[Inhoud]

HOOFDSTUK V.

Listen en lagen.

Er waren twee weken verloopen sinds dat gesprek en Joe had zich stipt aan zijn belofte gehouden en zijn gevoelens van jaloezie onderdrukt, om alleen aan den komende wedstrijd te denken.

Het was omstreeks twee uur in den middag, toen voor een huis in de Bishop Street een roodgelakte auto stilhield, waaruit Arthur Pinkerton stapte.

Hij was al weder voorzien van een grooten ruiker en had blijkbaar veel zorg aan zijn uiterlijk besteed.

Zijn zwart geverfde snor glom van de cosmetiek, zijn zijden das was met den uitersten zorg gestrikt en zijn handen staken in grijze glacéhandschoenen.

De deur werd geopend door een oude dienstbode, die reeds vele jaren in betrekking was van den ouden Chairman en sedert den dood van diens vrouw bijna als een familielid werd beschouwd.

Zij scheen den bezoeker reeds te kennen en niet al te zeer met hem ingenomen te zijn, want zij haalde zeer merkbaar haar neus op, toen zij den reusachtigen ruiker en daarachter het dikke, ongezond bleeke gelaat van den Heer Pinkerton zag en scheen zelfs een oogenblik groote neiging te gevoelen, de deur voor zijn neus dicht te werpen.

„Is mijnheer Chairman thuis?” vroeg de bezoeker.

„Ja mijnheer,” antwoordde de oude getrouwe.

„En juffrouw Daisy?”

„Die is ook thuis—en daar zal zij spijt genoeg van hebben, het arme kind,” voegde zij er half binnensmonds aan toe.

„Ga dan mijn bezoek aankondigen,” beval Pinkerton. „Breng mij maar eerst naar mijnheer Chairman.”

De oude meid ging hem brommend voor, een trap op, een gang door tot voor een breede deur, die toegang bleek te geven tot een vrij ruime werkkamer, met een reusachtig, ouderwetsch bureau tusschen de beide vensters.

Voor dat bureau zat Chairman, een kleine onaanzienlijke figuur, zooals hij daarin zijn versleten huisjasje in den grooten leuningstoel zat, met een kalotje op het spaarzame haar.

Hij keek den bezoeker een weinig schuw aan en stond toen op, teneinde hem te verwelkomen.

„Neem plaats, mijn waarde heer Pinkerton,” zeide hij op zachten, wat heeschen toon, terwijl hij een stoel bijschoof.

„Ik zal maar even van uw kostbaren tijd misbruik maken, waarde Chairman,” zeide Pinkerton, met onverholen spot en minachting in zijn stem. „Gij weet welken datum wij hebben vandaag?”

Chairman wierp een blik op den scheurkalender, die aan den wand hing, ofschoon hij maar al te goed wist welke datum het was en antwoordde toen:

„Natuurlijk, het is de eerste!”

„Mooi, en denkt gij mij nu te kunnen betalen?”

„De zaak is.…. het zal heden moeilijk gaan!” hakkelde Chairman.

„Even moeilijk als verleden maand en de maand daarvoor en zoo vervolgens!” kwam Pinkerton verachtelijk. „Ik zal U eens wat zeggen, mijn waarde Chairman! Ik kom langzamerhand tot de ontdekking dat ik hier voor den gek word gehouden en dat zal ik niet dulden—verstaat gij? Dat zal ik stellig niet dulden!”

„Maar daar denk ik werkelijk niet aan, mijnheer Pinkerton,” riep de oude man op jammerenden toon. „Ik ben er van overtuigd, dat over een jaar alles weder met mijn zaken in orde zal zijn—kunt gij niet tot dien tijd geduld hebben?”

„Nog een jaar? Waarom niet liever tien?” riep Pinkerton schamper uit. „Ik begin mijn geduld te verliezen, moet gij weten. En ik zou U raden, binnen zeer korten tijd naar middelen om te zien, om mij te voldoen.”

