„Ma, zou Rika ons vergeten?” vroeg Helène, „’t Wordt tijd om ons aan te kleeden. Anders wordt het wezenlijk te laat.”
„Geen nood Helène,” zei mevrouw Nederhorst. „Rika zal je niet vergeten. ’t Goeie mensch is druk bezig, om kant in je jurken te naaien. Je moet nog wat geduld hebben. ’t Is nog zoo laat niet. Zie maar op mijn horloge.”
Mevrouw Nederhorst haalde een prachtig met diamanten omzet horloge uit haar ceintuur en liet haar oudste dochter, de bijna zestienjarige Helène, zien, dat ze gelijk had.
„’t Is waar, mama,” antwoordde Helène. „Maar ik verlang zoo dat het maar tijd was. Hoe kan Leonie daar zoo kalm zitten te lezen, alsof er van avond geen danspartij was! Ik begrijp het niet!”
„Dat komt, omdat Leonie, al is ze twee jaren jonger dan jij, veel verstandiger is en dat de tijd met al je ongeduld toch niet gauwer gaat.”
„Nu, ik kan dan zoo verstandig niet zijn, en ’t zou me ook weinig helpen, al probeerde ik het. Lezen, terwijl er zoo’n pret in ’t verschiet is! ’t Is verschrikkelijk.”
Inderdaad was het dan ook verschrikkelijk, dat een meisje, niet veel ouder dan dertien jaren, dat op een danspartij moest, daar zoo rustig kon zitten lezen. Ze zouden dien avond—[11]’t was de avond voor Kerstmis—naar hun oom Walburg gaan, wiens oudste dochter Louise van daag haar vijftienden verjaardag vierde. ’t Zou een groote partij zijn: er waren niet minder dan zeventig jongens en meisjes genoodigd, en het trof zoo heerlijk, dat de Kerstvacantie al was begonnen, want nu zou haar broer Rudolf er ook gebruik van maken. Rudolf was echter niet zoo ongeduldig als zijn zuster Helène, en zelfs na den eten (want men had heden middag wat vroeg gedineerd) nog even uitgegaan, om een balboekje te koopen. Hij hoopte het er van avond van te nemen en eens ferm te dansen; want even goed als hij zich onder de jongens roeren kon, wist hij zich ook tegenover meisjes te gedragen. Geen dans zou hij overslaan; daar kon men zeker van zijn.
„Zoo meisjes!” zei hij, toen hij beneden kwam. „Nog niet naar boven? Als je zoo talmt, dan heb je kans, dat de kapper te vroeg komt en hij je zonder je te kappen verlaat; want hij heeft van avond meer te doen dan jullie te helpen: hij zal ’t wel heel druk hebben.”
„’t Is mijn schuld niet,” zei Helène knorrig. „Als ’t aan mij stond, waren we al boven. Maar Rika teut zoo.”
„Zeg dat niet, Helène,” zei haar moeder. „Er is vrij wat aan je jurk te veranderen, en dat heb je zelf gewenscht.”
„Leonie; niet ik,” antwoordde Helène. „Ik ben zoo coquet niet op mijn kleeding.”
„Maar je bent toch ook graag netjes, Helène,” zei Leonie, die niet zoo attent las, of ze hoorde de opmerking van haar zuster.
„Netjes, ja. Maar om zooveel opschik geef ik niet.”
„En ik zeg, dat de dochters van meneer Nederhorst voor den dag moeten komen, zooals ’t aan haar stand past,” zei Leonie trotsch. „Wat zegt u er van, ma?”
„Ik zal je eerst de jurken moeten zien aanhebben, voor ik er over oordeelen kan,” zei mevrouw Nederhorst. „Waar [12]is je koopje nu, Rudolf?” zei ze tot dezen, om ’t gesprek een andere wending te geven. Rudolf liet het gekochte balboekje kijken.
„Nu, dat ziet er élegant genoeg uit. Vin’ je niet, Helène?” vroeg ze aan deze, die er bij was komen staan.
„Al te élegant voor een jongen,” zei Leonie, die er ook bij kwam. „Geef ’t mij, dan kun jij ’t mijne krijgen.”
„Ik zou je bedanken,” antwoordde Rudolf. „Tot zoo iets kan ik alle dagen komen.”
„Nu, daarin heeft Rudolf gelijk,” zei Helène.
„Juffrouw Helène, zoudt u boven willen komen?” vroeg de kamenier, terwijl ze om den hoek der deur keek.
„Dadelijk,” antwoordde Helène. „Ik dacht, dat je ons vergat, Rika.”
