’t Was Rudolf, toen hij dien brief van zijn oom kreeg, alsof er een donderslag boven zijn hoofd losbarstte. Hij had er al spijt van gehad, dat hij maar geen dertig gulden gevraagd had, dan had hij ’t horloge in eens kunnen aflossen; want van de dertig gulden, welke hij van Zadok ontvangen had, waren hem nog een paar overgebleven en die bewaarde hij zuinig, om bij die gelegenheid nog eens naar Amsterdam te kunnen reizen. En nu kwam daar die verpletterende brief en dat hatelijke postscriptum: „Mijn besluit staat onveranderlijk vast!” ’t Was verschrikkelijk! Helènes horloge was in vreemde handen, en dat, terwijl hij over weinige weken de school voor goed zou verlaten! Wat moest hij haar zeggen! O, welk een zelfverwijt vervulde zijn ziel, en hoe zeer begreep hij ’t verkeerde zijner handelwijs! Daarbij had hij niemand op de kostschool, dien hij in deze zaak vertrouwen kon en moest hij dus al zijn verdriet voor zich zelf houden. Wat zou hij beginnen! ’t Eenige wat hij doen kon, was aan zijn vader te schrijven om ’t achterstallige weekgeld. Dat kon hij dan al vast op afrekening aan Zadok geven en hem beloven ’t overige te zullen afdoen, zoodra hij weer thuis zou zijn. Hij hoopte, wanneer zijn oom zijn belofte gestand deed en hem een betrekking bezorgde, [146]maandelijks zooveel te besparen, dat hij ’t horloge na eenigen tijd zou kunnen lossen.
Hij schreef dus een brief aan zijn vader, waarin hij dezen dringend verzocht, hem ’t laatste kwartaal van zijn weekgeld te zenden en als ’t eenigszins kon, nog iets meer; daar hij bij ’t verlaten der kostschool nog enkele dingen te verrekenen had. Hoezeer was hij echter teleurgesteld, toen hij van huis, in plaats van de dertien gulden, welke hij per kwartaal ontving, niet meer dan ruim de helft kreeg. „Ik reken dat je een paar dagen vóór Kerstmis thuiskomt, dus heb je vijf weken lang geen weekgeld noodig; overleg het met het overige zoo, dat je er je reis uithaalt. Wat mij aangaat, ik kan op ’t oogenblik geen cent meer missen.”
In alle gevallen wilde hij toch afdoen wat hij kon, maar meneer Voornvisser wilde hem geen verlof geven, om naar Amsterdam te gaan. Toen schreef hij Zadok, dat hij hem in de week voor Kerstmis wat zou komen afdoen en hij hem dus thuis hoopte te vinden; maar de woekeraar antwoordde hem niet. ’t Waren voor hem alles behalve aangename dagen, de laatste dagen welke hij op school doorbracht, en zijn kameraden konden maar niet begrijpen, hoe Rudolf, die altijd de vroolijkste en prettigste van hen allen geweest was, in den laatsten tijd zoo stil was. Sommigen schreven ’t er aan toe, dat het was, omdat men op school de verandering in zijns vaders fortuin wist; doch daar geen der jongens hem ooit getoond had, dat hij hem daarom minder achtte, verwierp men dat denkbeeld en, zooals ’t met jongens gaat, dacht men er niet meer over na, maar liet hem eenvoudig loopen.
