[Inhoud]

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Papa komt vreemde dingen te weten.

’t Wordt tijd, dat we ook naar Weesp terugkeeren, maar een paar weken vroeger en wel op den tijd, dat Rudolfs brief aan Helène aldaar aankwam.

’t Is moeilijk de ontsteltenis te beschrijven, welke die brief haar veroorzaakte. Ze was juist op haar kamer, bezig haar bed op te maken, toen Trui hem haar boven bracht. Met smachtend verlangen had ze de komst van dien brief te gemoet gezien en met zenuwachtige haast scheurde ze er ’t couvert af. Nauwelijks echter had ze de eerste regels gelezen, waarin Rudolf schreef: „’t Horloge is weg! Mozes Zadok heeft het aan iemand verkocht, die zei, dat hij de eigenaar was,” of alles begon voor haar oogen te draaien, ze moest zich aan de tafel vasthouden, de brief viel uit haar handen en ze zonk op een stoel neder. Hoelang ze in dien half bewusteloozen toestand verkeerd had, wist ze niet: eindelijk kwam ze bij, maar ’t was of ze versuft was. Daarop herinnerde ze zich den brief, zag dien aan haar voeten liggen, nam hem op, las nog eens den aanhef en vatte toen moed, om het overige te lezen. Toen ze dat gedaan had, viel ze luid snikkend met haar gelaat op ’t nog afgehaalde bed en riep toen op wanhopigen toon uit:

„O, moeder! Waarom heb ik mij laten overhalen, uw [192] erfenis uit handen te geven! Nu is zij verloren! voor altijd verloren! O, God! Welk een tijding!”

Toen ze lang genoeg geschreid had, richtte zij zich op, wischte haar tranen af, sloot den brief weg, sloeg nog een langen, smartelijken blik op ’t portret harer moeder, en ging toen weder aan den arbeid. Maar ze werkte niet met den lust en ijver, welken ze vroeger aan den dag legde—al wat ze deed, verrichtte ze met een doffe gevoelloosheid, als droomende, en toen ze beneden kwam, was ’t met gebogen hoofd en treurig gelaat. Haar vader bemerkte dat in zijn verstrooidheid niet op; wel Trui, die haar herhaalde malen vroeg, wat haar scheelde?

„Hoofdpijn, Trui,” antwoordde ze. „Ik denk, dat ik van nacht wat laag met mijn hoofd gelegen heb.”

„Ge overwerkt u, juffrouw,” zei Trui. „’t Is te veel voor uw krachten, ’t zal net zoolang duren, dat u ziek wordt. Ik zou ten minste maar naar mijn kamer gaan en wat stil gaan zitten.”

„Maar er is nog zooveel goed te verstellen en er zijn zooveel kousen te mazen,” zei Helène.

„Laat het goed zich zelf verstellen en de drommel de kousen mazen. Dat zit hier alle dagen te sjouwen en te ploeteren, als een dienstmeid; terwijl juffrouw Leonie daar in Amsterdam een leventje leidt als een prinses. Als ik in uw plaats was, dan zou ik tegen mijn papa zeggen, dat ik er voor bedankte, om hier alleen voor meid te spelen, en dat zij terug moest komen, om de helft van mijn werk over te nemen. En wat heb je er voor dank voor? Ternauwernood een goed woord. Neen, ik ben maar een dom mensch, maar zoo dom niet, of ik zeg, dat het hier alles behalve recht toegaat. Ik heb me wat geërgerd, toen juffrouw Leonie die paar dagen over was, en …”

„Laat je dat niet hinderen, beste Trui,” zei Helène glimlachend. [193]„Leonie is nog jong. Zachts dat ze op dien leeftijd even goed haar genoegelijke dagen heeft als ik die gehad heb. Is ze zoo oud als ik was, toen onze omstandigheden veranderden—welnu, dan is het tijds genoeg om haar thuis te laten komen en haar aan ’t werk te zetten.”