„’t Was zoo’n werk, om dat nieuwe garneersel op uw japonnen te maken,” antwoordde de kamenier. „Komt u ook gauw boven, juffrouw Leonie?”
„Ja, Rika,” antwoordde Leonie. „Ik kom dadelijk, dan kan ik meteen zien, of je de jurken naar mijn zin gegarneerd hebt.”
„En ik ga ook naar mijn kamer,” zei Rudolf. „Als de kapper komt, stuur hem maar ’t eerst bij mij, ma, dan hoeft hij niet op de dames te wachten.”
Terwijl onze drie jongelieden achtereenvolgens de kamer verlaten, willen we u even bij mevrouw Nederhorst inleiden.
Zooals ge haar daar op de sofa ziet zitten, vindt ge haar zeker een schoone vrouw, en dat is ze ook, maar tevens oordeelt ge, dat ze er zwak en lijdend uitziet. Ook daarin hebt ge niet misgetast; want ze is werkelijk zwak en lijdend. Dat was ze vroeger niet; doch toen ze nu drie jaren geleden in éen week aan ’t roodvonk twee kinderen, een jongetje van zeven en een meisje van acht jaren verloor, was haar zenuwgestel zoo geschokt, dat men voor haar leven vreesde. Alles werd [13]aangewend om haar te behouden, consulten met professoren en een badreis. Mocht dus de wetenschap er zich op beroemen, haar in ’t leven te hebben behouden, haar een volkomen herstelling te geven was niet mogelijk geweest: haar gezondheid was geknakt en ze voelde ’t zelf, dat haar krachten langzamerhand verminderden. Ze verborg dit echter zooveel ze kon voor haar man en haar kinderen, overspande zich meermalen om niet te laten merken hoe alles haar vermoeide, en veinsde dikwerf lust in dingen die haar te vermoeiend waren. Zoodra nu allen het vertrek verlaten hadden, strekte ze zich gemakkelijk op de sofa uit en men kon ’t haar aanzien, hoe mat ze zich voelde.
Intusschen was Leonie haar zuster spoedig naar boven gevolgd. Terwijl Helène zich waschte, bekeek de jongere zuster de japonnen, die haar volle goedkeuring schenen weg te dragen en dan ook inderdaad met veel smaak door de kamenier waren opgemaakt.
„U mag u wel gaan wasschen, juffrouw Leonie,” zei Rika. „Anders is uw ondertoilet niet in orde, wanneer de kapper komt, en hij met uw zuster klaar is.”
„Dan moet hij maar wachten; dat is ’t eenige wat er opzit,” zei Leonie trotsch. „Hij wordt er immers voor betaald, en ’t is beter dat hij op mij wacht, dan dat ik ’t op hem doe.”
„Maar je weet, dat hij het druk heeft, Leonie,” zei Helène, „en dan zou hij immers anderen laten wachten. Wat de japonnen aangaat, die zul je nog gelegenheid genoeg hebben, om te bekijken.”
„Nu, cathecheseer-juffrouw,” hernam Leonie. „Ik zal me dadelijk gaan wasschen.”
Inderdaad deed ze wat ze zei, en juist was ze er mee gereed en zou Rika aan haar ondertoilet beginnen, toen de [14]kapper aan de deur tikte en op het „Binnen!” van Helène de kamer intrad.
Na ’t garneersel der japon van Helène gezien te hebben, waarnaar hij zijn kapsel moest inrichten, begon hij zijn kunst aan haar lokken uit te oefenen, en, gelukkig voor hem, behoefde hij niet te wachten, want juist toen Helène’s kapsel klaar was, was ook Leonie gereed.
Beide meisjes zagen er inderdaad uit om te stelen in haar élegant toilet, en met welgevallen beschouwde mevrouw Nederhorst haar beide dochters, en wist bij zich zelf niet te bepalen, wie van beide de schoonste was: Helène met haar tenger en fijn figuurtje en haar vriendelijk gezicht, of Leonie, die, voor haar leeftijd meer ontwikkeld, ’t in ronding van vormen van haar zuster won en wier trotsche trekken en levendige oogen haar zoo verleidelijk goed stonden.
„Is Rudolf nog niet beneden, ma?” vroeg zij. „Nu, die heeft ook lang werk aan zijn toilet.”
„Hij zal hebben moeten wachten tot meneer Courtier hem onder handen kon nemen, Leonie,” zei mevrouw Nederhorst.
„O, neen, ma, die kwam juist van hem vandaan, toen hij ons kwam kappen,” zei Helène. „Maar daar komt hij zingend de trap af.”