„Dat beloof ik u, dat beloof ik u vast, mijn waarde heer Pinkerton!” zeide Chairman verheugd, dat hij er weder voor dit keer af was. [18]

Pinkerton was reeds weder opgestaan en vervolgde nu, schijnbaar onverschillig:

„Is uw dochter thuis?”

„Zeker, en het zal haar zeker aangenaam zijn, u te ontmoeten,” haastte de oude man te antwoorden. „Ik zal haar even laten roepen.”

„Doe geen moeite. Ik wilde haar juist wel even onder vier oogen spreken!” kwam Pinkerton. „Zij is zeker in haar eigen kamertje?”

„Dat denk ik wel,” antwoordde Chairman, die den schrik van zooeven reeds geheel te boven scheen te zijn en handenwrijvend voor zijn schuldeischer stond.

„Nu, dan verlaat ik u—en zorg, dat ik de kleur van uw geld spoedig zie, of er gebeuren dingen, waarvan ik de verantwoording niet zal dragen, maar gij en gij alleen!”

En met deze woorden verliet hij het vertrek en liet den ouden karakterloozen vader alleen.

Hij liep de gang door, maar had nog geen vijf passen gedaan, of hij struikelde over een voorwerp, dat hem gevoelig tegen de scheen raakte.

Tegelijkertijd werd zijn voet doornat en een luid rinkelend geluid liet zich hooren, dat zich scheen te verwijderen.

„Wel, voor den duivel!” barstte Pinkerton woedend uit. „Wie zet er nu in die donkere gang een volle emmer neer!”

„Dat doet iedere vrouw, die de trappen gaat doen,” klonk het vinnige antwoord uit de duisternis. „Wij zijn hier niet ingericht op bezoeken in den middag—dat is de zaak.”

„Jij bent een brutale feeks!” gromde Pinkerton, die de oude dienstmaagd herkend had, die met opgeschorte rokken, een bezem en een dweil in de hand, aan het einde van de gang stond. „Maak eens licht—ik geloof, dat ik mijn enkel aan het bloeden heb gestooten.”

„Dat zou erg jammer zijn,” kwam een stem uit de duisternis.

En daarop werd het licht, daar de oude meid den schakelaar had omgedraaid en Pinkerton kon zich overtuigen van de aangerichte schade.

Het onderste gedeelte van zijn pantalon was kletsnat en bij het opstrooken van dit kleedingstuk en het zich daaronder bevindende, kwam aan den dag, dat de scheen wel niet bloedde, maar toch deerlijk geschramd was en blauwe plekken vertoonde.

„Ik zal je dat betaald zetten, oude heks,” bromde Pinkerton, terwijl hij de vrouw de dweil uit de hand rukte en daarmede het ondergedeelte van zijn pantalon begon droog te wrijven, ganschelijk vergetend, dat zijn vingers in fijne handschoenen gestoken waren.

Toen hij hiermede gereed was, greep hij den ruiker, die eveneens tamelijk ernstig had geleden en ging op de deur toe, die zich aan het einde van de gang bevond.

Juist werd deze geopend en een fijn meisjeskopje verscheen om den hoek, met prachtige blauwe oogen en een mondje als een rozenknop.

Het was Daisy Chairman.

„Wat is daar toch aan de hand, Mary?” vroeg zij, maar in haar mooie oogen schitterde een ondeugend licht, „gooi je daar de emmer van de trap?”

„Vraag excuus, juffer Daisy. Dat doe ik niet—dat doet die mooie mijnheer—hij denkt zeker, dat het hier een paardenspel is.”

Pinkerton wierp de oude dienstbode een giftigen blik toe en wendde zich toen zoetsappig tot het meisje met de opmerking:

„Ik vrees, dat mijn persoon niet al te zeer in den smaak valt van Uwe gedienstige, Miss Daisy. Naar het mij toeschijnt, heeft zij het op mijn beenen voorzien. Zoudt gij niet zoo goed willen zijn, mij aan de woede dezer furie te willen ontrukken?”

„Mary een furie?” riep Daisy lachend uit. „Zij is de goedheid in persoon! Maar ik wil u wel redden—ga maar mede naar mijn vader.”

