Helène ontving in de helft van Januari ’t honorarium voor haar verhaaltje. Ofschoon ’t goed betaald was, vooral aan een eerstbeginnende—’t was te klein van omvang om veel te geven. En dan moest er nog de tien gulden af, die zij zoolang van ’t huishoudgeld had afgenomen en waarvoor zij van enkele leveranciers op rekening genomen had. Gelukkig, dat ze de kopie af had en juist weer nieuwe kreeg, waardoor haar de andere betaald werd, zoodat zij twintig gulden bijeengescharreld had, hopende dat Rudolf nu voor de tien andere zou zorgen. Hij had het haar zoo stellig beloofd en zou zeker zijn belofte houden.
Met ongeduld wachtte ze den zondag zijner komst af. ’t Was de tweede maal, dat hij overkwam.
„Welnu,” zei ze. „Ik heb mijn belofte gehouden; hier zijn twintig gulden, heb jij er nu de andere tien bij?”
„Overmorgen krijg ik mijn maandgeld en ziehier wat ik te betalen heb; je ziet, dat ik zuinig geweest ben en ruim twaalf gulden overhoud. Jij kunt er niet meer naar verlangen dan ik, om weer in ’t bezit van ’t horloge te zijn.”
„Maar als je nu in ’t bezit bent,” zei ze, „hoe krijg ik het dan hier?”
„Zou ’t niet het best zijn, dat we daarmede wachtten tot [174]vandaag over veertien dagen? dan breng ik ’t zelf mee.”
„Dat is zoo kwaad niet,” antwoordde ze. „Als je ’t maar goed bergt; want, nu ’t eens weg geweest is, ben ik er nog banger voor dan ik vroeger was.”
„Nu, ik zal er wel voor zorgen,” zei Rudolf. „Daar kun je op rekenen. Maar heeft pa er nooit weer een woord tegen je over gesproken?”
„Sedert dien eenen avond niet. Ik heb je toen al mijn verwondering betuigd, dat hij den volgenden morgen weer even als anders was, en zoo is hij gebleven. Laatst toen hij in Amsterdam geweest was, heeft hij mij alleen gevraagd, of ik dokter Faminga nog wel eens sprak.”
„Dokter Faminga? Wie is dat?”
„Och, dat was die heer, dien we verleden jaar, na je ziekte, op ’t kerkhof ontmoetten en dien ik toen uit scherts meneer Radinus noemde.”
„Dus was dat Radinus niet?” vroeg Rudolf verbaasd.
„Welneen. Ik zei ’t maar, omdat ik vreesde dat je den naam van den dokter in tegenwoordigheid van pa zoudt noemen, en pa kan dien man, de Hemel weet waarom, nu eenmaal niet velen.”
„O, daarom keek hij zoo verwonderd, toen ik hem naar meneer Radinus vroeg, en begreep ik niet waarom jij me zoo wenkte. Maar wat is er dan met dien dokter Faminga?”
Helène vertelde ’t hem en prees natuurlijk den dokter zeer.
„Maar hoe breng je nu de vraag, of je dien dokter met zijn barbaarschen naam gesproken had, met het horloge in verband?”
„Dat weet ik niet,” antwoordde Helène. „Ik heb ’t er ook eigenlijk niet juist mee in verband gebracht; maar ik vond de vraag, omdat pa zoo even uit Amsterdam gekomen was, zonderling en vreemd!” [175]
„Waarschijnlijk heeft hij door den een of ander dien naam daar hooren noemen.”
„Licht mogelijk,” antwoordde Helène en daarmee nam hun gesprek een einde.
’s Avonds vertrok Rudolf met de twintig zuur verdiende guldens van Helène in zijn zak naar Amsterdam, en ’t was haar alsof ’t een eeuwigheid zou zijn, eer de veertien dagen om waren.
„Schrijf ’t nu toch gauw, zoodra ’t horloge weer in je bezit is,” fluisterde zij hem toe, toen ze hem met de beide kinderen naar ’t station had gebracht en men op den trein van Naarden-Bussum wachtte.
„Ik beloof ’t je,” antwoordde hij. „Zoodra ik ’t heb, schrijf ik je per briefkaart: „Alles in orde.” „Vindt je dat niet goed?”
„Neen, die briefkaart kan pa in handen komen; schrijf liever een brief, hoe kort ook: ’t scheelt je maar twee centen.”