„Wat wel nooit zal gebeuren!” zei Trui. „Uw oom en tante zouden haar niet laten gaan. En wat mij aangaat, ik ben er juist niet verlangend naar, want toen ze hier voor een paar dagen was, werd ik door haar gekommandeerd alsof ik zoo’n Oostinjesche slavin was. Ziet u, en dat ben ik nooit gewoon geweest, zelfs niet van mijn goede mevrouw, toen die nog leefde. Die was altijd de goedheid en vriendelijkheid zelf.”

„Ja, dat was ze wel,” zei Helène zuchtend, „en daarom heeft mijn arme vader zooveel aan haar verloren.”

„Dat heeft hij, de man;” zei Trui, „en dat moet ik zeggen, ik heb nog weinig twee menschen gezien, die zooveel van elkaar hielden. ’t Was zeker de zwaarste slag die hem kon treffen, en daarom kan ik hem veel van zijn raar humeur vergeven; ofschoon ik er weinig van te lijden heb en hij voor mij heel goed is en me nooit een overtogen woord zal geven. Maar ik zou zoodoende al mijn kostelijken tijd verbabbelen en ik moet van daag dubbel pootaan spelen. Want, u zult nu niets doen, niet waar, juffrouw?”

„Neen, Trui,” antwoordde Helène; terwijl ze de trouwe meid de hand reikte, en deze ’t vertrek verliet.

’t Gesprek met Trui had haar een weldadige afleiding van haar verdriet bezorgd. Daar waren zooveel andere gedachten door haar brein gegaan; want ofschoon ze ’t niet voor zich zelf wou weten, was ze niet zonder jaloezie op ’t lot van Leonie, en had de blijkbare voorkeur, welke haar vader tijdens haar verblijf aan zijn jongere dochter schonk, haar gehinderd. [194]Trui’s voorliefde voor haar, ofschoon Trui maar een dienstbode was, deed haar goed; daarbij stemde ’t goedhartige oordeel over haar vader, dat zij zoo veel moeite had zichzelf op te dringen en dat de eenvoudige meid zoo rond en onbewimpeld uitsprak, haar vriendelijker, en ze herinnerde zich, hoe hij, schoon natuurlijk eerst driftig over ’t verdwijnen van ’t horloge, haar den volgenden dag reeds daarvan niets had laten merken. En zoo namen haar gedachten langzamerhand een andere richting en gevoelde ze zich niet meer zoo diep rampzalig als straks.

„Wat scheelt er aan, Helène, dat je niet eet?” vroeg Dora ’s middags aan tafel.

„Je ziet zoo bleek,” voegde Alfred er bij.

Meneer Nederhorst keek op. Met zijn gewone afgetrokkenheid had hij niets gemerkt. Thans zag hij, dat zij er bleek en afgemat uit zag.

„Scheelt er wat aan, Helène?” vroeg hij deelnemend.

„Ik heb zware hoofdpijn, pa,” antwoordde zij.

„Je werkt te hard, kindlief,” zei meneer Nederhorst. „Je moet straks naar bed gaan, en als ’t morgen niet beter is, dan laat ik den dokter komen.”

„’t Zal morgen wel beter zijn,” verzekerde Helène. „Ik zal echter uw raad opvolgen en dadelijk na de thee naar bed gaan.”

„Dan kom ik bij je zitten en zal je wat voorlezen,” zei Dora. „Ik mag immers wel, Helène?”

„Neen, ik zal het doen,” zei Alfred. „Ik heb een heel mooi verhaaltje, dat ik te leen heb gekregen van Karel. ’t Is gemaakt door een juffrouw, die net zoo heet als jij, Helène.”

„Dat is goed. Maar dan mag ik toch zoolang bij Helène opzitten, terwijl jij leest. Niet waar, Helène! En als je dan wat noodig hebt, dan haal ik het voor je.” [195]

„En we zullen ons van avond zelf wel uitkleeden,” zei Alfred.

„En ons goed netjes opvouwen, precies alsof je er bij bent,” voegde Dora er bij.

„Maar moet je dan geen werk voor school maken!” zei Helène.

„Dat zullen we netjes afmaken vóor het theedrinken,” antwoordde Alfred. „We zullen ’t heel keurig doen. Je hoeft er niet naar te kijken.”

