„Ik vind het laf van je, dat je niet meedoet, Ernst. Wat moeten de andere jongens er van denken?”
„Laat ze er van denken wat ze willen. Wat gaat mij dat aan!” antwoordde Ernst. „Ik kan ’t nu eenmaal niet betalen, en daarmee basta!”
„Maar ik wil je ’t geld leenen, Ernst. Dat heb ik je nu al driemaal gezegd, en ’t komt er volstrekt niet op aan, wanneer ik het terugkrijg. Je weet het, pa is rijk; ik heb maar te spreken of er over te schrijven, en hij zendt me een postwissel voor ’t geen ik hem vraag.”
„Juist Rudolf,” antwoordde Ernst. „Jouw vader is rijk, schatrijk misschien, en daarom heb je volkomen gelijk, dat je royaal meedoet. Maar de mijne is arm en ’t kost hem al opoffering genoeg, om mij hier te laten, en mij ’t weinige zakgeld te geven, dat hij mij zendt. Als ik dus die vijf gulden van je leende, zou ik ze je niet kunnen teruggeven, of.…”
„Wat het teruggeven aangaat; daarover behoef je je niet eens te bekommeren,” viel Rudolf hem gul in de rede. „Al is dat over een halfjaar, over een jaar—ja, al is ’t ook nooit: ’t komt er niet op aan.”
„Zoo, zoo!” riep Ernst. „Gelukkig, Rudolf, dat we elkander [2]kennen. Wanneer ’t een ander was die me dit zei, zou ik heel beleedigd zijn. Iets te leenen, waarvan je al vooraf weet, dat je ’t niet kan teruggeven, is in mijn oog net zoo goed als diefstal. Daarenboven, pa heeft mij altijd ingeprent om, wat er ook gebeurt, nooit van iemand geld te leenen. Als je geld leent, zegt hij altijd, is het, alsof je tweemaal betaalt: want je beschouwt het geleende als je eigendom en betaalt er mee wat je er voor hebben wilt; later moet je ’t geld weeromgeven, en dan is ’t je alsof je het voor de tweede maal uitgeeft. Daarenboven zegt ’t Fransche spreekwoord niet te vergeefs: qui donne à crédit, perd son bien et son ami; want de meeste menschen zijn erg boos, wanneer iemand, die hun iets geleend heeft, het geleende terugvraagt.”
„Maar als ik ’t je nu present wil doen.…”
„Geen woord meer, als je wilt, dat we vrienden blijven,” hernam Ernst op min of meer trotschen toon. „Dat pa arm is, kan ik niet helpen en daar schaam ik mij ook niet over, maar als ik weldaden aannam, al was ’t ook van jou, zou ik reden hebben me over me zelf te schamen, en ik zou den eerlijken naam van mijn braven vader bevlekken, die ’t mij nooit zou vergeven, dat ik mij zoo laag had aangesteld.”
„In vredesnaam dan, Ernst,” antwoordde Rudolf, eenigszins knorrig en teleurgesteld. „Intusschen kun je er op rekenen, dat je door je weigering me de helft van mijn pleizier ontrooft—ja.… ik heb in de heele zaak nu geen pret meer, nu jij niet van de partij zult zijn.”
„Dwaasheid, kerel,” hervatte Ernst lachend. „Als je eenmaal in de pret bent, zul je mij wel vergeten. Maar toch,” vervolgde hij op hartelijken toon, „dank voor je aanbod. Wanneer ik ’t niet al wist, zou ik er uit leeren, dat je een waar vriend bent. Ik ben trotsch op zulk een edelmoedigen, onbaatzuchtigen vriend!” [3]
Hoe knorrig Rudolf ook op den onverzettelijken knaap was, deze laatste woorden ontwapenden geheel en al zijn toorn: hij nam de hem aangeboden hand aan, drukte die hartelijk en zei:
„Je bent een kopstuk, Ernst. Maar ’t zij zoo. Ik moet je principes eerbiedigen.”
Mijn lezeressen en lezers zullen waarschijnlijk belang genoeg in onze beide jongens stellen, om iets meer van hen te vernemen. En ik wil aan hun nieuwsgierigheid voldoen en hun terstond wat van de twee sprekenden mededeelen.