De Dinsdag was gekomen, en hij had zijn eerste maand tractement ontvangen. Met welk een blik van welgevallen staarde hij op dat eerste door hem verdiende geld, en met welk een genot nam hij er tien gulden af, welke hij bij de twintig van Helène voegde.
’t Was al tusschen licht en donker, toen hij naar den winkel van Mozes Zadok stapte. Op ’t kantoor van den woekeraar brandde al licht. Daniel de winkeljongen zat in den winkel te slapen, maar werd wakker van het luiden der veerschel. ’t Was zoo donker niet of hij herkende Rudolf.
„Is uw patroon thuis?” vroeg deze aan den knaap.
„Hij is op ’t oogenblik uit,” antwoordde Daniel.
„Uit! En ik wou hem ’t geld afdoen op mijn horloge. Zeg hem dat.”
„Op uw horloge?” vroeg Daniel nog half slapend. „Een paar weken geleden is hier een heer geweest en toen heeft de [176]patroon hem ’t horloge voor een aardig sommetje verkocht. Ik heb ’t zelf gezien; ’t was bij toeval in de kast gekomen en toen zag een heer ’t, die voor de glazen stond. Later kwam hij met een anderen heer in een vigilante en toen hebben ze ’t boven betaald.”
„Dat is mijn horloge niet geweest,” hernam Rudolf.
„’t Is mogelijk, jongeheer!” antwoordde Daniel. „Maar ik zou er toch hard aan twijfelen, of ’t niet waar was.”
„En is Zadok werkelijk uit, of speld je me maar wat op de mouw?”
„Hij is even een boodschap in de buurt gaan doen,” antwoordde Daniel. „Zooals je ziet, is ’t licht op zijn kantoor al op. ’t Is goed, dat je me wakker gemaakt hebt, anders zou er een potje te vuur gestaan hebben. Ik zal gauw ’t licht hier opsteken.”
Rudolf kon maar niet gelooven dat de jongen de waarheid sprak. Toen dus ’t licht in den winkel op was en hij Daniel zien kon, zei hij:
„Nu ben je ten minste wakker. Zeg mij nu eens, of je gedroomd en me een droom verteld hebt, dan of je me wat op de mouw wilde spelden.”
„Ik verzeker u, jongeheer! dat ik u de volle waarheid gezegd heb. De patroon heeft zestig gulden voor ’t horloge ontvangen, en ik geloof, dat hij er later spijt genoeg van heeft gehad, dat hij geen honderd gevraagd had.”
„Maar dat is toch een gemeene streek!” riep Rudolf uit. „En als ik dit aangeef …”
„Aangeven! Ach! jongeheer! laat dat maar uit uw gedachten … Doch daar is de patroon al terug. Zeg er niets van, dat ik ’t u verteld heb.”
Inderdaad kwam Mozes Zadok thuis. Eerst wist hij niet, wie daar in den winkel met Daniel stond te praten; doch toen hij Rudolf herkende, zei hij: [177]
„Zoo, goeden avond, jongeheer! Altijd wel geweest? Ik had u al sedert lang verwacht. Komt u weer wat afdoen op de verschuldigde som?”
„Ja,” antwoordde Rudolf, nog steeds in ’t vaste geloof, dat de woekeraar niet zoo slecht was, als diens bediende verteld had.
„Heel goed! heel goed! kom dan maar boven!”
En Mozes ging den knaap vóor naar de hem reeds bekende opkamer.
„Ik kom u de geheele som afbetalen,” zeide Rudolf.
„Wel, dat is goed. Ga zitten, jongeheer! Dan zal ik uw schuldbekentenis opzoeken.”
„Ga uw gang en krijg dan meteen ’t horloge.”
„Dat zal van avond slecht gaan; want het is zoo goed bewaard, dat ik ’t moeilijk met licht kan vinden. Kom ’t morgen even afhalen; u hebt toch nog altijd het bewijs in uw zak?”
„Ik wil ’t nu hebben, anders betaal ik je niet,” zeide Rudolf kortaf.
„Maar waarom ben je dan niet wat vroeger gekomen, jongeheer?” zei Mozes nog altijd vriendelijk.