Inderdaad ging een oogenblik later de kamer open en daar trad Rudolf binnen, geheel in gala gekleed. Hij zag er keurig uit en mevrouw Nederhorst kon niet nalaten, een blik van welgevallen op haar oudsten zoon te slaan, zooals hij daar stond in zijn nieuw pak, met zijn helder linnen, zijn keurige witte glacé handschoenen, ’t gefriseerde haar, en de vroolijke oogen, die van genoegen schitterden. Inderdaad zag hij er alleraardigst uit en mevrouw mocht met recht wel eenigszins grootsch op haar zoon zijn. [15]
„Is ’t rijtuig nog niet voor, ma?” vroeg hij. „’t Wordt zoo laat.”
„Mij dunkt, dat je reden hebt, om blij te zijn, dat het er nog niet is,” antwoordde mevrouw Nederhorst, „anders kwam je zeker te laat.”
„O, o! Dan had het maar wat op mij moeten wachten,” zei Rudolf. „Maar ik hoop, dat het gauw komt. Louise heeft gevraagd, of we wat vroeger komen. U weet, ma, ik zal een van de ceremoniemeesters zijn, om de dames te ontvangen.”
„O, heb je daarom dien strik op je borst,” zei Leonie. „Ik dacht eerst, dat je ridder geworden was of voor een paard van den koning wou spelen.”
„Die hebben in alle gevallen de strikken aan hun kop,” zei Rudolf.
„De ridders of de paarden van den koning?” vroeg Leonie.
„Daar is ’t rijtuig!” riep Helène uit, die vol ongeduld aan een der ramen stond.
Mama werd nu goeden dag gekust; door Rika geholpen, stapten ze in de vigilante en reden met een vroolijk hart naar ’t huis van oom Walburg, voor wiens deur ze weldra stilhielden.
’t Was een prachtige, rijk verlichte zaal, waarin de danspartij zou plaats hebben.
Toen Rudolf met zijn beide zusters kwam, was er echter niemand in de zaal dan meneer en mevrouw Walburg en hun drie kinderen, van welke Louise vrij wat in leeftijd verschilde met haar twee zusjes, waarvan de oudste eerst acht jaren oud was. Natuurlijk werd eerst Louise geluk gewenscht en met een cadeautje verrast; daarna maakte men zijn compliment voor oom en tante.
„’t Speet me, dat ma er tegen had, om Dora en Alfred mee te sturen,” zei mevrouw Walburg tegen Helène. [16]
„Ma vond ze nog te klein, om naar zulk een groote partij te gaan, tante,” antwoordde Helène. „Alfred is nog maar acht en Dora zeven jaar. Ze zouden u maar tot last zijn, en daarenboven misschien onder den voet raken.”
„En dan Anne en Emmy?” vroeg mevrouw Walburg. „Anne is ook pas acht jaren en Emmy nog maar zes.”
„O, tante, dat maakt een groot verschil,” antwoordde Helène. „Die zijn hier thuis en zullen wel, als het wat vol wordt, bij u blijven zitten. Daarenboven, als ze slaap krijgen, kunnen ze naar bed gebracht worden; terwijl Dora en Alfred zouden moeten wachten, tot ze, al was ’t dan ook vroeger dan wij, werden gehaald.”
„’t Is waar,” hernam mevrouw Walburg. „Je ma heeft groot gelijk, en ik zou in haar geval evenzoo gehandeld hebben. Maar dat ze zelf niet meegekomen is, heeft me zeer teleurgesteld. Vroeger hield ze er wel van, zulke partijen te zien.”
„Ma zei, dat ze te zwak was, om zich in zulk een gewoel te wagen,” antwoordde Helène. „Ze vond het voor haar verstandiger om maar stil thuis te blijven.”
„Wel, Rudolf,” zei oom Walburg tegen zijn neef, „je ziet er kranig genoeg uit. Al de meisjes zullen zin in je krijgen en met je willen dansen.”
„’t Is niet te hopen, oom!” antwoordde Rudolf. „Als dat het geval was, dan mocht ik wel tien lichamen hebben meegebracht, om met elk van haar een dans te kunnen doen. Maar zoo’n vaart zal ’t niet loopen, denk ik.”
„Nu, dat is maar goed ook,” hernam meneer Walburg. „Want anders vrees ik, dat je hier niet heelhuids van daan zou komen, daar men je stuk zou trekken. Je bent gisteren met vacantie thuisgekomen, niet waar?”
„Ja, oom! Gisteren na den middag.”
„En gaat het altijd nog goed op school?” [17]
„O, ja, oom, heel goed. Ik kan met de meesters goed overweg, en met de jongens ook.”
