De dag van de groote match was aangebroken.
Op alle muren van het groote Cristal Palace prijkte groote, schel gekleurde aanplakbiljetten, waarop de namen van de twee boksers vermeld stonden, die om de beurs zouden strijden—Joe Mascott en Jim Farrol.
Farrol was op het oogenblik de sterkste bokser, middelgewicht van Londen en dat was duidelijk te merken aan den stand van de weddenschappen, want er was slechts weinig gewed op Joe, die nog geheel en al onbekend was, behalve bij de insiders die dan ook niet geaarzeld hadden, vrij groote bedragen op hem te zetten.
Wat Raffles betreft—hij had de vorderingen van den jongen man met onverholen verbazing en voldoening gadegeslagen en niet geaarzeld, vijfhonderd pond op zijn overwinning te wedden.
Bijna iederen dag had hij de groote oefenzaal van Fred Simons bezocht, ten einde zich door eigen aanschouwing van de vorderingen van zijn beschermeling te overtuigen.
En hij was er zeker van, dat zijn kansen uitstekend stonden.
Weliswaar deelde de sportpers mede, dat Farrol zich op dit oogenblik in „first class form” bevond, maar dat kon zijn vertrouwen niet aan het wankelen brengen.
Tweemaal had hij Joe aan diens huis bezocht en kennis gemaakt met zijn moeder en zuster.
Bij de tweede gelegenheid had de jonge bokser hem verhaald, wat er met Pinkerton in de kamer van Daisy was voorgevallen en Raffles had hem goedkeurend op den schouder geklopt en gezegd:
„Over een paar dagen kunt gij met opgericht hoofd voor den ouden Chairman treden, en hem zijn dochter ten huwelijk vragen. Als hij dan soms nog bezwaren mocht maken, dan zal ik hem wel tot andere gedachten brengen.”
Die verklaring was den jongen bokser een aansporing te meer geweest, zich duchtig voor te bereiden.
En er hing voor hem des te meer van dezen wedstrijd af, daar hij, zooals wel te voorzien was, den zelfden dag, waarop hij zijn patroon op een muilpeer onthaald had, door dezen was ontslagen.
Hij verdiende dus niets, maar de neerslachtige stemming, die hieruit was voortgevloeid, had dadelijk weder plaats gemaakt voor een blijde opgewektheid toen Lord Aberdeen hem kwam zeggen, dat hij, zoodra de wedstrijd achter den rug was een heel wat beter betalende betrekking zou krijgen bij een zijner vrienden.
Die zou hij dan kunnen waarnemen, zoolang de groote prijzen uitbleven.
Het was vroeg in den morgen van den wedstrijddag, toen Raffles het groote oefenvertrek bij Fred Simons binnentrad.
Hij wist, dat hij Joe daar kon vinden, om de laatste maatregelen te nemen en zich nog eens duchtig te oefenen met den besten leerling van Simons, die zelf een goede toekomst had.
Hij kwam juist, toen de partij, die slechts een kwartier mocht duren, op haar einde liep.
En weer bewonderde hij het soepel spel der spieren, de weergalooze vlugheid en den moed van zijn beschermeling.
Na de partij werd Joe gemasseerd door de bekwame hand van Simons die vol trots uitriep:
„Wat een lichaam, spieren als boter, tot hij ze spant, de satijnen huid als van een jong meisje, longen als van een paard, en een middeltje, waarop menige vrouw jaloersch zou zijn.”
En onder deze uitroeping wreef en kneep hij de spieren, tot Joe met een pijnlijk gezicht uitriep:
„Nu is het wel genoeg, Simons, ik voel mij uitstekend.”
„Dan naar de douche!” [24]
En Simons trok zijn „poulain” mede naar de badkamer waar een douche hem geheel en al verfrischte.
En nu kwam de korte wandeling aan de beurt, afgewisseld met eenige kilometers hard loopen en touwtje springen.
Raffles zou den bokser daarbij vergezellen, in zijn kleine sportauto gezeten, in gezelschap van Simons.
Men zocht de stilste buitenwegen op, en daar stapte Joe uit, en begon met snelle wandelpassen met de auto mee te loopen, terwijl Simons hem zijn bevelen toe schreeuwden.