„Dat is mijn zaak,” antwoordde Rudolf. „Kom, kom! krijg ’t horloge voor den dag! Een man, die zooveel orde in zijn zaken houdt, kan een gouden horloge wel op den tast vinden. Of ’t zou waar moeten zijn, dat je ’t voor zestig gulden verkocht hebt?”
„Hoe kom je daar aan, jongeheer?” vroeg de woekeraar, eenigszins van zijn stuk gebracht.
„Je bediende heeft het mij verteld, en als je ’t me niet terstond geeft, dan geloof ik, dat het waar is en zal ik ’t er niet bij laten.”
„Daar zal hij voor lusten!” riep Mozes uit, en snelde buiten [178]zichzelf van gramschap naar den winkel, waar hij den armen Daniel een oorveeg gaf, die hem van zijn hoogen stoel deed rollen. Daarna kwam hij op ’t kantoor terug. ’t Gelaat van den woekeraar was nu geheel en al veranderd; hij keek Rudolf aan als wilde hij hem met huid en haar opeten. Maar deze was alles behalve bang.
„Welnu, meneer Zadok,” zei hij. „Naar ik bemerk is de zaak waar.”
„Dat is ze,” antwoordde Zadok met een onbeschaamd gelaat. „Ik heb ’t horloge wel niet meer, maar ’t ook niet verkocht: want de man aan wien ik ’t met een klein winstje heb overgedaan, was de eigenaar. En dus, jongeheer, hou je mond maar dicht; want als je den boel roert, dan stinkt ze. Als ik de zaak aangeef, dan kom je achter de tralies. Je was niet eerlijk aan ’t horloge gekomen.”
„Wie durft dat zeggen?”
„Niet ik, maar de heer, die beweerde en bewees, eigenaar er van te zijn.”
„Dat heeft hij gelogen!” riep Rudolf uit. „Ik was er eigenaar van, of liever mijn zuster die ’t mij gegeven had om het te verpanden, daar ze geld noodig had. Hoe kon je zoo dom zijn, sluwe Zadok, om te denken, dat een heer eigenaar van een dameshorloge was? ’t Is niets dan logen, gemeene zwendelarij, en ’t eenige wat je doen kunt, is mij den naam en ’t adres op te geven van den persoon, die zei er recht op te hebben.”
„Dat weet ik zelf niet; want hij verkoos mij noch ’t een noch ’t ander te zeggen.”
„Dan zal ik wel middelen vinden, om er u toe te noodzaken.”
„Alles bedreigingen in den wind!” zei Mozes doodbedaard; want hij begreep dat hij op die wijs het best van den knaap [179]kon afkomen. „Wanneer je de zaak aangeeft, zeg ik eenvoudig, dat de rechtmatige eigenaar gekomen is, wien ’t horloge ontstolen is. Als ik er een eed op doe, dan kom jij in de kast.”
„Dat zou te bezien staan,” zei Rudolf, „wie van ons beiden er in zou komen: ik, die je ’t horloge tot pand geef en er op afbetaal of jij, die mijn eigendom aan een ander verkoopt?”
„Stil wat, jongeheer! Eerst zoudt u moeten bewijzen, dat het uw eigendom was en dat is een punt, waaraan ik van den beginne af aan getwijfeld heb.”
„Des te schurkachtiger van jou, om op gestolen goed geld te leenen,” zei Rudolf. „Ik kan voor de rechtbank bewijzen, dat het horloge op ’t oogenblik, dat ik ’t bij u beleende, mijn eigendom was; laat de man, wien ge ’t verkocht hebt, dat eens doen.”
„Ik heb het niet verkocht; ik heb ’t hem teruggeven, en als je niet fatsoenlijk genoeg bent, om mij de dertig gulden te betalen, die ik er op voor geschoten heb, dan heb ik er een heele schâ aan.”
„Ik jou nog geld toe betalen? Geef mij de vijftien gulden terug, die ik je betaald heb. Noem mij liever den persoon, die u er de zestig gulden voor ter hand heeft gesteld, dan ga ik naar hem toe en zal hem de zaak verklaren. Geef mij zijn adres.”
„Hoor eens, knaap,” zei Mozes Zadok, wien al dat praten verveelde, „ik ben niet van zins, langer je onbeschaamde taal aan te hooren. Als je wat te reclameeren heb, klaag me dan bij de politie aan. Maar nu, mijn deur uit!”