’t Scheen, dat meneer Nederhorst getroffen was door de ongekunstelde blijken van innige liefde en toegenegenheid, door zijn beide jongste kinderen voor hun oudste zuster aan den dag gelegd.

„Hoor eens, Helène,” zei hij. „Ik oordeel ’t noodig, dat je terstond na den eten te bed gaat. Intusschen kunnen Dora en Alfred hun werk maken. Trui zet het theegoed op je kamer. Dan schenkt Dora thee, Alfred leest je voor en ik kom bij je theedrinken en naar ’t verhaaltje van die juffrouw Helène luisteren.”

„O, dat is lief van u, pa,” zei Helène, terwijl ze hem met een dankbaren blik aanzag.

Zoodra Trui kwam afnemen, gaf Helène de noodige bevelen.

„U heeft wel gelijk, juffrouw,” zei Trui. „’t Is misschien zware gevatte kou en die moet er door transporteeren uit.”

„En jij zet thee, hoor; want Dora zal schenken,” vervolgde Helène.

’t Deed haar werkelijk goed, toen ze te bed lag, ofschoon slechts voor haar vermoeid lichaam; wat haar geest aangaat: de heden ontvangen tijding woedde, nu ze alleen en ’t lichaam tot rust was, met dubbele hevigheid door haar brein, zoodat er geen denken was aan slaap. Maar ’t moede, pijnlijke hoofd rustte en dat was al een troost. Trui bracht het theegoed, [196]Dora, die al sedert een half uur met Alfred bij haar was, zette zich heel deftig aan de theetafel; terwijl Alfred met de aflevering van het Tijdschrift voor de jeugd, waarin Helène’s verhaal stond, voor haar bed ging zitten.

Pa kwam en ging terstond naar ’t bed.

„Hoe is het, lieve?” vroeg hij.

„’t Gaat nog al, pa,” antwoordde ze met een vergenoegden glimlach en een dankbaren blik.

’t Is nog iets anders zich zelf te lezen of zich door anderen te hooren lezen en Helène zelf luisterde met aandacht naar haar eigen verhaal, dat met een lieve, duidelijke en buigzame stem werd voorgedragen en waarin zij schoonheden vond, welke zij zelf niet wist dat er zich in bevonden. Het verhaaltje scheen haar vader ook te bevallen, tenminste hij luisterde met alle oplettendheid. Betrekkelijk gevoelde ze zich gelukkig; als daar achter maar niet die rampzalige tijding van dezen morgen geweest was. In deze oogenblikken echter vergat ze al wat haar de ziel bezwaarde en genoot de liefde, die haar bewezen werd. En toen de thee afgeloopen en haar vader naar zijn kamer teruggekeerd was, toen ook Dora en Alfred naar bed waren, toen daalde de engel der vertroosting op haar neder in een balsemenden slaap en vertoonden bont gevleugelde droomen haar een uitkomst zoo schoon, als zij slechts kon wenschen. Wel verstoorde ’t ontwaken in den morgen die van goudstof geweven beelden; maar de glimlach op haar lippen toonde, dat ziel en lichaam ten minste eenige uren rust en verkwikking gesmaakt hadden.

Haar hoofdpijn was beter; maar ze gevoelde toch een zwaarte in de leden en een zekere matheid, die haar anders niet eigen was. Overtuigd, dat dit nog de overblijfselen van den schrik van gisteren waren, stond zij op, hielp de kinderen, zette het ontbijt gereed en wachtte haar vader op, [197]die met belangstelling naar haar gezondheid vroeg en wien ze geruststelde met de verzekering, dat zij weer beter was.

Ruim veertien dagen gingen op die wijs om en Helène gevoelde zich hoe langer hoe matter. Doch in ’t midden harer bezigheden vergat ze haar vermoeidheid en alleen de weinige opgewektheid, waarmede zij at, zou anderen het vermoeden doen koesteren, dat ze niet goed was. Zelfs de altijd zoo attente Trui scheen ’t niet op te merken; zij zag het dan ook niet hoe het anders zoo werkzame meisje tusschenbeiden, als niemand het zag, met de handen over elkander ging zitten, met het hoofd achterover tegen den muur geleund, als iemand die zich doodzwak gevoelt.