Intusschen naderde de kerstvacantie, en Rudolf, die niet zooals andere jongens die de school verlaten, aan zijn kameraden een klein afscheidspartijtje kon geven, had meneer Voornvisser verzocht, den dag vóór de vacantie te mogen vertrekken, [147]voorgevende, dat hij dien dag in Amsterdam moest zijn, om door zijn oom aan zijn aanstaande patroons te worden voorgesteld. Meneer Voornvisser, die wel begreep, waar de schoen hem wrong en van meneer Nederhorst het verzoek had ontvangen, niet meer voor zijn zoon uit te schieten dan volstrekt noodzakelijk was, had daartoe gereedelijk verlof gegeven en Rudolf had naar huis geschreven, dat hij om de onkosten van een afscheidspartij uit te winnen, een dag vroeger zou thuiskomen. Hij was van plan om bij zijn oom aan te gaan, maar eerst Mozes Zadok te bezoeken en hem vijf gulden op afrekening te betalen. Dat liep hem tegen: want Helène had zijn komst te Amsterdam aan Leonie geschreven en nu stond deze met Louise hem aan ’t station af te wachten, en noodigden ze hem uit naam van oom en tante uit, om daar dien middag te blijven dineeren, waarna ze hem weder naar ’t station van den Oosterspoorweg zouden brengen. Daar kon hij niets tegen doen. Hij besloot dus maar „de faire bonne mine à mauvais jeu” en zich zoo opgeruimd en vroolijk mogelijk voor te doen, hetgeen hem niet moeielijk viel, daar hij spoedig in ’t gezelschap van zijn dartele zuster en zijn vroolijk nichtje vergat, wat hem zoo hinderde.
’s Middags ging hij met oom Walburg naar de Bank, waar deze hem voorstelde aan den chef der afdeeling bij welke hij den tweeden Januari aanstaande zou komen. Deze deed hem eenige vragen, welke Rudolf zeer tot zijn genoegen en tot dat van zijn oom beantwoordde; daar hij door die beantwoording een mate van kennis tentoonspreidde, welke beiden zeer beviel. Daarop bracht zijn oom hem op de Tentoonstelling van schilderijen van levende meesters in Arti; toen ging men eten en na het diner was het spoedig tijd, om naar ’t station van den Oosterspoorweg te wandelen. En zoo reed hij naar Weesp, waar hij niemand aan ’t station vond, om de eenvoudige reden, [148]dat men daar niet wist, met welken trein hij komen zou.
Daar hij er tegen opzag, om Helène alleen te ontmoeten, wendde hij dien avond vermoeidheid en slaap voor en begaf zich vroeg naar bed. Dat hielp hem echter weinig: nauwelijks was hij op zijn kamertje, of Helène stond voor hem.
„Rudolf,” zei ze. „Wat heb ik naar dezen dag verlangd. Ik heb ’t je nog niet kunnen vragen, anders had ik ’t al gedaan.—Je hebt nu mijn horloge niet langer noodig en je moest het mij dus maar terstond teruggeven. Ik ben zoo blij, dat ik het terugkrijg. O, ik heb het zoo gemist.”
Rudolf kreeg een kleur tot over zijn ooren, en sprak geen enkel woord.
„Nu! Hoe is het?” vroeg Helène. „Plaag mij niet en geef ’t mij.”
„Ik heb ’t op de kostschool laten liggen,” antwoordde hij.
„Op de kostschool laten liggen! Mijn horloge, waarvoor je me beloofd hadt alle mogelijke zorg te zullen dragen. Maar dat is onmogelijk!”
„’t Is toch zoo.”
„Maar dan moet er terstond naar de kostschool geschreven worden! Ik zal dadelijk aan meneer Voornvisser schrijven en hem verzoeken, het onmiddellijk op te zenden.”
„Dat zou je weinig helpen,” hernam Rudolf, die wel begreep, dat de zaak dan zou uitkomen. „Ik heb het eigenlijk niet op de kostschool laten liggen en zal nu maar ruiterlijk voor de waarheid uitkomen. Met het opwinden heb ik de veer gebroken en het naar Amsterdam bij een horlogemaker gebracht. Ik had het stellig bij hem afgehaald; maar ik had geen geld genoeg om het te betalen, toen ik vandaag terugkeerde.”
„O, Rudolf! Hoe leelijk van je om zoo te handelen!” zei Helène vol verontwaardiging. „Als je er dan al een ongeluk mee gehad hebt, dan hadt je ’t kunnen meebrengen, en dan zijn hier wel horlogemakers, die ’t in orde kunnen brengen. Je [149]wist, dat ik er zoo bang voor ben. Je moet het morgen gaan halen.”