Dit zeggende, pakte hij Rudolf, die daar niet op verdacht was, bij den kraag van zijn buis, duwde hem de trap af, ’t voorhuis door en zoo de deur uit, welke hij op den grendel sloot. Schuimbekkend van woede was Rudolf juist op het punt, [180]om tegen de deur te schoppen en te bonzen; hij begreep echter, dat hij alsdan burengerucht zou veroorzaken en dit verlangde hij juist niet. Hij keerde dus stil en in een alles behalve aangename stemming huiswaarts.
Maar hij was er de jongen niet naar, om zich door een vergeefsche poging te laten afschrikken. Den volgenden avond ging hij andermaal naar den woekeraar, die hem evenwel nog onvriendelijker dan den vorige afscheepte en hem zelfs dreigde, de zaak te zullen aangeven, wanneer hij hem niet met rust liet. Tevens bood hij hem aan, hem op dezelfde manier de deur uit te smijten als gisteren. Rudolf, die nu wel bemerkte dat hij met den patroon niet verder zou komen, fluisterde Daniel toe, die achter de toonbank van daan kwam, om hem uit te laten.
„Hoe laat kom je hier van daan?”
„Om half tien.”
„Kom dan op de Nieuwmarkt, bij de Vischmarkt.”
„Goed.”
En met die woorden deed hij de deur achter hem toe.
„Wat zei de knaap?” vroeg Mozes aan zijn bediende.
„Dat hij u wel vinden zou.”
„En wat heb je hem geantwoord.”
„Dat hij u al gevonden had.”
„Ha! ha! ha!” lachte Mozes en voegde er bij: „Je bent geestiger dan ik dacht, Daniel.”
„Misschien slimmer ook,” prevelde Daniel. „Ik zal tenminste probeeren, er nog een broodje aan te verdienen.”
Rudolf stond reeds onder het afdak der groote vischmarkt te wachten, toen Daniel kwam aansukkelen.
„Je komt laat, Daniel,” zei hij. „De klok van de Oudekerk heeft al lang halftien geslagen. ’t Is bij tienen.”
„De oude heeft altijd zoolang werk, eer alles geborgen is, [181]en dan is er nu nog ’t een, dan weer ’t ander te doen; zoodat het dikwijls tien uur op de Zuiderkerk slaat, eer ik wegkom.”
„’t Is goed. Zeg eens, zou je me ook kunnen zeggen, wie de man was, die mijn horloge kocht; je zegt toch dat je de heele zaak heb bijgewoond.”
„Hoe kan ik dat zeggen? Amsterdam is zoo groot en er zijn zooveel menschen, dat ik ze niet allemaal ken.”
„Nu ja. Maar wat was ’t voor een man?” vroeg Rudolf.
„’t Was een heer, en een fatsoenlijk heer ook,” antwoordde Daniel. „Hij zag er heel deftig uit en sprak op zoo’n fatsoenlijken toon.”
„Zeg eens, zou je ook kans zien, zijn adres op te diepen?”
„Om weer zulk een slag te krijgen, als Mozes mij gisteren gaf. Ik bedank u, jongeheer!”
„Maar ik zal ’t Mozes niet vertellen, dat jij ’t me gezegd hebt.”
„Alsof hij ’t niet begrijpen zal, wie ’t hem gedaan heeft.”
„Maar ik wil niet hebben, dat je ’t voor niet doet. Zie, hier is een gulden; die is voor jou, als je me het adres opgeeft. Bij elke belangrijke tijding aangaande de zaak krijg je weer een gulden, en als ik ’t horloge terug heb, drie.”
De oogen van den armen Daniel schitterden, toen Rudolf hem den gulden liet zien.
„Ik zal zien, dat ik het te weten kom, jongeheer,” hernam hij. „Maar daar zullen wel een paar dagen over heengaan.”
„Laat ons het dan bepalen op aanstaanden Vrijdag,” zei Rudolf.
„Dat is goed,” antwoordde Daniel. „Dan hoop ik ’t u te kunnen zeggen.”
„Hoe laat ga je ’s morgens naar den patroon?”
„Om negen uur moet ik bij hem zijn.”