Nu en dan ging hij in den looppas over, en dan weder legde hij, al touwtje springend, een afstand van een kilometer af.
Eindelijk vond Simons, dat het genoeg was.
Hij legde zijn groote hand op de borst van den bokser, voelde hem als een volleerd dokter de pols en zeide tevreden:
„Bijna geen verhoogde hartwerking, de jongen is van staal, ik geloof, dat hij zoo den geheelen dag zou kunnen voortgaan, zonder een spoor van vermoeidheid. Nu, mijn taak is afgeloopen. De rest moet hij zelf doen.”
Hij richtte zich tot Joe en vervolgde:
„Houdt je rustig, den geheelen dag, zonder evenwel van je gewone bezigheden af te wijken. Vandaag mag je geen handschoen meer aanraken voor je tusschen de touwen staat in de Cristal Palace, loop wat rond met de jongens, maar geen alcohol versta je? Dat behoef ik je trouwens gelukkig niet te zeggen, ik heb je nooit zien drinken. Een paar uur voor de match mag je langzaam een groot glas ale drinken, met een ei er door geroerd en dat is alles. Niets meer eten na vijf uur, begrepen?”
„Ik zal er om denken, Simons,” gaf Joe ten antwoord, terwijl hij de hand van den voormaligen Australischen Kampioen greep. „En of ik vanavond win of verlies, ik zal nooit vergeten, wat ik aan je te danken heb gehad, je bent een trainer uit duizenden, Simons.”
„Zoo denk ik er ook over, mijn waarde Joe,” gaf Raffles glimlachend te kennen. „En een goed trainer is de helft van den wedstrijd gewonnen.
„Nu moet ik je ook verlaten, want ik heb nog eenige zeer dringende zaken af te handelen. Vanavond hoop ik je als overwinnaar te mogen begroeten.”
Hij reikte Joe de hand, knikte hem vriendelijk toe, en daarop reed hij met Simons weg, die hem met zijn auto tot aan diens woning zou brengen.
Joe keek de auto achterna, tot zij uit het gezicht was, en zeide toen in zich zelf:
„Een edel man, die tevens een edelman is. Joe zorg dat je vanavond wint en toon je zijn belangstelling waard.”
Hij raadpleegde zijn horloge en zag, dat het tijd werd voor de lunch.
Daar Simons hem had verboden, van een motorbus gebruik te maken, wegens het trillen van die voertuigen, en evenmin van den ondergrondschen spoorweg, welke dit euvel in nog meer mate vertoont, wandelde hij naar zijn woning en gebruikte geheel alleen een eenvoudigen maaltijd, bestaande in geroosterd brood, een ei, wat mager vleesch en een paar druiven.
Des middags bracht hij een bezoek aan zijn meisje, tersluiks, wel te verstaan, want haar vader had hem het huis kortweg ontzegd, na het incident met Pinkerton, en daarop begaf hij zich naar het huis van Simons, waar hij moest wezen, om er zijn handschoenen, pantoffels, en andere zaken te halen. Hij vond er George Malony aan de deur staan, die hem joviaal toeknikte, en uitriep:
„Ik wensch je een goede kans, Joe, je kunt Farrol wel maken en breken.”
„Ik hoop te winnen, George,” antwoordde Joe eenvoudig. „Er hangt voor mij veel van af, dat weet je.”
„De kameraden willen een kop thee, of een glas bier met je drinken dat sla je zeker niet af, hoop ik?” ging Malony voort.
Joe was een te vriendelijke jongen, om er een oogenblik aan te denken, zijn vrienden door een weigering te beleedigen, en dat wist Malony ook wel.
„Als het niet te laat wordt, ben ik graag tot je dienst,” zei Joe.
„Ga dan mee naar den hoek, daar is een café, de jongens komen dadelijk.”
De twee mannen begaven zich naar het koffiehuis, waar George bier en een kop thee voor Joe bestelde.
Met opzet had hij een tafeltje uitgezocht dat achter een der schutten stond, welke de gelagkamer in een groot aantal afgeschoten hokjes verdeelde.
Het was nog vroeg en er waren maar zeer weinig personen aanwezig.
Dicht bij het buffet hing een groote reclameplaat, [25]voorstellende twee boksers die met opgeheven vuisten tegenover elkaar stonden.
