Den volgenden dag kwam dokter van Esch reeds vroegtijdig. Hij vernam, hoe de zieke ’t dien nacht had gemaakt, voelde haar de pols, zat eenigen tijd te peinzen en zei toen:
„De ziekte neemt zulk een ernstigen keer, dat ik gaarne een consult zou hebben.”
„Als u ’t noodig oordeelt, dan vind ik ’t goed. Doch wees zoo goed, mij éen vraag te beantwoorden. Kent ge hier ook een zekeren dokter Faminga?”
„Wel zeker ken ik dien. Hij is mijn huisvriend. We hebben samen te Leiden gestudeerd. Maar mijn lot is gelukkiger geweest dan ’t zijne. Hij had een allerliefste vrouw en een dochter. De laatste ontviel hem op ongeveer den leeftijd, dien uw oudste dochter thans heeft. Ze was zestien jaren en zeer ontwikkeld; ze was de grootste vreugde, de trots, de eenige liefde van vader en moeder. Door een hevigen roodvonk bezweek ze in weinige dagen. Mevrouw Faminga, een vrouw van zwakke constitutie, trok zich ’t verlies van haar eenig kind zoo aan, dat ze aan ’t kwijnen raakte en weldra haar dochter volgde. Een tijdlang lag ook mijn vriend op den rand van ’t graf, en vreesden we, toen hij beter werd, dat hij zijn verder leven in een doffe krankzinnigheid zou doorbrengen. Toen wist ik hem over te halen, tot herstel zijner gezondheid eenige maanden bij [207]mij te logeeren en bemerkte ik, hoe niet alleen zijn krachten opleefden, maar ook zijn geestvermogens hun vroegere veerkracht terugkregen. Daar hij rijk genoeg was, ried ik hem aan, de praktijk neer te leggen en zich hier te vestigen. Kortom, hij verkocht zijn huis, liet de overblijfselen van vrouw en kind herwaarts voeren en begraven, kocht een stuk grond niet ver van ’t kerkhof en liet daar een allerliefste villa bouwen. Alle dagen wandelt hij naar de graven zijner lieven, die zoolang ’t seizoen het toelaat, met bloeiende heesters bezet zijn, en leeft heel eenvoudig met zijn oude dienstbode, die hij tot huishoudster bevorderd heeft, en éen meid. Zijn leven brengt hij door met wèl te doen en, onder den naam van Radinus, voor de jeugd te schrijven. Al wat hij daarmee verdient, is voor arme en noodlijdende huisgezinnen, die hij zelf bezoekt. Praktijk oefent hij niet meer uit; alleen wanneer ik het bij epidemieën te druk heb, dan neemt hij mijn armenpraktijk over en ik heb wel eens gehoord, dat de behoeftigen hem liever hebben dan mij.… natuurlijk; mijn middelen en de zorg voor ’t onderhoud van mijn huisgezin veroorloven mij niet, om mijn patiënten soep of gebraden kippetjes, soms ook kleeren en dekens te zenden. Ook staat hij mij dikwijls in consult bij; want hij is zeer knap en heeft veel ondervinding. Laat het u dus niet verwonderen meneer, dat ik trotsch ben op mijn huisvriend, aan wien mijn kinderen met den ganschen rijkdom hunner liefde hangen en die bij ons dan ook oom Albert genoemd wordt.”
„En zulk een man heb ik zoo grof beleedigd en voor ’t hoofd gestooten!” zei meneer Nederhorst halfluid. „Dokter!” vervolgde hij luide tot den geneesheer. „Zeg mij, zou dokter Faminga dat consult over mijn dochter wel met u willen houden, of zou hij, gedachtig aan vroeger misverstand van mijn zijde, daartoe niet kunnen besluiten?”
„Ik begrijp u, meneer; want ik weet zeer goed, wat er tusschen [208]u en mijn vriend is voorgevallen. Ik weet, dat hij aangetrokken door de gelijkenis van uw dochter met de zijne, haar heeft aangesproken en zoo in kennis gekomen is met uw overleden echtgenoot, in wie hij zoo geheel ’t karakter zijner gestorven vrouw herkende. ’t Heeft hem innig leed gedaan, driemaal op zulk een on …”
„Zeg maar onbeschofte wijs, dokter, dat is ’t rechte woord.”