’t Was dan op zekeren dag, dat Trui des morgens aan de kamer van meneer Nederhorst klopte.

„Binnen!” zei hij. „Wat is er, Trui?” vervolgde hij, „dat je zoo bedrukt kijkt?”

„Meneer, ik geloof niet dat juffrouw Helène goed is. Ze is wel opgestaan, maar weer in elkander gezakt. ’t Was gelukkig, dat ik boven kwam, om eens naar haar te zien; want ze lag bewusteloos op den grond. Toen heb ik haar weer te bed gebracht.”

Meneer Nederhorst sprong terstond op en snelde naar Helène’s kamer, gevolgd door Trui. Ze vonden haar bij haar bewustzijn, maar met bleek gelaat, witte lippen en holle in hun kassen gezonken oogen, waarmede ze haar vader aanzag.

„Je bent ziek, niet waar Helène?”

„Ik ben ziek,” antwoordde zij met matte stem. „Ik heb ’t al eenige dagen gevoeld.”

„En waarom het dan niet gezegd, kind?”

„Ik wilde u niet ongerust maken en dacht, dat het wel over zou gaan.”

„Trui, loop naar den dokter en vraag, of hij terstond komt.” [198]

„Laat Trui eerst uw ontbijt klaar zetten, pa, en de kinderen helpen, anders komen zij te laat op school.”

„Dat is goed, dan loop ik zelf naar den dokter; dat is ook misschien beter.”

„Ze heeft zich al maanden lang overwerkt,” bromde Trui terwijl ze achter haar meester de kamer verliet. „’t Was te zwaar voor zulke jeugdige schouders als de hare.”

Ofschoon ze deze woorden slechts in zich zelf gebromd had, waren ze door meneer Nederhorst gehoord. Ze vielen hem als lood op de ziel. Reeds sedert lang was er een onbestemd gevoel bij hem wakker geworden, dat Helène te veel deed, meer dan haar krachten haar veroorloofden; dat gevoel was versterkt, toen ze dien dag vroeg naar bed gegaan was, door verschillende beslommeringen echter was ’t weer in zijn geest verdrongen. Thans kwam ’t met verdubbelde zwaarte voor hem op.

Hij spoedde zich naar dokter van Esch, dien hij nog thuis vond en die terstond met hem mee ging.

„We kunnen er nog niets van zeggen,” was zijn oordeel. „’t Kan een ziekte in haar begin zijn; ’t kan echter ook slechts gevatte kou en overspanning van zenuwen wezen. Uw dochter is geducht zenuwachtig en hoe meer stilte ze heeft, hoe beter ’t is. Doch er moet iemand bij haar zijn, opdat ze niet aan haar eigen gedachten overgelaten wordt. Als u uw jongere dochter eens uit Amsterdam liet overkomen.”

„Ik vrees,” zei meneer Nederhorst op eenigszins ontstemden toon, „dat Leonie een zeer slechte ziekenoppaster is. Maar wie is daartoe nader dan ik? Voorloopig laat ik mijn boeken naar de ziekekamer brengen; dan heeft ze den geheelen dag gezelschap. Mocht het erger worden——dan zullen we nader zien. Er behoeft toch niet gewaakt te worden?” [199]

„Als de meid haar nachtleger op den grond opsloeg, zou ’t niet kwaad zijn. De spanning harer zenuwen is zóó groot, dat het beter is, haar ook ’s nachts niet alleen te laten.”

„U ziet er toch geen gevaar in, dokter!”

„Oogenblikkelijk niet het minste. Ik kan er nog niets van zeggen, en we moeten den loop der ziekte afwachten. Ik kom echter van avond nog eens terug.”