„Wacht mij dan Vrijdagmorgen om negen uur op ’t Oude Kerksplein; daar is het op dien tijd stiller dan hier.” [182]
Mistroostig kwam Rudolf thuis. Hij had er nog mee gewacht, om de zaak aan Helène te schrijven: want hij begreep maar al te goed, hoe ze bij ’t ontvangen van ’t bericht zou zijn. Doch thans kon hij niet langer wachten. Hij schreef haar dus de zaak in ’t uitgebreide; ook wat hij reeds gedaan had en voornemens was te doen en troostte haar met de valsche hoop, waarmee hij ook zich zelf in slaap poogde te wiegen, dat het horloge nog wel terecht zou komen; want dat degeen die het van Mozes had meegenomen een fatsoenlijk heer was, en dat de zaak dus op een bloote vergissing berustte.
Vrijdags wachtte hij Daniel op ’t Oude Kerksplein.
„Wel, heb je ’t adres?” vroeg hij.
„Toen de oude uit was, ben ik aan ’t snuffelen in zijn boek gegaan; maar ik kon uit dat gekrabbel niet wijs worden.”
„Zoodat je niets weet?”
„Ik heb gezien, dat hij op dien dag zaken gedaan heeft met deze drie personen.” antwoordde Daniel. „Ik heb ze voor u op een papiertje geschreven. Hier zijn ze.”
Rudolf las: Muller, Jansen en Bekker.
„Nu, dat zijn namen, die men in Amsterdam bij de vleet kan vinden,” zei hij mistroostig. „En stond er geen beroep bij?”
„Jawel, maar dat kon ik niet lezen. Alleen bij Jansen geloof ik, dat boekhandelaar stond, maar ’t kan ook boekhouder, of boekdrukker zijn geweest. De patroon schrijft zoo slecht, dat ik niet begrijp, hoe hij er uit wijs wordt.”
„Maar een boekhandelaar zal toch niet bij Mozes Zadok komen?”
„Ook niet om een horloge, dat hem ontstolen is, terug te krijgen?”
„Je hebt gelijk,” antwoordde Rudolf, die nog steeds vasthield aan het denkbeeld van vergissing. „Daar is meer gelijk dan eigen, en ’t kon heel goed zijn, dat het juist zulk een [183]heer was. Hier is je gulden. Alle morgens kun je me hier vinden; dus als je wat te vertellen hebt en ’t is belangrijk genoeg—dan verdien je een gulden.”
Rudolf trok zijn stoute schoenen aan en ging een bezoek bij den heer Jansen maken. Hij werd er vriendelijk ontvangen. ’t Kostte hem wel veel moeite, om te bekennen, dat hij ’t horloge zijner zuster verpand had, om geld te krijgen en hoe hij op raad van een zijner makkers bij den woekeraar Mozes Zadok te land gekomen was. De heer Jansen hoorde hem vriendelijk aan, beklaagde hem, betuigde, dat hij de persoon niet was, wien een horloge ontstolen was, en ried hem aan, om er maar geen werk van te maken; daar even goed Zadoks boek als de mededeelingen van Daniel wel valsche namen konden bevatten.
’t Was wel ongelukkig voor onzen Rudolf, dat de zaak zoo in ’t begin van zijn kantoorloopbaan kwam. Door ’t wachten op Daniel kwam hij nu en dan te laat, hetgeen hem telkens een berisping van den chef op den hals haalde. En zoo vervuld was zijn ziel met de zaak van ’t horloge, dat hij niet bij zijn werk was en de grofste fouten maakte. Toen zijn chef bemerkte, dat zijn herhaalde vermaningen niet hielpen, klaagde hij er meneer Walburg over en deze ontbood Rudolf op de directiekamer.
„Ik hoor allerlei klachten over je, Rudolf,” zei meneer Walburg.
„Dat spijt mij, oom!” antwoordde Rudolf.
„Je komt soms te laat en maakt fouten in je werk, hetgeen in den beginne ’t geval niet was. Hoe komt dat?”
„Omdat dat altijd turen op cijfers een mensch in de war brengt,” antwoordde Rudolf.
„Men moet daarmee beginnen; daar zal een tijd komen, dat je ander werk krijgt. Doe dus je best om goed te doen, wat [184]je thans is opgelegd, en vergeet niet, dat je, wanneer je niet beter oppast, van ’t kantoor zult worden weggejaagd, waarmee je je zelf en mij schande zult aandoen. Denk er aan, dat ik de eenige directeur niet ben; en al was ik het—menschen, die hun plicht niet doen, kan ik niet gebruiken.”