„Dat doet me pleizier,” antwoordde meneer Walburg. „Je papa krijgt dan ook telkens van meneer Voornvisser de gunstigste getuigenissen. Ga zoo maar voort, Rudolf, en je zult er plezier van hebben. Een mensch die wat weet, kan vooruitkomen in de wereld—een botterik en een weetniet wordt door iedereen geschuwd.”
„O, wat zijn je jurken allerliefst gegarneerd!” zei Louise tot haar nichtjes. „Dat heeft Rika zeker gedaan.”
„Natuurlijk,” antwoordde Leonie. „Maar ik heb haar eerst de les moeten lezen. ’t Is of die soort van menschen uit zichzelf geen smaak hebben. Je had eens moeten zien, hoe stijf ze ’t eerst gedaan had. Gelukkig dat ik nog juist bij tijds boven kwam om ze eens te zien, anders hadden we er uitgezien als een paar vrouwen uit een hofje.”
„Dat zou zoo’n vaart niet geloopen hebben,” meende Louise.
„Maar nu zie je er allebei uit om te stelen; dat moet ik zeggen.”
„Maak Leonie maar niet hoogmoediger dan ze al is,” zei Helène lachend. „Wat mij aangaat, ik ben dankbaar dat ik zoo’n ingénieus zusje heb, maar ik pas er wel op, haar in haar gezicht te prijzen; want dan zou ze nog trotscher worden dan ze al is.”
Ze werden in haar gesprek gestoord door ’t binnentreden van een tweeden ceremoniemeester met zijn zuster, die Louise aansprak en haar gelukwenschte met haar verjaardag. Rudolf en zijn ambtgenoot begaven zich nu naar ’t voorhuis, om hun plichten als ceremoniemeester jegens de dames te vervullen, en weldra werd hun getal nog met twee vermeerderd. Ze hadden ’t alle vier braaf druk met de dames te ontvangen, binnen [18]te leiden en aan de gastvrouw voor te stellen, en ik moet zeggen, dat ze den hun opgedragen post eer aan deden.
Langzamerhand vulde zich de zaal met keurig gekleede dametjes en jongeheeren, en ’t was een aardig gezicht, die bonte menigte door elkander te zien woelen. Nadat de thee gepresenteerd was, verscheen de dansmeester met zijn muzikanten, en nu repten de jonge voetjes zich tot den dans. Toen de pauze begon, verzocht de dansmeester, dat de jongelui zich twee aan twee zouden opstellen en maakte men een marsch door de zaal. Niemand begreep, wat dat eigenlijk te beduiden had, tot eensklaps de vleugeldeuren geopend werden en een zee van licht onzen jeugdigen gasten uit de aangrenzende zaal tegenstroomde. Daar toch stond een kolossale kerstboom, die tot aan de tamelijk hooge zoldering reikte, met ontelbare lichtjes versierd en met tal van cadeaux behangen was. Onder toezicht nu van Rudolf en een anderen ceremoniemeester werd er een tombola gehouden, terwijl de beide andere ceremoniemeesters, met haken gewapend, de getrokken prijzen uit den rijk voorzienen boom haalden. Er was natuurlijk veel plezier wanneer een jongen een werkmandje, of een meisje een sabel of een geweer trok. Door minnelijke wisseling echter kwamen al de getrokken prijzen in de rechte handen en keerden allen hoogst tevreden en vergenoegd naar de groote zaal terug, waar weldra het dansen op nieuw begon, en de massa limonade en ijs, welke er gebruikt werd, wel aantoonde, dat de jonge kelen droog van het dansen en het stof werden.
Toen onze jongelui thuiskwamen, alle drie met kleuren als rozen, gezichten gloeiend van de warmte en oogen flikkerend van de pret, vonden ze hun ouders nog op. Mevrouw Nederhorst had niet naar bed willen gaan, eer de kinderen thuis waren, hoe dikwijls haar man haar daartoe ook aangezet had. [19]
„Plezier gehad?” vroeg ze, toen de drie jongelui binnenkwamen.
„O, ma! Dol veel!” riep Helène uit. „Ik heb geen enkelen dans overgeslagen. En we hebben een tombola gehad en nog een cadeautje op den koop toe gekregen. ’t Is maar jammer, dat zoo’n avond zoo gauw om is!”
„Ja, kindlief! Er is een eind aan alle dingen, ook aan de pret. En daaraan schijnt gauwer een eind te komen dan aan ’t verdriet; want als we plezier hebben, dan vliegen de uren om. En jij, Leonie?”
„O, zeker, ma,” antwoordde Leonie. „Wie zou zich niet amuseeren op een danspartij?”