Dit gesprek had in meneers kamer plaats, en stelde den vader in zooverre gerust, dat er geen oogenblikkelijk gevaar bij was. Toen de dokter vertrokken was, riep hij Trui, deelde haar mede, dat de dokter hoopte op een voorbijgaande ongesteldheid en vroeg haar, of ze zich berekend gevoelde voor korten tijd de zorg voor ’t huishouden en de kinderen op zich te nemen? Ze stemde terstond toe:

„Als de juffrouw maar beter wordt, zou ik dag en nacht willen werken,” antwoordde ze trouwhartig. „’t Zal wel veel moeite kosten, haar te vervangen; maar meneer zal wel geduld met mij hebben en de kinderen zijn door haar zoo aan orde en regel gewend, dat die met een stroohalm te regeeren zijn. En als meneer over dag bij de juffrouw blijft, is dat al veel uitgewonnen. Als ze uit de school komt, kan Dora meneer wel eens aflossen; ’t is een lief, hartelijk kind en ze houdt zielsveel van haar tweede mamaatje.”

Den volgenden dag reeds schudde de dokter ’t hoofd.

„Het wordt een ernstige ziekte, meneer, en ik zou u raden, om uw tweede dochter te schrijven; want er moet bepaald bij haar gewaakt worden.”

„Zoudt u een consult noodig oordeelen, dokter?” vroeg meneer Nederhorst. „Dan zal ik Dr. Manders uit Amsterdam telegrafeeren.”

„Vooreerst niet, meneer,” antwoordde de dokter. „Intusschen kom ik van avond terug.” [200]

„Naar Leonie schrijven?” zei meneer Nederhorst. „Ik vrees, dat ze meer drukte zal maken dan dat ze tot hulp is. Ik zal nog tot van avond wachten. Dezen nacht waak ik—dan kan Trui eens goed uitslapen.”

Toen dokter van Esch ’s avonds kwam, vond hij de zieke buiten bewustzijn en schreef meneer Nederhorst om Leonie. Dien geheelen nacht ijlde Helène sterk, meestal was ’t een onverstaanbaar gemompel. Van tijd tot tijd echter hield ze geheele redeneeringen, waarop haar vader soms door een enkel woord opmerkzaam werd gemaakt. Zoo was ’t onder anderen eens:

„Geef mij ’t horloge van ma, Rudolf. Hier is geld, geld dat ik zelf verdiend heb. Waarom heb je ’t ook laten begraven? Wat lag het daar in de kist en zonk in de zwarte aarde. De dokter zorgt voor versche rozen, dokter Faminga, mijn beste vriend. Neen dokter, ik mag u niet spreken; Mozes Zadok wil het niet hebben. Waar is nu al ’t geld, dat ik zelf verdiend had? Mozes Zadok heeft den dokter verkocht, dien ik aan Rudolf geleend had. Ik had je de bloemen niet moeten geven, Rudolf. Had ik ’t pa maar gezegd, dat het Mozes Zadok was, die in de kist lag; maar ik had dokter Faminga te lief, hij hield zooveel van ma. Als ik Mozes Zadok maar spreken mocht, zou hij me den dokter wel bezorgen. Hij heeft den dokter voor zijn glazen opgehangen, en nu zijn de bloemen weg. Pa weet niet, dat ik den dokter aan Rudolf geleend had. Nu zal ik den dokter nooit meer opwinden; want Mozes Zadok heeft hem verkocht voor zestig gulden. Neen, pa! ik kan ’t u niet zeggen, waar ’t horloge van ma is. Maar ik heb het begraven in ’t graf van ma, diep onder de rozen, die Mozes Zadok er op heeft laten planten, omdat hij zooveel van ma en mij hield. Dokter! Pa heeft het horloge in de kast gehangen en toen heeft Mozes Zadok het van hem gekocht voor ’t geld, [201]dat ik verdiend had. O, dokter! ik heb u zoo lief, omdat u mij zoo lief hebt, en omdat u zooveel van ma hield, dat u haar graf met horloges hebt beplant, die ’t heele jaar doorbloeien. Rudolf! Rudolf! Geef mij de roos terug, die je geplukt hebt.”

Met oplettendheid had meneer Nederhorst in ’t stille, nachtelijke uur naar deze vreemde, onsamenhangende taal geluisterd, die hem eensdeels in zijn vermoeden versterkte, dat die dokter Faminga in betrekking stond tot het verdwijnen van ’t horloge, anderdeels van Rudolf sprak als hebbende ’t horloge van haar geleend.