„Pardon Miss Daisy, ik kom juist van hem vandaan en vroeg hem verlof, eenige woorden met u te mogen wisselen!”

Het gelaat van het meisje betrok en zij maakte een beweging van ongeduld.

Mary bromde zeer duidelijk hoorbaar, terwijl zij haar bezem stevig vastgreep, als om er een vijand mede te lijf te gaan.

„De oude man wordt kindsch. Hoe komt men er bij, jong aan oud te willen koppelen!”

Daisy had de deur van haar kamer reeds geopend en zeide onwillig:

„Kom binnen, mijnheer Pinkerton, maar ik waarschuw u dat ik niet veel tijd heb.”

„O, wat ik U te zeggen heb, is in enkele woorden mede te deelen, Miss!” [19]

Het meisje liet den onwelkomen bezoeker binnengaan en sloot de deur.

Pinkerton keek haar even met zijn gluiperige oogen aan en stak toen de hand vooruit, waarin hij den ruiker geklemd hield.

„Sta mij om te beginnen, toe, U deze bloemen te overhandigen, Miss,” begon hij. „Mogen zij een bewijs zijn van mijn teedere gevoelens jegens U!”

Het meisje had den boeket aangenomen, en dien met een onverschillig gebaar op de tafel geworpen, zonder iets te zeggen.

Zij wees haar bezoeker een stoel en nam zelf plaats.

Pinkerton was blijkbaar eenigszins van zijn stuk gebracht door het stilzwijgen van het jonge meisje en hernam haperend:

„Gij hebt natuurlijk wel begrepen, wat mij tot U voert, Miss Daisy. Gij kent de gevoelens, welke ik jegens u koester. Mij dunkt dat ik nu lang genoeg gewacht heb—ik wensch thans uw antwoord kort en bondig te vernemen!”

„Kort en bondig?” herhaalde Daisy, terwijl zij den bezoeker strak aankeek. „Wel, gij zult op uw wenken bediend worden. Ik zeg neen!”

„Wat! Gij slaat mijn liefde van de hand? Gij weigert, mijn verlangens in te willigen?”

„Ja, mijnheer Pinkerton, dat weiger ik. Ik weet wat het is, wat gij liefde noemt. En ik wil mij niet laten behandelen als een stuk speelgoed, dat men wegwerpt als men er genoeg van heeft.”

Pinkerton beet zich op de lippen.

Hij begreep, dat hij een anderen weg moest inslaan.

Als het niet met zachtheid ging dan maar met geweld.

Hij stond dus op, en zeide op gedempten toon, waarin echter duidelijk een bedreiging was te hooren:

„Ik ben er zeker van, Miss Daisy, dat gij u nog wel eens zult bedenken, het kan u niet onbekend zijn, dat het lot van uw vader zich in mijn handen bevindt, hebt gij daar wel eens over nagedacht.”

„God alleen weet, hoe veel slapelooze nachten mij dat gekost heeft,” riep het meisje op hartstochtelijken toon uit.

„O, nu, als gij het weet, waarom blijft gij dan hardnekkig weigeren?” drong Pinkerton aan. „Het behoeft u maar een woord te kosten, en uw vader is voor altijd bevrijd van zijn zorgen, in het tegenovergestelde geval behoeft het mij slechts een woord te kosten, en uw vader snelt zijn ondergang tegemoet.”

„Mijn God, is het al zoo ver?” riep Daisy uit, die doodsbleek was geworden. „Dat wist ik niet,” voegde zij er op doffen toon aan toe.

„Ik zeg u niets dan de waarheid, Miss!” hernam Pinkerton, terwijl hij een stap naar het jonge meisje deed. „Laten wij de zaken met enkele woorden in het juiste licht stellen, en gij—en gij alleen hebt het in uw macht uw vader te redden of hem in het verderf te storten.”

„Zwijgt! Om Godswil zwijgt!” riep het arme kind wanhopig uit. „Gij kunt het niet meenen dat gij misbruik zou maken van het ongeluk van mijn vader. Ik weet zeker, dat hij er binnen een jaar weder boven op kan zijn. De zaken gaan reeds beter en als eenmaal normale toestanden teruggekeerd zullen zijn, dan komt alles in orde. Heb nog slechts tot zoo lang geduld.”