„Onaardige wijs door u te zijn teruggestooten; maar hij heeft het u vergeven, begrijpende, dat het ongeluk den mensch wrevelig maakt.”
„’t Is waar, dokter! Ik was van rijk arm geworden en verbeeldde mij nu, dat de man, door ijdele nieuwsgierigheid gedreven, zich bij mij in wilde dringen; of dat hij, arm zijnde, meende voordeel van een vreemde familie te trekken. Met niemand omgaande, heeft ook niemand mij beter kunnen inlichten, en vrouw en dochter, die ’t wilden doen, waren in mijn oog te blind bevooroordeeld. Doch ik heb evenzeer hem onrecht gedaan als mijn dochter.”
„Hij zal van middag met mij tot consult komen,” verzekerde de dokter.
„Neen, dokter. Ik kan wel iemand beleedigen en krenken; maar dit niet zwijgend voorbij laten gaan. Ik zal hem zelf schrijven—die genoegdoening ben ik hem en mijzelf schuldig. Er is niets vernederends in, den beleedigde vergiffenis te vragen en hem de hand der verzoening aan te bieden;—’t is wel vernederend voor den beleediger, wanneer de beleedigde dat zelf eerst komt doen. Die vernedering wenschte ik mijzelf te besparen.”
Zoodra de dokter weg was, begaf meneer Nederhorst zich naar de ziekekamer terug en schreef een brief aan dokter Faminga, zeggende aan Trui, die juist met een brief, door den [209]besteller gebracht, binnenkwam, dat ze maar iemand moest opschommelen om dien terstond te bezorgen.
Meneer Nederhorst deed den ontvangen brief open; hij droeg ’t postmerk Amsterdam, en was van zijn zwager. Hij verbleekte, toen hij dien las.
„Moet dan alles op eens komen!” zei hij. „Goede God! houden de slagen dan nooit op!”
De brief was kort en luidde:
„Waarde zwager. Met mijn plannen ten aanzien van Rudolf is ’t uit. Niet alleen is hij onoplettend bij zijn werk en schijnt dit, ondanks herhaalde waarschuwingen, niet te kunnen of te willen verbeteren; maar wat meer is, op vijftienjarigen leeftijd heeft hij een daad gepleegd, die men nog van geen doorslepen, twintigjarigen jongeling zou verwachten: hij was het, die ’t horloge zijner moeder van Helène leende, om er bij zijn kameraads mee te pronken en het toen, om zijn schulden te betalen, bij den zwendelaar Mozes Zadok verpandde. Wie als kostschooljongen reeds zoo bedorven is—wat zal die als volwassen mensch zijn. ’t Spijt mij om zijnentwil zoowel als om den uwen, en ik hoop, dat de stap waartoe ik overga, geen de minste verandering zal brengen in de vriendschappelijke en broederlijke gezindheid, die er bestaat tusschen u en uw steeds toegenegen zwager
„Walburg.”
„PS. Rudolf komt heden reeds terug.”
„Ik kan hem geen ongelijk geven en in zijn geval zou ik eveneens gehandeld hebben,” zei meneer Nederhorst. „O, God! had ik ooit in de verste verte vermoed, dat mijn zoon zoo slecht was! Marie! Je bent voor veel verdriet gespaard! Als je nog leefde, zou dit je den dood hebben aangedaan! En daar ligt zij neder, die onschuldig, al de schuld van haar [210]broer op zich nam. Zeer waarschijnlijk zijn de angst en de schrik over dat horloge de voorname oorzaken van haar ziekte!”
Trui kwam boven, om hem hier voor eenigen tijd af te lossen.
„Speld de gordijnen goed toe en laat dan de deur en het raam tegen elkander openstaan,” zei meneer Nederhorst. „De dokter heeft vooral op frissche lucht aangedrongen.”
„Dan zal ik meteen den boel wat opredderen,” zei Trui.