Beschaamd keerde Rudolf naar ’t kantoor terug. Hij gevoelde dat zijn oom volkomen gelijk had, en was die ongelukkige historie met dat horloge er niet tusschen in gekomen—hij zou zeker met den meesten ijver zijn taak vervuld hebben. Maar ’t scheen, dat het hem nu onmogelijk was, zich bij zijn arbeid te bepalen en ofschoon hij voortaan zorgde op zijn tijd te komen, daar hij Daniel maar weer ’s avonds besteld had—zijn werk was dikwerf van dien aard, dat hij ’t overschrijven moest. Toen nu Daniel hem weken lang niets kon meedeelen, gaf hij hem nog een gulden voor zijn moeite en zei hem, dat hij maar niet moest terugkomen.
Een ander denkbeeld was hem in den zin gekomen. Hij zou een advertentie plaatsen. Te dien einde begaf hij zich naar den boekverkooper Jansen, om dezen raad te vragen en hem te verzoeken, de advertentie te stellen en te laten plaatsen.
„Indien je er van overtuigd bent, mijn jonge vriend, dat het slechts een vergissing is van dengeen, die ’t horloge opgeëischt heeft en niet de een of ander schurkenstreek,” zei de boekverkooper, „dan is het goed; anders gooit ge uw geld in ’t water.”
„Vooreerst schijnt het een fatsoenlijk man te zijn geweest,” zei Rudolf; „maar ten tweede, wat meer zegt, heeft die man zoo overtuigend gesproken, dat de sluwe Mozes Zadok, die anders van zessen klaar is, hem ’t horloge voor zestig gulden zoogenaamd voorschot gegeven heeft; ofschoon het door zijn diamanten zeker de dubbele waarde had.”
„Wij kunnen ’t probeeren, ofschoon ik er niet veel heil van [185]verwacht,” zei de boekverkooper, en stelde nu de volgende advertentie:
„Gouden Dameshorloge met dito ketting vermist.
„De persoon, die Donderdag den … Januari j.l. in den winkel van M. Z. alhier, een gouden dameshorloge met diamanten bezet en van gouden ketting voorzien, tegen zestig gulden heeft gelost, wordt verzocht, zich aan te melden onder Lett. A. N. bij den Boekhandelaar J. G. Jansen alhier.”
Tevreden over de poging, en daarvan alles verwachtend, betaalde Rudolf den boekverkooper de onkosten der advertentie.
„Kom nu over drie dagen maar eens hooren, of er een antwoord is,” zei de boekverkooper.
„Zoo laat?” vroeg Rudolf.
„Vroeger kan er geen antwoord zijn, tenzij de menschen de krant ’s avonds te voren krijgen. Eerst morgen avond komt het in de krant. En zulk een haast tot antwoorden heeft men in dergelijke gevallen niet.”
Rudolf begreep, dat de boekhandelaar gelijk had en ging tamelijk gerust naar huis. Den volgenden dag was hij wel iets geduriger op ’t kantoor, maar gaf toch weer blijken van afgetrokkenheid.
Den avond daarop zag Rudolf met hijgend verlangen uit naar ’t Handelsblad, dat in de directiekamer gebracht en beurtelings door een der jongste bedienden gehaald werd, die ’t aan zijn chef ter hand stelde. Deze keek het even in en liet het dan aan een der andere chefs brengen, tot het de ronde gedaan had, om in de directiekamer terug te keeren.
’t Was of ’t van avond niet kwam. Eindelijk daar bracht de jongste klerk van een andere afdeeling het. Wat keek Rudolf er schuin naar; terwijl de chef het doorlas. ’t Was alsof hij ’t eens zoolang las als anders. Eindelijk klonk het:
„Nederhorst!” [186]
„Tot uw dienst, meneer!”
„Breng ’t Handelsblad maar hier naast.”
Nauwelijks was Rudolf het vertrek uit en had hij de deur gesloten, of hij vouwde ’t blad open. Lang behoefde hij niet te zoeken: want daar stond zijn advertentie met een hoofd van zulke groote letters, dat ze ieder in ’t oog moesten vallen—zoo ten minste dacht Rudolf, wien ze, omdat hij haar zocht, terstond voor de oogen stond. Nu die advertentie er in stond was de zaak gezond en ’t horloge zoo goed als terecht. Daar was geen twijfelen aan. Terstond vouwde hij de krant toe, bracht haar naar ’t vertrek, waar zij wezen moest en keerde met een vergenoegd hart naar ’t zijne terug.