„Neen!” antwoordde Pinkerton kortaf. „Ik wil niet langer wachten, ik heb u lief—en ik zal u bezitten, gij zult de mijne worden, al zou ik hemel en aarde moeten bewegen. Ik geef u nog een week en als gij mij dan niet hebt gezegd, dat uw tegenstand gebroken is dan zullen de gevolgen voor uw rekening komen. Maar ik ga zoo niet heen, eerst zult gij mij een kus geven, op afrekening.”

Hij was op Daisy toegesprongen en had het jonge meisje omvat, dat op dien aanval niet verdacht was.

Zij worstelde om los te komen, zij verzette zich uit alle macht, de beide kleine handen tegen de borst van den ellendeling gedrukt.

Pinkerton trok haar echter dicht tegen zich aan, en bracht zijn gelaat bij het hare.……

Maar eensklaps vloog de deur open, en de schurk voelde zich in den nek vatten, en met kracht achter uit trekken.

Bleek van woede wendde hij zich om.

Hij keek in het gelaat van Joe Mascott, die in het geheel niet woedend scheen te zijn, maar zijn medeminnaar spottend aankeek.

„Gij weet zeker wel dat ik iets beteeken als bokser, mijnheer Pinkerton,” zeide de jonge man langzaam, terwijl hij een stap in de richting van den anderen deed. „Daar zal ik echter geen misbruik van maken—al kon ik U met mijn wijsvinger neerslaan. Neem [20]daarom slechts dezen oorveeg voor lief. Het is weinig maar goed bedoeld.”

En op het zelfde oogenblik daalde er een klinkende muilpeer neder op het gelaat van den bankier, juist op zijn rechterwang, die in een paar tellen danig opzwol, al had de jonge bokser zich nog zoo ingehouden.

Daarop wendde Joe zich tot het jonge meisje, dat verschrikt had toe gezien, en zeide op teederen toon:

„Je behoeft niet bang te zijn, kleine lieveling, als eenmaal de wedstrijd achter den rug is, en ik win hem, dan komt alles in orde, en zal ik dien schoft zijn geld terug betalen.”

Vervolgens wendde hij zich naar de deur, wierp haar wijd open, en riep:

„Zuiver deze kamer zoo snel mogelijk van uw aanwezigheid, mijnheer Pinkerton, anders blijft het niet bij dat kleine klapje.”

In minder dan geen tijd was de bankier buiten het vertrek.

Zijn ruiker vloog hem achterna en trof hem in den nek, gevolgd door zijn hoed en wandelstok.

En daarop viel de deur met een harden slag in het slot en kon Pinkerton zijn bezoek gevoegelijk als geëindigd beschouwen.

Hij raapte hoed en wandelstok op en hief dreigend de vuist op tegen de gesloten deur.

Sissend kwam het over zijn lippen:

„Dat zal ik je betaald zetten, Joe Mascott—of mijn naam is geen Pinkerton!”

Hij daalde vlug de trap af, zonder zich verder om den ouden Chairman te bekommeren en stapte in zijn auto, die nog stond te wachten.

De chauffeur had bevel gekregen, zijn meester naar huis te rijden, maar onderweg scheen Pinkerton van gedachten te veranderen.

Hij nam de spreekbuis die hem in verbinding stelde met den chauffeur en beval:

„Breng mij naar de boksschool van Stanley—weet je die? Het is in de Dickens Street, een oud huis met een groote toegangspoort. Ik zal je wel waarschuwen, als wij er zijn.”

De chauffeur tikte aan zijn pet en het voertuig zette zich weder in beweging.

Een half uur later stond de auto stil voor het gebouw, waar „Black Jimmy” troonde.

„Wacht hier,” beval Pinkerton den chauffeur. „Ik ben over een kwartier terug.”

Hij ging haastig de trappen op en trad de wachtkamer binnen, waar zich op dit oogenblik niemand bevond.