Rudolf Nederhorst was de oudste zoon van een rijk koopman in Amsterdam. Ofschoon van zijn jeugd af aan in rijkdom en weelde grootgebracht, had hij echter zijn studiën niet verzuimd, en was vrij ver in alles wat men op zijn jaren—hij was in zijn zestiende—kennen moet. Hij was dan ook, ofschoon hij de oogappel van zijn vader was, niet verwend, en dat had hij vooral te danken aan zijn verstandige moeder, die hem wist te leiden en hem steeds voor oogen had gehouden, dat geld alleen niet genoeg is, om iemand geacht en bemind te maken; maar dat slechts een braaf karakter en een ontwikkeld verstand den man van geld den eerbied van anderen doen verwerven. Gelukkig had Rudolf een helder verstand, een vlug begrip en een allergelukkigsten aanleg; daarbij liefde tot de wetenschap en een gepaste eerzucht, die er hem steeds naar deed streven, om anderen vooruit te komen. Vier jaar geleden, toen hij elf jaren oud was, had zijn vader hem, op aandrang van zijn moeder, naar een der beste kostscholen van ’t land gestuurd; want mevrouw Nederhorst was bevreesd, dat haar man, zonder dat hij ’t wilde, den knaap zou bederven, en daarom had ze ’t noodig geoordeeld hem onder de leiding van een vreemde te geven, die beter de gebreken van haar Rudolf zou zien en bestrijden dan de vader, die geen kwaad in zijn jongen kon zien en blind was [4]voor ’t geen er verkeerds in ’t karakter van zijn zoon was.
Ofschoon Rudolf Nederhorst met al de jongens op de school perfect kon omgaan, daar de meesten den vroolijken, levenslustigen knaap graag mochten, die, hoe vlug hij ook leerde en hoe hij hun daarin dikwijls de loef afstak, bij spel en pret, ja bij ’t kattenkwaad dat zij soms uitvoerden, steeds een trouwe en ferme makker was—had hij zich toch bijzonder gehecht aan Ernst van Hogenberghe, den zoon van den kapitein der infanterie van dien naam. Daar kapitein Van Hogenberghe, ofschoon van ouden adel, geen fortuin van zich noch van de zijde zijner vrouw en daarbij verscheidene kinderen had, kostte ’t hem vrij wat moeite, om in zijn stand fatsoenlijk rond te komen, en was ’t hem, zooals zijn zoon zelf zeide, opoffering genoeg, om zijn Ernst op zulk een deftige en dure kostschool te laten gaan. Zooals we reeds zagen, bezat Ernst van Hogenberghe al heel weinig adeltrots, maar fierheid van karakter genoeg, om zich niet over de bekrompen omstandigheden van van zijn vader te schamen, en al hinderde ’t hem wel eens, dat hij niet zooals de anderen met alles kon meedoen—hij was er te zeer van overtuigd, hoeveel ’t zijn vader kostte, om hem een goede opvoeding te geven, dan dat hij zich niet met alle macht op ’t verkrijgen van kennis zou hebben toegelegd. Hij vond er dan ook weinig of geen zelfoverwinning in, om openhartig te bekennen dat „het hem te duur was” en „dat zijn middelen hem niet veroorloofden, deze of gene verteringen te maken.” Verre, dat zijn kameraden hem daarom minder achtten, hielden ze allen veel van den knaap, die ook ferm met hen kon meedoen, en zochten velen zijn toegenegenheid, omdat hij van adel was, vooral zij, wier ouders geen adellijk blazoen in hun wapenschild voerden; terwijl de adellijke jongeheeren van de kostschool hem volstrekt niet minder achtten, omdat hij, zooals hij ’t geliefde te noemen, arm was; ofschoon [5]dit woord veel te hard klonk voor een toestand, die slechts bekrompenheid van middelen mocht heeten.
De zaak, waarvoor ’t geld benoodigd was, bestond in een roeitocht, welken de scholieren vóor ’t begin van de vacantie met elkander zouden maken. Onder toezicht van twee der secondanten zouden ze dan naar den „Borrelenden Roompot” roeien, een allerliefst gelegen uitspanning, waar ze zich den geheelen dag amuseeren konden. De kosten van ’t huren der schuitjes, van déjeuner en diner zouden bestreden worden uit de bijeengebrachte gelden der deelnemers, die vijf gulden per hoofd bedroegen, wel zoo’n groote som niet op zichzelf, maar een heel kapitaal voor een kostschooljongen. De meesten, misschien allen, hadden dat onmogelijk uit hun zakgeld kunnen fourneeren, naar huis geschreven en vandaar een extra toelage per postwissel of door tusschenkomst van meneer Voornvisser, den directeur der kostschool, gekregen. Zooals we zagen had Ernst niet bijgedragen. Hij was echter de eenige niet; nog een viertal anderen deelden in zijn lot: éen; omdat zijn vader kort geleden gestorven was, een tweede, omdat de zijne boos op hem was dat hij niet was bevorderd, en de twee anderen, omdat hun moeder er volstrekt tegen was, daar ze vreesde, dat er met zulke wilde jongens, die op zoo’n vrijen dag uitgelaten moesten zijn, ondanks de tegenwoordigheid der twee secondanten, veel gevaar voor ongelukken bestond.