„Dat is goed, Trui. Leg mijn boeken dan maar op een hoop op die tafel. En wat ik zeggen wil, zorg dat er slaapplaatsen gereed zijn voor den jongeheer Rudolf en de jongejuffrouw Leonie. Die komen beiden hier.”
„Maar dat zal de drukte nog vermeerderen, meneer,” zeide Trui.
„Mijn dochter komt in alle gevallen om je te helpen, en mijn zoon kan ons voor een gedeelte in de oppassing bij de zieke vervangen.”
„’t Zal wat helpen, die opgeprikte medam,” bromde Trui in zichzelf; toen haar heer de kamer verlaten had. „Maar ze kan lang wachten, eer ik haar bedien en als ze niet uitvoert wat ze moet, dan loopt voor mijn part de boel maar in de war. En wat nu Rudolf hier komt doen, begrijp ik waarlijk niet. Ik had hem maar stilletjes in Amsterdam gelaten. Kwaad is hij anders niet—dat moet ik zeggen. Maar wat doet hij hier?”
Na eenigen tijd kwam meneer Nederhorst terug.
„Ga nu maar aan je werk, Trui. Ik blijf hier. Als mijn zoon of mijn dochter komen, laat ze volstrekt niet boven; maar in de huiskamer. Ze mogen zoo direct van straat niet bij de zieke komen; daarenboven moet ik hen eerst spreken. Richt alles dus zoo in, dat je mij kunt vervangen.”
Rudolf en Leonie kwamen toevallig met denzelfden trein, [211]ofschoon ze elkander niet ontmoetten, dan op het perron te Weesp, daar ze in verschillende klassen hadden gezeten. Ze waren nu verwonderd, elkander te zien en deelden elkaar de reden hunner komst mede. Die van Rudolf interesseerde Leonie al heel weinig; die van haar hem des te meer.
„Is Helène erg?” vroeg hij.
„Vast wel; anders zou pa niet om mij geschreven hebben.”
„Hij zal jou haar taak willen opdragen, zoolang zij ziek is.”
„Daar zou ik hem voor bedanken. Omdat Helène zoo mal is geweest, om voor meid te spelen, behoef ik het daarom niet te doen. Je ziet nu, wat er ’t gevolg van is. Ik heb haar verleden jaar wel gewaarschuwd, dat ze ’t niet zou kunnen uithouden; maar ’t hielp wat: ze ging toch haar gang. Nu, van mij zullen ze geen nood hebben, dat ik mij overwerken zal. Pa zou ’t ook niet willen hebben, al wilde ik het. En waarom ben jij ontslagen?”
„Dat weet ik niet; want oom wou me de reden niet zeggen: hij zou die wel aan pa schrijven.”
„Nu, ’t zal pa als koud water op ’t lijf vallen,” zei Leonie. „Als je je plicht gedaan hadt, zouden ze je niet ontslagen hebben. ’t Ziet er mooi uit. Wat moet je nu beginnen?”
„Dat gaat jou in alle gevallen niet aan en daar behoef jij je niet bezorgd over te maken,” zei Rudolf, wien de meesterachtige toon hinderde van een meisje, dat in alle gevallen nog minder uitgevoerd had dan hij.
Beiden liepen nu naast elkander voort, en spraken geen woord meer, tot ze voor de deur stonden en Rudolf aanschelde.
„Een armoedig huis!” mompelde Leonie. „Ik mag lijden, dat Asschepoester maar gauw beter is; dan ga ik er weer van door en trek naar Amsterdam.”
Trui deed de deur open.
„Dag, Trui! Hoe gaat het met mijn zuster?” [212]
„Slecht geloof ik, jongeheer.”
„Waar is juffrouw Helène?” vroeg Leonie.
„Met uw permissie, juffrouw,” zei Trui. „Uw papa heeft gezegd, dat ik u beiden in de huiskamer zou laten, omdat het niet goed is, zoo terstond van de straat bij een zieke te gaan en ook, omdat hij u eerst spreken wou.”
„Waar is pa?”
„Bij de juffrouw, op haar kamer.”