„Ik begrijp er niets van,” zei hij; terwijl hij met de hand onder ’t hoofd zat te peinzen. „En toch moet ik licht in die zaak hebben. Misschien heeft ze briefwisseling met dien dokter gehouden en zal ik daar licht in vinden.”

Dit zeggende stond hij op en sloot Helène’s kastje open. In een der laden vond hij werkelijk brieven, alsook haar huishoudboekje. Een en ander nam hij met zich naar de tafel, om ze op zijn gemak te doorsnuffelen. De brieven lagen naar rangorde van de ontvangst. De eerste, welke hij opende, was van een zekeren meneer A. D. Radinus. Hij luidde:

„Mejuffrouw,

„Hiernevens het honorarium voor ’t overschrijven van de laatste copie. Ik heb er op ’t oogenblik geen nieuwe gereed en geloof ook wel, dat deze de laatste is, die ik u zenden zal. Een dame, die zelf met zooveel talent schrijft, kan zich niet met copiëeren bezighouden. Ik verwacht spoedig een nieuw verhaaltje voor ons Tijdschrift van u; ik hoor algemeen dat uw eersteling met veel ingenomenheid begroet en met genoegen gelezen wordt.

Uw. Dw. Dienaar
A. D. Radinus.”

[202]

„Hoe! Geld verdiend met copiëeren en zelf schrijven. Zou dat stukje, dat Alfred voorlas, van haar zijn! O, Helène! wie had gedacht, dat jij … Ik moet toch zien, wat zij met dat geld gedaan heeft. Misschien brengt mij dat op de hoogte.”

Hij nam, alvorens verder te gaan met de correspondentie, haar huishoudboekje. ’t Eerst viel hem de ontvangst in de oogen. Daar las hij, onder ’t artikel „van pa ontvangen,” hier en daar: „voor copiëeren,” ook eenmaal: „van oom gekregen voor mijn toilet,” en eindelijk „honorarium voor mijn stukje in het Tijdschrift voor de jeugd.” Nu sloeg hij de uitgaven op. Daar vond hij, behalve de gewone huishoudelijke uitgaven, ook kleeding voor de kinderen; maar een post, die hem groote oogen deed opzetten: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 10;” en later: „Aan Rudolf op afrekening ƒ 20.”

„Dus had Rudolf haar geld geleend,” zei hij. „Maar waarvan kan hij ’t gedaan hebben? En waartoe heeft zij dan ’t horloge voor zestig gulden verpand. Van dien post vind ik niets. Ook vind ik niet, dat ze die geleende dertig gulden geboekt heeft. Nu wordt de zaak mij hoe langer hoe raadselachtiger! Wacht! Misschien heeft die zoogenaamde dokter geld van haar geleend en heeft ze ’t maar niet geboekt, omdat het mij soms onder de oogen mocht komen. Dertig en zestig is negentig en misschien nog tien gulden uit haar spaarpot; dat is honderd gulden. Ja, zoo is het! Ik moet morgen dien schurk van een dokter eens opzoeken. Ik had het wel gedacht, dat die indringerij haar doel had. Schande! Gebruik te maken van de onnoozelheid van een zestienjarig meisje! Maar ’t zal je slecht bekomen, meneer de dokter!”

Meenende, nu genoeg ingelicht te zijn ten aanzien van deze zaak, en voornemens, die gerechtelijk te vervolgen, wilde meneer Nederhorst de verdere brieven wegsluiten, toen zijn [203]oog op den nu bovenop liggenden brief viel en hij de hand van Rudolf herkende.

„Wacht, deze werpt misschien nog meer licht over de zaak.” Hij vouwde hem open en las:

„Lieve Helène. Ik ben wanhopend! Hoe gaarne ik het voor je zou willen verzwijgen—ik mag je niet langer misleiden en kan het ook niet; het hooge woord moet er uit: ma’s horloge is weg. Die schelm van een Mozes Zadok heeft het aan een ander verkocht, die zei dat het zijn eigendom was en wien hij er zestig gulden voor afgenomen heeft. Ik vernam dat toevallig van zijn bediende. Begrijp eens, zoo’n woekeraar! Dertig gulden ontving ik van hem te leen om mijn schulden te betalen. Later hield hij mij vijftien gulden voor interest af, en nu heeft hij er nog zestig gulden voor gemaakt. Als ik niet bang was, om in de zaak te roeren, dan gaf ik het aan de politie aan. Maar de kerel zou mij aanklagen als de dief van ’t horloge, en wie zou, nu ’t weg is, bewijzen, dat ik het niet ben.