Zoodra de thee en het bier gebracht waren, zeide Malony:
„Je moet voor de aardigheid die plaat eens van dichtbij bekijken, Joe, en zeg mij dan eens, of je er niets bijzonders aan ziet.”
Niets kwaad vermoedend stond de jonge bokser weer op en ging naar het reclamebiljet dat hij eenigen tijd aandachtig bekeek.
Van zijn afwezigheid maakte Malony gebruik, snel en ongezien het kleine zakje in de thee van den jongen bokser leeg te storten.
Dit was reeds lang gedaan, toen Joe terug keerde en verwonderd zeide:
„Ik kan er niets bijzonders aan zien, om je de waarheid te zeggen!”
„Kom nu. Je hebt immers voor een der boksers geposeerd voor den man die het biljet teekende,” riep Malony uit.
„Ik verzeker je van niet!” kwam Joe.
„Nu, dan is de gelijkenis toevallig!” hernam Malony schouderophalend. „Op je gezondheid en je goede kansen, Joe.”
Hij bracht het glas aan zijn lippen en zag vol spanning toe, hoe de andere zijn kop thee aan zijn lippen bracht en dronk.
Even later traden drie of vier leerlingen van Simons binnen, die naar het tafeltje toekwamen en luidruchtig hun opmerkingen begonnen te maken.
„Dat was een goed idee van Malony, om ons hier te inviteeren,” riep een der jonge mannen uit.
„Ik dacht eigenlijk dat de invitatie van jullie kwam,” zeide Joe, een weinig verbaasd.
„Neen, man, George is de gastheer,” antwoordde de bokser, terwijl hij Malony een harden klap op den schouder gaf, die hem gaarne naar den duivel had gewenscht.
„Maar je krijgt van ons toch ook een glas bier,” vervolgde de jonge man, „tenminste als je mag van Simons!”
„Dat mag juist in het geheel niet, Sam!” zeide Joe lachend. „Geen spoor alcohol heeft hij gezegd—en daaraan houd ik mij.”
Men sprak nog eenigen tijd voort, Joe dronk zijn kop leeg en nam toen afscheid van de vrienden, die allen dien avond aanwezig zouden zijn, om hun medeleerling te zien boksen.
Joe begaf zich naar huis, teneinde daar rustig met lezen den tijd verdrijvend het uur van de match af te wachten.
En naarmate die tijd heenging, voelde de jonge man een eigenaardige loomheid over zich komen, een moeiheid, welke hij nooit gekend had.…..
Zijn dijspieren trokken, zijn armen voelden zwaar aan, en het leek hem, alsof hij zelfs met opstaan eenige moeite had.
In zijn hoofd had hij een dof gevoel, als van een naderende hoofdpijn.
Hij opende een venster, meenende, dat de lucht in de kamer misschien bedorven was, maar de frissche buitenlucht bracht hem geen verbetering.
Verschrikt riep Joe zijn moeder, die zeer verontrust was over het bleek uiterlijk van haar zoon en deelde haar mede wat hij gevoelde.
„Als je nog eens een wandeling ging maken, Joe,” riep de oude vrouw, de beide handen op zijn sterke schouders leggend. „Je heb je misschien wel wat veel ingespannen in de laatste dagen, een wandeling zal je goed doen.”
„Zoudt gij denken, moeder?” vroeg Joe, „ik weet het niet, ik heb zoo een vreemd gloeierig gevoel in mijn beenen, en mijn borst voelt ook zoo zonderling beklemd, stel u voor, dat ik nu ziek werd. Het zou vreeselijk zijn, misschien is het wel griep.”
„Dan moeten wij dadelijk den dokter halen,” riep de oude vrouw verschrikt uit. „En dan mag je vanavond volstrekt niet boksen.”
„Ach moedertje,” kwam Joe droevig, „ik moet immers wel, al zou men mij er in een rijtuig naar toe moeten brengen, ik zal vechten.”
Op dit oogenblik werd er gescheld, en even later trad Raffles het vertrek binnen.