„Dan kan hij mij daar even goed spreken als in de huiskamer,” zei Leonie trotsch. „Nu nog fraaier. Ik word hals over kop hier geroepen en nu ik kom, laat men mij door de meid zeggen wat ik doen moet!”
Rudolf was bedaard de huiskamer binnen gegaan, terwijl Leonie met groote beweging de trap opvloog. Dicht bij de kamer van Helène gekomen, werd de deur eensklaps behoedzaam open en toegedaan en stond ze voor haar vader.
„Naar beneden, Leonie. Naar de huiskamer. Heeft Trui ’t je niet gezegd?”
„Ja, pa! Maar ik dacht.…”
„Ik dacht, dat ik hier baas ben en niet jij,” antwoordde haar vader streng.
Zonder een enkel woord te antwoorden, wierp Leonie het hoofd in den nek en begaf zich naar de huiskamer. Weldra kwam meneer Nederhorst bij haar.
„Met jou straks,” zei hij tot Rudolf, nadat hij zijn begroeting beantwoord had.
„Leonie,” zei hij. „Helène is gevaarlijk ziek en God weet, of we haar behouden zullen. Mocht dat het geval zijn, dan zal ze in lang geen huiselijke bezigheden mogen doen. Ik heb je daarom hier geroepen, en verlang, dat jij haar plaats bekleedt, totdat ze zelf weer in staat is, haar post te aanvaarden.”
„Als u er maar aan denkt, dat ik geen kamers doe, geen [213]kousen maas en geen goed verstel. Voor ’t eerste kunt u een schoonmaakster, voor ’t laatste een naaister nemen.”
„Dat zijn zaken, waarmee ik mij niet bemoei; ik weet niet, hoe Helène daarin handelde. Alleen moet ik je zeggen, dat het geld, dat ik je voor de huishouding geef, je zal noodzaken je tot het noodigste te bekrimpen. Aangaande ’t een en ander zal Trui je wel op de hoogte brengen.”
„Trui,” zei Leonie verachtelijk. „U zult toch niet willen, pa, dat ik met de meid raadpleeg!”
„Helène deed het wel. Trouwens, onze Trui is geen gewone dienstbode—ze is door ’t geen ze met ons ondervonden heeft, een lid der familie. En dan nog iets, je hebt zeker je koffer meegebracht?”
„Ik denk, dat tante dien wel sturen zal.”
„Anders moet je er om schrijven. Want je zult met zoo’n elegante japon een slecht figuur in huis- en ziekenkamer maken. Ga je nu op je kamertje verkleeden en dan naar de ziekenkamer, om Trui te vervangen, die gedurende mijn afwezigheid bij Helène opgepast heeft.”
In zich zelf brommend verliet Leonie de kamer en nu wendde meneer Nederhorst zich tot Rudolf. We zullen u dat gesprek niet mededeelen, we zouden in herhalingen vallen; zooveel is zeker, dat, waar meneer Nederhorst in Leonie niets dan trots en zucht tot weerspannigheid gevonden had, hij bij Rudolf niets vond dan diepen ootmoed en innig berouw; en had hij het karakter zijner oudste dochter bezeten—zeker had hij den verloren zoon in genade aangenomen. Doch eensdeels had hij ’t zelfde weerbarstige karakter van Leonie, anderdeels had zijn vaderlijke trots in den veelbelovenden zoon een zoo bittere nederlaag geleden, was aan zijn uitzichten in de toekomst zoo wreed de bodem ingeslagen en kwelde hem het zelfverwijt, dat hij door de schuld van Rudolf, zijn onschuldige Helène verdacht [214]had, hem zoozeer, dat zijn gemoed met bitterheid ten aanzien van den knaap vervuld was.
„Ga uit mijn oogen; deugniet!” zei hij. „Ik trek mijn handen van je af. Als Helène sterft, ben jij de oorzaak van haar dood; want het is, volgens getuigenis van den dokter, niets anders dan overspanning der zenuwen, waardoor ze zich de ziekte op den hals heeft gehaald. Door je slecht gedrag heb je haar vermoord en je eigen toekomst voor altijd bedorven!”
