn hoofd, dan mag er in mijn hersens alleen maar plaats zijn voor de gedachte aan den wedstrijd.”

„Zoo mag ik het hooren!” hernam Raffles, terwijl hij de hand van den jongen man krachtig drukte. „Gij hebt uw lot in uw eigen hand. Als gij den match wint, dan zal de oude Chairman zich nog wel eens bedenken en als hij dan soms nog koppig wil blijven, dan zal ik eens een hartig woordje met hem spreken.”

„Ik dank U Mylord,” zeide Joe, die het hoofd snel afwendde, want hij gevoelde dat er tranen naar zijn oogen welden. „En ik zweer u, dat ik uw edelmoedigheid niet zal beschamen.”

„Daar zouden wij niet over praten,” hernam Raffles, terwijl hij dreigend den vinger ophief. „Oefen je slechts goed, laat alles verder aan Simons over en je kunt over een paar weken winnen. Ik moet nu afscheid van je nemen, mijn waarde Joe, want zaken van belang vragen mijn aandacht. Maar ik verlies je niet uit het oog, dat verzeker ik je. Ik zal vriend Simons zeggen, dat hij zijn bijzondere zorg aan je moet besteden, daar ik er bepaald op gesteld ben, dat je de beurs wint. Overmorgen kom ik je een bezoek brengen—als je het goed vindt.”

„Maar Mylord!” riep Joe uit, blozend van trots en genoegen. „Wij zullen Uw bezoek allen zeer op prijs stellen. Na half zes vindt gij mij steeds thuis en ik lunch ook altijd thuis, want onze woning is niet ver van de Sloans Street verwijderd.”

„Dat blijft afgesproken. Hard werken en U voorloopig met niets anders bemoeien dan met uw bokshandschoenen!”

Nogmaals drukte Raffles den jongen man de hand en daarop verwijderde hij zich, terwijl Joe met haastige schreden den weg naar zijn woning insloeg. [17]