Maar de knecht met de morsige trui had zeker iets gehoord en kwam binnen om naar het verlangen van den bezoeker te informeeren.

„Is George Malony hier soms?”

„Dat geloof ik wel, mijnheer. Wilt gij hem spreken?”

„Ja, verzoek hem even hier te komen.”

„Uw naam?”

„Die doet er voorloopig niet toe. Zeg maar dat een oude kennis hem over een belangrijke zaak wenscht te spreken.”

De knecht bekeek Pinkerton verbaasd, die er met zijn dure kleeren in het geheel niet uitzag als een „Oude kennis” van iemand als George Malony, maar hij antwoordde niettemin, dat hij den bokser zou waarschuwen.

Eenige minuten later trad Malony binnen.

Zijn gelaat stond tamelijk stuursch en hij keek den bezoeker met onverholen bewondering aan.

Pinkerton was opgestaan en deed nu zorgvuldig de deur dicht, hetgeen de verbazing van Malony nog deed toenemen.

Toen trad Pinkerton op den bokser toe en zeide glimlachend:

„Gij zult misschien een weinig verwonderd zijn over mijn optreden, mijnheer Malony, maar wat ik U te zeggen heb is alleen voor u bestemd.”

De zware wenkbrauwen van Malony gingen een eind de hoogte in, maar hij zeide niets en wachtte als een voorzichtig man het eerste schot van den tegenstander af.

En dus begon Pinkerton:

„Gij kent mij niet, mijnheer Malony, maar ik ken u des te beter, al is het dan alleen maar van naam.”

Malony trok een gezicht, alsof hem deze mededeeling maar half aangenaam was, maar nog zeide hij niets.

„Juist, omdat ik van U heb hooren spreken, kom ik tot u met een verzoek en ik zou mijn sterk moeten vergissen, als gij het niet zoudt inwilligen—want er is geld aan te verdienen, mijn waarde heer Malony.”

Deze mededeeling scheen dadelijk in hooge mate belangstelling van den bokser te wekken. [21]

Hij spitste de lippen, kneep de zwarte oogen half dicht en zeide op half vertrouwelijken toon:

„Wel, laat eens hooren, mijnheer … mijnheer …”

„O, mijn naam doet er voorloopig niet toe,” viel Pinkerton hem in de rede. „Als wij het eens kunnen worden en gij stemt toe in mijn voorstel—dan is het nog tijd genoeg, U mijn naam te zeggen.”

„Zooals gij wilt. Kom dan maar eens over de brug met dat voorstel—dan kan ik zien, wat er te doen is—of te laten!”

Pinkerton dacht eenige seconden na over de beste wijze, de zaak voor te dragen en begon toen:

„Gij weet natuurlijk, dat over een week de match om een beurs van 500 pond plaats heeft in het Cristal Palace?”

„Natuurlijk weet ik dat,” antwoordde Malony grimmig. „Ik zou zelf ook mee doen—als ik wat beter getraind was. Wijntje en Trijntje—en de sport—die kunnen niet al te goed met elkander onderweg, ziet gij—en.….”

„Juist. Ik ken Uwe kleine zwakheden, mijn waarde Malony!” kwam Pinkerton. „Maar nu kom ik u juist aanbieden, een bedrag te verdienen, dat niet veel kleiner zal zijn dan de prijs voor den verliezer vastgesteld, namelijk twee honderd pond, als gij op mijn voorstel ingaat!”

„Twee honderd pond? Een aardig bedrag, tenminste, als het een kleinigheid betreft.”

„O, voor iemand als gij zijt, heeft het niets om het lijf, luister! Gij weet natuurlijk zoogoed als ieder Uwer collega’s, dat een zekere Joe Mascott aan die match zal deelnemen, en dat zijn kansen zeer goed staan.”

„Zeer goed? Als er geen wonder gebeurt, dan wint hij zoo zeker als een huis,” riep Malony uit, met een onmiskenbaren klank van naijver in zijn ruwe stem.

„Juist! Maar men zou dat wonder met niet al te veel moeite kunnen laten geschieden, niet waar?”