Rudolf verliet de kamer en ’t huis. Naar de ziekenkamer gaan kon hij niet; want hij gevoelde de waarheid van zijns vaders harde woorden: hij wist, wat Helène door ’t verlies van haar moeders erfenis geleden had. De eenige plaats, waar hij rust kon vinden voor zijn geschokte ziel was … ’t graf zijner moeder.
„Zij zou mij niet zoo wreed veroordeeld hebben, als ze nog geleefd had, evenmin als Helène het deed, toen ik haar mijn schuld bekende. O, God! als ook zij, mijn liefste zuster, sterven moet, dan—dan wenschte ik ook maar op ’t kerkhof te rusten!”
Bitter schreiend zat hij daar aan ’t graf der geliefde moeder, toen iemand hem op den schouder tikte, en met vriendelijke stem tot hem zeide:
„Rudolf! Wat deert u?”
Rudolf keerde zich om en zag een deftig, oud heer voor zich staan.
„Je kent me zeker niet,” zei de oude heer. „Ik ben de beste vriend van uw zuster Helène, die vroeger toen ’t haar nog niet verboden was, dikwerf haar hart bij mij kwam uitstorten.”
„Dus dokter Faminga?” zei Rudolf.
„Juist, dokter Faminga, die van middag met dokter van Esch een consult over uw zuster zal hebben. Ga met mij mee [215]naar mijn woning en vertel mij uw verdriet; misschien kan ik u raad en hulp verschaffen.”
Rudolf liet zich door den dokter mee naar diens villa voeren. Daar vertelde hij hem de geheele waarheid; want de dokter had een verwonderlijk overwicht op hem en ’t was alsof hij tot iemand sprak, dien hij jaren lang gekend had. De dokter liet hem uitspreken; toen zei hij:
„Je hebt me nu niets verzwegen, nietwaar?”
„Niets, dokter,” antwoordde Rudolf.
„En je hebt innig berouw over ’t gebeurde?”
„Ik vind mijzelf verachtelijk, dokter.”
„En wilt voortaan beter oppassen?”
„Dat beloof ik u, dokter!”
„Welnu, reken dan op mij. Ik zal je de gelegenheid openen, om de liefde van je vader en ’t vertrouwen van je oom terug te krijgen.”
Met minder wanhoop in ’t hart en tamelijk bedaard keerde Rudolf naar huis terug. Toen hij de ziekekamer bezocht, vond hij daar Leonie zitten, bezig een roman te lezen. Van haar vernam hij, dat pa, die den geheelen nacht gewaakt had, naar bed was gegaan en sliep.
„’t Is goed, dat je komt,” zei ze. „Want nu kun je me voor een paar uren aflossen; dan kan ik eens zien, of alles beneden goed gaat, en loop ik er tevens eens uit; want het is niet alles, om hier zoo bij een ziekbed geplakt te zitten.”
Zoo verving haar Rudolf, wien ze de noodige inlichtingen gaf en wien op dit oogenblik geen plaats meer overeenkomende met zijn stemming was dan deze. Wat hij daar aan dat ziekbed vernam, heeft hij nimmer vergeten. Met de grootste drukte begon Leonie haar bevelhebbersstaf te zwaaien en Trui allerlei bevelen te geven. De oude meid was verstandig genoeg, om haar niet tegen te spreken en lachte in haar vuistje over ’t [216]weinigje inzicht dat „de medam” in huishoudelijke zaken had; terwijl zij zich voornam geheel haar eigen gang te gaan, zooals ze ’t vroeger bij mevrouw en daarna bij Helène gewoon was.
Tegen den eten stond meneer Nederhorst, die zich gekleed te bed geworpen en Trui bevolen had hem te wekken, op. Zijn eerste gang was naar de ziekekamer. Hij was zeer verwonderd, daar Rudolf te vinden.
„Waar is Leonie?” vroeg hij.
„Beschikkingen in ’t huishouden gaan maken, pa,” antwoordde hij, „en zich tevens eens gaan verluchten.”
„Is ze al lang weg?”
„Ik denk anderhalf uur.”