Hij groette de oude dame hoffelijk en wendde zich toen tot Joe met de opmerking:
„Ik hoop niet, dat ik je kom storen, waarde Joe, maar ik wilde je even persoonlijk komen uitnoodigen, na afloop van den wedstrijd met mij en mijnheer Brand te soupeeren, wel te verstaan, als je niet reeds andere afspraken hebt gemaakt, maar mijn hemel, wat scheelt je?” zoo viel hij zich zelf verschrikt in de rede, „wat zie je bleek!”
„Ik.… de zaak is, dat ik mij ziek voel, Mylord!” [26]stamelde Joe, terwijl hij de hand aan het voorhoofd bracht en op een stoel neerzakte.
„Wat is dat nu,” riep Raffles verbaasd uit, „maar toen ik je een paar uur geleden verliet, was je zoo frisch als een hoen, is dat dan zoo plotseling opgekomen?”
„Geen half uur geleden, Mylord.”
„En hoe was het daarvoor?”
„Ik gevoelde mij gezonder dan ooit.”
„Dat is zeer vreemd,” riep Raffles uit.
„Kan het geen griep zijn, Mylord?” vroeg de oude dame, die vol bezorgdheid over het glanzende haar van haar eenigen zoon streek.
„Zoo plotseling, neen, Mevrouw, dat is onmogelijk,” antwoordde Raffles met vaste stem.
Hij was op Joe toegetreden, schoof een stoel aan, ging zitten, en nam de pols van den jongen bokser.
Toen lichtte hij zijn oogleden op, bekeek het ooglid, schudde het hoofd, en mompelde:
„Dat is onbegrijpelijk!”
„Sta eens op en doe een paar passen,” beval hij.
Joe stond op, en liep eenige malen op en neer, daarbij liep hij niet recht, maar wankelde, als iemand die duizelig is.
„Sluit je oogen, strek je armen uit, en doe nu langzaam een paar passen achteruit,” beval Raffles weder.
Joe gehoorzaamde.
„Ga nu eens zitten, en leg je eene been over het andere.”
Weer gehoorzaamde de jonge man.
Met den kant van de geopende rechterhand gaf Raffles onverhoedsch een korten slag tegen het onderbeen, even onder de knie.
Het been bleef onbewegelijk neerhangen.
Raffles stond op, keek Joe eenigen tijd zwijgend en onderzoekend aan, en vroeg toen:
„Zeg mij eens nauwkeurig, wat gij gedaan hebt, nadat Simons en ik u verlaten hebben, heden morgen om elf uur.”
„Ik ben naar huis gewandeld om te lunchen, Mylord!”
„Wat hebt gij gegeten?”
„Geroosterd brood, een ei, wat koud vleesch en wat druiven.”
„Dat hadt gij zeker alles gereedgemaakt, Mevrouw?” zoo wendde Raffles zich tot de oude dame, die vol ongerustheid en vervuld van een vage vrees had toegeluisterd.
„Zeker, Mylord, en ik verzeker u dat het vleesch zoo uitstekend was als het maar te krijgen was. Ik wist immers wel dat het beste voor Joe nog nauwelijks goed genoeg was! Trouwens—wij allen hebben gisteren van het zelfde vleesch gegeten!”
„Waar hebt gij den druiven gekocht?”
„In een delicatessenwinkel hier in de buurt.”
„Als gij er nog van hebt, breng er dan eenige hier, als ik U verzoeken mag,” vroeg Raffles.
De oude dame verliet haastig het vertrek, terwijl Joe Raffles verwonderd en ontsteld aanstaarde.
„Wat denkt gij eigenlijk, Mylord?” barstte hij toen uit.
„Nog niets, mijn waarde Joe, dan dat je aan een heel eigenaardige, plotseling opgekomen zwakte lijdt—ik zou het, als ik geneesheer was, „acute seniliteit” noemen—en die bestaat niet, voor zoover ik weet. Het is eenvoudig ouderdomszwakte, mijn jongen. Ik merk zelfs eenige symptonen, die zich juist zoo voordoen bij aderverkalking en daarvan kan bij jou geen sprake zijn.”
Op dat oogenblik trad Mevrouw Mascott binnen met een kristallen schaaltje waarop een aangesneden tros druiven lag.
Raffles trok er een druif af en stak ze in den mond, na haar aandachtig te hebben bekeken.
Hij proefde de vrucht aandachtig en zeide toen hoofdschuddend:
„Een druif, zoo goed als ik er nog ooit een proefde!”