„Alles goed en wel; zoodra ik maar geld genoeg heb,” hernam Rudolf. „Eer kan ik ’t niet krijgen.”
„O, had ik mijn honorarium maar!” riep Helène uit. „Ik had het je nooit moeten leenen!” vervolgde zij snikkend. „Als er wat mee gebeurd is, dan vergeef ik het je nooit! Je hebt je belofte niet gehouden. Nooit of nimmer vertrouw ik je weer.”
Bitter schreiende en vol verontwaardiging verliet ze de kamer.
Den eersten dag van Rudolfs verblijf te huis was de verhouding tusschen broeder en zuster zeer gespannen. Hoe vergevensgezind Helène ook was—haar verontwaardiging was te groot dan dat ze ’t hem kon vergeven, dat hij zoo nonchalant te werk gegaan was met iets, dat haar dierbaarder was dan eenig ding op aarde. En nog vermoedde ze de volle waarheid niet!
Gelukkig was meneer Nederhorst zeer afgetrokken en bemerkte hij niet eens, dat zijn zoon en dochter iets met elkander schenen te hebben.—Toch oordeelde Helène dat het zoo niet kon blijven. Den volgenden dag na ’t ontbijt toen de kinderen naar school waren, zei ze tegen Rudolf:
„Hoeveel geld heb je er voor noodig?”
Rudolf durfde niet voor de waarheid uitkomen. „Indien ik hem eens de helft afdoe, zal hij ’t horloge wel meegeven,” dacht hij, en daar hij, de reiskosten er afgerekend, zelf nog wel vijf gulden had, zei hij onbeschaamd weg: „Tien gulden.”
„Tien gulden! Goede Hemel, Rudolf, wat heb je er dan mee uitgevoerd! Tien gulden! Waar krijg ik die vandaan!”
„Ik had het laten vallen en toen was de ronsel gebroken, zei de horlogemaker. Maar hij zou ’t goed maken.”
„In alle gevallen, ik moet het terug hebben, wat het ook kost!” zei Helène. „Je moet er van daag naar toe, met den eersten [150]den besten trein, dan ben je voor den middag terug en merkt pa er niets van. Ik zal je de tien gulden meegeven.”
Hoe Helène aan die tien gulden kwam? Dat zal ik u zeggen. ’t Was van ’t huishoudgeld, hetwelk haar vader haar dien morgen gegeven had. Nu redeneerde zij dus: in ’t begin van Januari krijg ik ’t honorarium voor ’t geleverde verhaaltje, tot zoolang laat ik sommige benoodigdheden opschrijven en dan betaal ik ze van dat geld. Daarbij had ze van den zoogenaamden meneer Radinus weer een stuk om te copiëeren ontvangen en als dat af was, had ze ook weer contanten.
Rudolf vertrok met den eerstvolgenden trein naar Amsterdam en begaf zich terstond naar den winkel van Mozes Zadok.
„Ha, jongeheer!” zei Mozes even vriendelijk als de vorig maal. „Ik had je al lang verwacht. Kom je eindelijk je horlogetje inlossen?”
„Dat is te zeggen; ik kom u de helft op het voorgeschoten geld betalen,” antwoordde Rudolf; terwijl hij vijftien gulden nedertelde. „Nu zul je me plezier doen, me ’t horlogetje mee te geven; dan breng ik je de rest binnen korten tijd.”
Mozes nam de vijftien gulden op, borg ze weg, schreef ze in zijn boek als betaald op, gaf Rudolf daarop een kwitantie.
„Vijftien gulden afgedaan. Ziedaar ’t bewijs.”
„En nu ’t horlogetje?” zei Rudolf.
Mozes begon te lachen.