„En is er geen merkbare verandering met Helène?”
„Ze heeft meestal stil gelegen, nu en dan wat onverstaanbaars gepreveld, en tusschenbeiden gewoeld.”
„Hoe laat heeft ze ’t laatst ingenomen?”
Rudolf zei ’t hem.
„Zeg aan Trui, dat ze mij wat eten boven brengt; ik zal van middag niet beneden eten.”
Na den middag kwam dokter Faminga. Meneer Nederhorst ging hem tegemoet.
„Ik dank u, dat u komt,” zei hij, hem de hand drukkend.
„Uw schrijven heeft alles goed gemaakt. Ieder onzer is somtijds de speelbal van zijn vooroordeelen. Waar is de zieke?”
Meneer Nederhorst bracht hem naar ’t bed. Dokter Faminga onderzocht haar lang en nauwkeurig.
„Is ze aldoor zoo stil geweest?” vroeg hij.
„Den geheelen nacht vreeselijk woelig, vooral druk ijlend. Tusschenbeiden zelfs rees ze in haar bed op en wilde er uit. Tegen den morgen is zij rustiger geworden en zooals ze nu is, vond dokter van Esch haar bij zijn eerste visite.” [217]
Andermaal onderzocht de dokter de zieke.
„Wat denkt u van haar, dokter?”
„Zoolang er leven is, is er hoop,” was ’t ontwijkend antwoord.
Meneer Nederhorst begreep slechts al te goed het antwoord van den dokter, dat bijna met een doodvonnis gelijk stond.
Kort daarop kwam dokter van Esch en hielden de heeren consult. Dokter Faminga sloeg een middel voor.
„Maar dat eischt groote opmerkzaamheid,” zei dokter van Esch.
„Ik weet het, doch ik heb er dikwerf de meest verrassende resultaten van gezien. Natuurlijk behoort een geneeskundige de werking van ’t medicament gade te slaan en naar bevind van zaken te behandelen.”
„Juist daarom vind ik het zoo gevaarlijk. In handen van leeken toch, zou een verkeerde applicatie doodelijk kunnen zijn.”
„Ik zelf zal het haar toedienen; ten minste als meneer Nederhorst mij wil veroorloven, van nacht bij de zieke te waken.”
„Alsof er sprake van het tegendeel kon zijn, dokter!” zei meneer Nederhorst. „Ik neem uw voorstel dankbaar aan.”
„Dan ga ik even naar huis, om de noodige schikkingen te maken, en zal tevens wel ’t recept bij den apotheker aanreiken. Mocht de drank er zijn, vóor ik terugkom—geef er haar nog niet van in.”
„Ik mag u toch van nacht wel gezelschap houden, dokter?” vroeg meneer Nederhorst.
„Ik begrijp zeer goed, dat ge onmogelijk naar bed kunt gaan, terwijl de toestand uwer dochter zoo kritiek is—ik moet u echter waarschuwen, dat ge veel zult moeten lijden.”
„Liever er bij, dan op mijn bed en te weten, dat mijn kind in doodsgevaar is,” zei meneer Nederhorst. [218]
Een uur later kwam dokter Faminga terug.
„De koorts verheft zich weer,” zei hij. „Ik had het wel verwacht.”
Inderdaad verhief de koorts zich weer en wel veel erger dan den vorigen avond. Tegen het middel in, dat de dokter haar toediende, werd zij steeds onrustiger, ja, moest meermalen worden vastgehouden, anders was ze ’t ledikant uitgesprongen. De arme vader bracht vreeselijke uren door; terwijl de dokter rustig aan het ziekbed zat en de verschillende verschijnselen oplettend gadesloeg. ’t Was vier uur in den morgen, toen de hevigheid der stuiptrekkingen allengs afnam. Met gespannen aandacht beschouwde de dokter zijn patiënt, van tijd tot tijd haar pols nemende en met het horloge in de hand de slagen tellende. Zijn eerwaardig, anders zoo kalm gelaat stond angstig; maar hij sprak geen woord en bleef geregeld de medicijnen ingeven—nu eens in grooter, dan in kleiner hoeveelheid. Een uur lang zat hij zoo in spanning; toen legde hij haar hoofd goed, dekte haar toe, deed de bedgordijnen dicht, stond op, loosde een zwaren zucht en zeide zacht:
„Ik feliciteer u, meneer Nederhorst. Zonder bijkomende omstandigheden is uw kind behouden!”