Hoezeer de jongens gaarne hadden, dat allen deelnamen aan zoo’n pretje, want ook bij hen gold het spreekwoord: „hoe meer zieltjes, hoe meer vreugd,” speet het hun van die vier toch niet. De reden van den eersten moesten ze respecteeren; No. 2 was een luiaard, en luiaards konden ze niet uitstaan, en No. 3 en 4 werden, hoe onschuldig zij er ook aan waren, voor moedersjongetjes gescholden. Dat gaat meer zoo; want in zulke gevallen zijn jongens, hoe anders ook [6]op recht gesteld, vrij onrechtvaardig. Wat Ernst aangaat, van hem speet het den meesten, zoo niet allen, en zelfs had de commissie tot de feestviering, bestaande uit drie jongens, van wie Gerrit Zalmvoort als penningmeester fungeerde, hem uit naam van allen, die tot de partij behoorden, aangeboden, om zonder te betalen mee te gaan, daar men hem er zoo graag bij had; maar Ernst had dit met een hoogen blos op de wangen verworpen. Hij wist, dat het uit hun goed hart voortkwam en kon er zich dus niet door beleedigd achten, en toch was er iets in hem, wat zich zoo sterk tegen dat aanbod verzette, als voelde hij er zich door gekrenkt. Hij had hun dat echter niet laten merken, alleen gezegd, dat hij, hoe getroffen hij over hun aanbod was, er echter geen gebruik van maken, maar eenvoudig even als de vier anderen thuisblijven zou; ja, zoover wist hij zich zelf te verloochenen, dat hij niet, zooals deze, zich pruilend in de school opsloot, maar aan den waterkant stond, om de vroolijke makkers te zien afvaren en hun van harte een pleizierigen dag te wenschen. Ieder der jongens was dan ook ten volle overtuigd, dat Ernst van Hogenberghe een ferme jongen was, en menigeen, waaronder ook Rudolf Nederhorst, gevoelde, dat hij zelf daartoe niet in staat zou zijn.
Vroolijk zingend voeren de jongens af. In ieder schuitje zaten vier roeiers, van wie er twee de riemen hanteerden en twee hun makkers aflosten, een stuurman en een passagier, die op den boeg zat en een van de kleinere knapen was welke nog te zwak waren om te roeien en geen verstand hadden van sturen. In ’t eerste en ’t laatste schuitje was een der beide secondanten stuurman. Elk bootje had een vlag op den boeg, en ’t was een aardig gezicht, die schuitjes met hun vroolijke bemanning in een lange rij achter elkander te zien voortstevenen; terwijl het prachtige zomerweer niet weinig bijbracht, om het een prettig uitstapje te maken. [7]
’t Was een heele tocht, eer men aan de uitspanning „De Borrelende Roompot” kwam, welke voor dien dag afgehuurd was, en waar men onze jongens met een stevig ontbijt wachtte, waarop ze dan ook, nadat ze hun schuitjes aan den wal vastgemaakt en in statigen optocht binnengetrokken waren, als hongerige wolven aanvielen. De kastelein had er op gerekend, dat er jonge magen zouden komen, die in de frissche morgenlucht geroeid hadden, en voor een stevig ontbijt gezorgd, waar geen gebrek aan brood, vleesch en kaas was.