„Maar, vriendlief! Dat je onnoozel was heb ik dadelijk gemerkt. Maar dat je zoo’n kalf van een jongen bent, had ik niet gedacht. Ik geef je dertig gulden op een horloge, en nu zou je willen dat ik je ’t horloge voor vijftien terug gaf. Dan moest ik immers half gek zijn en op die manier zou ik gauw in ’t armhuis komen!”
„Maar ik ben een eerlijke jongen en je kunt er op rekenen, [151]dat ik ’t je spoedig breng. Ik kom hier in de stad in betrekking en dan doe ik je alle maanden vijf gulden af.”
„Dat zal me veel plezier doen; want ik ben ook tevreden met kleine payementen,” antwoordde Zadok. „Maar je kunt toch niet denken, dat ik mal genoeg ben, om ’t horloge terug te geven, voor de vijf en veertig gulden geheel afbetaald zijn.”
„Dertig gulden, meent u,” zeide Rudolf. „Ik heb u immers vijftien terug gegeven.”
„Nu juist,” zei Zadok. „Vijftien en dertig is vijf en veertig. Of dacht je, dat we je zoo maar voor pleizier ons geld leenden en er je goed op den koop toe voor bewaarden? Daarvoor heb je toch zeker te lang school gegaan. Dertig gulden heb ik u geleend, jonge heer! Vijftig percent interest is vijftien gulden—dat maakt vijf en veertig gulden. Je bent er nog goedkoop af, en dat komt omdat je door meneer Zalmvoort gerecommandeerd was; anders rekenen we voor zulke postjes vijf en zeventig percent, en er zijn er van ons slag van menschen, die zelfs honderd percent vragen. Menigeen is blij, als hij het tegen honderd kan krijgen.”
Rudolf stond het huilen nader dan het lachen. Zoo was hij dan in handen van een woekeraar gevallen! O, dat hij zoo dwaas, zoo slecht gehandeld had! Zonder een enkel woord te spreken, verliet hij de kamer en den winkel van Mozes Zadok en spoedde zich naar ’t station van den Oosterspoorweg. ’t Was of hem de straatsteenen tegen ’t hoofd sprongen, terwijl hij voortliep. Zijn hoofd bonsde als een hamer en hij verwenschte Mozes, Gerrit, ja zich zelf, dat hij zich in zulk een strik had laten vangen. Eerst toen hij in den waggon zat en de trein stoomend voortrolde, kwam hij tot zich zelf.
„’t Eenige wat ik doen kan, is, dat ik Helène de volle waarheid zeg,” besloot hij. „De zaak ligt er nu eenmaal toe, er is niets aan te veranderen.” [152]
Zoodra hij thuis kwam, zocht hij Helène op en bracht haar op zijn kamer.
„Waar is ’t horloge?” vroeg zij.
„In veilige bewaring,” antwoordde hij. „Maar ik heb ’t niet kunnen meekrijgen!”
„Wat is er dan mee gebeurd?” vroeg zij.
„Er is niets mee gebeurd,” antwoordde hij. „Doch ga zitten; dan zal ik je de volle waarheid meedeelen.”
Ze ging zitten en hij zette zich tegenover haar.
„Wanneer ik je alles zeg, zul je mij misschien voor minder slecht houden, dan je zou doen, indien je ’t niet wist. Luister daarom bedaard toe, en geloof dat ik geen woord zeg, of ’t is volkomen waar.”
„Daar vertrouw ik op, Rudolf,” antwoordde Helène.
„Welnu, vóór pa zijn geld verloor, was ik een der royaalste jongens op de kostschool; want ik had altijd zakgeld in overvloed. Ik wist nog niets van pa’s ondergang, maar kreeg de gewone toelage niet. Dat hinderde mij volstrekt niet; want ieder der jongens wou mij graag leenen, wat ik te kort kwam. Vooral één jongen, een zekere Gerrit Zalmvoort, de zoon van een rijkgeworden komenijsbaas, zooals ik later vernam, was een van hen, die altijd zijn beurs voor mij openstelde. Ik leende zonder schroom; doch toen mijn zakgeld te lang uit bleef, schreef ik pa, om ’t mij te zenden. En nu antwoordde pa mij, dat ik voortaan slechts op een gulden per week kon rekenen; want dat hij niet meer kon geven. Ik begreep die reden van bezuiniging niet; later vernam ik, wat er van de zaak was, en toch moest ik op de school de eer van pa ophouden.”