De arme vader barstte in tranen los, greep met beide handen die van den dokter, en zei:
„Dokter! U bent als God, die kwaad met goed vergeldt. Aan u heb ik naast Hem het leven van mijn kind te danken.”
„Ga nu gerust naar bed; doch zorg, dat niet het minste gedruisch haar doet ontwaken. ’t Zou haar noodlottig kunnen zijn. We zullen nu ook dat venster sluiten; want van buiten mocht het een of ander tot haar oor doordringen.”
„Ik blijf hier, dokter, en zal wel wat in mijn stoel slapen,” zei meneer Nederhorst, nadat hij ’t venster gesloten had. „Roep mij, wanneer ik in slaap mocht vallen, zoodra men [219]in huis opstaat; dan zal ik voor de noodige stilte zorgen.”
Van tijd tot tijd sloeg de dokter haar gerusten slaap gade en knikte hij tevreden, als meneer Nederhorst hem vragend aanzag. Toen dokter van Esch zijn morgenvisite kwam maken, stond hij verbaasd over de verandering, die er in de ziekte had plaats gehad.
„Ik wensch u geluk, meneer Nederhorst,” zei hij. „Dit is een slaap ten leven en niet tot den dood.”
’t Was eerst tegen twaalf ure, dat Helène ontwaakte. Toen sloeg ze haar oogen op en zag dokter Faminga en haar vader aan haar bed staan. ’t Scheen dat dit geluk te groot voor haar was; met een flauwen glimlach sloot zij de oogen weer. Toen fluisterde zij: „Droom ik, of ben ik wakker?”
„Je bent wakker, lieve,” zei meneer Nederhorst; terwijl hij een kus op haar lippen drukte. „Dokter Faminga is eens naar je komen kijken.”
„Dat is lief van u, dokter,”, fluisterde zij en stak hem een harer vermagerde handen toe.
„Stil, praat niet!” zei de dokter. „Neem even in en ga dan weer slapen.”
Helène gehoorzaamde; ze was ook te zwak om tegen te streven.
„Thans ga ik u voor eenige uren verlaten,” zei dokter Faminga. „U blijft zeker bij haar; wanneer ze weer wakker mocht worden geef haar dan gerust een lepel van het drankje, doch niet binnen de twee uren. Ik kom niet vóor van avond terug; want ik moet voor een noodwendige zaak naar Amsterdam. Mocht ge soms een of ander, in uw oog minder goed verschijnsel bespeuren, laat dan terstond dokter van Esch halen. Overigens laat u haar slapen en wordt zij wakker, spreek zoo weinig mogelijk met haar. Niemand mag bij haar worden toegelaten. Volstrekte rust is thans haar geneesmiddel.”
’s Avonds kwam de dokter terug. Hij ging echter niet ter [220]stond naar boven; maar verzocht Trui den jongeheer Rudolf te roepen. Deze kwam.
„Rudolf,” zei de dokter. „Mijnheer Jansen wil u in zijn zaak nemen. Ik had hem gisteren geschreven en heb hem heden opgezocht. Ge zult voornamelijk voor de kantoorwerkzaamheden gebruikt worden. Ge zult weer bij uw oude hospita verblijf houden; dat heb ik reeds in orde gemaakt. Uw salaris zal echter vijf gulden per maand minder zijn dan aan de Bank. Neemt ge ’t aan?”
„Of ik ’t aanneem, dokter?” riep Rudolf uit. „U redt mij van ’t verderf. Ik dank u, en u zult geen oneer hebben van uw aanbeveling.”
„Dat hoop en verwacht ik. Morgen kan je al in functie treden. Leegloopen deugt niet voor jongens.”