„En heeft Rudolf zijn rol van ceremoniemeester goed vervuld?” vroeg meneer.
„Nu, dat zou ik zeggen!” antwoordde Helène. „Hij heeft de honneurs goed waargenomen. ’t Is hem wél toevertrouwd.”
„Maar ’t is hoog tijd, om naar bed te gaan,” zei haar vader. „Kom, kinderen! zeg nu ma en mij goeden nacht en zoek dan de slaapkoets op! Ma moest eigenlijk al lang te bed liggen. Het deugt voor haar in ’t geheel niet, om zoolang op te blijven.”
„En waarom is u niet naar bed gegaan, ma?” vroeg Helène.
„Omdat ik je zoo graag van een partij zie thuiskomen. En nu, goeden nacht!”
„Nacht, ma!” zei Helène. „O, dat zulke dagen zoo zelden voorkomen! Ik zou wel driemaal in de week zulk een partij willen bijwonen.”
Nadat ze pa en ma goeden nacht gezegd hadden, gingen de drie jongelieden de kamer uit om naar bed te gaan, en schelde mevrouw Nederhorst haar kamenier.
„Wat een verschil tusschen die twee meisjes!” zei meneer [20]Nederhorst tot zijn vrouw. „Helène alles maar voor de pret; terwijl Leonie in stilte geniet.”
„Je oordeelt oppervlakkig, Leo,” antwoordde zijn vrouw. „Leonie is misschien even dol op plezier als Helène, maar ze weet zich te bedwingen en uit zich niet, terwijl de andere veel levendiger en minder gesloten is. Heusch, het karakter van Helène, hoe oppervlakkig ’t ook schijnt, is dieper en inniger dan dat van Leonie. ’t Komt er door, dat de een fijner voelt dan de ander.”
„’t Is best mogelijk, Marie,” antwoordde meneer Nederhorst. „Maar daar is Rika. Kom, nu gauw naar bed! Het is niet goed voor je, om zoo laat op te blijven. Dokter Manders heeft het je volstrekt verboden.”
„Ik zal den verloren tijd trachten in te halen,” zei mevrouw Nederhorst, „en me vlug uitkleeden. Tot straks, Leo!”
Ons drietal was spoedig in bed. Leonie en Rudolf sliepen weldra in. Maar Helène kon den slaap niet vatten. ’t Was of haar onophoudelijk de dansmuziek in de ooren klonk en of ’t licht der balzaal nog in haar oogen schitterde. Onrustig draaide zij zich van de eene zij op de andere en poogde een andere wending aan haar gedachten te geven. Doch te vergeefs: de vroolijke polka’s en mazurka’s kwamen telkens weer boven en dreven den slaap uit haar oogen. Eindelijk, ’t zal zoowat vier uur in den morgen geweest zijn, sluimerde ze in; doch ze genoot geen gerusten slaap: want ze werd door de bontste en grilligste droomen gekweld, die haar erg vermoeiden. Toen men haar ’s morgens kwam roepen, had ze lust om nog wat te blijven liggen; want ze had geduchte hoofdpijn. Ze hoopte echter dat, wanneer ze opstond en in beweging was, die hoofdpijn wel beter zou worden, stapte het bed uit en kleedde zich aan.
„Kindlief!” zei haar vader, toen hij merkte hoe bleek en [21]betrokken zij er uitzag, „hoeveel je ook van uitgaan mag houden, je schijnt er niet best tegen te kunnen.”
„Ik kon in den voornacht niet in slaap komen, pa,” zei ze. „En toen ik eindelijk in slaap viel, heb ik zoo zwaar gedroomd, dat ik met hoofdpijn ben opgestaan.”
„Gelukkig, dat het Kerstdag is en er geen lessen zijn,” zei mevrouw Nederhorst. „’t Zou er anders slecht mee staan, Helène.”
„Dat denk ik ook, ma,” antwoordde Helène. „Neen, dank u; ik zal niets gebruiken; ik heb geen trek in eten.”
„Ik zal zeggen dat Rika je bed weer opmaakt,” zei mevrouw Nederhorst. „’t Best is, dat je dadelijk maar weer gaat liggen; misschien lukt het je te slapen, en dan zal de hoofdpijn waarschijnlijk wel overgaan.”
Helène deed, wat haar moeder zei. ’t Was wel geen prettig besluit van de heerlijke danspartij; maar wat zou zij er aan doen? Weldra was ze in een gerusten slaap en ’t was al half twee, toen ze geheel verkwikt en zonder hoofdpijn ontwaakte. [22]