Malony antwoordde niet dadelijk maar liet een zacht gefluit hooren, en keek Pinkerton met zijn kleine, zwarte oogen onderzoekend aan.

Deze deed, alsof hij niets gemerkt had, en ging rustig voort:

„Zie eens, er is mij veel aan gelegen, dat die Mascott de match niet wint, begrijpt gij? De redenen kunnen u onverschillig zijn, iedereen heeft wel eens van die onberedeneerde antipathieën, niet waar?”

„Ongetwijfeld,” antwoordde Malony meesmuilend. „En Mascott heeft uw antipathie als ik het goed begrijp.”

„Geraden!”

„Nu, hij behoort toevallig ook niet tot mijn vrienden,” ging Malony met een onaangenamen grijns voort. „En zeg mij nu eens, hoe gij het u wel voorstelt, te beletten dat hij de match niet wint.”

„Wel, dat kan niet zoo moeilijk zijn, dunkt mij.”

„Wij zouden hem een dag te voren kunnen opwachten, op een straathoek, en hem een tik geven die goed aankwam.”

„O, neen,” riep Pinkerton verschrikt uit. „Dat vooral niet, dan zou hij in het geheel niet aan den wedstrijd kunnen deelnemen, en dat is de bedoeling niet. Neen, hij moet wel degelijk boksen—maar zoo, dat iedereen zegt: die man moest liever baker worden. Begrijpt gij? Hij moet in de eerste of tweede ronde uitgeslagen worden.”

„Ja, dan wordt de zaak wel wat lastiger,” zeide Malony, terwijl hij zich achter de ver van zijn hoofd staande ooren krabde. „Ik kan niet goed begrijpen, hoe wij dat dan moeten aanleggen!”

„Kom, het is niet zoo lastig,” hernam Pinkerton. „Er bestaan wel van die geheime middeltjes, welke men iemand kan ingeven en die bewerken, dat men zich gedurende eenigen tijd slap en zwak gevoelt, zonder bepaald ziek te zijn.”

„Nu kom ik er achter!” riep de bokser uit, met den zelfden grijns om de dikke lippen. „Maar hoe kom ik aan dat middel?”

„Als gij toestemt, zal ik het u wel verschaffen.”

„Het is toch niet.….. gevaarlijk?” vroeg Malony op gedempten toon. „Hij kan er toch niet voor goed mee uit de wereld geholpen worden?”

„Daarvoor behoeft gij geen vrees te koesteren. Als gij slechts zorgt, dat gij in den loop van den dag waarop de wedstrijd plaats heeft, den inhoud van een klein peperhuisje met een wit poeder in een glas te doen, dat gij met hem gaat drinken—dan is alles in orde. Hij zal zich dan lusteloos gaan gevoelen en des avonds zal hij gemakkelijk geklopt worden. Slaat gij toe?”

Twee honderd pond?”

„Ja!”

„De helft vooruit?”

„Neen, gij kunt vijftig pond vooruit krijgen—en de rest, als de wedstrijd achter den rug is!” [22]

„En bij wien moet ik dan het geld gaan halen?”

„Ik zal het u zelf op den dag van de match komen brengen—met het poeder en U dan tevens mijn naam noemen!”

„Top, ik ben Uw man,” kwam Malony, na even te hebben nagedacht. „Ik zal hem wel naar een koffiehuis lokken en eenmaal daar, zal ik hem het middeltje wel weten toe te dienen.”

De lafhartige overeenkomst werd met een handslag bekrachtigd en daarop verliet Pinkerton haastig het huis.

Hij was er nu zeker van, dat Mascott niet zou winnen, maar jammerlijk zou worden verslagen.

En als dat eenmaal was geschied, dan zou zijn toekomst bedorven zijn, of hij zou tenminste in het eerste jaar volstrekt geen kans hebben op groote prijzen.

En Mascott arm—dat beteekende dat Chairman naar zijn pijpen zou moeten dansen en dat hij Daisy wel zou weten te dwingen, hem ter wille te zijn. [23]