Weinig dacht onze knaap, dat juist die advertentie van welke hij zooveel verwachting had, hem ten val zou zijn. Gaan we daarom een half uur vroeger naar de directiekamer, waar we den heer Walburg en nog een anderen directeur vinden zitten. Daar de laatste nog aan den arbeid is, heeft de eerste de krant opgenomen en den inhoud doorgekeken.
Niet gewoon advertentiën te lezen, wil hij ’t blad juist aan zijn mededirecteur overgeven, toen zijn oog toevallig op het met groote letters gedrukt „Gouden dameshorloge met dito ketting vermist,” valt. Hij leest de advertentie.
„Ha, daar brengt de rat zich zelf in den val!” zegt hij. „Nu zullen we zien, wie ’t horloge verpand heeft: Rudolf of zijn zuster, die ’t dan door middel van een ander heeft laten doen. We zullen de zaak echter slim en bedaard overleggen en de vesting bij verrassing innemen.”
Terstond beval hij, een vigelante te laten voorkomen en liet zich naar den boekhandelaar Jansen brengen.
„Meneer thuis?” vraagt hij aan den in den winkel staanden bediende.
„Om u te dienen. Meneer is op ’t kantoor.” [187]
„Geen belet?”
„Voor u niet. Mag ik u maar verzoeken, binnen te gaan.”
Voor u niet! geen wonder. Door meneer Walburgs invloed had meneer Jansen al jaren een aardige rekening voor leverantie van druk en bindwerk aan de Bank. Zoodra dus meneer Walburg op ’t kantoor trad, vloog de man op, en bood hem met veel buigingen een stoel aan.
„Meneer Jansen,” begon deze. „Naar ik zie hebt u de advertentie voor den klerk van ons bureau, den heer Nederhorst, geplaatst.”
„Die van dat horloge, meent u,” antwoordde de boekverkooper.
„Juist, van dat gouden horloge. Dat is een rare zaak. Ik heb er zoo iets van gehoord, maar dacht, dat het een sprookje was. Zou dan toch werkelijk die meneer Nederhorst dat horloge beleend en een ander het bij den pandhouder als zijn eigendom weggehaald hebben? Ik heb er natuurlijk niet naar willen vernemen, daar wij ons niet met de bijzondere zaken onzer klerken bemoeien; maar men hoort soms zoowat daarvan, en deze historie vond ik al bijzonder vreemd.”
„Toevallig kan ik u de zaak in zijn bijzonderheden mededeelen,” antwoordde de boekverkooper, weinig vermoedende dat meneer Walburg de oom van Rudolf was, hetgeen hij wel zou geweten hebben, indien Rudolf hem niet verteld had, dat zijn familie te Weesp woonde, zonder te zeggen, dat ze vroeger op de Keizersgracht gewoond had. „Toevallig kan ik u de zaak in zijn bijzonderheden verhalen; want meneer Nederhorst kwam voor eenigen tijd bij mij, om te vragen of ik de persoon was, die ’t horloge gemeend had voor mijn eigendom te herkennen en toen diende hij mij toch eenigszins met de historie bekend te maken, een zaak waarin hij ingeloopen is als een jonge muis in den val.”
En meneer Jansen verhaalde aan meneer Walburg de zaak, [188]zooals Rudolf hem die naar waarheid en met de meeste verschooning voor zich zelf medegedeeld had. De directeur der Bank scheen met de meeste onverschilligheid naar ’t verhaal van den boekverkooper te luisteren; daarop zei hij:
„Met al die dwaasheid zou ik ’t werkelijke doel van mijn komst vergeten. Er zal eerstdaags een inschrijving van drukwerk aan de Bank plaats moeten hebben, en nu wenschte ik, dat u dit bestek eens inzag, en mij daarop morgen ochtend vóor negenen uw aanmerkingen maakte.”
„En is meneer daarom expres bij mij gekomen!” riep de boekverkooper uit. „Meneer had mij immers op ieder uur van den dag bij zich kunnen laten ontbieden.”