„Ik dank u, dokter!” zei Rudolf, terwijl hij de hand van den dokter drukte. „U hebt voor mijn vader twee kinderen gered, Helène en mij.”
Toen de dokter boven kwam, vond hij Helène wakker en was zeer tevreden over haar toestand. Hij fluisterde meneer Nederhorst wat in ’t oor en deze verliet de kamer. Toen ging hij aan ’t bed zitten.
„Helène,” zei hij. „Ik heb een goede tijding voor u. ’t Horloge, dat je moeder je op haar sterfbed gaf, is terecht gekomen.”
„Is het, dokter?” vroeg ze, en een glans van blijdschap vloog over haar gelaat.
„Ja, en wel op een heel bijzondere wijs.”
„Is ’t hier, dokter?”
„Ja, je vader was de heer, die ’t voor de glazen zag hangen en ’t van Mozes Zadok kocht.”
„O, dat is wonderlijk!” riep Helène uit. „Die tijding is heerlijk! Maar zeg eens dokter! Hoe komt het, dat u hier bent? Pa.…” [221]
„Heeft mij zelf verzocht om hier te komen en je dikwijls te bezoeken.”
„O, hoe heerlijk! Wat is pa toch goed!”
Op dit oogenblik trad haar vader de kamer binnen. De dokter gaf hem een wenk, en hij ging aan ’t bed zitten.
„Ma’s horloge is terecht, pa!” zei Helène.
„Ja, hier is het, lieve,” antwoordde hij terwijl hij het haar overreikte.
„Ja, hier is het”, antwoordde hij.
Ze greep het met beide handen aan en kuste het.
„Mag ik ’t nu houden, pa?” vroeg ze.
„’t Is je rechtmatig eigendom,” antwoordde hij. „Maar je moet het niemand meer te leen geven,” voegde hij er glimlachend bij.
„U weet dus …”
„Ik weet alles; ik weet dat mijn lieve Helène ’t evenbeeld harer zalige moeder is, en dat ze nu moet zwijgen, anders zou het misschien te lang duren, eer ik mijn lief huishoudstertje terug had.”
Met haar bleek, uitgeteerd, maar van vreugde stralend gelaat keek ze haar vader aan, strekte toen de magere armen uit, sloeg ze hem om den hals en kuste hem, wien de tranen van aandoening uit de oogen sprongen.
„Ik heb ’t wel altijd geweten, dat u een goede, lieve vader was,” zei ze.
„Kom, nu rustig, Helène!” zei de dokter met gemaakte knorrigheid. „Je weet ’t wel, dat de dokter er bij is.”
Glimlachend stak Helène hem de hand toe; toen nam ze haar horloge, ging liggen en verheugde zich in het te bezien.
Dien nacht zond dokter Faminga zijn huishoudster om bij haar te waken, en kon dus meneer Nederhorst de hem zoo noodige rust genieten. Den volgenden dag mocht ze achtereenvolgens haar broeders en zusters zien; Rudolf kwam bij haar [222]vóór hij naar Amsterdam vertrok. Van dag tot dag nam zij in beterschap toe, en geen genoeglijker uur smaakte zij, dan wanneer haar goede dokter haar bezocht, die altijd de een of andere versnapering meebracht, en Trui toefluisterde, dat zijn huishoudster wel voor haar diner zou zorgen. Zoodra ze sterk genoeg was, om het te vernemen, vertelde haar vader haar, hoe hij in dien nacht aan haar ziekbed achter de waarheid van de historie met het horloge gekomen was.
„Die arme Rudolf, hij heeft er zoo onder geleden!” zei ze.
„Spreek je nog van armen Rudolf?” vroeg haar vader. „Hij heeft al zijn vooruitzichten den bodem ingeslagen. Klerk bij een boekverkooper of, met zijn vooruitzichten, geattacheerd aan een Bank!”
„U vergeeft het hem toch, pa!”
„Om jouwentwil, ja. Ik hoor goede berichten van hem. ’t Is voor hem een bijzonder geluk, dat de goede dokter Faminga zich zijn lot heeft aangetrokken.”
„Die edele man! O, ma hield zooveel van hem!” [223]