„Door geld te leenen?” vroeg Helène.
„Neen, door ’t geleende te betalen en mij toch royaal te toonen. Zoodoende ben ik langzamerhand de schuldenaar van [153]Gerrit geworden, tot ik hem ruim vijf-en-twintig gulden schuldig was, tenminste zooals hij later beweerd heeft. Ik had er geen boek van gehouden en moest het dus maar op zijn woord gelooven. Toen werd ik ziek en moest eensklaps naar huis.”
„Maar hoe staat dat alles in verband met mijn horloge?” vroeg Helène.
„Luister,” hernam Rudolf. „Je weet, hoe ik je ’t horloge voor de maanden, die ik nog op school zou zijn, aftroggelde. Ach! hadt je ’t mij maar blijven weigeren; ik zou er beter aan toe geweest zijn. Want juist dat horloge was er de schuld van, dat de sluwe Gerrit, die zeker bang was, zijn geld niet terug te krijgen, daarin ’t middel zag om tot betaling van mijn schuld te geraken.”
En nu vertelde hij haar zonder omwegen en uitgebreid alles wat we reeds weten. „Maar,” eindigde hij, „ik zal niet rusten, vóor ik dien ouden schurk de dertig gulden betaald en je ’t horloge teruggegeven heb.”
Helène had hem geduldig tot den einde toe aangehoord en in haar hart klonk het woord: „vergiffenis.” Alles wel beschouwd, was Rudolf meer onbezonnen dan misdadig.
„’t Is goed dat je nu de volle waarheid gezegd hebt,” zei ze met van ontroering bevende lippen. „Ik vergeef je van harte wat je gedaan hebt. De zaak ligt er nu eenmaal toe en met Gods hulp hopen we ’t horloge eenmaal terug te krijgen. Ik wil je in ’t geheim meedeelen, dat ik tegenwoordig van tijd tot tijd eenig geld verdien met copiëeren, ook met zelf voor de pers te schrijven. Van dat geld heb ik je de tien gulden voorgeschoten. Met wat ik nu verdien en wat jij kunt overhouden, zullen we zien, de dertig gulden gauw bij elkander te krijgen. En dan als ’t horloge terug is, zet je nooit weer een voet bij dien ellendigen Mozes Zadok.”
„Daar zal ik wel voor oppassen,” antwoordde Rudolf. „Bij [154]dien kerel zet ik nooit een voet weer in huis, zoodra ik van hem af ben.”
En zoo was die zaak tusschen broeder en zuster geregeld en de vrede tusschen hen hersteld.
’t Liep intusschen naar Nieuwjaar. Met het sluiten zijner boeken was meneer Nederhorst op de gedachte gekomen, dat er nog enkele kostbaarheden zijner vrouw moesten wezen, welke hem als echtgenoot en voogd zijner kinderen moesten zijn uitgeleverd en onder zijn beheer gesteld. Zoo herinnerde hij zich een paar juweelen bellen, een diamanten speld en ook haar horloge. Flauw stond het hem nog vóor, dat Helène hem daarvan iets had medegedeeld, als zou zijn vrouw die dingen aan haar kinderen vermaakt hebben; doch dat getuigenis deed weinig bij hem af. Van rechtswege behoorden ze hem toe, en waartoe zou hij die renteloos laten liggen wanneer hij ’t geld dat ze waard waren, best kon gebruiken? Alleen ’t horloge wou hij niet verkoopen; daaraan hechtte hij een bijzondere waarde, omdat het een geschenk was, dat hij zijn vrouw gegeven had, toen Helène, hun oudste dochter, geboren was.