„Ik moest toch bij u voorbij en had die advertentie gelezen. Zulke beuzelingen gaan ons zoo licht door ’t hoofd, en daarom dacht ik: nu moet ik het ijzer smeden, terwijl het heet is. Maar nog iets: Ik ben bij u ingeteekend op het „Tijdschrift voor de jeugd.” Mijn beide jongste dochtertjes lezen dat graag en mijn vrouw ziet het ook wel eens in. Ge schijnt daar een goede medewerkster te hebben gekregen, een die onder den pseudoniem van Helène schrijft. Mijn vrouw roemde haar bijzonder, en daar de vrouwen zeer nieuwsgierig zijn, had ze mij opgedragen, wanneer ik u bij toeval eens sprak, te vragen, wie die Helène is?”
„’t Spijt mij, dat ik u hierop geen antwoord kan geven,” antwoordde meneer Jansen, „’t schijnt een favorietje van den redacteur te zijn, en, naar ’t mij voorkomt, moet ze nog jong zijn ook. Bij gelegenheid echter zal ik ’t meneer Radinus wel eens vragen en dan zal ik ’t mevrouw melden.”
„Nu ja, van zooveel belang is ’t niet, en ’t zal nog te bezien staan, of dat jeugdige talent zoo voortgaat. Vogeltjes die zoo vroeg zingen zijn wel eens voor de poes. Adieu! meneer Jansen!”
Met veel buigingen en strijkages begeleidde de boekverkooper [189]meneer den directeur tot op den stoep en deed het portier der vigilante open. „Naar de club!” zei meneer Walburg, stapte in en reed wel te vreden naar zijn sociëteit.
„Ik had dan toch niet mis gezien,” zei hij met die vergenoegdheid, welke zich van ons meester maakt, wanneer we vinden, dat we eens buitengemeen scherpzinnig geweest zijn. Later echter was zijn alleenspraak minder opgewekt, toen hij zei: „’t Spijt me toch van mijn plannen, ofschoon de knaap mij tegengevallen is; en nog meer van dien armen Nederhorst. Maar ik moet door een zuren appel heen bijten: beter ten halve gekeerd, dan ten heele gedwaald. Ha, daar zijn we aan de club!”
Weinig dacht Rudolf, die dezen nacht zulke heerlijke droomen had, waarbij ’t horloge de hoofdrol speelde, dat zijn lot onherroepelijk beslist was.
Opgeruimder dan sedert eenige dagen begaf Rudolf zich naar de Bank en ging hij aan den arbeid. Hij was er echter nog niet lang, of hij werd op de directiekamer geroepen. Daar gekomen, vond hij er zijn oom geheel alleen, wiens gelaat niet veel goeds voorspelde.
„Rudolf,” zei hij, „het doet me leed, je te moeten zeggen, dat je me bent tegengevallen. Ik heb, helaas! tot mijn leedwezen bemerkt, dat ik me in je heb bedrogen. Ik had goede plannen met je; ik moet er echter bijtijds van afzien. ’t Spijt mij voor je—meer echter voor je braven vader, die al zijn hoop voor de toekomst op je gevestigd had. Op heden ben je uit je betrekking aan de Bank ontslagen. Hier is een cheque op den kassier, waarbij je ’t bedrag van de volle maand wordt uitbetaald. Pak terstond je goed, betaal je schulden en vertrek naar Weesp.”
„Maar oom!” zei Rudolf. „Waarom zulk een plotseling ontslag! Wat zijn de redenen?” [190]
„Die zal ik je vader in een uitvoerigen brief bloot leggen en dan zal hij ze je wel meedeelen. Wellicht zal ’t je dan een les voor je leven zijn en zal je het later beter leeren waardeeren, wanneer men zich je lot aantrekt.”
„Oom!” zei Rudolf smeekend. „Kunt u ’t dan niet nog voor ditmaal eens inzien; zeg me, wat me ontbreekt, en ik zal het trachten te verbeteren.”
„Mijn besluit is onherroepelijk en ik verlang niet in bijzonderheden te treden. Doe wat ik je zeg. Vaarwel! God geve, dat je je verbetert.”
Diep terneergeslagen en niet begrijpende, waaraan hij dit plotseling ontslag te danken had, nam Rudolf de cheque aan en ging met tranen in de oogen de directiekamer uit. Daarop wisselde hij de cheque bij den kassier in geld, betaalde zijn kamerhuur de maand uit, liet zijn goed op ’t spoor bezorgen, en vertrok zelf met een bezwaard hart en angst voor den toorn zijns vaders naar Weesp. [191]