Na ’t ontbijt gingen onze jongens in den grooten tuin, waar schommel, wip, benevens allerlei gymnastische werktuigen waren, welke ik u zeker niet behoef te beschrijven, en waar ze zich vermaakten, totdat het tijd was om koffie te drinken, en ieder een glas frissche melk en een broodje met vleesch voor zich zag gereed staan. Meer kreeg niemand, om zijn maag niet voor het middagmaal te bederven. Volgens het reeds dagen te voren vastgestelde plan ging men nu weer in de schuitjes, en roeide naar ’t een half uur van daar gelegen dorp Boomoord, waar men aanlegde en in optocht zingende het dorp doortrok, ’t geen natuurlijk de bewoners aan de deuren en vensters lokte, die recht schik in ’t vroolijke troepje hadden, terwijl, om den tocht op te luisteren, de stuurman van ieder schuitje de vlag had medegenomen, waarmee hij op de maat van ’t gezang zwaaide. Zoo in optocht trok men de uitspanning van Boomoord binnen, waar iedere jongen een glas limonade met een beschuitje kreeg. Lang zitten konden ze echter niet, en terwijl sommigen wat in den tuin speelden, anderen een eind het dorp opwandelden, weer anderen een sigaar voor den dag haalden en opstaken, (’t geen op school contrabande was, maar nu, evenals op de wandelingen, oogluikend werd toegelaten), werd het langzamerhand drie uur, de tot vertrekken bepaalde tijd. Allen hadden er voor gezorgd, in den tuin [8]te zijn, en nadat Gerrit Zalmvoort den kastelein de vertering betaald had, trok men in dezelfde orde van straks weder het dorp door tot aan de plaats, waar de schuitjes lagen.
Men kwam nog vroeg genoeg aan „de Borrelende Roompot”; want het diner was tegen half vijf besteld, en de tijd die er over was, werd op verschillende manieren besteed, want hoe ordelijk alles ook ging, ten aanzien van de uitspanningen welke hij koos, was ieder volkomen vrij.
Dat diner was wel niet fijn, maar zooals ’t voor jongens diende te wezen, stevig en overvloedig, en een lekker glas schuimend Hollandsch bier, waarvan in overvloed gedronken werd, daar de jongens dorst gekregen hadden, scheen den eetlust nog te vermeerderen. Toen de maaltijd afgeloopen was, hadden ze geen lust meer in gymnastische oefeningen en andere spelen die lichaamsinspanning vereischten. Ze zetten zich neer in ’t gras, en een der secondanten begon een prachtig sprookje te vertellen. Toen dit uit was, wist de andere een alleraardigst verhaal, vervolgens vertelde men elkander anecdotes, gaf raadsels op en was verwonderd, toen de voorzitter, op zijn horloge ziende, zei dat het tijd was om zich tot het vertrek gereed te maken. Menigeen keek sip, omdat de pret hem te gauw om was, doch er was niets aan te doen: meneer Voornvisser had bepaalde orders gegeven, en gelukkig, dat de jongens zelf die opvolgden en er niet door de secondanten aan behoefden herinnerd te worden. Daardoor bleven ze volkomen vrij en gevoelden volstrekt niet, dat een hoogere macht surveillance over hen hield. Wanneer alle knapen en meisjes zoo in alle zaken handelden en steeds in alles hun plicht deden en gehoorzaam waren aan de bevelen van hen, die over hen gesteld zijn—ze zouden een vrij wat pleizieriger en vrijer leven hebben, dan als ze er telkens aan herinnerd moeten worden, dat ze onder bedwang staan. [9]
Met het verhalen van al de pret, welke onze jongens gehad hadden, zouden we bijna geheel en al onzen Rudolf vergeten hebben. Misschien is ’t ook maar beter dat ik hem u niet herinnerd heb; want menigeen van u denkt wellicht, dat, wie er pleizier had, Rudolf zeker niet, en dat hem onophoudelijk zijn vriend Ernst voor de oogen gestaan zal hebben. En zoo dan al niet onophoudelijk—’t geen misschien wat veel gevergd is—ten minste van tijd tot tijd. Misschien zou ’t u zoo gegaan zijn; doch als ge ’t van Rudolf denkt, dan hebt ge u leelijk vergist. Rudolf was wel geen ongevoelige jongen; integendeel, hij had veel voor anderen over, zooals we reeds gezien hebben. Maar hij was zeer onstandvastig van karakter, en, zooals de meeste jongens van zijn leeftijd, onnadenkend. Daarom had hij zich evengoed vermaakt als de anderen en geen oogenblik om zijn vriend gedacht, die door omstandigheden geheel onafhankelijk van hem, dat genoegen had moeten ontberen.
Wat Ernst van Hogenberghe aangaat, meneer Voornvisser en zijn vrouw hadden getracht hem en zijn vier lotgenooten den dag zoo aangenaam mogelijk te maken, en hun te doen vergeten, dat ze het genoegen hunner makkers moesten missen, en werkelijk waren zij er in geslaagd. Al hadden onze vijf knapen niet zooveel pleizier gehad als hun kameraden—ze hadden toch in ’t geheel geen vervelenden, onaangenamen dag doorgebracht en waren vrij welgemoed, toen de anderen, vervuld van de pret die zij gehad hadden, thuis kwamen. [10]