„Ik heb lang geaarzeld, om je deze verpletterende tijding mee te deelen! O, had je je maar taai gehouden en mij ’t horloge nooit geleend. Had pa mij maar geld gezonden, of oom mij slechts vijf-en-twintig gulden geleend, dan was ik er nooit toe gekomen, om de erfenis van ma, ’t eenige wat ze je geschonken had, te verpanden! O, Helène! Ik gevoel me zoo slecht! Ik ben zoo kapot. Werken kan ik niet. Alles staat mij tegen! Had je ’t maar met Kersttijd aan pa bekend, dat ik ’t horloge van je geleend en ’t bij een woekeraar verpand had, dan had hij ’t wel gelost. Maar neen, je moest mij sparen, mij, die jou zoo slecht behandeld had, en pa voor ’t verdriet, om te weten hoe laag en gemeen zijn lieve Rudolf was. O, had je het dokter Faminga maar gezegd, die zoo rijk is en zooveel van je houdt, die had ’t wel voor je gelost, en je hadt [204]hem naderhand het geld van mijn bespaarde penningen kunnen teruggeven! Maar je durfde niet naar dokter Faminga gaan, omdat pa je verboden had, ooit weer dien braven man te spreken! O, was je maar voor ditmaal ongehoorzaam geweest—de man, die zooveel achting en liefde voor de nagedachtenis van ma heeft, dat hij de bloemen op haar graf onderhoudt, zou niet geduld hebben, dat ma’s horloge langer in de handen van dien woekeraar bleef!

„Maar wie had dien Mozes Zadok ook voor zoo slecht gehouden! Wie had niet gedacht, dat de schurk zich tevreden zou hebben gesteld met vijftig percent interest voor drie maanden!—’t Ergst van alles is, dat je er nu pa niets van zeggen kunt en de verdenking op jou blijft rusten. Zeg ’t hem maar—ik durf ’t hem niet bekennen; ik schaam mij te veel voor mijn slechte handelwijs. Jij alleen, lieve Helène, jij, jij alleen hebt mij de daad reeds vergeven en zult de gevolgen, die geheel buiten zijn schuld zijn zeker niet toerekenen aan

je berouwhebbenden broeder
Rudolf.”

Meneer Nederhorst liet den brief uit de handen vallen en zat als versteend voor zich te staren. Wat straks Helène in haar waanzin dooreen gemengd had, was hem duidelijk, en hoe weinig hij ook gestemd tot lachen was, kon hij toch een glimlach niet onderdrukken over de verdenking, die hij tegen dokter Faminga gekoesterd had. Wat was dat dan toch voor een zonderling man? Een man, die zijn dochter eens een geschenk had gegeven, een man, die ’t graf zijner Marie van bloemen voorzag, een man, bij wien Helène troost en hulp wilde zoeken—hij zou er morgen dokter van Esch eens naar vragen; die zou hem waarschijnlijk wel kennen. Doch spoedig [205]vestigden zijn gedachten zich op het hoofdpunt van den brief, en doorzag hij al ’t groote van Helène’s edelmoedigheid. Nog echter begreep hij de zaak niet in haar geheel, en meende hij, dat Helène ’t horloge aan Rudolf had geleend om het te verpanden en daarvoor zijn schulden te betalen; in welk geval ze toch eenigermate aan de eer van de nagedachtenis harer moeder had tekort gedaan. Nogmaals las hij den brief over; doch op dit punt kon hij maar geen licht krijgen.

Intusschen bleef Helène woelen en ijlen en telkens kwamen ’t horloge en dokter Faminga in de hitte harer koortsverbeelding voor. En steeds waren de bloemen op ’t graf harer moeder daarmee verbonden. [206]