„Niemand kan mij omtrent een en ander beter inlichting geven dan Helène zelf,” zei hij, en begaf zich naar haar kamer, waar ze toevallig aan ’t opredderen van den boel was.
„Helène,” zei hij. „Heb je me indertijd niet verteld, dat ma de haar toebehoorende kleinoodiën aan jou ter hand gesteld had, om die voor je broers en zusters te bewaren als ze oud genoeg waren?”
„Ja, pa,” antwoordde zij. „Ma heeft dat den avond toen u vertrokken was, uitdrukkelijk bepaald.”
„Zoo, laat ze mij eens zien,” ging hij voort.
Helène haalde de juweeldoos met de door haar moeder verdeelde kleinoodiën voor den dag en zette die op de tafel.
Meneer Nederhorst bekeek eerst de pakjes. [155]
„Dat is er door jou opgeschreven,” zei hij. „Waarom heeft ma er dat zelf niet opgezet?”
„Omdat ze te zenuwachtig was; daarom verzocht ze mij, dat te doen,” antwoordde Helène, haar vader verwonderd aanziende.
„Maar dat alles heeft voor mij niet de minste waarde,” zei hij.
„Hoe meent u dat, pa?”
„Hoe ik dat meen? Wel, dat ik niet behoef te gelooven, dat ma dat juist zoo bepaald heeft.”
Helène bemerkte nu wel, waar haar vader heen wilde. Hij scheen haar te wantrouwen en dat denkbeeld joeg haar een blos op de wangen en de tranen in de oogen.
„Dus zoudt u denken, dat ik dit maar zoo willekeurig bepaald had?” zei ze.
„Dat denk ik niet en zeg het nog veel minder. Maar weet je wat je plicht geweest was? Je had mij terstond met deze schikkingen moeten bekend maken en de voorwerpen niet onder je gehouden hebben.”
„Hoe kon ik dat, pa? Toen u zag, dat ma gestorven was, viel u in een bewusteloosheid, die dagen lang door ijlende koortsen gevolgd werd. En toen ik er u later over sprak, luisterde u in ’t geheel niet naar me.”
„In alle gevallen is ’t nu tijd, om de fout te herstellen. Indien ik op dien noodlottigen avond thuis geweest was, zou je moeder mij die zaken hebben toevertrouwd en bij mijn afwezigheid stelde ze die jou ter hand, natuurlijk om ze mij over te geven. Ik ben de eenige, die daar recht op heeft, en ’t staat geheel aan mij, of ik de beschikkingen der overledene ten uitvoer wil brengen of niet.”
„Ma heeft de pakjes zelf gemaakt en mij gedicteerd, wat ik er moest opschrijven,” zei Helène. [156]
Meneer Nederhorst nam nu eerst het pakje van Leonie, las het opschrift, deed het open en vond daarin de juweelen oorbellen. Hierop vouwde hij ’t weer net zoo toe als ’t gezeten had, en deed zoo met al de andere pakjes. Daarop keek hij Helène aan.
„Er is niets voor jou bij. Wat had ma je toegedacht?”
„Haar horloge met gouden ketting.”
„En waarom ligt dat hier niet bij?”
„Omdat ma mij zei, dat ik het mocht dragen, daar ik zestien jaar oud was.”
„En ik zie ’t je nu niet aanhebben? Laat het mij eens zien. ’t Horloge maakt geen uitzondering.”
„Ik kan ’t u niet laten zien, pa,” antwoordde Helène; terwijl ze tot achter haar ooren bloosde.
„Waarom niet? Ik zou wel eens willen weten, waarom niet,” hernam meneer Nederhorst, eenigszins ongeduldig.
„Omdat ik het op ’t oogenblik niet hier heb,” antwoordde Helène bedeesd.
„Waar is het dan?”
Een oogenblik wilde Helène zich door een der leugens redden als Rudolf had willen doen; ze verwierp dit denkbeeld terstond, en zei:
„In goede bewaring.”