Nu wendde hij zich opnieuw tot Joe en vroeg:
„En wat hebt gij gedaan nadat gij gegeten hadt?”
„Ik ben naar Simons gegaan om daar mijn handschoenen en eenige andere zaken te halen.”
„Vervolgens?”
„Vervolgens ben ik met George Malony en eenige andere kameraden in een café een kop thee gaan drinken.”
„Met Malony?” herhaalde Raffles. „Waart gij steeds in gezelschap van die anderen? Deel mij eens zeer nauwkeurig, zonder iets over te slaan, alles mede wat er gebeurd is, sedert het oogenblik waarop gij het huis van Simons binnenging.”
„Ik ging mijn bullen halen en toen ik weder beneden kwam, stond George bij de deur. Hij zeide mij, dat de kameraden op mijn welzijn wilden drinken en stelde voor, maar vast vooruit te gaan, de anderen [27]zouden aanstonds komen. Wij gingen naar het café op den hoek en ik bestelde thee, hij bier.”
„Bleef hij steeds in uw nabijheid—of gij in de zijne?”
„Neen, een oogenblik heb ik mij verwijderd om naar een reclameplaat te kijken die twee boksers voorstelde, en die bij het buffet hing.”
„Deed gij dat uit eigen aandrang?”
„Neen, Malony zeide, dat er iets bijzonders aan te zien was.”
„En was dat zoo?”
„Voor zoover ik kon nagaan, in het geheel niet.”
„Toen gij daarheen ging, was de consumptie toen al gebracht?”
„Ja, de thee stond op tafel, maar mijn God, Mylord, waarom vraagt gij mij dat alles? Wat denkt, wat vermoedt gij dan toch?”
„Ik vermoed, dat hier een lage streek gespeeld is, mijn beste Joe,” antwoordde Raffles kortaf. „Gij hebt natuurlijk van de thee gedronken? Hebt gij er niets bijzonders aan geproefd?”
„Neen, zij was misschien een beetje sterk, dat was alles.”
„Misschien een looismaak? zooals van thee, die te lang getrokken heeft?”
„Juist, dat was het, Mylord,” riep de jonge man uit. „Gij denkt dus, dat.… er iets met die thee geknoeid is?”
„Ik twijfel er geen seconde aan, Malony heeft gebruik gemaakt van uw afwezigheid om iets in uw thee te doen. Daardoor gevoelt gij u zoo slap en wee, ik denk, dat de dosis wellicht een weinig te groot is geweest en dat gij pas veel later die verschijnselen had moeten gevoelen en niet in die sterke mate, maar juist voldoende, om u den wedstrijd te laten verliezen.”
„O, die schurk!” kreet Joe, „wat heb ik hem gedaan, dat hij zich op zulk een laffe wijze op mij wil wreken?”
„Ik geloof niet, dat hier sprake is van wraak, Joe,” hernam Raffles hoofdschuddend, „neen, die man kon zulk een middel nooit uit zich zelf hebben gevonden, ik vrees, dat hij slechts een werktuig is in de hand van een ander.”
„Maar wie zou dat kunnen zijn, Mylord,” riep Joe wanhopig uit, „ik had geen vijanden, voor zoover ik weet.”
„Geen vijanden? Noemt gij uw medeminnaars dan vrienden?” ging Raffles voort terwijl hij Joe strak aankeek.
„Wat, wilt gij zeggen, dat Pinkerton.….…”
„Hij en niemand anders, hij heeft er groot belang bij, dat gij vanavond verliest, want dan zijn uw kansen op een voordeelig aanbod vrij wel verkeken, tenminste in langen tijd, en hij heeft het veld vrij om Chairman te bewerken. Maar wij verpraten onzen tijd. De tijd dringt, ik weet nu wel, wat men u heeft ingegeven, en ik bezit een tegengift, dat u spoedig weder de oude zal doen zijn en wat Pinkerton betreft, hij zal zijn straf niet ontgaan, dat kunt gij aan mij overlaten. Allereerst echter moeten wij naar een geneesheer, teneinde u de maag te laten leegpompen, want zooveel mogelijk moet die schadelijke stof uit uw lichaam verwijderd worden. En daarna kom ik met mijn middeltje waarvan gij wonderen zult beleven.” [28]