„Waar dan?”
„Dat kan ik u niet zeggen, pa.”
„Wat, kun je me dat niet zeggen?” riep hij uit. „Je hebt het gebroken en ’t is bij den horlogemaker!”
„Ik heb ’t niet gebroken en ’t is dus niet bij den horlogemaker,” antwoordde ze vastberaden en kalm.
„Dan heb je ’t verloren.”
„Ook niet, pa.”
„Of aan Leonie gegeven!” [157]
„Ook niet, pa,” antwoordde Helène, bitter schreiend, maar toch bedaard.
„Waar drommel is dan ’t erfstuk van je moeder?” zei meneer Nederhorst.
„Pa!” zei Helène, nu in snikken uitbarstende, „ik mag het u niet zeggen. ’t Is goed bewaard en ik zal het spoedig terugkrijgen.”
Meneer Nederhorst stond op en verliet het vertrek. Bij ’t heengaan wierp hij een doorborenden blik op haar. En toch vond ze, dat ze niet anders had kunnen handelen. Als ze haar vader verteld had, dat het horloge bij een woekeraar was, zou hij naar Amsterdam getrokken zijn; hij zou zijn broeder in de zaak gehaald hebben—en Rudolfs geheele toekomst was verwoest geworden—want oom Walburg zou geen jongeling als zoon aannemen, die reeds als knaap zich in de handen van woekeraars had overgegeven.
Toch aarzelde ze nog tusschen ’t leed, dat ze zichzelf op den hals haalde en dat wat haar vader zou treffen, als zoo op eenmaal al zijn goeden gedachten van Rudolf de bodem werd ingeslagen, toen ze ’t oog ophief naar ’t groote fotografisch portret harer moeder, waarvan elk der kinderen voor een paar jaren een exemplaar cadeau gekregen had, dat haar als ’t ware met haar vriendelijken glimlach toeriep:
„Helène! Spaar je vader en Rudolf! Lijd om mijnentwil liever verdenking en verachting, hoe onverdiend ze ook mogen zijn. God zal alles te zijner tijd wel aan ’t licht brengen!”
Rudolf was juist dien dag naar Amsterdam, om kennis te maken met de kantoorwerkzaamheden, welke hij te verrichten zou hebben en met behulp van den eersten klerk zijner afdeeling een fatsoenlijke, maar niet al te dure kamer te huren. Verder zou hij dien middag bij oom dineeren en eerst tegen den avond terugkomen. Meneer Nederhorst beval Trui, hem [158]het eten op zijn kamer te brengen en dat zelf te doen. In den toestand, waarin hij zich bevond, kon hij Helène niet tegenover zich zien zitten. ’t Was een treurige maaltijd voor ’t meisje, toen ze daar met haar broertje en zusje alleen aanzat en deze haar vroegen, waarom pa niet kwam en waarom haar oogen zoo rood zagen van ’t schreien.
„Pa is niet heel goed in orde, en daarom blijft hij boven.”
„Zou hij dan weer ziek worden, zooals verleden jaar?” vroeg Dora.
„Toen we naar Amsterdam zijn gegaan en bij oom en tante gelogeerd hebben,” zei Alfred.
„Dat zou prettig zijn!” zei Dora opgewekt.
„Dat pa ziek werd?” vroeg Helène zacht en vriendelijk.
„Neen, dat we weer eens bij oom en tante in Amsterdam gingen logeeren,” verbeterde Dora. „O, daar hebben ze zoo’n grooten tuin en Anne en Emmy hebben zulk mooi speelgoed.”
„Een olifant, die in een kring rond rijdt en zijn snuit beweegt net als een levende olifant,” zei Alfred.
„En een pop, die haar oogen verdraait en papa en mama zegt,” voegde Dora er bij.
Helène liet de kinderen praten en voegde er slechts nu en dan een enkel woordje bij: ’t was haar een weldadige afleiding, dit ongekunstelde gesprek aan te hooren. [159]